Pinksteren - 20 april 2014
Numeri 11:29: Doch Mozes zeide tot hem: Zijt gij voor mij ijverende? Och, of al het volk des HEEREN profeten waren, dat de HEERE Zijn Geest over hen gave!
INLEIDING
Israël moppert over het manna en vraagt vlees; een moedeloze Mozes klaagt zijn nood aan De Heere. Deze geeft geen ontslag, maar een dubbele belofte: zeventig helpers met Zijn Geest, en vlees – dat een vloek wordt door hun gulzigheid. Bij de tabernakel profeteren de zeventig, maar ook Eldad en Medad, buiten het kamp. Jozua wil hen zwijgen, maar Mozes ontmaskert dit als eigen eer zoeken, en bidt juist dat heel het volk de Geest zou ontvangen – een oudtestamentische Pinksteren dat wijst naar Christus, de ware Voorbidder.
Het gebed van Mozes om de komst van de Heilige Geest
NUMERI 11:24-29
24 En Mozes ging uit en sprak de woorden des HEEREN tot het volk, en verzamelde zeventig mannen uit de oudsten des volks en stelde hen rondom de tent.
25 Toen kwam de HEERE af in de wolk en sprak tot hem, en afzonderende van den Geest, Die op hem was, legde Hem op de zeventig mannen, die oudsten; en het geschiedde als de Geest op hen rustte, dat zij profeteerden, maar daarna niet meer.
26 Maar twee mannen waren in het leger overgebleven; des enen naam was Eldad en des anderen naam Medad; en die Geest rustte op hen (want zij waren onder de aangeschrevenen, hoewel zij tot de tent niet uitgegaan waren), en zij profeteerden in het leger.
27 Toen liep een jongen heen en boodschapte aan Mozes en zeide: Eldad en Medad profeteren in het leger.
28 En Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Mozes, een van zijn uitgelezen jongelingen, antwoordde en zeide: Mijn heer Mozes, verbied hun.
29 Doch Mozes zeide tot hem: Zijt gij voor mij ijverende? Och, of al het volk des HEEREN profeten waren, dat de HEERE Zijn Geest over hen gave!
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Numeri 11:29
THEMA
Het gebed van Mozes om de komst van de Heilige Geest
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, de tekst voor de preek van vanmorgen in deze laatste week voor Pinksteren kunt u vinden in Numeri 11, daarvan het 29e vers, waar het Woord van God als volgt geschreven staat: Doch Mozes zeide tot hem: Zijt gij voor mij ijverende? Och, of al het volk des HEEREN profeten waren, dat de HEERE Zijn Geest over hen gave! Tot zover onze tekst.
Het thema van de preek voor deze morgen is: Het gebed van Mozes om de komst van de Heilige Geest Er zijn vier aandachtspunten. We letten op: 1. Het mopperen van het volk 2. Het antwoord van de HEERE 3. De reactie van de mensen 4. Het gebed van Mozes. Mozes’ gebed om de komst van de Heilige Geest, of zo zou je ook kunnen zeggen: Oudtestamentisch Pinksterfeest in het midden van de woestijn. We letten op het mopperen van het volk, het antwoord van de HEERE, de reactie van de mensen en het gebed van Mozes. Als eerste dus:
Elf maanden is het volk van Israël bij de berg Sinaï geweest. Daar, bij de Sinaï, hebben ze de Wet van de Heere gekregen. Daar bij de berg Sinaï is de tabernakel gebouwd. Daar bij de berg hebben ze het Pascha gevierd. Daar is uiteindelijk ook het volk Israël geteld: meer dan zeshonderdduizend mannen. Dus als je rekent, misschien wel twee miljoen mensen. En nu na elf maanden gaat de reis verder. Door de woestijn Paran. Een hete, droge woestijn. De wolkkolom die boven de tabernakel, boven het heilige der heiligen staat, gaat omhoog. Als teken van de Heere: vertrekken! De zilveren trompetten worden geblazen. Na elf maanden gaan ze op reis. Verder, op weg naar Kanaän. En zo reizen ze drie dagen. Helemaal niet zo lang, vind je wel? Drie dagen. En dan gaat het alweer mis. Er is, staat er, gemor, gemopper in het kamp. De mensen beklagen zich. Ze zijn ontevreden over de wil en de weg van de Heere. En, zo staat er in Numeri 11:1: Dat was kwaad, heel slecht, in de oren van de Heere, die alles hoort.
