Pinksteren - 9 juni 2025
Openbaring 22:17: En de Geest en de bruid zeggen: Kom. En die het hoort, zegge: Kom. En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.
INLEIDING
Na Pinksteren breekt een adventstijd aan: de Geest en de bruid verlangen naar Christus' wederkomst, de Geest om Hem groot te maken temidden van het zuchten der schepping, de bruid vanuit eigen strijd tegen de zonde en zorg om onbekeerden. Tegelijk kloppen zij op harten: laat wie hoort zeggen: Kom. Die dorst heeft, kome, en die wil, neme het water des levens om niet – een algemene, welgemeende nodiging, ook al is 'Kom' het hardste woord van het Evangelie.
De adventstijd na Pinksteren
OPENBARING 22:16-21
16 Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden, om ulieden deze dingen te getuigen in de gemeenten. Ik ben de Wortel en het Geslacht Davids, de blinkende Morgenster.
17 En de Geest en de bruid zeggen: Kom. En die het hoort, zegge: Kom. En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.
18 Want Ik betuig aan een iegelijk die de woorden der profetie dezes boeks hoort: Indien iemand tot deze dingen toedoet, God zal over hem toedoen de plagen die in dit boek geschreven zijn;
19 En indien iemand afdoet van de woorden des boeks dezer profetie, God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens, en uit de heilige stad, en uit hetgeen in dit boek geschreven is.
20 Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom haastelijk. Amen. Ja, kom, Heere Jezus.
21 De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met u. Amen.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Openbaring 22:17
THEMA
De adventstijd na Pinksteren
AANDACHTSPUNTEN
Geliefde gemeente, toen de Heere Jezus meer dan dertig jaar op deze aarde was geweest, ging Hij meer en meer verlangen naar huis. Denk maar aan wat de Heere Jezus tegen Zijn discipelen zei in Johannes 14: In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden (Joh. 14:2). En ook in Johannes 17:1Dit heeft Jezus gesproken, en Hij hief Zijn ogen op naar den hemel, en zeide: Vader, de ure is gekomen, verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijke. lezen we van dat verlangen van de Heere Jezus naar de hemel: Hij hief Zijn ogen op naar den hemel, staat er, en zeide: Vader, de ure is gekomen. Ik ga naar huis. Verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijke. Meer dan dertig jaar lang verlangde de Heere Jezus terug naar huis.
En als het goed is, gemeente, gaan ook al Gods kinderen meer en meer naar huis verlangen. Er zijn mensen die altijd over vroeger praten. Zo van: ‘weet je nog, van toen en van toen?’ Mensen die altijd maar achteromkijken. Maar een oprecht christen is een mens die vooruitkijkt. Immers, het beste komt nog.
Denk maar aan het verlangen van de oude Jakob op zijn sterfbed, waar hij uitroept: Op Uw zaligheid wacht ik, HEERE (Jes. 49:18Hef uw ogen op rondom, en zie, alle deze vergaderen zich, zij komen tot u; Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de HEERE, zekerlijk, gij zult u met alle dezen als met een sieraad bekleden, en gij zult ze u aanbinden, gelijk een bruid.). Denk maar aan het verlangen van Job midden in al zijn zorg en nood. Hij zegt: En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen; Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot (Job 19:26-27En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen; Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.). En denk ook maar aan het verlangen van Asaf, die zingt in Psalm 73: Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op de Heere HEERE, om al Uw werken te vertellen (Ps. 73:28). En denk ook maar aan het verlangen van Paulus in Filippenzen 1, waar hij schrijft: Want het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin. Want ik heb een begeerte om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste (Fil. 1:21-23).
Ons leven met de Heere hier op aarde is onuitsprekelijk gelukkig. We zouden het voor geen goud willen ruilen met het geluk van deze voorbijgaande wereld. Maar hoe nameloos gelukkig we hier op aarde ook zijn, en hoe goed het leven met de Heere hier ook is, het beste komt nog. En dus, als het goed is, ziet ieder kind van God daar wel eens stil verlangend naar uit.
