3 augustus 2014
Johannes 4:29: Komt, ziet een Mens Die mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus?
INLEIDING
Als vervolg op de ontmoeting bij de Jakobsbron laat Johannes 4:28-29 zien wat de openbaring van Christus teweegbrengt: de Samaritaanse vrouw laat haar watervat achter en roept de stad toe: 'Komt, ziet een Mens, Die mij gezegd heeft alles, wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus?' Deze leespreek toont hoe haar getuigenis vele Samaritanen tot geloof brengt en spoort de lezer aan tot eigen onderzoek: kent u Hem ook zo?
De gevolgen, de vrucht van de openbaring van Christus in het leven van de Samaritaanse vrouw
JOHANNES 4:27-42
27 En daarop kwamen Zijn discipelen en verwonderden zich dat Hij met een vrouw sprak. Nochtans zeide niemand: Wat vraagt Gij? of: Wat spreekt Gij met haar?
28 Zo verliet de vrouw dan haar watervat, en ging heen in de stad en zeide tot de lieden:
29 Komt, ziet een Mens Die mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus?
30 Zij dan gingen uit de stad en kwamen tot Hem.
31 En ondertussen baden Hem de discipelen, zeggende: Rabbi, eet.
32 Maar Hij zeide tot hen: Ik heb een spijze om te eten, die gij niet weet.
33 Zo zeiden dan de discipelen tegen elkander: Heeft Hem iemand te eten gebracht?
34 Jezus zeide tot hen: Mijn spijze is dat Ik doe den wil Desgenen Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk volbreng.
35 Zegt gijlieden niet: Het zijn nog vier maanden en dan komt de oogst? Zie, Ik zeg u: Heft uw ogen op en aanschouwt de landen; want zij zijn alrede wit om te oogsten.
36 En die maait, ontvangt loon, en vergadert vrucht ten eeuwigen leven, opdat zich tezamen verblijde, beide die zaait en die maait.
37 Want hierin is de spreuk waarachtig: Een ander is het die zaait, en een ander die maait.
38 Ik heb u uitgezonden om te maaien hetgeen gij niet bearbeid hebt; anderen hebben het bearbeid, en gij zijt tot hun arbeid ingegaan.
39 En velen der Samaritanen uit die stad geloofden in Hem, om het woord der vrouw, die getuigde: Hij heeft mij gezegd alles wat ik gedaan heb.
40 Als dan de Samaritanen tot Hem gekomen waren, baden zij Hem dat Hij bij hen bleef; en Hij bleef aldaar twee dagen.
41 En er geloofden er veel meer om Zijns woords wil,
42 En zeiden tot de vrouw: Wij geloven niet meer om uws zeggens wil; want wij zelven hebben Hem gehoord, en weten dat Deze waarlijk is de Christus, de Zaligmaker der wereld.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Johannes 4:29
THEMA
De gevolgen, de vrucht van de openbaring van Christus in het leven van de Samaritaanse vrouw
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, vanmorgen preek ik het vervolg, het tweede deel van de preek over de Samaritaanse vrouw. Vorige week hebben we samen gezien hoe de Heere Jezus Christus haar trok, met liefde haar nieuwsgierig maakte naar het levende water. We hebben gezien hoe Hij haar verzet gebroken heeft, door te wijzen naar haar zonden, naar het diepste, het meest verborgen deel van haar hart en leven. En we hebben ook gezien hoe Hij Zichzelf uiteindelijk aan haar openbaarde. Toen Hij zei: Ik ben het, Die met u spreek. Het Schriftgedeelte dat zojuist is voorgelezen, laat de vrucht (de gevolgen) van dat alles zien in het leven van de Samaritaanse vrouw. Het tekstgedeelte dat wij vanmorgen met elkaar overdenken kunt u vinden in Johannes 4:28-29Zo verliet de vrouw dan haar watervat, en ging heen in de stad en zeide tot de lieden: Komt, ziet een Mens, Die mij gezegd heeft alles, wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus?, waar we Gods Woord als volgt lezen: Zo verliet de vrouw dan haar watervat, en ging heen in de stad en zei tot de lieden (tot de mensen in de stad): Komt, ziet een Mens, Die mij gezegd heeft alles, wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus? En we lezen ook vers 42: En zeiden tot de vrouw: Wij geloven niet meer om uws zeggens wil; want wij zelven hebben Hem gehoord, en weten, dat Deze waarlijk is de Christus, de Zaligmaker der wereld.
