PREEK · KERKELIJK JAAR

Geen blijvende stad – Hebreeën 13

Oudjaar - 31 december 2024

Hebreeën 13:14: Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende.

INLEIDING

Op deze laatste avond van het jaar klinkt uit Hebreeën 13:14 de indringende boodschap: “Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende.” Deze oudejaarspreek zet alles wat vergankelijk is in het licht van de eeuwigheid, en wijst de weg naar de blijvende stad die wacht voor wie zijn hart, te midden van al het voorbijgaande, waarlijk op God gericht houdt.

THEMA

De voorbijgaande en de blijvende stad

KERNPUNTEN

  1. Want alles wat hier en nu is, dat gaat voorbij
  2. Maar alles wat daar en straks is, dat blijft

HEBREEËN 13:10-16

10 Wij hebben een Altaar, van Hetwelk geen macht hebben te eten die den tabernakel dienen.
11 Want welker dieren bloed voor de zonde gedragen werd in het heiligdom door den hogepriester, derzelver lichamen werden verbrand buiten de legerplaats.
12 Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden.
13 Zo laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, Zijn smaadheid dragende.
14 Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende.
15 Laat ons dan door Hem altijd Gode opofferen een offerande des lofs, dat is de vrucht der lippen die Zijn Naam belijden.
16 En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet; want aan zodanige offeranden heeft God een welbehagen.

VOLLEDIGE TEKST

Geen blijvende stad – Hebreeën 13

ds. J. IJsselstein - Hebreeën 13:14

THEMA

De voorbijgaande en de blijvende stad

LITURGIE

Psalm 103:8,9 Artikel 33 Westminster Confessie Hebreeën 13:10-19

Psalm 119:10,13,16

Psalm 102:15

Psalm 89:19,7

Geliefde gemeente, de laatste dag van dit bijna voorbijgegane jaar herinnert ons indringend aan de werkelijkheid van dat wat de apostel schrijft in Hebreeën 13:14a: Want wij hebben hier geen blijvende stad. En dat dringt ons om vanavond met ernst te luisteren naar de apostolische raad die daarop volgt, en die de praktijk moet zijn van al Gods kinderen, zoals die staat in vers 14b: Maar wij zoeken de toekomende.

De tekst voor de preek op deze oudejaarsavond kunt u vinden in Hebreeën 13:14: Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende. Gemeente, ik vraag u met ernst te luisteren en dit woord ter harte te nemen.

Het thema voor de preek van vanavond is: De voorbijgaande en de blijvende stad

Er zijn twee aandachtspunten: 1. Want: alles wat hier en nu is, dat gaat voorbij 2. Maar: alles wat daar en straks is, dat blijft

Als we kijken naar de context, waarin deze woorden geschreven staan, dan blijkt dat de apostel de Hebreeën (christen geworden Joden) aan wie hij schrijft, oproept om afstand te nemen van de oudtestamentische offerdienst en ceremonieën. En hun hoop alleen te stellen op het enige altaar, op het kruis (zo staat in vers 10) en op het enige offer (zoals staat in vers 12), dat de Heere Jezus bracht aan het kruis op Golgotha. Als een Onreine, onrein door het dragen van de last van de zonden van Zijn volk, heeft Hij buiten de poort geleden.

Dat geloof in Hem, in die verachte Jezus, zal ongetwijfeld leiden tot smaadheid en vervolging. Maar, zegt de apostel, u moet desondanks standvastig blijven bij het geloof in Christus Jezus alleen. Zoals staat in vers 13: Zo laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, Zijn smaadheid dragende.

En, zo vraag ik u, geldt dat niet iedere christen of christin, ook in deze tijd? Dat het geloof in Jezus Christus Die de vervloekte dood aan het kruis gestorven is, en de navolging van Hem, in deze wereld leidt tot smaadheid en vervolging? In welke vorm dan ook?