Hoewel dat verlangen naar straks en naar de terugkomst van onze Heere Jezus Christus toch altijd gemengd is, hier van binnen in ons hart, met twee dingen die knagen. Twee dingen knagen aan ons, bij de gedachte aan de terugkomst van onze lieve Heere en Zaligmaker. a. Het eerste wat bij ons van binnen knaagt, is dat ons zondige vlees nog zoveel aan deze aarde kleeft. En dat doet ons met de dichter van Psalm 119 met heimwee zuchten: Heere, mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord (Ps. 119:25). b. En het tweede wat in ons binnenste knaagt, is de nood van de zielen die ons lief zijn. De levensnood van de mensen om ons heen. De doodsnood van hen die nog onbekeerd zijn.
Want wij mogen dan wel thuiskomen, maar u en jij? Christus verlangde naar huis. En wij verlangen in deze (wat de Bijbel noemt) laatste dagen ook meer en meer naar huis. Maar deze laatste dagen na Pinksteren worden gekenmerkt door nog een verlangen. Door een wonderlijk verlangen, waar ik met Gods hulp vanmorgen uw aandacht voor wil vragen. Ik bedoel het wonderlijke verlangen, wat verwoord wordt in Openbaring 22:17En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.. De tekst voor de preek van vanmorgen is Openbaring 22:17. Daar lezen we Gods Woord als volgt: En de Geest en de bruid zeggen: Kom. En die het hoort, zegge: Kom. En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet. Tot zover het Woord van de Heere.
Het thema voor de preek van vanmorgen is: De adventstijd na Pinksteren
Er zijn twee aandachtspunten. We letten als eerste op het verlangen van de Geest en de bruid naar de wederkomst van Christus. En we gaan in de tweede plaats zien, dat zij (de Geest en de bruid) ondertussen kloppen op de deur van het hart van degenen die nog onbekeerd zijn.
Dus: De adventstijd na Pinksteren: 1. De Geest en de bruid verlangen 2. De Geest en de bruid kloppen Als eerste dus:
Zij verlangen naar de wederkomst van Christus. De Geest en de bruid. In die volgorde: de Geest… en de bruid. Degene Die het meest verlangt naar de terugkomst van de Heere Jezus is God Zelf, de Heilige Geest. Die met Pinksteren Zijn kerk, Zijn gemeente ging vervullen met Zichzelf. Om Christus in het middelpunt te stellen. En Hem groot te maken.
Hij verlangt naar de terugkomst van de Zoon des mensen. Want, zegt de tekst: de Geest zegt: Kom. Kom terug, Heere Jezus Christus. Zoals U beloofd hebt terug te zullen komen. Zoals bijvoorbeeld staat in vers 12: En zie, Ik kom haastelijk; en Mijn loon is met Mij, om een iegelijk te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn.
Waarom zegt de Geest dat eigenlijk: Kom, Heere Jezus? Ook nu, in deze tijd? Waarom zegt de Geest dat? Ik zal u een paar dingen gaan noemen.
a. De eerste reden dat de Heilige Geest zegt ‘kom’, is omdat de Geest van God het zuchten van de schepping ziet. Zoals Paulus zegt in Romeinen 8: het ganse schepsel tezamen zucht en tezamen als in barensnood is tot nu toe (Rom 8:22). De Geest ziet dat de schepping, die ooit volmaakt uit Gods hand gekomen is, iedere dag zucht onder zware pijn. Vanwege de last van de zonde van ons mensen. Denk alleen maar terug aan de afgelopen tijd. Wat zucht de schepping soms onder droogte. Dan weer onder extreme regenval en overstromingen. De schepping zucht onder oorlogen en geweld, onder aardbevingen en andere natuurrampen, onder armoede en honger. En wat zucht de wereldwijde kerk onder vervolging en verdrukking. Het schepsel zucht. En dus zegt de Geest: Kom, Heere Jezus Christus. Dat is de eerste reden: het zuchten van de schepping.