Het thema voor de preek is: De gevolgen, de vrucht van de openbaring van Christus in het leven van de Samaritaanse vrouw En we letten op een drietal aandachtspunten. In de eerste plaats: op wat ze doet (vers 28), in de tweede plaats: op wat ze zegt (vers 29) en in de derde plaats: op wat dat bewerkstelligt (wat dat doet, vers 42). Dus drie aandachtspunten: 1. Wat ze doet 2. wat ze zegt 3. Wat dat bewerkstelligt En daarna, na de tussenzang, zullen we dat in de vierde plaats gaan toepassen op ons eigen hart en leven. Dan gaan we kijken of we daar zelf ook iets van kennen. Als eerste dus:
We lezen samen eerst nog even vers 27: en daarop kwamen Zijn discipelen en verwonderden zich, dat Hij met een vrouw sprak (want dat verwachten zij niet van hun Meester). Nochtans zei niemand: wat vraagt U, of: wat spreekt U met haar? Juist op dat moment, juist toen, toen Jezus zei: Ik ben het! Toen kwamen de discipelen terug van boodschappen doen in de stad. Niet eerder, zodat zij persoonlijk gesprek niet gestoord hebben, maar ook niet later, zodat ze het hoogtepunt, de climax van de ontmoeting tussen Jezus en deze vrouw wel mochten meemaken.
En dan… dan (28) verlaat ze haar waterkruik. Ze is zo vol van alles wat gebeurd is, ze rent naar de stad en vergeet haar kruik? Nee, dat staat er niet. Ze verlaat die, ze laat die achter. Kijk daar staat hij, naast de put. Daar kwam ze voor. Dat was haar dagelijkse doen, haar dagelijkse routine: water putten, werken voor haar dagelijkse levensonderhoud. Zo pas pochte ze nog, was ze nog trots op haar Jakobsbron, op de bron van haar vader Jakob. Maar nu is alles van waarde veranderd. Ze heeft de Parel van grote waarde ontvangen, en de waarde van al het andere is verbleekt. Het is net als met Paulus: Ik heb alle andere dingen schade (verlies) en drek (vuil) geacht om de uitnemendheid van de kennis van Jezus Christus. Alles van het leven van nu verliest haar glans, bij het zien van Christus. En dat is nog zo.
Is dat ook de praktijk van uw leven? Hetzij in uitzien, verlangen, hopen en wachten, hetzij na een ontmoeting met Hem, na het zien van Hem. Is dat de praktijk van uw leven? Dat u zegt, zoals staat in Hooglied 5:16Zijn gehemelte is enkel zoetigheid, en al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste; ja, zulk een is mijn Vriend, gij dochters van Jeruzalem!: Alles wat aan Hem, is gans begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste; ja, zulk een is mijn Vriend, dochters van Jeruzalem! Dat u zegt: weg wereld, weg schatten, u kunt niet bevatten! U begrijpt niet, hoe rijk, hoe gelukkig ik ben. Ze verlaat haar waterkruik. Ze laat die achter. Omdat het levende water alles voor haar geworden is, en de rest is nu allemaal ondergeschikt. En ze laat haar kruik ook achter uit liefde tot Jezus: Hij mag drinken, uit haar kruik, zoveel als Hij wil.
Zo verliet de vrouw dan haar watervat (vers 28) en ging heen in de stad en zei tot de lieden, tot de mensen… Ze gaat niet naar huis, zoals de Heere Jezus gezegd heeft, om haar man te halen. Maar ze gaat naar de stad, om over Jezus te vertellen. Wat een voorbeeld, wat een beschamend voorbeeld. De discipelen zijn in de stad geweest, hebben boodschappen gedaan, hebben eten gekocht, maar we lezen niet dat ze iets over Jezus gezegd hebben. Ze hebben geen enkele Samaritaan uitgenodigd om naar de put te komen om met hun Meester te spreken. Druk met boodschappen doen, zoals wij (dominees, ambtsdragers, kerkmensen) vaak zo druk zijn met van alles en nog wat, maar niet met Jezus en niet met onze naaste. Maar zij gaat naar de stad en zegt het tegen de lieden, tegen de mensen van de stad.
