PREEK · VRIJE STOFFEN

Manóach en zijn vrouw, ouders van Simson (I) - Richteren 13

10 oktober 2021

Richteren 13:3: En een Engel des HEEREN verscheen aan deze vrouw, en Hij zeide tot haar: Zie nu, gij zijt onvruchtbaar en hebt niet gebaard, maar gij zult zwanger worden en een zoon baren.

INLEIDING

De vrouw van Manóach, wiens naam wij niet kennen, onvruchtbaar en naamloos in een donkere tijd, ontvangt van de engel des HEEREN een wonderbare belofte: zij zal zwanger worden en een zoon baren die zal beginnen Israël te verlossen. Aan die zegen is ook een bijzondere roeping verbonden — vers 4: Zo wacht u toch nu, en drink geen wijn noch sterke drank, en eet niets onreins — want zij zal moeder worden van een nazareeërkind, geheiligd en voor God afgezonderd.

THEMA

Manóach en zijn vrouw, ouders van Simson

KERNPUNTEN

  1. Hun tijd
  2. Hun dienen van de Heere
  3. Hun ontmoeting met God

RICHTEREN 13:1-7

1 EN de kinderen Israëls voeren voort te doen wat kwaad was in de ogen des HEEREN; zo gaf hen de HEERE in de hand der Filistijnen veertig jaar.
2 En er was een man van Zora, uit het geslacht van een Daniet, wiens naam was Manóach; en zijn huisvrouw was onvruchtbaar en baarde niet.
3 En een Engel des HEEREN verscheen aan deze vrouw, en Hij zeide tot haar: Zie nu, gij zijt onvruchtbaar en hebt niet gebaard, maar gij zult zwanger worden en een zoon baren.
4 Zo wacht u toch nu en drink geen wijn, noch sterken drank, en eet niets onreins.
5 Want zie, gij zult zwanger worden en een zoon baren, op wiens hoofd geen scheermes zal komen; want dat knechtje zal een nazireeër Gods zijn, van moeders buik af; en hij zal beginnen Israël te verlossen uit der Filistijnen hand.
6 Toen kwam deze vrouw in, en sprak tot haar man, zeggende: Er kwam een Man Gods tot mij, Wiens aanzicht was als het aanzicht van een Engel Gods, zeer vreselijk; en ik vraagde Hem niet vanwaar Hij was, en Zijn Naam gaf Hij mij niet te kennen.
7 Maar Hij zeide tot mij: Zie, gij zult zwanger worden en een zoon baren; zo drink nu geen wijn, noch sterken drank, en eet niets onreins, want dat knechtje zal een nazireeër Gods zijn, van moeders buik af tot op den dag zijns doods.egende het.

VOLLEDIGE TEKST

Manóach en zijn vrouw, ouders van Simson (I) - Richteren 13

ds. J. IJsselstein - Richteren 13:3

THEMA

Manóach en zijn vrouw, ouders van Simson

Gemeente, de preek van vanmorgen gaat over Richteren 13. Over Manóach en zijn vrouw. Dat is ook het thema van de preek: Manóach en zijn vrouw. We letten samen op drie aandachtspunten: op hun tijd, op hun dienen van de Heere en op hun ontmoeting met God. Dus: Manóach en zijn vrouw 1. Hun tijd 2. Hun dienen van de Heere 3. Hun ontmoeting met God Als eerste dus:

1. Hun tijd

Hun tijd is een donkere tijd. Het is hollend achteruitgegaan met het volk van Israël. Niet alle Kanaänieten zijn uitgeroeid uit het land. Gemengde huwelijken doen hun intrede. En zo doet ook het dienen van andere goden (van de Baäls en de Asjera’s) zijn intrede. Het is een donkere tijd. Richteren 13 begint ermee in vers 10: De kinderen Israëls voeren voort te doen wat kwaad was in de ogen des HEEREN.

Het is een (a) donkere tijd. En het is een (b) tijd van oordeel. Want zo vervolgt vers 1: Zo gaf hen de HEERE in de hand van de Filistijnen veertig jaar.