b. De tweede reden dat de Geest zegt ‘kom’, is dat Hij gelasterd wordt in deze wereld. Zijn werk is het groot maken van de Heere Jezus Christus. Maar de natuurlijke mens heeft daar geen oog voor. Sterker nog, de natuurlijke mens wil daar niets van weten. De natuurlijke mens is vol van vijandschap tegen Christus. En wil voor Hem niet buigen. Misschien geldt dat ook wel voor u of voor jou…
c. De derde reden dat de Geest zegt ‘kom’, is dat Hij dagelijks klopt aan het hart van de onbekeerden. Ook onder ons. Hij staat, onbekeerde vrienden, aan de deur van uw hart en klopt. Zoals staat in het Spreukenboek: De opperste Wijsheid roept overluid daarbuiten, Zij verheft Haar stem op de straten. Zij roept in het voorste der woelingen; aan de deuren der poorten spreekt Zij Haar redenen in de stad. Gij slechten, hoelang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten? Keert u tot Mijn bestraffing; zie, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloedig uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekendmaken. Maar helaas, de meesten, ook onder ons, luisteren niet naar die klop van de Heilige Geest. En dus schrijft de Spreukendichter verder: Ik heb geroepen, maar u hebt geweigerd. Ik heb Mijn hand uitgestrekt, maar er was niemand die opmerkte. Ze hebben al Mijn raad verworpen. En ze hebben Mijn bestraffing niet gewild (Spr. 1:20-26De opperste Wijsheid roept overluid daarbuiten; Zij verheft Haar stem op de straten. Zij roept in het voorste der woelingen; aan de deuren der poorten spreekt Zij Haar redenen in de stad; Gij slechten! hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten? Keert u tot Mijn bestraffing; ziet, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekend maken. Dewijl Ik geroepen heb, en gijlieden geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte; En gij al Mijn raad verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild hebt; Zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vreze komt.).
Denk eens eerlijk terug… Hoe vaak heeft de Heilige Geest ondertussen, onbekeerde vrienden, ook niet geklopt aan de deur van uw hart? Misschien wel vanaf het moment dat u nog klein was. Dagelijks klopte de Heilige Geest op de deur van uw hart. En Hij doet
dat tot de dag van vandaag… Dagelijks riep Hij u op om in het verborgen uw knieën te buigen. Om uw schuld te belijden. En om de gekruisigde en opgestane Christus te erkennen als Heere en Zaligmaker. En Hij roept u ook vandaag weer…
Dat weet u. Dat voelt u. Dat de Geest roept en klopt op de deur van uw hart. Maar toch gaat u door. De Geest, vergeef me de menselijke uitdrukking, de Geest wordt moe van u. Moet ik u herinneren aan nog meer en andere ernstige kloppen van de Geest op de deur van uw hart? Aan dat plotselinge sterven van geliefden uit de kring van uw vrienden of familie? Moet ik u herinneren aan dat gevaar waar u ternauwernood aan ontsnapte?
En wat denkt u, wat denk jij, van al de zegeningen die de Heere gaf en geeft, tot op de dag van vandaag toe? Jongelui, je examens [of: toetsen] lijken goed verlopen te zijn. Je hebt een lieve vriend of vriendin gekregen. Je hebt de baan gekregen die je graag wilde. Je bent gelukkig getrouwd. Het is de Geest die klopte en klopt op de deur van je hart.
De Geest, Die moe wordt van al dat kloppen. Want je doet niet open. Begrijp je, onbekeerde vrienden, waarom de Geest zegt: Kom, Heere Jezus Christus? Want het is Mijn werk om de Heere Jezus groot te maken en te verheerlijken. Maar Ik voel zoveel verzet, Ik ervaar zoveel weerstand, Ik merk zoveel onwil en vijandschap. Ik klop zo vaak met liefde op de deur van hun hart, maar ze blijven tot op de dag van vandaag zo onbewogen.
Ja, ik heb het over u, onbekeerde vrienden. De Geest wordt moe van u en zegt: Kom, Heere Jezus Christus. Want als U terugkomt, dan is dat kloppen op de deur die altijd dicht blijft, dan is al dat afwijzen, eindelijk voorbij.
Waarom zegt de Heilige Geest dat: Kom? Ook nu in deze tijd? d. De vierde reden is, dat Hij genadig Zijn intrek heeft genomen in het hart van Gods kinderen. Hij woont, kinderen van God, in ons. Want we zijn door wedergeboorte gemaakt tot een tempel van de Heilige Geest. Paulus schrijft het in 1 Korinthe 3: Weet u niet dat u Gods tempel bent en de Geest Gods in u woont (1 Kor. 3:16)?