Wat een durf, wat een vrijmoedigheid! Heeft ze die van zichzelf? Nee, het is de Heilige Geest die haar vrijmoedigheid geeft. Het is de liefde van Christus en haar liefde tot Christus die haar dringen. Zoals dat nog zo kan zijn, dat verlegen en schuchtere mensen, ineens vrijmoedig durven uitkomen voor de Heere en Zijn dienst. En achteraf misschien zeggen: hoe heb ik het gedurfd?
En, dat het van God is, dat kan je horen aan wat ze zegt. Dat iemand met Jezus is geweest, dat kan je horen, dat kan je zien, dat kan je ruiken. Dominee Ralph Erskine zegt in zijn preek over de Samaritaanse vrouw: de zaligmakende openbaring van Christus doet een mens zichzelf veroordelen, zichzelf op het diepst vernederden en Christus op het hoogst aanprijzen. Dan hoor je dus twee dingen. En dat zijn twee kanten van dezelfde munt. Die horen echt bij elkaar. Zichzelf op het diepst vernederden. Als Christus met je gaat spreken, als je de Heere Jezus leert kennen, kom je op je knieën terecht, dan ga je buigen, dan kom je op de grond terecht. Dominees Erskine zegt: God legt je in het stof. Dan roep je uit: wee mij, dat ik zo gezondigd heb! Jezelf op het diepst vernederden en (en dat hoort daar bij) Christus op het hoogst aanprijzen. Want met het zelfde licht, waarmee je je eigen schuld en verlorenheid hebt gezien, zie je dan ook iets van de grootheid, van de heerlijkheid, de kostbaarheid van de Heere Jezus Christus en van Zijn werk.
En die twee horen bij elkaar. Over Jezus praten en ondertussen trots zijn op jezelf omdat je voor Hem gekozen hebt, dat is niet uit God. En altijd alleen maar praten over schuld, zonder hartelijk verlangen in je hart naar een Zaligmaker, ook dat is niet uit God. Bij praten over, getuigen over Jezus hoort een diep vernederd hart En bij een door God vernederd hart hoort een hartelijk verlangen naar de Zaligmaker. Het een gaat naar beneden, het ander gaat omhoog. Het is net als bij een brug die open gaat: de brug gaat omhoog, de gewichten gaan naar beneden.
Je kunt het horen, zien, ruiken aan deze vrouw dat ze met Jezus is geweest. Je hoort het aan wat ze zegt. En dat brengt ons bij ons tweede aandachtspunt:
Dat lezen in vers 29: Kom, zie een mens, die mij gezegd heeft alles, wat ik gedaan heb, is deze niet de Christus? Geen lange preek over levend water, over het wel of niet aanbidden in Jeruzalem of op de berg Gerizim. Nee, ze wijst kort en helder, naar het licht waarmee Christus in haar hart geschenen heeft. En de dingen die ze toen heeft gezien. Twee dingen, die bij elkaar horen.
a. Hij heeft me gezegd alles wat ik heb gedaan. Zoals je voor de spiegel gezet kan worden, en iemand wijst naar één puistje in je gezicht, en terwijl je in de spiegel kijkt zeg je: ik zit er helemaal onder! Met de vinger van het woord gewezen naar één zonde, en er ging een wereld open van atheïsme, ongeloof, vijandschap, trots en egoïsme. Dat, mensen, is wat Hij met mij deed! Hoort wat mij God deed ondervinden, wat Hij gedaan heeft aan mijn ziel. Hij heeft me al mijn zonden aangewezen. Details geeft ze er niet bij. Er is geen reden om die zonden breed uit te meten. Want daar schaam je je diep voor. Vat het ook maar samen, weidt er maar niet over uit. De mensen weten toch al wel hoe slecht je bent. Hij heeft mij gezegd alles wat ik gedaan heb. Zijn licht, Zijn ontdekkende licht scheen op mijn hemelhoge schuld. En toen zei ik: U bent een profeet, U weet het, U hebt gelijk. En tegelijkertijd liet Hij iets van datzelfde licht vallen op Zijn oneindige verdienste en waardigheid. En dus, zegt ze nog iets:
b. Komt, en ziet een Mens (die mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb) is deze niet de Christus? Een Mens, Die alles weet en alles ziet, Hij moet ook zeker God zijn! Ze erkent Hem dus als zijnde God en mens, en dus als de door God gezonden Messias. Haar vraag (is deze niet de Christus?) is geen teken van twijfel. Het is meer bedoeld om de mensen over te halen om mee te komen. Voor haar is het glashelder. Deze Mens, is de door God gezonden en gezalfde Messias. Gezonden en gezalfd om de wil van de Vader te doen, om de zonden te verzoenen, de schuld te dragen, de wet te vervullen en om armen het Evangelie te verkondigen.