Een vuur ontbrandde in het leger en verteerde. Mensen worden getroffen door vuur van de Heere. Als Mozes dat hoort, dan roept hij tot de Heere om genade. En de Heere hoort. Mozes is een voorbidder voor het volk. Zoals wij ambtsdragers, in het verborgen voorbidders moeten zijn voor u.
Maar, op het volk zelf maakt het eigenlijk allemaal helemaal geen indruk. Want het duurt maar even of er is weer gedoe in het leger. Kijk maar in vers 4. Het gemene volkje, staat er, dat wil letterlijk zeggen: Het gespuis, de boeven die meegegaan zijn uit Egypte, die beginnen weer met mopperen en onrust te stoken. Maar het is besmettelijk, want al snel doen ook de echte Israëlieten mee. Ze huilen, ze klagen, ze mopperen. Waarom? Dit keer gaat het over het eten. ‘We hebben er genoeg van! We zijn het helemaal zat!’ Wat dan? ‘Nou, dat manna dat uit de hemel regent. We willen een keer wat anders eten, een wat gevarieerder menu. Een lekker stukje vlees’. Manna, iedere dag regent het stil als de dauw uit de hemel. Hele kleine, witte korreltjes. Je kunt er, als je er deeg van maakt, hele lekkere koeken, heel lekker brood van bakken. De Bijbel zegt, het smaakte naar honing, zo lekker! Maar nee, zeggen de mensen: ‘We zijn het zat! Dat manna, dat hoeven we niet meer.’
Wat een ondankbaarheid voor zoveel goede zorg van de Heere, daar in die droge, hete woestijn. En als de Heere dat hoort (ja, want de Heere luistert en hoort altijd alles), dan (zo staat in vers 10) ontsteekt, dan ontbrandt de toorn van de Heere weer. Ja, want het hart van de Heere kan branden van liefde. Dat kan ook branden van toorn en van boosheid.
En ook Mozes krijgt er nu genoeg van. Die heeft het helemaal gehad. Hij heeft er helemaal genoeg van, nee, niet van het manna, maar van dat gemopper van die mensen: ‘Nee, niet weer!’ Hij wordt er moe en moedeloos van. Kijk maar in vers 11: Waarom, Heere, waarom laat U dit volk door mij leiden? Waarom legt u zo’n zware, ondragelijke last op mijn schouders? Kijk maar in vers 12, letterlijk staat er: Ik lijk wel een soort van kinderoppas. Voor? Ja, voor een stel van die vervelende kinderen van Israël. En? En nu vragen ze mij nog om vlees ook! Vers 13: ‘Ik kan niet meer. Dood mij maar, Heere (vers 15), neem me maar weg, want ik kan echt niet meer.’
Een moedeloze Mozes. Kind van God, ambtsdrager, voorbidder. ’Waarom Heere? Ik kan niet meer’. Hij zinkt weg in onvrede, moedeloosheid en ongeloof. En dan denk ik vandaag even terug aan die andere Voorbidder. Die ook aan de rechterhand Gods is, die ook voor ons bidt. We zeggen altijd: ‘Ze lijken op elkaar’. Mozes is een type, die vooruitwees naar de toen nog komende Heere Jezus. Ze lijken op elkaar. Ja, dat is waar. Maar in sommige opzichten lijken ze ook helemaal niet op elkaar. Want Hij, de Heere Jezus Christus aan de rechterhand van de Vader, Hij bidt… en Hij blijft bidden. Hoe Zijn kinderen ook wegzakken in gemopper, in gejammer, in dwalen, in verdwalen. Hoe ze ook wegzakken in moedeloosheid en ongeloof.
Gode zij dank: Hij blijft bidden en wordt nooit moe van Zijn volk. Hij krijgt nooit genoeg van ze. Maar Mozes is anders. En wat blijkt dan opnieuw in deze geschiedenis de goedheid van God tegenover Zijn kind Mozes. Ook voor Mozes, die moedeloze en mopperende ambtsdrager. De Heere gaat hem antwoord geven. Dat is ons tweede aandachtspun:.