In de hand van de Filistijnen. Mensen voor een deel afkomstig uit Egypte, voor een deel van het eiland Kreta. Ze hebben zich, als de Noormannen van de Middellandse Zee, genesteld in de kuststrook van het land Kanaän. En militaristisch volkje, tot de tanden toe gewapend. Maar vooral ook: gevaarlijk gezelschap. Want de verleiding is groot voor de mannen van Israël, om aan de haal te gaan met de vrouwen van de Filistijnen.

Zij, de Filistijnen, zijn de baas in het land. Maar, en dat is de nood van het volk Israël: zij hebben zich daarbij neergelegd: ‘zo is het nu eenmaal’. Als je de nood voelt, dan is er nog hoop. Maar als je de nood niet of niet meer voelt, en je bent gevangen in de greep van de vijand, dan lijkt alle hoop verloren.

In Richteren 10:10 staat nog: Toen riepen de kinderen Israëls tot den HEERE, zeggende: Wij hebben tegen U gezondigd, zo omdat wij onzen God hebben verlaten, als dat wij de Baäls gediend hebben. Maar hier: niets van dat!

En toch… Toch gaat de Heere ingrijpen. Het komt bij Hem vandaan. Vanwege Zijn eenzijdige liefde, vanwege Zijn eeuwige welbehagen, vanwege Zijn belofte aan Zijn volk. Vanwege de belofte van Zijn Zoon, de komende Messias.

Is het trouwens in onze tijd ook niet, zoals destijds in Israël was? De oordelen van de Heere troffen en treffen ons. Terwijl ook wij (net als het volk van het verbond destijds) geboeid zijn door de zonden en de afgoden van deze tijd. Zonder ons echt te verootmoedigen. Ja, we zeggen het wel…, en we verlangen wel om weer in vrijheid verder te mogen leven…, en we zingen wel ‘wij hebben God op het hoogste misdaan’… Maar is er echt berouw om onze zonden? Belijden we die echt voor God? Is ons leven echt een leven van gebogen knieën?

Gelukkig is er in die donkere tijd nog wel een straal van licht. Er is een overblijfsel naar de verkiezing van Gods genade. Mensen die zich niet beter voelen of beter zijn dan de anderen. Die zijn er genoeg. Maar zo zijn zij niet. Ze zuchten net als iedereen onder de nood van hun tijd. Maar ze buigen ook in het verborgen diep voor God, treurend om de nood van land en kerk. Ze gaan gebukt onder het gemis van de Heere, en onder het feit dat er al jaren geen richter meer is. Een straal van licht…, maar verder is het donker. Verder is er niemand die naar God vraagt, niemand die de Heere zoekt.

En toch gaat de Heere ingrijpen: soeverein, vrij, eenzijdig. Zoals Hij eeuwen later Zijn Eigen Zoon zond. In de donkere dagen van de Romeinse overheersing, ook toen door de meesten niet gewenst en niet verwacht. Maar barmhartig in Zichzelf, bewogen in Zichzelf. Zo brengt Hij Zijn volk in de schuld en zo leert Hij hun bidden en buigen.

En waar begint de Heere dan? Daar waar wij ons eerst wat verbeterd of opgepoetst hebben? Nee, midden in hun en onze uitzichtloosheid. In die donkere tijd. En bij een onvruchtbare vrouw.

Want, zo staat er in vers 2: De vrouw van Manóach was onvruchtbaar en baarde niet. En dat is ook wat de Engel des HEEREN direct tegen haar zegt in vers 3: U bent onvruchtbaar en hebt niet gebaard.

Dit huwelijksprobleem, kinderloosheid is niet nieuw. Dat zal de vrouw van Manóach niet direct getroost hebben. Maar het leert ons wel meer begrijpen hoe God gewoonlijk werkt. Zij, dat weet u, is niet de enige onvruchtbare vrouw in de Bijbel. Saraï, zo lezen we in Genesis 11, heeft geen kind. Het hangt als een donkere wolk boven de volgende tien hoofdstukken uit het Genesisboek (Gen. 11.30). Hanna, zo lezen we in 1 Samuël 1, is aanvankelijk onvruchtbaar. En Elisabeth is jarenlang onvruchtbaar, voordat Johannes de Doper het levenslicht ziet.

Maar weet u wat het wonderlijke is? Al deze vrouwen staan op de kruispunten, op de hoogtepunten in de heilsgeschiedenis. Ze zijn de moeders geworden van Izak, Samuël, Johannes de Doper, en zij (de vrouw van Manóach) van de komende verlosser Simson. Kijk maar naar vers 5: Dat jongetje dat straks geboren zal worden, zal beginnen Israël te verlossen(!).