Zoals de Heere Zelf biddend zei in Johannes 17:14: Ik heb hun Uw Woord gegeven, en de wereld heeft hen gehaat, omdat zij van de wereld niet zijn, gelijk als Ik van de wereld niet ben. Zo laat ook ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, Zijn smaadheid dragende. Die smaadheid, dat lijden zal immers maar van korte duur zijn. Want (vers 14): Wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende.

Want, om met het eerste deel van onze tekst en met ons eerste punt te beginnen:

1. Want alles wat hier en nu is, dat gaat voorbij.

Want wij hebben hier geen blijvende stad. Wij! Wij allemaal, wie we ook zijn. Ogenschijnlijk sterk of kwetsbaar. Gezond of ziek. Jong of oud. Rijk of arm. Levend zonder God of levend met God. Wij allemaal hebben hier geen blijvende stad, geen blijvende woonplaats.

a. Want de wereld, met alles wat er in is, gaat voorbij. Zoals staat in 1 Johannes 2:17: En de wereld gaat voorbij(!), en haar begeerlijkheid; maar die den wil van God doet, blijft in der eeuwigheid. Zoals staat in 2 Petrus 3:10 Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan(!), en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken die daarin zijn, zullen verbranden.

Als u thuis om u heen kijkt (u moet dat straks thuis maar eens doen) naar alles wat u nu hebt, naar al uw spullen die u nu bezit (hoe mooi ook, hoe gehecht u er ook aan bent), bedenk dan wat Paulus zegt in 1 Korinthe 7: Het gaat voorbij! Over 100 jaar is er niets meer van over. Want de gedaante van deze wereld gaat voorbij. Ons huis, onze spullen, onze stad, ons dorp, het is allemaal niet blijvend. Het gaat voorbij. Want de wereld gaat voorbij.

b. En dus gaat ook deze kerk voorbij. De dag komt, dat deze kerk er niet meer zal zijn. Laat ik het dichterbij en persoonlijker zeggen: de zondagen die wij hier nog zullen zijn, gaan voorbij. De preken die u nog horen zult en die ik nog houden zou, gaan voorbij. Voor sommigen was dit het laatste volle levensjaar, dat u hier wekelijks zat. Nog even, dan is ook dat voorbij. Dan is er geen preek meer, geen zingen meer, geen bidden meer, geen Bijbellezen meer, dan staat u voor God…

c. Want ook wij zelf gaan voorbij. De Bijbel is daar helder over, en dat weet u. Denk maar aan Psalm 39:6: Onze dagen zijn een handbreed gesteld, en onze leeftijd is als niets voor U, Heere. Kijk eens naar je hand… Hoe breed is die? Zo breed is je leven. Zolang duren je dagen. Denk maar aan Psalm 89:49: Wat man leeft er die den dood niet zien zal, die zijn ziel zal bevrijden van het geweld des grafs? Denk maar aan Psalm 90:9 en 10: Wij brengen onze jaren door als een gedachte (zo vluchtig!), en wij vliegen daarheen.

Denk maar aan Psalm 103:15: Ze (de dagen van ons) zijn gelijk het gras; gelijk een bloem des velds, alzo bloeit hij. Maar als de wind erover gegaan is, zo is zij niet meer. Hebben we dat ook dit jaar niet vaker met elkaar moeten zingen aan het begin van de dienst? Gelijk het gras is ons kortstondig leven. Is dat wel goed tot u doorgedrongen? Ook uw leven is als gras...? Als gras, dat plotseling door de dood kan worden afgemaaid?

Denk ook maar aan Psalm 144:4: De mens is der ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw. Heb je wel eens een schaduw voorbij zien gaan? Zo snel gaan wij voorbij. Denk maar aan wat Hosea schrijft in Hosea 13:3: Daarom zullen zij (en wij) zijn als een morgenwolk, en als een vroeg komende dauw, die heengaat; als kaf van de dorsvloer, en als rook dat uit de schoorsteen wordt weggestormd. Heb je wel eens gezien hoe snel de wolken in de morgen verdwijnen? Hoe snel de dauw wegtrekt? Hoe snel stof wegwaait? Hoe snel rook uit een schoorsteen vervliegt, zeker als het stormt? Zo snel vervliegen wij ook. Wij vliegen daarheen. Wij allemaal hebben hier geen blijvende stad of woonplaats.