Wat is dat antwoord? Weet je wat vooral opvalt? De Heere geeft niet aan Mozes wat Hij aan de Heere vraagt. De Heere zegt niet tegen Mozes: ‘Goed, nou dan is het klaar, dan mag je nu naar huis, dan mag je nu naar de hemel, dan neem Ik je nu weg van de aarde.’ Nee, het antwoord van de Heere is: ‘Nee, wat je vraagt, Mozes, dat geef Ik je niet’. Mozes krijgt iets anders. Mozes krijgt een dubbele belofte.
Hij gaat, dat is het eerste, hulp krijgen van zeventig oudsten. Zeventig mannen gaan hem helpen. En de Heere belooft ook (en dat is een bijzondere bemoediging voor die zeventig), dat de Geest van de Heere op hen rusten zal. Die zal hen bekwaam maken om hun werk te doen. Dat is de eerste belofte. En de tweede belofte? Ze hebben vlees gevraagd, de Israëlieten, ze zullen het krijgen ook. Letterlijk staat er in vers 19: Niet voor één dag, niet voor twee dagen, niet voor vijf, niet voor tien, niet voor twintig dagen, maar voor een hele maand, totdat het letterlijk hun neus uitkomt. Hoe een zegen van de hemel, althans zo lijkt het, tot een vloek kan worden…
En dat geeft ons gemeente, in deze tijd van overvloed, wel te denken. Overvloed is niet altijd een zegen. Dat is niet zomaar vanzelfsprekend. En het is goed daar op te letten. Want wij zijn geneigd om te denken: Als ik nu heel veel krijg, als alles me letterlijk voor de wind gaat, als de kwartels straks met duizenden, met miljoenen komen aanvliegen in mijn leven, nou: dan is God met mij. Ja, dat is nog maar de vraag. Want of God met je is, dat heeft niet in de eerste plaats te maken met wat je van Hem krijgt. Dat heeft alles te maken met Wie de Heere voor je is. Met wat Hij voor je hart en voor heel je leven betekent
Twee beloftes van de Heere aan Mozes: Helpers en vlees. Maar (en daar ziet u de moedeloosheid en het ongeloof weer van ambtsdrager Mozes) hij kan het maar niet geloven. Hij zegt in vers 22: ‘Dan moeten wel alle dieren geslacht worden en al de vissen van de zee moeten dan wel op de kant op een hoop gegooid worden. Anders is er nooit genoeg voor zoveel mensen om te eten hier in de woestijn’. Maar de Heere zegt: ‘Is Mijn Hand dan verkort? Mijn hand is niet verkort, Mozes! U zult het zien!’ Moedeloze Mozes, moedeloos kind hier in de kerk, moedeloze ambtsdrager… God zegt: ‘Twijfel nu niet aan Mij. Mijn Hand is niet verkort. Ik word, om woorden van Jesaja 40 te gebruiken, Ik word nooit moe. Ik word nooit moedeloos. En voor Mij is niets te wonderlijk. Ik heb een Arm met macht en Mijn Hand heeft groot vermogen. En Ik ben zo getrouw als sterk. Mozes, je zult het zien!’
En hij heeft het gezien! Het staat onder andere in vers 31, waar staat: Toen voer een wind uit van de Heere. Goed lezen, het staat opvallend geformuleerd. Toen voer een wind uit. Niet van de bergen, maar… van de Heere. Een wind. ‘Geest’ zou je ook kunnen lezen. Maar je vraagt je ondertussen al lezende af: wordt dit wel echt een zegen? Het komt van de Heere: wind en geest, net als straks de tekenen op de Pinksterdag: een geluid als van een geweldig gedreven wind. Geluid…, wind…, geest...