Gods verlossing komt door een weg van onmogelijkheid aan onze kant. Alles lijkt vastgelopen, maar de Heere Zelf breekt er doorheen. Door de onmogelijkheid aan onze kant. Izak, Samuël, Johannes de Doper, Simson, ze zijn allemaal kinderen van het wonder. Allemaal vooruitwijzend naar het grote Wonderkind, Jezus Christus. Onze God doet wonderen, in onze onmogelijkheid. Hij vraagt geen medewerking van ons, maar werkt zonder ons in ons. Een werk van Zijn eenzijdige, Goddelijke welbehagen.

Als God werkt, begint Hij met niets van ons: Het volk dient de afgoden, leeft in afval van God en heeft het oordeel over zich afgeroepen. En de moeder van de komende verlosser is onvruchtbaar. Dat voelt als staan voor de muur! Dat is de manier waarop God werkt. Hij heeft niets van ons nodig, Hij wil niets van ons hebben.

Is dat ook niet zo in ons persoonlijke, geestelijke leven? Zolang er hoop is, vertrouwen we op onszelf. Zolang we kunnen bidden, zo lang we liefdevolle tranen hebben en een hart vol verlangen, zolang koesteren we wat we hebben… Maar dat is meestal niet de tijd dat de Heere Zichzelf en Zijn Christus aan ons wil openbaren. God werkt toe naar onze hulpeloosheid, naar de onmogelijkheid aan onze kant. Nee, niet naar onze wanhoop. Maar wel naar onze hopeloosheid, om ons in die weg, waarin wij alles van onszelf verliezen en kwijtraken, heen te drijven naar Christus. Want als wij geen hoop en kracht meer hebben, dan gaat God Zijn macht van de hemel openbaren. U zegt: Waarom in die weg? Opdat we later zouden denken: Het was niet mijn werk en niet mijn trouw, maar Zijn werk en Zijn trouw alleen.

‘Vrouw van Manóach (zo zegt de engel in vers 5), dat jongetje dat straks geboren zal worden, zal beginnen Israël te verlossen’. Wat een straal van licht in die donkere tijd. Je proeft direct de rijke inhoud van de belofte aan deze moeder gedaan. Hoewel je ook direct de beperktheid erin voelt. Hij zal ermee beginnen. Maar daar zal het bij blijven. Hij zal slechts een schaduw zijn van de komende Verlosser. Om Hem gaat het, om de Messias, om de beloofde Christus. Die Zijn werk niet alleen zal beginnen, maar ook zal voleinden, zal voltooien. Ons tweede aandachtspunt:

2. Hun dienen van de Heere

Allebei, de vrouw van Manóach en Manóach zelf ook, ze dienen in stilte de Heere met heel hun hart. Wat is dat een zegen, jongens en meisjes, als je vader en moeder allebei de Heere dienen en vrezen. Zul je hun boodschap en hun manier van leven niet verachten? Je zou daarmee de Heere verachten, Die je die bijzondere zegen gegeven heeft.

Beiden dienen en vrezen ze de Heere. En je merkt aan alles: de zegen van hun gelukkige huwelijk, ondanks het verdriet van hun kinderloosheid tot nu toe. Ze helpen elkaar, ze staan elkaar in alles bij. En de vrouw van Manóach is ook echt als een hulp tegenover haar man. En ze praten ook samen over de dingen van de dienst van de Heere, en over de wonderen die Hij doet. Kijk maar in vers 6: Toen kwam deze vrouw in, en sprak tot haar man, zeggende: Er kwam een Man Gods tot mij, Wiens aanzicht was als het aanzicht van een Engel Gods, zeer vreselijk (heel indrukwekkend); en ik vraagde Hem niet vanwaar Hij was, en Zijn Naam gaf Hij mij niet te kennen.

Ze is diep onder de indruk van de grootheid en de hoogheid van deze hemelse Boodschapper. En ze gelooft Zijn woorden. Namelijk, de woorden die staan in vers 7: Zie, u zult zwanger worden en een zoon baren; zo drink nu geen wijn, noch sterke drank, en eet niets onreins, want dat knechtje zal een nazireeër Gods zijn, van moeders buik af tot op den dag zijns doods.