Maar wat bedroeven we Hem vaak. Het is niet voor niets dat Paulus tegen de gemeente van Efeze zegt: En bedroeft de Heilige Geest Gods niet, door Welke u verzegeld bent tot den dag der verlossing (Ef. 4:30). Wedergeboren tot een levende hoop, gewassen in het bloed van het Lam, met God verzoend door het bloed van Christus, en gebracht tot vrede met Hem… En maar door zondigen en maar door dwalen. En maar doorgaan met het vergeten van God. Niet alleen wij worden er moe van. Ja, dat is ook waar. En niet alleen wij zuchten met Paulus: Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods (Rom. 7:24Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?)?
Maar ook de Heilige Geest zucht en wordt moe van al dat zondigen. Van dat altijd maar weer vertrouwen op onszelf. Van die blijvende trots. Van die blijvende zelfingenomenheid. Hij wordt moe van onze hardleersheid. De Geest wordt niet alleen moe van de onbekeerden, maar vooral ook van ons, kinderen van God. En dus zegt de Geest: Kom, Heere. Kom, dan is alles voorbij. Dan zullen zij nooit meer zondigen. Dan zullen ze nooit meer dwalen.
Het is Mijn liefste werk Christus te verheerlijken. Zoals de Heere Jezus ooit Zelf beloofde: Die zal Mij verheerlijken (Joh. 16:14Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.). En dus verlangt de Geest: Kom, Heere, dan zal dat volkomen en volmaakt zijn. Ook in de harten van al de Uwen. Dan zult U alles zijn in allen.
De Geest zegt: Kom, Heere Jezus. En de bruid zegt ook: Kom. De bruid. Wie is dat? Dat is de Kerk, zoals we die met een hoofdletter schrijven. Ik bedoel al Gods kinderen, Gods volk, de bruid. Jongens en meisjes, vind je dat geen mooie naam? Daar moet je thuis eens over nadenken en eens verder over praten. Gods kinderen worden ‘de bruid’ genoemd… Als je dat leest, jongelui, dan denk je misschien zelf wel aan je eigen aanstaande trouwdag. Dit jaar, of komend jaar. Nog even wachten. Dat is ook goed. Maar dan komt die dag. Ik hoop dat je een prachtige dag zult hebben als begin van een gezegende tijd, waarin je samen heilig leven mag in het dienen van de Heere.
Maar ik zeg dit juist omdat ik denk, zoals Paulus schrijft, aan de Heere Jezus en aan Zijn gemeente. Hij, de Heere Jezus, is de Bruidegom. En Gods kinderen, Gods volk, dat is de bruid. Wie er het meest verlangt naar de komende bruiloft? Dat is de Bruidegom. Kinderen van God, de Heere Jezus Christus verlangt meer naar ons, dan dat wij verlangen naar Hem.
Maar gelukkig, de bruid verlangt ook naar de dag dat ze haar Heere en Zaligmaker zal ontmoeten. Naar de dag van de komende bruiloft. Zij het, we moeten dat met schaamte erkennen, zij het wel wisselend. Maar wij verlangen toch ook, door Gods genade, naar de dag dat de Heere Jezus, de Bruidegom, zal komen. Hij, Die ons op die dag mee zal nemen naar het Vaderhuis met de vele woningen in de hemel.
En als de bruid in onze tekst, en als Gods kinderen nu vooruitkijken… En denken aan die dag, aan de dag van onze bruiloft… En aan alles wat daarna komt… Dan zegt ze en dan zeggen wij hartgrondig: Kom. Kom, Heere Jezus Christus.
Waarom zo hartgrondig en verlangend? a. In de eerste plaats omdat ook de bruid, omdat ook Gods kinderen, mee zuchten met deze schepping. In ziekte en verdriet, in rouw en gebreken. Wij lijden mee met alle
andere mensen in deze wereld. Als we aan dat lijden denken, en als we het voelen, dan zeggen we soms wel: ‘Heere, wanneer komt de dag, dat ik dit zieke, zwakke lichaam achter me mag laten? De dag dat ik geen last meer heb van mijn ziekte, van mijn gebreken, van mijn diepe depressies, van mijn angsten, van mijn paniek? De dag dat ik geen last meer zal hebben van mijn moeilijke verleden? De dag dat ik dat voor altijd vergeten zal zijn?’ En dan klinkt stil en bijna onhoorbaar ook uit de mond van de bruid: Kom, Heere.
b. Gods kinderen zuchten in de tweede plaats ook en vooral onder de last van de zonde. We willen zo graag het goede doen. Maar het kwade zit zo dichtbij. Het leeft hier van binnen in ons hart. We willen zo graag met al de liefde en ijver van ons hart de Heere dienen en vrezen. Maar ons hart, dat wil niet. Dat kan van zichzelf niet geloven. Dat kan van zichzelf niet vertrouwen. Dat dwaalt en vergeet de Heere zo vaak. En dat struikelt en valt zo vaak weer in de zonde.