Maar ook hier blijkt: Er is een keerzijde. De wolk- en de vuurkolom had een keerzijde: licht… en duisternis. En straks op de Pinksterdag is er een keerzijde: Er zijn mensen die de grote werken Gods vertellen, maar anderen spotten en zeggen: ‘Die lui zijn dronken!’ En zo gaat het ook hier. Er is een keerzijde. Daar komen ze, miljoenen kwakkels. Kwartels, patrijzen. Op sommige plaatsen liggen ze zestig centimeter hoog over elkaar heen op de grond te spartelen. En de mensen die rapen en die rapen, de hele dag door. En ’s nachts gaan ze ook nog door. En de volgende dag ook. Onvoorstelbaar veel! En, staat er in vers 32: ze spreidden ze. Dat wil zeggen: ze proberen ze in de hitte van de woestijn, uiteraard dood, te laten drogen. En dan…, dan gaan ze toch gulzig eten van die kwartels, van die patrijzen! We zouden zeggen ze gaan er van vreten. Misschien hebben ze ze wel rauw opgegeten. Misschien wel levend. We weten het niet. Maar, wat er ook precies gebeurt, het vlees zit nog tussen hun tanden als de toorn van de Heere weer ontsteekt. Eerst over hun onvrede en hun gemopper. En nu over hun gulzigheid, over hun onmatigheid, over hun geschrans. Let daarop gemeente, de Heere vertoornt Zich ook over onze (en ik kijk ook naar mijzelf) onmatigheid, in eten of in drinken.
Een vloek is er buiten het legerkamp. De toorn van de Heere ontbrandt. Maar, dat is de keerzijde, bij de tabernakel is een echte zegen van de hemel. Want Mozes is de stem van de Heere gehoorzaam. Hij verzamelt die zeventig mannen, althans, hij denkt dat hij er zeventig heeft op dat moment. En hij stelt ze in een halve cirkel voor de deur van de tabernakel. En dan komt de wolkkolom, die hangt boven het heilige der heiligen, naar beneden. En de Heere gaat vanuit de wolk spreken tot Mozes. En dan neemt de Heere van de Geest die op Mozes was en legt die op die zeventig mannen.
Je zou denken: ook jammer! Als je nu Mozes heet en de Heere gaat de Geest die op je is, verdelen over zeventig mannen, dan houd je zelf bijna niets meer over… Maar zo gaat het niet. De Heilige Geest is niet als iets dat verdeeld wordt, waardoor er minder komt. Maar het is (en vandaar dat teken op de Pinksterdag!), het is als een vlam van vuur die uitbreidt, die overspringt op anderen.
De vlam van het vuur van de Geest was op Mozes. En de Heere maakt het niet minder, maar de Heere breidt het uit. Die vlam, dat vuur, die gloed breidt zich uit. Ook over al die zeventig mannen. Hoe ging dat? Wat deed de Heere dan precies? Hoe werkte dat? Ja, dat vertelt de Heere ons niet. Dat hoort bij Gods geheim. Hoe de Geest werkt, dat geldt nog steeds als de Geest werkt in ons hart, hoe de Heere dat doet? We begrijpen er niets van. De wind blaast, zegt de Bijbel, waarheen Hij wil. Ja, we horen het wel aan het geluid, aan het suizen van de boomtoppen. Maar begrijpen doen we het eigenlijk helemaal niet. Net als bij de bewegingen van een ongeboren kindje in de buik van zijn moeder. Ja, mama kan het wel voelen. En zelf kan je het ook wel voelen, als je de hand op mama’s buik mag leggen. Maar we zeggen tegelijkertijd: we begrijpen het niet. Het is zo mooi, het is zo wonderlijk! Hoe het ging, hoe het gaat als de Heere Zijn Geest geeft, dat begrijpen we niet. Het staat er ook niet. Het is alsof de Heere tegen ons zegt: Mensen, daar heb je helemaal niets mee te maken. Dat is Mijn werk.
Maar, en dat is de andere kant, het wordt wel zichtbaar. Je kunt het wel zien in het leven van alle dag. Hoe de Heere werkt, dat begrijpen we niet. Maar als Hij werkt, dan kan je het wel zien, dan kan je het wel merken. Zo ook hier. God geeft een teken. Waardoor we eigenlijk toch iets gaan zien van dat verborgen geheim van het werk van de Heilige Geest in die zeventig mannen.
Het teken is: Ze profeteren. God geeft Zijn Geest aan die mannen en ze gaan profeteren. Dat wil zeggen (met woorden van het Nieuwe Testament): Ze gaan de grote werken van God vertellen. Oudtestamentisch Pinksterfeest, midden in de woestijn. Zeventig mannen gaan de grote werken van God vertellen. Helemaal in beslag genomen door de Geest van God gaan ze de Heere loven en prijzen, midden in het volk, midden in de woestijn. En het wordt voor iedereen duidelijk: het is de Heere, het is de Geest van God, die in hen werkt. En die aan deze mannen ook gaven geeft, talenten, om straks met Mozes samen het volk te leiden en te besturen. Ze profeteren, zoals de profeet Joël voorzegd heeft, toen hij vooruitkeek naar de dag van het nieuwtestamentische pinksterfeest: En daarna zal het geschieden, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten (je hoort de overvloed: uitgieten!) over alle vlees, en uw zonen en uw dochteren zullen profeteren (ze zullen de grote werken van God vertellen); uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien… Ouderen en jongeren, ze vertellen de werken van God.