En dat hebben we tot ons verdriet in het afgelopen jaar ook ervaren, gezien en gehoord. Hoe wij allemaal meegesleurd worden in een niet te stuiten stroom, op weg naar de eindeloze eeuwigheid. Toen onze geliefden, jong of oud, klein of groot, van ons weggerukt werden door de dood. Wat ons tot op de dag van vandaag in tranen heeft achtergelaten.

Want wij hebben hier geen blijvende stad. Dat weten we uit de Bijbel. Dat zien en horen we. Maar..., denkt u, denken jullie daar ook wel eens over na? Ik bedoel: denkt u wel eens na over uw eigen sterfdag? Over de dag dat u zult moeten gaan verhuizen vanuit deze voorbijgaande stad naar…? Ja, waarheen eigenlijk?

Gemeente, als u dat dan zo duidelijk weet uit de Bijbel (en dat zult u niet ontkennen) en als u dat dan steeds weer om u heen hoort en ziet gebeuren, bereidt u dan alstublieft voor op de dag dat u sterven moet, op de dag van uw eigen verhuizing.

a. Want die zal eenmalig zijn. U zult maar één keer sterven. Wat u verkeerd gedaan hebt, kunt u dan nooit meer over doen. Als u niet oprecht bidt, dan kunt u opnieuw beginnen. Als u niet goed Avondmaal houdt, is dat te herstellen. Maar helaas, als u niet goed sterft, dan is dat nooit meer goed te maken. Uw sterfdag zal eenmalig zijn.

b. En u hebt maar één ziel. Had u die niet, dan kon u rustig doorleven. Maar nu bent u met uw onsterfelijke ziel op weg naar de grote ontmoeting met God en naar de eindeloze eeuwigheid die voor u ligt. Dit hier en nu is tijdelijk. Dat is niet blijvend. Hierna begint het pas echt...

c. Uw sterven is eenmalig, u hebt maar één ziel, en (en is dat geen reden om u vanaf nu op uw sterfdag voor te bereiden): uw tijd is kort. Paulus zegt in 1 Korinthe 7: De tijd is voorts kort. En de gedaante dezer wereld gaat voorbij. Alles van hier, wat u nu zo bezighoudt, zult u verliezen. Misschien denkt u met de rijke dwaas uit Lukas 12: Mens, je hebt veel, genoeg voor nog heel veel andere jaren. Neem rust, eet en drink en wees vrolijk, en geniet ervan. Maar wat…, als God deze nacht gaat zeggen: Dwaas, in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen?

U hangt aan een dunne draad boven de eindeloze eeuwigheid. Jakobus zegt (in Jakobus 4:14): U, die niet weet, wat morgen geschieden zal, want hoedanig is uw leven? Want het is een damp, die voor een korte tijd gezien wordt, en daarna verdwijnt. Is uw ziel dan gered? Zijn uw zonden dan vergeven? Hebt u dan geleefd met God?

Weet toch en geloof, dat sterven met onvergeven zonden verschrikkelijk is. Alstublieft, bespaar het uw familie, dat ze zo aan u terug zullen denken. Alstublieft, besparend het mij, dat ik u zo zal moeten begraven. Maar vooral, bespaar het uzelf. Het is vreselijk om onverzoend te sterven en te vallen in de handen van de levende God (Hebr. 10:31). En dus bereid u toch voor, om God te ontmoeten. Want uw leven is een damp en de dood wenkt ieder uur.