En dan zeggen we stil (nietwaar, kinderen van God?), dan zeggen we stil in ons hart: ‘Heere, wanneer komt toch die dag, dat ik verlost zal worden mijzelf? De dag dat ik echt nooit meer zal zondigen? De dag dat ik altijd ongestoord U dienen en loven mag? De dag dat mijn Zaligmaker echt en voor altijd, in mijn hart en ogen schoner zal zijn dan wie dan ook van de mensen? De dag dat ik voor altijd, zonder zonde U aanbidden zal in Uw tempel? Dan zegt ook de bruid: Kom. Kom, Heere.
Dan zeggen we dat met stil en hartelijk verlangen. Maar ook… met een knoop in ons hart. Ook met een knoop in ons hart, als we denken aan al die mensen van wie we zoveel houden. Maar van wie we weten, omdat ze daar zelf goudeerlijk over zijn, dat ze nog onbekeerd zijn. Een lieve vader of moeder, opa of oma, man, vrouw, kinderen, kleinkinderen, broers, zussen, vrienden, vriendinnen… Dan huiveren we bij de gedachte: hoe moet het toch straks met u? Hoe moet het toch straks met jullie? Lieve mensen, sta de Geest toch niet tegen. En bedroef de Heilige Geest toch niet.
Laten we voordat we verder gaan nu eerst gaan zingen, uit Psalm 84, het eerste vers. Psalm 84:1: Hoe lief'lijk, hoe vol heilgenot, O HEER’, der legerscharen God, Zijn mij Uw huis en tempelzangen! Hoe branden mijn genegenheên, Om 's HEEREN voorhof in te treên! Mijn ziel bezwijkt van sterk verlangen; Mijn hart roept uit tot God, Die leeft, En aan mijn ziel het leven geeft.
Gemeente, de tijd na Pinksteren, zei ik in het begin, is eigenlijk de adventstijd van het Nieuwe Testament. We hebben gezien, in de eerste plaats, hoe de Geest en de bruid in die tijd verlangen. Zeker, de Geest verlangt meer dan de bruid. Maar toch, zij beiden verlangen naar de wederkomst van Christus. En we gaan nu als tweede zien, dat zij ondertussen ook kloppen op de deur van het hart van onbekeerde zondaars. Ons tweede aandachtspunt:
Want in onze tekst is niet alleen een roep om een spoedige komst van Christus tot Zijn Kerk. Maar er kinkt ook een roep gericht tot zondaars. Om spoedig en met haast te komen tot Christus. En die roep is als eerste te zien in de woorden: Laat hij die het hoort, zeggen: Kom. Laat degene die dat hoort, dát zeggen: Kom.
Degene die dat hoort, is degene die zelf de levendmakende stem van de Zoon van God gehoord heeft. Hij of zij, die het levendmakende werk van de Heilige Geest in het hart kent. Dus, met andere woorden: laat al Gods kinderen nu vanmorgen en vanaf nu zeggen: Kom! Kom mede-zondaars. Kom, ga met ons en doe als wij.
Dat zegge degene die hoort. Want iemand die Christus niet kent, iemand die in vijandschap met Hem leeft, die kan niet zeggen: Kom. Die kan een ander niet oprecht nodigen. Maar wel degenen die van Hem zijn, die gekocht met de prijs van Zijn bloed. Die Zijn woorden echt gehoord hebben. Zij die gekomen zijn en gedronken hebben van het water des levens. Laat die op deze Pinksterdag door de kracht van de Heilige Geest zeggen: Kom.