Wat een bijzondere zegen en zorg van de Heere voor Mozes. Want daar gaat het hier over. Het is de belofte aan Mozes, die hier door de Heere vervuld wordt. God doet wat Hij beloofd heeft.
Het Woord, gesproken uit de wolkkolom, wordt werkelijkheid. Mijn Geest, klonk het in vers 17, die op u is, zal Ik op hen leggen. En acht verzen later, nu in vers 25, wordt het werkelijkheid. Zoals de HEERE nu ook nog altijd Zijn Woord houdt in het leven van Zijn kinderen. Hoe moeilijk de weg ook gaat. Net als bij Mozes. Hoe de weg ook tegenlopen mag. Hier is de spoedige, snelle vervulling van Gods belofte. Soms laat de Heere ons in Zijn wijsheid lang wachten, soms jarenlang. Maar één ding staat vast: De Heere doet altijd wat Hij gezegd, wat Hij beloofd heeft. Al wat Hij ooit beloofd heeft, zal bestaan. We gaan dat nu samen eerst zingen uit Psalm 93, het vierde vers:
Uw macht is groot, Uw trouw zal nooit vergaan; Al wat Gij ooit beloofd hebt, zal bestaan; De heiligheid is voor Uw huis, o HEER, Eeuw uit, eeuw in, tot sieraad en tot eer.
We gaan verder met ons derde aandachtspunt:
Ons derde aandachtspunt: De reactie van de mensen. Want, jongens en meisjes, er gebeurt weer iets. Ineens komt er hijgend een jongen aanlopen, die zegt: ‘Meneer Mozes!’ Wat een opschudding, wat een onrust ineens bij de tabernakel. ‘Meneer Mozes, er zijn twee mannen, Eldad en Medad, die ook profeteren. Die ook de grote werken van God vertellen. Maar, meneer Mozes, ze zijn niet hier, niet bij u. Ze zijn in het legerkamp!’ Want, staat er in vers 26: Twee mannen waren in het leger overgebleven; des enen naam was Eldad, en des anderen naam Medad; en die Geest rustte op hen (want zij waren onder de aangeschrevenen – dat wil zeggen: de geregistreerden -, hoewel zij tot de tent niet uitgegaan waren), en zij profeteerden in het leger. Het is niet helemaal duidelijk wat er nu precies aan de hand is, althans niet in detail. Ze zijn wel aangeschreven, ze zijn wel geregistreerd, dus ze horen echt bij die zeventig. Dus kennelijk zijn er bij de tabernakel uiteindelijk maar achtenzestig gekomen. En die twee, Eldad en Medad, die zijn dus wel geregistreerd, maar niet gekomen.
En de reden daarvan? Ja, daar kunnen we hooguit naar gissen. Waren ze verhinderd? Waren ze ziek? Nee, dat ligt niet voor de hand, want ze profeteren wel. Waren ze gehinderd door andere mensen die zeiden: ‘Nee, Eldad en Medad, jullie niet!’ Het zou kunnen. Of was het hun bescheidenheid, hun nederigheid? Dat zou ook heel goed kunnen. Waren ze zich bewust van hun zwakte, van hun onwaardigheid, van hun innerlijke onvermogen? In dat laatste geval zegt Matthew Henry, dan was ‘hun beginsel wel goed, maar hun ongehoorzaamheid niet’.
Maar wat het ook geweest is, één ding is duidelijk: ze zijn niet bij die tabernakel. Ze zijn niet bij die achtenzestig, maar ze zijn in het legerkamp.
En ze profeteren. Wat die achtenzestig doen, dat doen die twee aan het uiterste randje van het leger ook: ze vertellen de grote werken van God.