Mensen, kom en zie! Woorden waarin je voelt haar gunning: kom mensen, het kon voor mij, het kan echt voor jullie allemaal! Ga toch niet door met je alledaagse doen, maar kom! Woorden waarin je voelt haar liefde en bewogenheid. Ze is vol van de liefde van Christus, en van haar wederliefde, haar terug-liefde tot Hem. En haar woorden zijn ook eerlijk, wijs, verstandig en voorzichtig. Ze maakt zich heel kwetsbaar, door eerlijk te zijn. Door te zeggen wie ze geweest is. Iedereen weet het, maar ze zegt het toch. En ze weet ook dat haar stem, haar woorden de mensen niet zullen overtuigen. En dus zegt ze: kom met me mee! Wij weten, gemeente, dat onze woorden onvoldoende zijn om u te overtuigen, en dus zeggen wij ook tegen u: kom en zie! Kom en zie de Christus!
Maar als u nu heel diep in uw hart kijkt, dan voelt u: dat is een boodschap, een nodiging die ons niet ligt. Kom en zie een dominee! Dat is interessant. Kom en luister naar een mooie preek. Dat is boeiend. Maar: kom en zie Christus! Nee, dat ligt ons niet.
Maar toch, dit is onze gunnende, liefdevolle en eerlijke boodschap. Van ons (en ik trek de kring breder, van ons die de Heere vrezen) aan u, die Hem nog niet kent: ‘Hij heeft ons ontmoet, Hij heeft ons gezegd alles (echt alles) wat wij gedaan hebben! En we gunnen Hem ook zo aan u! Het kon voor ons, en dus kan het ook voor u!’ Maar ik snap dat u mij niet gelooft. Kom dan, en kijk met je eigen ogen!
Gunnend, liefdevol, eerlijk, en zonder twijfel ook vol van blijdschap. Het straalt uit haar woorden. Er is, gemeente, zoveel blijdschap en vreugde in de dienst van de Heere. Wij zeggen met Andreas, vervuld van blijdschap: Wij hebben gevonden de Messias, de Christus! En onze ziel kan wel huppelen van zielenvreugd. Maar komt u toch ook! Kom en zie een Mens die ons gezegd heeft alles wat wij gedaan hebben. Deze is de Christus!
Nog kort voordat wij gaan zingen ons derde aandachtspunt:
Wat dat getuigenis, dat spreken van deze vrouw, doet. Wat het doet bij de mensen. Vers 42 zegt: De mensen dan zeiden tot de: wij geloven niet meer om uws zeggens wil; want wij zelf hebben Hem gehoord, en weten, dat deze waarlijk (echt) is de Christus, de Zaligmaker der wereld. De Heere Jezus is in gesprek met Zijn discipelen. En als ze naar de stad kijken, dan zien ze de mensen aankomen. Daar komen ze, als reactie op de woorden van deze vrouw. En terwijl ze daar naar kijken, zegt Jezus: zie, de velden zijn wit om te oogsten. Ik heb gezaaid, daarvoor heeft Johannes de Doper gezaaid, en zij heeft nu ook gezaaid. En nu mag u maaien. Zaaier en maaier mogen zich verblijden in de dienst van de Heere. Maar de oogst, de vrucht, de opbrengst en de eer is voor de Heere alleen.