Hoe zult u straks als u verloren gaat, in de eeuwige rampzaligheid terugkijkend naar deze jaren? U zult het voor u zien: deze kerk, de bank waar u zat, deze preekstoel... U zult u de teksten herinneren. De woorden die u aanspraken. De woorden die u misschien ook wel irriteerden. De ernstige en liefdevolle vermaning en nodiging van de mannen die hier stonden. Die u opriepen: ‘Laat u toch met God verzoenen! Beken toch op deze dag wat tot uw vrede dient!’ Maar dan is het te laat…

Leef, geliefde gemeente, bij die werkelijkheid. Want of u eraan denkt of niet, of u het gelooft of niet: uw Rechter staat voor de deur. Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage, hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad (2 Kor. 5:10).

Wij zijn in uw midden als gezanten van Christus’ wege, wij bidden u van Christus’ wege, namens Hem: Laat u met God verzoenen. Want wij hebben hier geen blijvende stad.

Laten wij voordat wij verder gaan met ons tweede aandachtspunt nu eerst zingen uit Psalm 102:15: Als een kleed zal 't al verouden; Niets kan hier zijn stand behouden; Wat uit stof is, neemt een end Door den tijd, die alles schendt. Maar Gij hebt, o Opperwezen, Nooit verandering te vrezen; Gij, die d' eeuwen acht als uren, Zult all' eeuwigheid verduren.

- - - - -

Alles wat hier en nu is (dat was ons eerste punt), dat gaat voorbij.

2. Maar alles wat daar en straks is, dat blijft.

En dus zoeken wij, zegt de apostel, de toekomende stad.

Wij zoeken. Want sinds het paradijs zijn wij zoekende mensen. Mensen vol onvervuld verlangen. Op zoek naar rust, naar vrede, naar harmonie en geluk. Alleen, hier scheiden onze wegen als het gaat om de vraag: Waar we dat zoeken, en hoe we dat zoeken.

Waar zoekt u rust en vrede? Waar heb jij dat het afgelopen jaar in gezocht? In je studie, in je werk? In familie of gezin? In hobby's en vrije tijd? In de dingen van deze tijd die voorbijgaan? Of...? Of heb je rust gezocht in God? Heb je God Zelf gezocht? En de dingen die boven, die in de hemel zijn?

En hoe heb je dat gezocht? Heb je rusteloos gejaagd naar de dingen die voorbijgaan? Of heb je met ernst de Heere gezocht en de dingen van de tijd hierna? Denkend aan Gods beloftewoord: Die Mij vroeg (die Mij ijverig) zoekt, die zal Mij vinden?

Laat me u en jou op deze laatste dag van het voorbijgevlogen jaar indringend oproepen om vanaf nu de dingen te zoeken van de komende wereld. Je gaat toch je kostbare tijd niet verprutsen met dingen die voorbijgaan? Je gaat toch je kostbare ziel op weg naar de eeuwigheid niet verwaarlozen? Volg het voorbeeld van de apostel na, en zoek de toekomende stad.

Want, zegt de apostel, wij zoeken de toekomende stad. En dat woord ‘zoeken’ duidt op een ernstig, dringend en ijverig zoeken. Gedreven door een hartelijke wens en door een diep verlangen. Het is niet zomaar een even zoeken, in een opwellende emotie. Maar heel ons hart en leven moet daarop gericht zijn. Op de dingen die boven zijn. Op God en Christus.

Leg uw hart er eerlijk naast, gemeente, als ik u verder zal proberen uit te leggen wat het betekent, dat wat de apostel zegt: Wij zoeken de toekomende.

Wat is die toekomende stad, die blijft? En wat zoeken wij daar dan? En hoe zoeken we die?