Hij zal een nazireeër Gods… Een nazireeër was iemand die anderen, door zijn manier van leven steeds herinnerde aan het dienen van de Heere, met volledige toewijding aan God. De bedoeling was: als je zo iemand tegenkwam, dat je dan direct dacht ‘o ja, zo moet ik de Heere ook dienen’. a. Hij mocht geen wijn of sterke drank drinken Zijn leven en woorden mochten niet onder invloed zijn van het effect van alcohol. b. Hij mocht ook geen dood iemand of een dood dier aanraken. Zijn leven moest heilig zijn voor God, ver weg van de dodelijke macht van de zonde. c. En hij mocht zijn haren niet afknippen. Want dat lange haar was een teken van levenskracht, van de kracht van de Heilige Geest. Het liet aan iedereen zien: Zonder Mij kunt u niets doen.

Drie dingen golden er dus voor zo’n nazireeër: geen alcohol drinken, geen dode aanraken en niet je haar afknippen.

Dat lijkt ver bij ons vandaan te staan. Maar niets is minder waar. Artikel 34 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt dat wij door de doop afgezonderd zijn om geheel aan God toe te behoren. Midden in deze donkere tijd, moet het ook voor onze buitenwereld en voor ons allemaal duidelijk zijn: wij zijn het volk van Gods verbond. a. En dus niet en nooit(!) onder invloed van alcohol. b. Niet vermengd met de wereld, maar ver bij de zonde vandaan. c. En niet trots op eigen kracht, maar het beeld dragend van Gods kracht, die in onze zwakheid wordt volbracht.

Zo zal Simson zijn, als een nazireeër Gods. Maar, zo zegt de Engel, zo moet u, als moeder, ook zijn. En iedere vader als vader. Want je kan niet iets van je kind vragen, wat je zelf niet voorleeft als voorbeeld.

God heeft een belofte beloofd aan de vrouw van Manóach. En ze deelt die met haar man. En wat doet hij? In vers 8 lezen we: Hij aanbidt de HEERE. En hij bidt vurig, of die Man van God terug mag komen. Hij gelooft het woord van de Man Gods. Hij heeft het in vers 8 biddend over het knechtje dat geboren zal worden. Dat klinkt als: ‘Amen, doe, HEERE, wat U beloofd hebt. Mij geschiede naar Uw woord.’

‘Maar (zo bidt hij in vers 8), nu we samen voor de opvoeding van deze kleine nazireeër staan, HEERE, hoe moet dat? Wat zullen wij dat knechtje doen?’ Dus wat doet de vader van Manóach? Hij maakt de belofte van de Heere tot zijn gebed. De belofte van de Heere brengt hem op zijn knieën. En dat is, als het goed is, nog steeds zo. Het vrij spreken over Gods beloften, zonder gebogen knieën in het verborgen, is niet uit God. Gods beloften brengen tot verootmoediging, tot afhankelijkheid, tot gebed om vervulling en tot hoopvol verwachten. En ook tot verwonderd spreken over de belovende God. Ook met elkaar in ons huwelijk.

En let er trouwens eens op, hoe bijzonder de Heere met deze twee mensen omgaat. De Man Gods verschijnt eerst aan de vrouw van Manóach. Zij vertelt het vervolgens vol verwondering aan hem. Het brengt hem op de knieën. En dan komt de Engel des HEEREN zo meteen terug, niet naar hem, maar weer naar zijn vrouw.

En weer met dezelfde belofte. Met andere woorden: ‘Dit is(!) Mijn Woord!’ En het is waar. Zou Ik het zeggen en niet doen, spreken en niet bestendig maken, of: waar maken? (Num. 23.19)

En dus, zingen we samen met de dichter van Psalm 131, uit Psalm 131 vers 4: Dat Isrel op de HEERE vertrouw'; Zijn hoop op Gods ontferming bouw', En stil berust' in Zijn beleid, Van nu tot in all' eeuwigheid.