Zoals Petrus op de Pinksterdag zondaars, vijanden van Christus, hartelijk nodigde. En zoals ook wij nu, in navolging van hem, zondaars, vijanden van Christus nodigen om tot Hem te komen. Met grote haast. Met deze woorden: Bekeer u. Bekeer u, zo zal de Heere berouw hebben over het kwaad dat Hij gedacht heeft u te zullen doen (Jer. 18:8Maar indien datzelve volk, over hetwelk Ik zulks gesproken heb, zich van zijn boosheid bekeert, zo zal Ik berouw hebben over het kwaad, dat Ik hetzelve gedacht te doen.). Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zou u sterven, o huis Israëls (Ezech. 33:11Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls?)?
O, gemeenteleden van [plaatsnaam], want zo zegt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in de dood van de goddeloze! Niet dus! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve (Ezech. 33:11). Keer terug tot Mij, spreekt de Heere, zo zal Ik tot u terugkeren.
Liefdevol… Nodigend… Dringend… Ernstig… Ja, gebiedend: Kom! Zoals de Samaritaanse vrouw ooit tegen haar dorpsgenoten zei: Komt, ziet een Mens Die mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus (Joh. 4:29Komt, ziet een Mens, Die mij gezegd heeft alles, wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus?)?
Nee, als uw medezondaars prijzen we Christus niet bij u aan, als Iemand Die over de zonde heenstapt. Maar ook wij prijzen vanmorgen met al de liefde van ons hart, maar vooral met al de liefde van Zijn hart, Hem bij u aan. Hem, Die ook ons verteld heeft, alles wat ook wij gedaan hebben. Die ook ons, onze schuld en zonde aanwees. Die ook ons, onze dood en verlorenheid aanwees. Die ook ons alles aanwees. Waardoor we uiteindelijk niets meer overhielden dan Hem alleen: Jezus Christus. Kom, medezondaars. Is deze niet de Christus?
Lieve mensen, met ons op weg naar de eeuwigheid. De deur van Gods genade staat wagenwijd open. En het is in deze laatste dagen nog tijd om te komen. Voorwaarden zijn er niet. Iedereen is welkom. Wie u ook bent, wat u ook gedaan hebt, en hoe uw leven er ook uitziet, u mag komen zoals u bent. Sterker nog, u moet komen zoals u bent. Kom tot Hem, Die gekomen is om te zoeken en zalig te maken wat verloren was. Het is een roep gericht tot zondaars. Om nu vanmorgen te komen tot Christus. En om dat niet uit te stellen.
En die roep klinkt als tweede ook in de woorden van onze tekst die daarop volgen: En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.
Het is de roep van de Heilige Geest door het Woord van dit Evangelie. Het is een algemene, wereldomvattende oproep tot iedereen. Tot kinderen van Adam, die liggen onder de vloek en de toorn van God. Vol liefde, vol zondaarsliefde, vol medelijden. Arme, blinde, dwaze mensen, kom toch. Nu is het nog genadetijd. Zoals de Heere in het Oude Testament riep met vergelijkbare woorden. De parallel is evident, als we luisteren naar de woorden van Jesaja 55: O, alle gij dorstigen, komt tot de wateren! En u, die geen geld hebt, komt, koopt en eet. Ja, komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk. Waarom weegt u geld uit voor wat geen brood is en uw arbeid voor wat niet verzadigen kan? Hoor aandachtig naar Mij (naar de Heere) en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid (in overvloed) zich verlustigen (Jes. 55:1-2). Zo roept de Heere ook hier aan het einde van het Nieuwe Testament: Die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.
Water is nodig voor ons leven. Niemand van ons kan leven zonder water. Water is letterlijk onmisbaar. Zo onmisbaar is Christus voor u en voor jou. Christus, in Wie een overvloed van genade beschikbaar is, voor de grootste van de zondaars.
Die dorst heeft, staat er. Alle dorstigen en iedere dorstende in het bijzonder. Deze nodiging is, lettend op de parallel met Jesaja 55, niet beperkt tot diegenen die gevoelig aangedaan zijn in hun hart vanwege hun zonden.
Deze nodiging is niet beperkt tot diegenen, die uit de nood van hun hart dorst hebben naar God. Dat zouden we op het eerste gezicht misschien wel denken. En natuurlijk is het ook zo dat, wil een mens ooit komen, dan zal hij of zij de nood van de zonde zien of voelen. Want wie die nood niet ziet of voelt, waarom zou hij of zij komen?