1. Die toekomende stad is de hemel, die blijft. a. Want de hemel is Gods troon. De troon van Hem Die ook Zelf nooit veranderen zal. Want zo schrijft Jesaja in Jesaja 54: 10: Want bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u (Mijn volk) niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de HEERE, uw Ontfermer. Gods troon is in alle eeuwigheid (Hebr. 1:8). En Zijn Koninkrijk is een onbeweeglijk Koninkrijk (Hebr. 12:28). Dat is van eeuwigheid af en dat bestaat tot in alle eeuwigheid.

b. Die toekomende stad is de hemel, die blijft. Want ook de burgers die in die plaats wonen, wonen daar voor eeuwig. Ze hebben eeuwig leven van God ontvangen. Ze dienen de Heere dag en nacht, tot in alle eeuwigheid. Daar is grote belofte van de Zaligmaker vervuld (uit Johannes 10:28): En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken. Die toekomende stad is de hemel, die blijft.

c. Die toekomende stad is de hemel, die blijft. Want ook de vreugde, de blijdschap en de verwondering van de gezaligden zal nooit ophouden. De profeet Jesaja schrijft in Jesaja 51:11: Alzo zullen de vrijgekochten des HEEREN wederkeren, en met gejuich tot Sion komen; en eeuwige(!) blijdschap zal op hun hoofd wezen; vreugde en blijdschap zullen zij aangrijpen, treuring en zuchting zullen wegvlieden.

En Johannes schrijft in Openbaring 22:5: En aldaar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht der zon van node hebben, want de Heere God verlicht hen; en zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid. In die toekomstige stad, waar zij tot in alle eeuwigheid zullen zingen, zoals staat in Psalm 89:2: Ik zal de goedertierenheden des HEEREN eeuwiglijk zingen; ik zal Uw waarheid met mijn mond bekendmaken van geslacht tot geslacht.

Waarom zoeken wij, die door genade Gods kinderen mogen zijn, die stad? Omdat we ernaar verlangen. In een wereld waarin we de smaadheid van Christus dragen, in een wereld vol van moeite en verdriet, in het lijden van deze tegenwoordige tijd verlangen we naar... God. En dus, naar de plaats waar Hij woont.

Omdat God ons ooit in ons hart leven gegeven heeft, met Hem. Goddelijk leven, dat doet verlangen naar God.

Naar God, Die niet alleen de Architect is van die hemelse stad. Zoals staat in Hebreeën 11:10: Hij (Abraham) verwachtte de stad die fundamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is. Maar God Zelf, zichtbaar in de mens geworden, verheerlijkte Christus, Hij is ook het Middelpunt van de hemel. En op Hem is ons verlangen gericht. Op God en op Christus. Ons zoeken van de hemel is een zoeken van Hem.

We zoeken Christus niet om de hemel. Maar we zoeken de hemel om Christus. Als Hij daar niet zou zijn, zouden we niet naar de hemel verlangen. Denk maar aan wat Paulus schrijft in Filippenzen 3:20: Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker(!) verwachten, namelijk de Heere Jezus Christus. We kijken uit naar Hem, Die we niet gezien hebben, en nochtans zo liefhebben.

We hebben hier op aarde, midden in al ons verdriet om onze zonden, iets gezien van de schoonheid van Christus en van God. En sindsdien geldt wat staat in Jesaja 32:3: En de ogen dergenen die zien, zullen niet terugzien. Sindsdien geldt, dat Hij ons meer waard is dan het fijnste goud op de aarde. Sindsdien geldt dat we (zoals staat in Hebreeën 11:16) begerig zijn naar dat betere vaderland, dat is naar het hemelse.

Dus, waarom zoeken wij (wij, die door genade mogen leven met God), die hemelse stad? Omdat God daar is. Omdat Christus daar is. Hij is (zo zegt een puriteinse godgeleerde) voor de echte zoeker de grootste schoonheid van de hemel.

En daar bij God, daar is (en daarom verlangen we daar ook naar) een leven zonder zonde. Want de zonde doet ons verdriet. Daar is een leven in volmaakte heiligheid. En dat is ons verlangen. Daar is een leven zonder gebrek, zonder verdeeldheid en zonder minachting.