Gemeente, het gaat vanmorgen in de preek over Manóach en zijn vrouw. We hebben gelet op hun tijd en op hun dienen van de Heere. We gaan verder met ons derde aandachtspunt:

3. Hun ontmoeting met God.

Want opnieuw verschijnt de Man Gods, die nu de Engel Gods heet, aan de vrouw van Manóach. En zij roept haar man erbij. En dan komt weer die schuchtere vraag, met een voelbaar besef van onbekwaamheid dat erin doorklinkt (in vers 12): Toen zeide Manóach: Nu, dat Uw woorden komen (met andere woorden: mij geschiede naar Uw woord); maar… wat zal des knechtjes wijze en zijn werk zijn? En weer… Wat is het eerste in vers 13 en 14? Ik heb tegen uw vrouw gezegd hoe ze leven moet (en u dus ook!): Van harte toegewijd aan Mij. Dat is het allerbelangrijkste. Dat zal voor jullie kind gelden. Maar dat geldt ook voor jullie. Als jullie zo voor Mijn aangezicht leven, dan zal Ik jullie zegenen.

Het is een les, ook voor nu, ook voor deze tijd. Rond die ene kernvraag: Hoe moeten wij als gezin, als ouders en kinderen voor de Heere leven? Alleen maar druk met iets bereiken, met goed presteren, met geld verdienen, met werken aan een mooie toekomst, aan het hebben van mooie spullen en aan netjes lijken voor het oog van de buitenwereld? Alleen maar druk met iets bereiken, met goed presteren, ook in het kerkelijke leven? Nee! Dat is niet christelijk, dat is Filistijns!

Dit is, hoe we zouden moeten leven: Stil luisterend naar de stem van de Heere, met diepe eerbied voor Zijn hoogheid. Biddend pleitend op de woorden van Zijn belofte. Biddend vragend: ‘Heere wat wilt U dat wij doen zullen?’ Dat is wat Manóach doet. En de Engel Gods kom terug. En Hij herhaalt Zijn belofte. Als bemoediging: Het is zeker, God doet wat Hij beloofd heeft.

Maar, heeft Manóach, met al zijn vragen, nu wel helemaal door tegen Wie hij het heeft? Ja, daar kan je kritisch over zijn, maar dit geeft vooral aan, hoe de Heere ons leren moet en wil. Om Hem te kennen, en meer te kennen. Om (net als bij de kleine Samuel) de stem van de Heere te leren kennen, en te herkennen.

Waarbij de Heere Zelf als het ware het gordijn van ons ‘niet-herkennen’ langzaam steeds verder weg schuift. En onze ogen steeds verder opent. Manóach is echt een man om jaloers op te zijn

Ineens komt de oosterse gastheer in Manóach tot leven. Een gast (sommigen in de gemeente zullen dat misschien herkennen uit hun eigen cultuur, en wat is dat mooi!), een gast die moet zich welkom voelen, die bied je een maaltijd aan! Kijk maar in vers 15: Toen zeide Manóach tot de Engel des HEEREN: Laat ons U toch ophouden en een geitenbokje voor Uw aangezicht bereiden.

Antwoord, in vers 16? ‘Nee, Manóach, Ik zal niet eten van uw brood. Breng Mij een brandoffer.’ Langzaam wordt het gordijn weggeschoven… Het is niet Manóach zelf, die tot inzicht komt. Het is de Heere(!) Die zijn ogen gaat openen. Want, kijk maar in vers 16: Manóach(!) wist niet dat het een Engel des HEEREN was.

Maar, zegt Manóach, mag ik dan Uw Naam weten, dan kan ik U eren, dan kan ik U een geschenk geven als teken van dank, als onze zoon geboren zal zijn? Antwoord? Manóach, Mijn Naam is toch Wonderlijk! Manóach, Ik ben de Heere Zelf, Die je dient, Die je liefhebt. Ik ben nu gekomen. De Zoon van God, tijdelijk in de gedaante van een menselijk lichaam. Mijn naam is Wonderlijk. Niets zal voor Mij te wonderlijk zijn. De dingen die u door de Heere gezegd zijn, zullen volbracht worden (Luk 1.45). Zoals jaren later Jesaja ook zei: Wonderlijk, Raad, sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst, zal de Naam zijn van de komende Verlosser (Jes. 9.5).

En dan gebeurt het. Dan doet de Heere het Zelf, op Zijn tijd. Dan opent Hij hun ogen, dan openbaart Hij Zichzelf.