Misschien denkt u bij uzelf: ‘Zie je nu wel, eigenlijk hoeft het ook allemaal niet zo ordelijk toe te gaan in de kerk. Misschien leggen wij daar wel veel te veel nadruk op? Op de ambten, op ambtsdragers?’ Ja, maar het is de vraag of u dan wel de goede, de Bijbelse conclusie trekt. God is een God van orde. En Paulus schrijft in de eerste Korinthe brief: Laat alle dingen met orde geschieden. God bindt ons aan orde en aan ambten. Ik zou zeggen: Die heeft God aan elkaar verbonden. Maar, en daar gaat het hier om: de Geest van de Heere, Die is niet gebonden! Die is vrij! Die houdt zich niet aan onze regels! Die blaast waarheen Hij wil! En Hij blaast als een wind op Eldad en Medad aan het eind van het legerkamp, en… ze profeteren.
En zo wordt tegelijkertijd ook heel erg duidelijk: het is niet Mozes, het is niet de mens die de Geest geeft bij de tabernakel. De Geest komt van boven, uit de hemel en blaast waarheen Hij wil. En Diezelfde Geest verhoogt de nederigen (die waarschijnlijk toch schuchtere Eldad en Medad) zelfs zo, dat uiteindelijk hun twee namen wel genoemd worden en niet de namen van de achtenzestig anderen.
Maar ja, dat gaat er bij de mensen allemaal zo gemakkelijk niet in. Die denken, die zeggen: ‘Klopt dit nu wel? Is dit nu wel echt Gods bedoeling? Is dat nu, dat van Eldad en Medad, is dat nu wel echt Gods werk?’ De Geest krijgen in een uithoek van het legerkamp, is dat wel echt van de Heere God?
En ineens krijgen die critici ook bijval. Uit onverwachte hoek. Van Jozua! Waarschijnlijk was hij ook één van de zeventig. Jozua, de rechterhand van Mozes. Meneer Mozes, zo zegt hij in vers 28, ‘Verbied het hun’. Zoals later de discipelen van de Heere Jezus ook zeiden: Meester, we hebben er een gezien die de duivels uitwierp in Uw Naam, welke ons niet volgt en we hebben het hem verboden! Omdat? Waarom? Omdat hij ons(!) niet volgt. Nou, en als hij ons niet volgt, dan kan het niet waar zijn! Maar Jezus zei: Verbiedt het hem niet. Want er is niemand die een kracht doen zal in Mijn Naam en haastelijk van Mij zal kunnen kwalijk spreken.
‘Leg ze het zwijgen op, meneer Mozes! Want het is één van twee: ze komen of hier en doen met ons mee, of ze houden hun mond en zwijgen!’ Wat zat daar nu eigenlijk achter bij Jozua? En bij al die andere mensen? Waarschijnlijk niet iets van persoonlijke afkeer tegen de persoon, de mens Eldad of Medad. Althans, daar zien we geen enkele aanwijzing voor. Het lijkt alsof ze dit gezegd en gedaan hebben uit schijnbaar oprechte ijver voor de kerk, voor God en ja, dus ook voor het gezag van Mozes.
Maar, de Geest van de Heere die op Mozes rust (meer dan op Jozua) prikt er doorheen. Mozes zegt in vers 29: ‘U ijvert (dat wil zeggen: u doet uw best) voor mij’. U ijvert, u doet uw best niet voor God, maar voor mij!
Jozua, belangrijke ambtsdrager, Jozua, je bent jaloers voor mij. Je zoekt niet de eer van God, je zoekt mijn eer en dus (want jij bent de tweede man naast me), stiekem zoek je je eigen eer. Je zoekt jezelf. Je lijkt ijverig voor de dienst en de Naam van de Heere. Maar, Jozua, het is eigenlijk voor mij, dus is het eigenlijk ook voor jezelf. Kijk eens naar binnen, in uw eigen hart, gemeente. En ik zeg dat ook en nadrukkelijk tegen mezelf en tegen ons als ambtsdragers. Je best doen, ijverig voor de eer van de Heere… Net als Saulus van Tarsen, die ook zo zijn best deed. Voor de oude waarheid...