Gastvrij onthalen de Samaritanen Jezus. Heidense mensen, tot een schrijnend voorbeeld voor ons kerkgangers, als wij kijken hoe wij dat doen: Jezus ontvangen… Er staat in vers 40: Als dan de Samaritanen tot Hem gekomen waren, baden zij Hem, dat Hij bij hen bleef; en Hij bleef aldaar twee dagen. En er geloofden er veel meer om Zijns woords wil. Dat laatste maakt ons (die werkzaam zijn in de dienst van de Heere) bescheiden. Het is onze hoge roeping om een goed getuige te zijn van Christus en van Zijn werk. Maar onze(!) woorden overtuigen niet. Zijn woorden wel. Ook anderen, onze kinderen, kleinkinderen, onze man of vrouw, onze vader of moeder, ook anderen hebben de persoonlijke ontmoeting met Christus nodig. Dat Hij tot hen persoonlijk spreekt. Ze kunnen het niet doen met onze woorden, met ons getuigenis.
En zij zeiden tot de vrouw (vers 42): wij geloven niet meer om uws zeggens wil; want wij zelf hebben hem gehoord, en weten dat deze waarlijk is de Christus, de Zaligmaker der wereld.
Met weinige woorden zeggen ze precies hetzelfde, als wat er gebeurd is in het leven van de Samaritaanse vrouw. Wij geloven dat Hij de Christus is, de door God gezonden Profeet, Die ons alles leren zal. Wie wij zijn, Wie God is, en Wie Hij wil zijn voor zondaren. Wij geloven dat Hij de door God gezalfde Priester is, de Verlosser, de Zaligmaker van al de Zijnen. En wij geloven dat Hij over ons koning zal zijn.
Voordat we verder gaan met ons vierde aandachtspunt, zingen wij samen eerst uit Psalm 51:7Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen.: Dan zal ik elk, die 't heilspoor bijster is, Vrijmoedig al Uw rechte wegen leren; De zondaar zal zich dan tot U bekeren, En scheppen moed uit mijn behoudenis. O God, Gij God mijns heils, vergeef mijn schuld, Mijn bloedschuld toch, hoe billijk ook te doemen; Dan zal mijn mond, met zangstof weer vervuld, Uw heilig recht, gepaard met goedheid, roemen.
4. Toepassing Gemeente, wij eindigen deze tweede overdenking over het leven van de Samaritaanse vrouw en haar ontmoeting met Jezus, met een persoonlijke toepassing. Dat wil zeggen: we leggen ons hart, ons eigen hart ernaast. We gaan als het ware staan voor de spiegel van het Woord van God. En dan is de grote vraag, gemeente, nu we twee keer deze geschiedenis hebben overdacht: Wat dunkt u(!) van de Christus? Ik wil u vragen om eerlijk uw hart te onderzoeken, als het gaat over deze belangrijke levensvraag: kent u Hem? Heeft Hij ooit ook zo tot u gesproken, waardoor u zegt en zeggen kunt: Kom, zie een Mens, Die mij gezegd heeft alles, wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus?
Ik zal u zeven Bijbelse kenmerken noemen, waardoor u kunt weten of u iets van Hem, van Christus kent.
a. Als u iets van Hem kent, kent u ook iets van uzelf. Het werk van Christus is: wijzen naar de zonde van ons hart. Zonder dat, zonder dat we iets van die zonde van ons hart gezien hebben, hebben wij geen dorst naar levend water. Zonder dat hebben we genoeg aan onszelf, aan onze eigen werken. Zonder dat rusten we op onze eigen goedheid en zijn we tevreden met onze uiterlijke godsdienst. Maar als Christus in uw leven gekomen is (hoewel u misschien niet wist dat Hij het was Die met u sprak) dan is één vingerwijzing van Hem genoeg geweest, om de wereld van uw hart open te leggen. Een wereld van atheïsme, vijandschap, ongeloof, trots en egoïsme. Een wereld van openbare zonden, die je vroeger misschien klein noemde, maar nu zijn ze groot, omdat u ze ziet in het licht van Gods heiligheid en rechtvaardigheid.