Wij zoeken de hemel, omdat we ons hier op de aarde niet thuis voelen. Want zo schrijft de apostel Johannes: Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses en de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld (1 Joh. 2:16). En daar voelen we ons niet bij thuis. Hoewel onze oude mens daarin terug kan vallen. Maar onze liefde tot de zonde en tot de dingen van deze wereld heeft voor altijd de nekslag gekregen. Door het leven, dat God aan ons gaf. En door het verzoenende bloed dat Hij op onze ziel heeft gedrupt.

We voelen ons hier niet thuis. Of u wel? Jij? Zou je hier voor altijd willen wonen? Jazeker, het is mooi, dat we door de genade van de Heere het als gemeente goed met elkaar hebben. En met al degenen van wie we zoveel houden. Maar zou u hier, zou jij hier voor altijd willen blijven? Is dit je thuis? Zucht je nooit eens op je knieën: Heere, wanneer komt die dag, dat mijn zonden voor altijd voorbij zullen zijn? En dat ik U, mijn Liefste, zien zal?

Ben je ook zo'n door de trekkende pelgrim op aarde? Verlangend naar huis? Zoals staat in Hebreeën 11:3: Een gast en vreemdeling hier beneden? Verlangend naar de rust en de vrede die er bij God is? Verlangend naar de rust die overblijft voor het volk van God (Hebr. 4:9)? Verlangend… naar God?

Hoe staat u, hoe sta jij in dit leven? Terugkijkend naar wat achter ligt? Vooruitkijkend naar wat voor ligt? Misschien nog een enkel uur, een enkele dag, een paar maanden of wat jaren? En dan? Komt u dan als vermoeide pelgrim thuis in het vaderhuis hierboven? Of gaat u dan (nadat alles van uw wereld voorbijgegaan zal zijn) voor eeuwig omkomen? Als kaf met onuitblusselijk vuur verbrand (Matth. 3:2)?

Wij allemaal worden, geliefde gemeente, in de stroom van deze tijd meegevoerd naar de grote tweesprong, waar de Heere Jezus over sprak in Mattheüs 25:46: En dézen zullen gaan in de eeuwige pijn. Maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.

Laat ik u en mezelf, ons allemaal, als laatste nog één keer aansporen om ernstig te zoeken naar de dingen die boven zijn.

a. U die nog onbekeerd bent, verprutst uw kostbare tijd toch niet, zoals u dat in het afgelopen jaar wel wéér gedaan hebt. Bedenk, dat als u daar mee doorgaat, dat er een dag komt dat de aarde u niet langer zal willen houden, en dat de hemel u niet zal willen ontvangen. De dag komt, dat u sterven moet. De dag komt, dat u de Zoon des mensen zult zien komen op de wolken des hemels. De dag dat u zult roepen tot de bergen: Valt op mij. De dag dat u zich zal proberen te verbergen voor Hem Die op de troon zit. Maar tevergeefs! U zult opgeroepen worden om te verschijnen voor de Almachtige. En weggedaan worden van het aangezicht des Heeren. In (zo heeft de Heere Jezus Zelf gezegd), in de eeuwige pijn, waar uw worm niet sterft en het vuur niet uitgeblust zal worden.

Zoek dan toch, lieve mensen, de dingen die boven zijn. Zoek de Heere dan toch. Zoek Jezus dan toch veel, zoek Jezus vroeg. Want wie Jezus heeft, die heeft genoeg. Voor de tijd van nu en voor de eeuwigheid straks. Zoek Hem dan toch, met alles wat in je is.

Zoek toch, bid toch, klop toch. Zeg toch met Jakob: Ik laat u niet los, Heere, tenzij U ook mij zegent. Als je dat in het afgelopen jaar niet gedaan hebt, gaat daar dan nu vanavond mee beginnen. Want je tijd gaat voorbij. Je tijd is voorts kort, zegt Paulus. Zoek dan toch de Heere van de hemel. Ga dan toch biddend op zoek naar de Weg en de Deur om daardoor binnen te gaan. Zoek Christus dan toch!