Zoals er ook nu heel veel mensen zijn (die net als Saulus, diep in hun hart, de waarheid niet kennen), die net als Saulus van Tarsen ijveren voor de waarheid. Ze weten het allemaal precies. Ze zien precies het verschil tussen leven en dood. En verbinden hun woorden, hun ideeën, hun standpunten aan de Naam en de eer van de heilige God. Mozes zegt ook tegen mij en tegen u: ‘Als u zo doet, dan ijvert u, dan bent u druk met en voor uzelf! Het is u niet om God te doen. Het is u om uzelf te doen’.
En Paulus noemt het letterlijk in het Nieuwe Testament een ijver zonder verstand. Dat kan ook trouwens als je de Heere vreest. Dat kan ook als je ambtsdrager bent en een voorname plek bekleedt in het kerkelijke leven, zoals Jozua. Hij is zonder twijfel kind van God. Hij is ambtsdrager, hij heeft een centrale positie in het kerkelijke leven. ‘Meneer Mozes, het klopt niet. Er is iets mis. Ik mis iets’. Wat dan? ‘Nou ja, ze lopen niet achter mij aan’. Mozes zegt: ‘U ijvert voor uzelf.’ IJverig, heel druk bezig met de dingen van de Heere, maar toch met een verkeerde richting. Op mezelf gericht, op mijn eigen eer en niet op God.
En wat hebben we (als ik daaraan denk, aan die bedrieglijkheid van mijn eigen hart en dat van u), wat hebben we dan het ontdekkende licht van diezelfde Geest van God nodig. Wat heb ik dan nodig, dat ik op mijn knieën zeg tegen de Heere: ‘Ontdek mij toch aan mijn verkeerde ijver, aan mijn hoogmoed, aan mijn trots, aan het zoeken van mijn eigen eer in plaats van de eer van Uw Naam. Verlos me toch. Verlos ons ambtsdragers toch van ons zoeken van onszelf!’ Matthew Henry zegt in dit verband: ‘We moeten niet in stilte ons bedroeven om de gaven en de talenten en de bruikbaarheid van anderen. En de zwakheden en gebreken van anderen moeten ons niet zo snel boos maken. Wees mild’, zegt hij. ‘En we moeten anderen (ook in het gemeenteleven) ook niet zo snel veroordelen, omdat ze ons niet volgen. Alsof dat hetzelfde zou zijn als dat ze de Heere Jezus niet zouden volgen’.
Het gaat Mozes om de eer van God. En daarin zie je precies op dit oudtestamentische Pinksterfeest, wat de Geest van Christus doet als Hij komt: God verheerlijken, Christus groot maken, en niet onszelf. Wij gaan naar beneden en Hij omhoog.
De Geest van Pinksteren maakt mensen klein. Dat zie je straks ook op de Pinksterdag. Ze worden verslagen in hun hart en gaan roepen. ‘Wat moeten we doen?’ De Geest van Pinksteren maakt mensen klein en maakt God en Christus groot. En geeft ook een gunnend hart naar iedereen. Nou, kijk maar in uw hart, dan zal ik dat ook doen. Dan weet u of u in uw leven iets kent van de Geest van God, of u iets kent van de Geest van Christus. Want, wat gebeurt er dan? Dan worden wij klein gemaakt en gebroken. En dan worden God en Christus groot gemaakt. En dan gun je dat leven aan iedereen. In en buiten de kerk.
Tot slot ons vierde aandachtspunt:
We lezen in vers 29 dat Mozes tegen Jozua zegt: Bent u voor mij ijverende? Och, of al het volk des HEEREN profeten waren. Dat de Heere Zijn Geest over hen gave. Het is een wens. Ja, dat klopt, maar eigenlijk is het meer als een wens. Het is een gebed. Het is een innig en hartelijk gebed van Mozes om de komst van de Heilige Geest. Ineens is de nood van al die mopperaars, van die scheldende mensen om hem heen op zijn ziel, op zijn hart gebonden. ‘O, dat iedereen, dat al die mensen van dit volk Israël Hem kennen mocht. Dat iedereen die Geest ontvangen zou. Die Geest die ons klein maakt en die God en Christus verheerlijkt’. Jozua, (dat is het antwoord), Jozua, ik ben niet onmisbaar, maar de Geest is onmisbaar.
‘O, dat iedereen van u kind van God was. Al bent u nog zo jaloers. Al bent u nog zo bezig met uw eigen eer. Al bent u nog zo misgunnend. Al bent u nog zo vijandig. Het maakt niet uit. U hoeft ook nooit mijn eer te zoeken. Maar dat u allemaal God kennen zou. O, dat alle mensen van de gemeente hier God zouden vrezen’.