Maar, zoals ik zei, de parallel met Jesaja 55 is duidelijk. Dit ‘wie dorst heeft, kome’ wordt gezegd tegen mensen, die hun geld uitgeven voor wat geen brood is. En hun arbeid voor wat nooit verzadigen kan. Dit gaat over alle van God afgevallen mensen. Die tot op de dag van vandaag hun geluk zoeken buiten God en zonder God. En die hun toekomst zoeken in de dingen van deze wereld. Dit woord is niet alleen voor overtuigde zondaars. Dit is de algemene wereldwijde nodiging van het Evangelie in deze laatste dagen. Voor u allemaal! Voor u of jij, die Christus niet zoekt, maar het geluk van dit aardse leven… Voor u, die uw zaligheid en redding buiten Christus zoekt, in zelf goed doen en slecht laten… Voor jou, die gelukkig hier wel in de kerk zit, maar verder nooit aan God denkt… Voor u allemaal, lieve mensen!
Met groot medelijden roept de Heere u: ‘Verloren zondaars uit Adams geslacht. Ga niet verder. Maar kom tot inkeer!’ En die roep van de Heere is oprecht en welgemeend: ‘Kom, u allemaal, drink van het water des levens om niet.’ ‘
De nodiging is algemeen. De toegang tot de fontein van het levende water is vrij. De toegang tot Jezus Christus, de Zaligmaker van zondaars, is vrij. Zo iemand dorst heeft, wie u ook bent, die kome tot Christus en drinke. En die wil die neme van het water des levens. Zonder geld, zonder prijs, voor niets dus.
Maar gelukkig stopt het daar niet. Het stopt niet bij deze hartelijke, indringende nodiging, bij dit Goddelijke bevel aan uw adres. Alsof u nu vandaag de volgende stap zou moeten zetten. Gelukkig maar. De Heere doet meer dan alleen hartelijk, oprecht en liefdevol nodigen. Hij roept niet alleen: Zo iemand dorst heeft, die kome tot Mij. Maar de Geest van Pinksteren draagt er ook Zelf zorg voor, dat zondaars die niet willen, toch zullen komen.
En dat is, gemeente, de troost van deze dag. U wordt hartelijk, oprecht en welgemeend genodigd. En onze goede God wil u tegelijkertijd geven, wat u niet kunt en wat u niet wilt. Ga daar in je hart nu niet tegen lopen ageren. Maar ga dat zien als de enige weg tot je redding en tot je eeuwige behoud.
De Heilige Geest wil u dorstig maken. Niet naar andere dingen, maar naar God. Hij wil u laten zien, dat u van uzelf zonder God, zonder Christus en zonder hoop in deze
wereld bent. Hij wil u overtuigen van zonde. Hij wil u laten zien, met al de zondaarsliefde van Zijn hart, dat u tot nu toe altijd de verkeerde dorst hebt gehad.
Als de Heilige Geest je dat laat zien en je daaraan ontdekt, dan krijg je ineens een andere dorst. Dan komt er heimwee in je hart. Heimwee, dorst naar God. Dan gaat je ziel (en de Heere geve dat dat nu zo zal zijn), dan gaat je ziel meer dan ooit dorsten naar God. Naar de levende God, naar de Springader van het levende water. Dan krijg je echt dorst naar levend water. Naar vergeving van zonde en schuld. Naar verzoening met God. Naar afwassing van al je zonden en naar reinheid van je hart en leven.
En wat krijgt dit woord dan een diepe, een nog diepere betekenis. Als de Heilige Geest dan zegt, zoals nu… Niet: U, met uw zondige leven, ga maar! Maar als de Heilige Geest dan zegt: U, met uw dorstige hart, kom maar! Kom tot Christus, tot de Fontein van het levende water.
Wat is dit toch een goede, liefdevolle en hartelijke boodschap. Maar wat is er tegelijkertijd in ons hart toch veel verzet, juist tegen dit ene woord: Kom.
Dit woordje kom, gemeente, is het hardste woord van het Evangelie (Thomas Boston). Want mijn harde hart wil van nature niet komen zoals ik ben. Als een failliete, verloren en veroordeelde zondaar. Zo diep wil mijn trots niet buigen. En zelfs als ik door Gods genade iets gezien en geleerd heb van mijn zonde en ellende, dan nog kan er in mijn hart zoveel verzet zijn en soms weer terugkomen tegen dit ene woordje: Kom. Mijn grootste struikelblok om te komen is mijn trots, mijn hoogmoed, mijn eerste zonde uit het paradijs.