En zoek de zekerheid dat u daar straks zult aankomen, in die toekomende stad. Zoek de enige, echte zekerheid, namelijk dat u weten mag, dat u voor nu en straks geborgen bent in het bloed van het Lam. Laat ons dan ons benaarstigen (be-ijveren) om in die rust in te gaan, opdat niet iemand in datzelve voorbeeld der ongelovigheid valle (Hebr. 4:11).

En u, die genade van de Heere gekregen hebt, om met Hem te leven. Geliefde medechristenen, laat u troosten met deze woorden. Deze tijd, deze wereld gaat voorbij. Zonde en twijfel gaan voorbij. Gebrek aan liefde, moedeloosheid en biddeloosheid gaan voorbij. Laat dat vooruitzicht ons des te meer dringen om te zoeken naar deze blijvende stad.

Laten we die stad, laten we de hemel zoeken met verlangen naar God, met verlangen om Jezus te zien. Hem, Die ons zo uitnemend heeft liefgehad. Hem, Die wij (hoewel wij Hem tot nu toe nog nooit gezien hebben) zo hartelijk liefhebben.

Laten we die stad, laten we de hemel zoeken in afhankelijkheid. Want van onszelf kleeft onze ziel zo vaak aan het stof, aan de dingen die voorbijgaan. Alleen door de kracht van Christus, alleen door het werk van de Heilige Geest, kleeft onze ziel de Heere achteraan.

Laten we die stad, laten we de hemel zoeken, getroost door dit Woord. Getroost reizend onder het heiligend kruis, naar het erfgoed hierboven, naar het Vaderlijke huis.

Zoekend en vragend om heiligmaking. Wetend (zoals staat in Hebreeën 12:14): Dat zonder heiligmaking niemand de Heere zal zien.

En laten we die stad, laten we de hemel zoeken met verwachting. Midden in deze wereld vol tranen. Denkend aan de woorden van Paulus uit 2 Korinthe 4:1: Onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid. Denkend aan de woorden van Petrus uit 2 Petrus 3:13: Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont.

Laten we die stad, laten we de hemel dan zoeken met blijde verwachting. Want (Hebreeën 10:37): Nog een zeer weinig tijds, en Hij Die te komen staat, zal komen en niet vertoeven. Hij zal komen (onze Zaligmaker), om ons tot Zich te nemen in

heerlijkheid. Dan is alles voorbij. Dan is ook ons heimwee voorbij. Dan zullen we altijd bij de Heere zijn. Onbekeerde vrienden, gaat dit toch zoeken. Gaat dit toch meer, gaat dit toch allermeest zoeken. Want we hebben hier geen blijvende stad. Zoek dan toch de toekomende!

Tot slot, kinderen van God, geliefde medechristenen. We zijn weer een jaar verder, we zijn weer een jaar dichter bij huis. Want zo schrijft Paulus in Romeinen 13:11: De zaligheid is ons nu nader, dan toen wij eerst geloofd hebben. De zaligheid van: bij God te zijn. De zaligheid van: bij Christus te zijn. Want dat is zeer verre het beste. Bij Christus zijn. Bij Hem, Die u niet gezien hebt en nochtans liefhebt; in Denwelken u nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, verkrijgende het einde uws geloofs, namelijk de zaligheid der zielen (1 Petr. 1:8).

Wij spoeden ons naar de grens van de eeuwigheid. Waar we zien zullen, Jezus met heerlijkheid gekroond, om nooit meer terug te zien. En waar we tot in alle eeuwigheid in verwondering zullen uitroepen, wat de puriteinse dominee Samuel Rutherford op zijn sterfbed fluisterde: Heerlijkheid, heerlijkheid woont er in Immanuëlsland!

Wij verwachten die dag met groot verlangen Waar we ten volle zullen genieten de beloften Gods, in Jezus Christus, onzen Heere.

Amen.