Manóach doet wat de Engel des HEEREN vraagt. Hij maakt brandoffer en spijsoffer klaar (vers 16 en 19). Twee offers, waar alles in afgebeeld is. Hij slacht een geitenbokje en offert dat als brandoffer tot verzoening van de zonde. En hij offert ook een spijsoffer, een geschenkoffer aan God, als dank voor Zijn bijzondere zegen.

En (zo staat er in vers 19): Zij zagen toe. Van hun kant geen enkele inbreng! Met lege handen en met een verwonderd hart kijken zij naar het wonderlijke doen van de Engel des HEEREN. Die kennelijk het offer Zelf aansteekt. Alles komt bij God vandaan! En dan ineens, midden in de vlam van het offer, stijgt de Engel des HEEREN op, terug naar de hemel. Het wijst allemaal onmiskenbaar vooruit naar de grote Verlosser, Die toen nog komen zou. En dat hebben ze samen gezien en geloofd.

Hij, de Zoon van God, de Engel des HEEREN is van de hemel nedergedaald. En door de vlam van Zijn Eigen offer is Hij teruggegaan naar de hemel. Met het offer van Zijn Eigen lichaam en van Zijn Eigen bloed, waarmee Hij tot de Vader genaderd is. Christus, de grote Hogepriester gekomen zijnde, is (…) ingegaan in het (hemelse) heiligdom, met Zijn Eigen bloed, een eeuwige verlossing teweeg gebracht hebbende (Hebr. 9.11-12).

En in Zijn hemelvaart heeft Hij ook al Zijn kinderen meegenomen: met Hem gezet in de hemel (Ef. 2.6). Waar wij ons vlees, zo zegt onze catechismus in zondag 18, als een zeker onderpand hebben, in Zijn volbrachte werk.

En zo, in die weg van het offer, gaan geestelijk onvruchtbare mensen ook vruchten dragen uit Hem. Terwijl Hij ons leven heiligt. Terwijl Hij onze gebeden heiligt, en met Zijn reukwerk bij de Vader brengt voor Zijn troon (Openb. 8.3).

Uit alles blijkt, in ellende, verlossing en dankbaarheid: Er komt niets uit ons. Hij opent onze ogen. Hij geeft ons geloof. En Hij richt onze harten in alles op Hem. Zodat wij zingen mogen: Het is door U, Heere! Midden in onze hopeloosheid, nood en dood: Het is door U alleen, om Uw eeuwige welbehagen.

En dan vallen ze met hun gezicht plat op de grond. Kijk maar in vers 20: En het geschiedde als de vlam van het altaar opvoer naar den hemel, zo voer de Engel des HEEREN op in de vlam des altaars. Als Manóach en zijn huisvrouw dat zagen, zo vielen zij op hun aangezichten ter aarde. Want ineens ziet en gelooft Manóach: het was de Engel des HEEREN, het was de Heere Zelf.

Waar en hoe leer je de Heere echt kennen? Natuurlijk met een heel klein begin, want onze kennis is en blijft ten dele, zo beperkt…! Daar waar we zien dat het offer van Zijn Zoon de Heere Jezus Christus ons zondige en hopeloze hart verbindt met een God vol van eenzijdige genade en ontferming. Die het beloofd heeft en doen zal. Niet om mij, maar om Hemzelf.

Ze vallen met hun gezichten op de aarde. Dat heeft ons veel te zeggen, ook in deze tijd. Je kan allerlei dingen zeggen over God en over de Heere Jezus, over ootmoedig en nederig zijn. Maar het is alleen echt, als je dit kent: plat op de grond, voor de grote God en Zijn Christus. Ootmoed en nederigheid kan je niet maken. Ootmoed en nederigheid worden geboren in de ontmoeting met God. Luther zegt: Als je zegt dat je nederig bent, dan ben je het niet. Als je zegt dat je ootmoedig bent, dan ben je het niet. Want de echte nederigheid, de echte ootmoed zwijgt voor God. Die buigt nameloos diep: in onwaard zijn, in kleinheid, in verwondering.

Die zegt: ‘Heere, wie ben ik toch, voor U? Het is een eeuwig wonder dat het vuur van het altaar het offer verteerd heeft, en niet mij! Dat U zegt: Ik voor u, daar u anders de eeuwige dood moest sterven. Dat is genade.’