Wat er dus overblijft, mensen, is dit: dat je je met je harde en verloren hart aan de voeten van Christus werpt. En je oog biddend slaat op de Geest van Pinksteren. En roept: ‘Heere, overtuig ook mij. Trek en breng ook mij, waar ik uit mezelf niet wil en kan komen. Tenzij u, o verhoogde Christus Die nu in de hemel bent, door Uw Geest het woord vervult. Wat de Heere Jezus ooit zei in Johannes 12: En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal hen allen tot Mij trekken (Joh 12:32).
Groot is het verzet van ons natuurlijke hart tegen dit komen tot Christus. Maar oneindig veel groter is de macht van de verhoogde Christus. Die Hij uitoefent door Zijn Heilige Geest. Die met bovennatuurlijke kracht overtuigt en dringt om te komen. Om zo de belofte te vervullen van Jeremia 31: Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren; Ik zal hen leiden aan de waterbeken, in een rechten weg, waarin zij zich niet zullen stoten; want Ik ben Israël tot een Vader, en Efraïm, die is Mijn eerstgeborene (Jer. 31:9). Ik, zegt de Heere, zal het Zelf doen. Ik zal ze leiden aan de waterbeken. En Ik zal ze te drinken geven van het water des levens, voor niet. En zo wie gedronken zal hebben van
het water dat Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven (Joh. 4:14).
Geliefde gemeente, wij doen niet af aan de woorden van dit Boek (Openb. 22:19). En wij verdraaien, zoals Petrus zegt, de Schriften niet (2 Petr. 3:16Gelijk ook in alle zendbrieven, daarin van deze dingen sprekende; in welke dingen sommige zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste mensen verdraaien, gelijk ook de andere Schriften, tot hun eigen verderf.). Maar zeggen vrijmoedig, gedrongen door de liefde van Christus, tegen u allemaal: Kom! Wees welkom aan de voeten van de Zaligmaker.
Welkom, zondaars. Welkom, harde en verharde zondaars. Welkom, vijanden van het kruis van Christus. Welkom, dorstende zondaars. U hoeft u niet geschikt te maken om te komen tot Jezus. U mag komen zoals u bent. En wie tot Hem komt, zal Hij geenszins uitwerpen (Joh. 6:44Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.).
Kom! Ik dwing u naar het woord van de Heere met de gebiedende wijs van deze en andere Bijbelverzen. Kom! U hebt geen recht om niet te komen. U hebt geen recht om achter te blijven. Kom!
Dit ene woordje zal uw eeuwige oordeel verzwaren, als u vanmorgen opnieuw willens en wetens weigert om te komen. Als u daarmee doorgaat zult u eerdaags iets anders horen, namelijk dit: Ga weg van Mij. Wees toch gewaarschuwd, onbekeerde vrienden. Juist dat ga weg van mij, zal u tot in eeuwigheid herinneren aan dit woord: Kom. Kom tot Mij. Maar dan zal het te laat zijn. Vandaag is het tijd om te komen. Morgen misschien niet meer. Kom dan toch nu tot Christus.
Dit woord, mensen, komt uit Gods hart. En ik zeg het, namens Hem, ook met al de liefde van mijn hart, als dienaar van het Evangelie: Lieve medezondaars, kom tot Christus. Werp je verloren leven toch op Hem. Het is nog niet te laat. Heel veel mensen zijn gered, die zonder twijfel vele malen slechter waren dan dat u bent. En zo ook de man die voor u staat. In de naam van de allerhoogste Heere van hemel en de aarde, in de naam van de Christus der Schriften, Die mij gezonden heeft, ik bid u, mensen: Kom! Zo is dan het woord der zaligheid vandaag ook tot u gezonden (Hand. 13:26Mannen broeders, kinderen van het geslacht Abrahams, en die onder u God vrezen, tot u is het woord dezer zaligheid gezonden.).
Amen. Slotzang Psalm 2:6,7
Andere preken over Openbaring
Andere preken voor Pinksteren
Andere gerelateerde preken