Een wereld van verborgen zonden, die niemand weet, maar die oplichten in het donker van je hart, bij het licht van Gods ontdekkende genade als een hemelhoge schuld.
b. Als u iets van Hem kent, dan hebt u ook echt, werkelijk, ik bedoel uit ervaring, bevindelijk, iets leren zien van Hem, de Christus. Misschien nog niet in de volle helderheid van het daglicht van de Zon der gerechtigheid. Maar dan kent u echt, werkelijk, uit ervaring, bevindelijk iets van het verlangen naar de dageraad, dan kent uw hart een heimwee verlangen naar de kennis van Hem. Zoals het heimwee in het hart van de Samaritaanse vrouw, toen ze zei: als de Messias komt, Hij zal ons (die de weg niet weten) alles leren en verkondigen. Dat verlangen (en ik zeg dat tot troost en bemoediging) wat u zo aan Hem verbindt, in al uw gebrek, twijfelen en zuchten, dat verlangen zou er niet zijn, als u niet wist Wie Hij was. Dat verlangen is er in uw hart, omdat u iets hebt mogen zien en hebt mogen leren kennen van Zijn goedheid, barmhartigheid en genade. Waarmee Hij u dichterbij wil trekken. Misschien is er in de beleving van uw hart nog zoveel afstand. Maar misschien komt dat wel omdat u stiekem nog zoveel hoop hebt op uzelf. En die hoop ook liever niet wilt opgeven. Maar gelukkig, Hij gaat door, ondanks al ons verzet en al onze vijandschap. Hij neemt ons alles af wat we kwijt moeten, en maakt ons zoals we echt moeten zijn, en zoals we echt in werkelijkheid zijn: zondaar voor God!
Als u iets van Hem kent, dan kent u ook echt, werkelijk, uit ervaring, ik bedoel bevindelijk iets van Zijn dierbaarheid, van Zijn kostbaarheid, van de kostbaarheid van Hem, Die u zo nodig hebt. Als Profeet, om u alles te leren, wat u niet weet, niet ziet en niet kent. De kostbaarheid van Hem als Priester, om de prijs van uw ziel te betalen, om vrede met God te maken, om voor u te bidden. De kostbaarheid van Hem, Die gezalfd is tot Koning, om uw leven te vernieuwen, om in het binnenste van u een rein hart te scheppen, om Heere en Meester te zijn over heel uw leven. Wie dat innige verlangen niet kent, om Hem te kennen en om Hem meer te kennen, weet werkelijk niet wie Hij is. Want als Hij (stapsgewijs) iets laat zien van Zichzelf, dan komt er altijd een innig verlangen naar meer. En dat blijft zo. Paulus zegt 30 jaar na zijn bekering: och, dat ik Hem kenne, en de kracht van Zijn opstanding. Dat brengt me bij het derde kenmerk:
c. Als u iets van Hem kent, wil u steeds meer van Hem kennen. Er zijn zoveel tevreden christenen. Dat was vroeger zo, en dat is nog zo. Mensen die tegen anderen zeggen: Ga en zie! Ik ga niet met je mee, want ik heb al genoeg van Hem gezien. Ik ken Hem voor eens en altijd. Maar wie Hem echt kent, die kan niet anders dan verlangen om Hem meer te leren kennen, om terug te gaan naar Hem. Die kent nooit genoeg, die krijgt er nooit genoeg van. Die zegt: niet: Ga en zie, maar die zegt: kom en zie! Ik ga met je mee, want ik wil Hem ook weer ontmoeten.
Is dat ook uw verlangen? Is dat uw zucht, ook in al uw aanvechting, bestrijding en twijfel: och, werd ik derwaarts weer geleid!
d. Als u iets van Christus kent, werkelijk voor uw eigen hart en leven, dan laat u ook uw waterkruik achter. Dan verliest de wereld, dan verliest de tijd van nu haar glans. Dan zingt u met heel uw hart: Want beter dan dit tijdelijke leven, is Uw goedertierenheid. Dan acht u alles verlies en vuil, om de uitnemendheid van Christus, uw Liefste. Want alles wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Dan ziet u dat de dingen van nu, de materie van deze tijd en alles wat deze tijd te bieden heeft, allemaal betrekkelijk is. Dan krijgt uw oog en uw hart een andere richting. Dan ziet u je ook dat de vermeende pluspunten van vroeger (uw ijver, uw netheid, uw godsdienst en uw bewogenheid en tranen) van geen waarde zijn. Dat ze waardeloos zijn, dat ze niet kunnen dienen als prijs voor de betaling van uw schuld. En dan komt er vooral ook een breuk met de zonde. Het kennen van Christus, de ontmoeting met Hem, geeft de nekslag aan de zonde in ons leven. Want er kan er maar één op de troon zitten. Daarmee is de zonde niet uitgebannen uit ons leven. Maar de zonde verliest wel zijn heersende kracht. Kortom, in één woord: Christus wordt alles voor ons. Het is geen goed teken en het mag wel tot grote zorg zijn, als u heel veel rechtzinnige dingen weet, en zegt, en graag naar die dingen luistert, maar als het gaat over Christus, dan zegt u…: Nee… Doorzie toch, beste vrienden, uw lot. Zo kunt u niet verschijnen voor God.