En genade maakt nooit groot. Genade maakt klein. Brengt op de knieën, in het verborgen voor God. Breekt onze hoogmoed. Sluit onze mond over onszelf. Brengt tot verwondering, tot blijdschap en stille vrede. Maar nooit hoogmoedig, nooit op onszelf gericht. Altijd gericht op God.

Even is er nog verwarring en schrik. Zoals die er ook nu kan zijn in het hart van Gods kinderen. Bijvoorbeeld ook in de tijd na de bediening van het Heilig Avondmaal. Zo dichtbij geweest, bij de grote God… En dan ineens denk je (ongetwijfeld, net als Manóach) aan wie je zelf bent. En de schrik slaat je om het hart, net als bij hem. Zoals staat in vers 22: Wij zullen zeker sterven, omdat wij God gezien hebben. Want wie zal God zien en leven? Hij is toch een verterend vuur en een eeuwige gloed? (Jes. 33.14)

Het is waar: wie op God ziet, wie tot God komt, zonder te zien op het Offer, zonder gelovend te zien op de tekenen en bewijzen van Zijn Offer (brood en wijn), die moet schrikken. Want zonder het Offer kan het echt niet. Maar wel als we op Gods zien, zoals Hij Zich openbaart in en door het Lam Gods, het grote Offer, de Heere Jezus Christus.

En dan zien we, tot slot, nog iets heel ontroerends in het huwelijk van deze twee mensen. Manóach gaat, om zo te zeggen, onderuit. Schrik en verwarring slaan toe. Maar zijn vrouw, als een echte hulp tegenover hem, helpt hem weer overeind.

Kijk maar in vers 23: Maar zijn huisvrouw zeide tot hem: a. Zo de HEERE lust had om ons te doden (dat is haar eerste argument), dan had Hij het brandoffer en spijsoffer van onze hand niet aangenomen. b. En dan zou Hij (dat is haar tweede argument) ons dit alles niet getoond hebben. Je riep en de Heere hoorde. Dan zal Hij ons toch nu niet doden? Dat kan toch niet? c. En dan zou Hij (derde argument) ons ook niet de belofte hebben laten horen, zoals Hij dat gedaan heeft. Want als deze verlosser uit ons geboren moet worden, dan kan de Heere ons natuurlijk nu niet doden! Ze put moed uit Gods belofte. En ze helpt haar man door daarop te wijzen.

Zoals we dat nu in deze tijd ook mogen doen. Als man en vrouw, maar ook als vrienden en gemeenteleden. We hebben geen behoefte aan (of beter gezegd: God heeft geen behoefte aan) mensen die van alles te vertellen hebben over zichzelf. God heeft trouwens wat dat betreft helemaal geen behoefte aan iets van ons.

Maar Hij wil ons de genade geven (in ons huwelijk, en ook in de gemeente) om elkaar te wijzen op Wie Hij is en wil zijn door Jezus Christus. Midden in de nood van ons leven, midden in misschien wel moedeloosheid en hopeloosheid. Waar Hij Zichzelf wil openbaren in de weg van het Offer. Waar Hij alles doet en wij niets. En waar wij vol verwondering alleen maar luisteren en kijken.

Daar mogen wij ook tegen elkaar zeggen: Man, vrouw, broeder, zuster, jongen of meisje, het was de Heere! Hij handelde, Hij deed wonderlijk. Zijn Naam is toch Wonderlijk! En Hij zag ons aan in Zijn lieve Zoon. En dus zullen we (ondanks ons ellendige en altijd dwalende hart) niet sterven, maar leven, en de Naam van de Heere groot maken. Want ons leven hangt niet aan onze trouw, maar aan Zijn trouw. En ons leven hangt niet aan onze beloftes, maar aan Zijn beloftewoord. Komt, maakt God met mij groot. Verbreidt, verhoogt, met hart en stem de nooit volprezen naam van Hem, Die ons behoedt in nood.

Amen.

Slotzang Psalm 34:2: Komt, maakt God met mij groot; Verbreidt, verhoogt, met hart en stem, Den nooit volprezen naam van Hem, Die ons behoedt in nood. Ik zocht in mijn gebed Den HEER, ootmoedig met geween; Hij heeft mij in angstvalligheên Geantwoord, mij gered.