Genade maakt Mozes gunnend. Geestelijk dode mensen (kijk maar in uw hart of u dat herkent of niet), zij zijn alleen maar bezig met twee dingen. Met (dat is het eerste) de dingen van nu. Eten en drinken. Dat hebben we gezien: vlees eten, lekker eten. En (dat is het tweede): met kritiek op Eldad en Medad. Kijk maar in uw hart. Maar als u er iets van herkent, pas dan op! Want Eldad heet niet voor niets Eldad. Eldad betekent letterlijk: Door God geliefd, door God bemind. Wat kan je als mens je vingers er vreselijk aan branden, als je Eldad of Medad de mond probeert te stoppen! En dat is nog steeds zo. In alle verbanden van ons kerkelijke leven, maar in het bijzonder ook in ons gemeenteleven.
Het is hier in de woestijn alsof de geestelijke dood het ruikt: ‘Door God geliefd? Zij? Eldad, Medad? Het is alsof de dood op het leven afkomt, zoals dat nu nog steeds zo vaak gebeurt: ‘Meneer Mozes, dat klopt niet, tenminste, ik heb er nog nooit iets van gezien of gehoord, van die man of van die vrouw. Het is vast helemaal niks. Het gaat tegenwoordig zo gemakkelijk.’
Maar diep in het hart kan de geestelijke dood het niet verkroppen, dat de Heere een ander tot leven wekt en de Geest geeft. Daarom, gemeente, ik bedoel dat als een indringende waarschuwing: Pas op, met wat u denkt en met wat u zegt over Eldad of over Medad, door God geliefd en bemind. Och, of ook u allemaal bij de profeten hoorde, die de grote werken van God zouden vertellen. Niet ijverig voor uw eigen naam, voor uw eigen eer, voor uw eigen mensen. Maar met een mond van de Heere gekregen om in eenvoud de grote werken en wonderen van God te vertellen. En dan ineens, aan het einde van hoofdstuk 11, waar het aan het begin van dit hoofdstuk ging over de Voorbidder, zien we opnieuw als het ware de grote Voorbidder oplichten. De grote Mozes, de Heere Jezus Christus: Biddend, als een hemeltolk, voor Zijn volk. En voor andere schapen (zo heeft Hij gezegd) die van deze stal nog niet zijn. Die moet Ik ook toebrengen. Biddend om de komst van de Geest van Pinksteren. En Zijn gebed is verhoord. Zoals altijd. Hij heeft Zelf gezegd: Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven.
En we zien datzelfde straks op de Pinksterdag: een rijke zegen. Als de Geest wordt uitgestort, niet op zeventig, niet op honderdtwintig, maar op duizenden!
U zegt: ‘Het is waar, als ik eerlijk naar mijn eigen hart en leven kijk, dan ben ik altijd bezig met mijn eigen naam, met mijn eigen eer. Ja, ik ken de Heere wel in mijn leven, maar ik moet daar zo tegen vechten. Ook als ambtsdrager. Ik moet daar zo tegen vechten. Tegen dat zoeken van mijn eigen eer. En er komt in mijn leven (misschien is dat wel uw eerlijke belijdenis samen met mij aan het einde van deze dienst), er komt in mijn leven zo weinig terecht van dat vertellen van de grote daden van God.’
Dat laat maar één ding zien: Hoe ook wij moeten bidden om de komst van de Heilige Geest in onze harten. Hoe ook wij moeten bidden om Zijn ontdekkende werk, opdat we eerlijk zouden zien dat we inderdaad zoekers zijn van onze eigen eer en geen zoekers van de eer van God. Biddend om de komst van de Geest en Zijn werk in het klein maken van onszelf en in het groot maken van Christus. Biddend om Zijn werk, dat zo mild en zo gunnend maakt. Dat ook doet bidden voor elkaar als gemeente: O Heere, dat iedereen van ons, werkelijk, iedereen van ons, de grote werken van U vertellen zou.
Amen.
Slotzang Psalm 146:2,3:
Vest op prinsen geen betrouwen, Waar men nimmer heil bij vindt;
Zalig hij, die in dit leven Jacobs God ter hulpe heeft.
Andere preken voor Pinksteren