e. Als u iets van Christus kent, dan heeft dat uw hart diep vernederd, dan heeft dat u blijvend ootmoedig en klein gemaakt. Want het kennen van Christus is ten diepste vernedering voor ons eigen ik. Bij het licht van de kennis van ons verstand, weten we wel wat zonde is. De wet van God wijst de zonde aan, veel meer dan dat we zonder de wet zouden weten. Maar genezen, helen, redden, dat kan de wet niet. De wet veroordeelt ons alleen maar. Maar we zien onze zonden meest in het licht van de Zon der gerechtigheid. Als Die gaat schijnen, dan zeggen we: Hij heeft me gezegd alles(!) wat ik gedaan heb. Dan kan het niet anders meer, dan ga ik heel diep buigen, ik kom plat op de grond terecht. Als ik mijn slechtheid zie tegenover Zijn heiligheid. Als ik mijn leegheid zie tegenover de volheid van Christus. Als ik mijn ongerechtigheid ziet tegenover Zijn gerechtigheid. Dat vernedert me dieper dan ooit tevoren. Dat maakt me ootmoedig en klein. Wie groot spreekt en denkt over zichzelf, kent maar weinig van Christus. Het kennen van Hem maakt ootmoedig en klein, en brengt tot grote verwondering en verbazing. En tegelijkertijd geeft het heel veel wederliefde, terug-liefde tot God in ons hart. En dat is een zesde kenmerk:
f. Als u iets van Christus kent, is er ook een hartelijk verlangen in uw leven om Hem groot te maken. Niet: kom en zie, een goede dominee, luister naar een mooie preek... Maar: kom en zie Christus! Niet theoretisch, niet alleen met het verstand, maar hartelijk, met hoofd en hart, gelovend, bevindelijk, liefdevol, eerlijk, uit ervaring: kom zien, kom proeven, kom ervaren en smaken dat God goed is. Wie Hij wil zijn voor een slecht mens, zoals ik. Het kon voor mij, het kan zeker ook voor u.
g. Tot slot: als u iets van Christus kent, dan kan het niet anders, dan komt er ook een ander doel in uw leven. Dat andere doel, dat is de eer en de heerlijkheid van God en Christus. Zoals Maria zong: mijn ziel maakt groot de Heere. Het gaat niet meer om mij, het gaat om Hem. Dan zegt u niet al getuigend: hoor mij! Maar dan zegt u: zie Hem! De heerlijkheid van God, dat was het doel van de schepping. De heerlijkheid van God en Christus, dat is het doel van de herschepping.
Dan zeggen we samen, alle mensen die de Heere vrezen, aan het einde van deze dienst (wat we gezongen hebben toen deze dienst begonnen): Kom, maak God met mij groot. Verbreid, verhoog met hart en stem de nooit volprezen Naam van Hem. Van Hem, Die ons gezegd heeft alles wat wij gedaan hebben. Deze is de Christus, de Zoon van de levende God! Hem zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid.
Amen.
Slotzang Psalm 56:5:
Gij hebt mijn ziel beveiligd voor den dood; Gij richt mijn voet, dat hij zich nimmer stoot'; Gij zijt voor mij een schild in allen nood; Gij hebt mijn smart verdreven; Uw dierb're gunst is m' altoos bijgebleven; 'k Zal, voor Gods oog, naar Zijn bevelen leven; Zo word' door mij Zijn naam altoos verheven; Zo word' Zijn lof vergroot.
Andere preken over Johannes