Nieuwjaar - 1 januari 2022
Openbaring 21:4: En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan.
INLEIDING
Bij het begin van een nieuw jaar wijst deze leespreek over Openbaring 21:1-5 vooruit naar de grote toekomst van de Kerk, waar Johannes hoort: Ziet, Ik maak alle dingen nieuw. Aan de hand van wat er dan niet meer zal zijn en wat er dan wél zal zijn, neemt deze leespreek u mee naar het blijde vooruitzicht van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, tot troost en aansporing voor het komende jaar.
De grote nieuwjaarsmorgen
OPENBARING 21:1-7
1 En ik zag een nieuwen hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer.
2 En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als een bruid die voor haar man versierd is.
3 En ik hoorde een grote stem uit den hemel, zeggende: Zie, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen en hun God zijn.
4 En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan.
5 En Die op den troon zat, zeide: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw.
6 En Hij sprak tot mij: Het is geschied. Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. Ik zal den dorstige geven uit de fontein van het water des levens voor niet.
7 Die overwint, zal alles beërven; en Ik zal hem een God zijn en hij zal Mij een zoon zijn.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Openbaring 21:4
THEMA
De grote nieuwjaarsmorgen
AANDACHTSPUNTEN
LITURGIE
Geloofsbelijdenis van Nicea
Lezen Openbaring 21:1-8
De tekst voor de preek op deze nieuwjaarsmorgen kunt u vinden in Openbaring 21, daarvan de verzen 1 tot en met 5. Ik lees u als samenvatting van het voorgelezen Schriftgedeelte voor de verzen 3 en 4 van Openbaring 21: En ik hoorde een grote stem uit de hemel, zeggende: Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen en hun God zijn. En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan.
We letten vanmorgen op (dat is het thema van de preek): De grote nieuwjaarsmorgen. Er zijn twee aandachtspunten. We letten in de eerste plaats op: wat er niet meer is. En we zien in de tweede plaats: wat er wel is. Dus: 1. Wat er niet meer is 2. Wat er wel is
Johannes noemt verschillende dingen, die er niet meer zijn. a. Als eerste zegt hij in vers 1: De eerste hemel, en de eerste aarde zijn voorbijgegaan. Alles wat uit stof is heeft een einde genomen (Ps. 102:15Want Uw knechten hebben een welgevallen aan haar stenen, en hebben medelijden met haar gruis., ber.). Het is alles als een kleed ineengerold en veranderd (Hebr. 1:10-12En: Gij, Heere! hebt in den beginne de aarde gegrond, en de hemelen zijn werken Uwer handen; Dezelve zullen vergaan, maar Gij blijft altijd, en zij zullen alle als een kleed verouden; En als een dekkleed zult Gij ze ineenrollen, en zij zullen veranderd worden; maar Gij zijt Dezelfde, en Uw jaren zullen niet ophouden.). Want deze wereld gaat voorbij en haar begeerlijkheid (1 Kor. 7:31En die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende; want de gedaante dezer wereld gaat voorbij., 1 Joh. 2:7Broeders! Ik schrijf u geen nieuw gebod, maar een oud gebod, dat gij van den beginne gehad hebt; dit oud gebod is het woord, dat gij van den beginne gehoord hebt.). De elementen van de aarde zijn inmiddels brandend vergaan (2 Petr. 3:10Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden.,12).
Beste vrienden, bedenk aan het begin van dit nieuwe jaar, bij al uw plannen, bij al je dromen en goede voornemens: deze wereld gaat voorbij. Er komt een dag, dat je zult zeggen: toen had ik dit, toen deed ik dat, toen wilde ik zus of zo, maar nu is het voorbij. De Heere zegt: De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan (Mark. 13:31De hemel en de aarde zullen voorbijgaan; maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.). Geloof dan toch nu Zijn heil- en troostrijk Woord!
b. Het tweede dat er niet meer is, dat staat in vers 1b: De zee was niet meer. Dat is geen aardrijkskundige vaststelling, maar een theologische. Want de zee is in de Bijbel een beeld. Een beeld van een aantal zaken. De zee is in de Bijbel beeld van scheiding. In het paradijs leefden we met God, maar de zonde heeft scheiding gemaakt. Jeremia zegt: Uw breuk is zo groot als de zee, wie kan u helen? (Klaagl. 2:13Mem. Wat getuigen zal ik u brengen, wat zal ik bij u vergelijken, gij dochter Jeruzalems? Wat zal ik bij u vergelijken, dat ik u trooste, gij jonkvrouw, dochter Sions, want uw breuk is zo groot als de zee, wie kan u helen?). Tussen ons en God is een naamloos grote afstand, zo groot als dat je ziet, als je staat aan de oever van de zee. Waar is de overkant? Die is niet te zien. De zee is niet te overzien. De breuk tussen God en ons is onmetelijk, de afstand is eindeloos. Maar nu, Christus heeft voor al de Zijnen de breuk geheeld, de kloof gedicht, de brug geslagen, en nu is de belofte vervuld, zoals die staat in Psalm 68: Ik zal u wederbrengen uit de diepten der zee (Ps. 68:22).
De zee is beeld van scheiding, de zee is in de Bijbel ook beeld van de volkerenzee. Wie leest in Daniël 7, ziet dat de wereldrijken, de machten van de aarde opkomen uit de zee. Als de ene golf na de andere: de ene gaat, de andere komt, en wordt weer overspoeld door de volgende (Dan. 7:3). Nee, het zijn geen neutrale machten. De volkeren zijn in opstand tegen de Heere en tegen Zijn Gezalfde (Ps. 2:2De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende:). Maar nu heeft God hen letterlijk verpletterd (Ps. 2:9). De zee van de opstandige volken is niet meer.
De zee is in de Bijbel beeld van scheiding, van de volkerenzee, maar vooral ook beeld van de toorn van God, beeld van de vloek, beeld van de dood. In het vorige hoofdstuk (20:13) wordt de zee in één adem genoemd met de dood en de hel, het graf. Wie verdrinkt in de zee, die krijgt geen begrafenis. De zee is één groot, onmetelijk graf. Maar nu: De zee is niet meer! Het is voorbij. Omdat Christus de dood en het graf heeft overwonnen, omdat Hij de vloek heeft weggedragen, daarom kan hier staat: De zee is niet meer. De eerste hemel en de eerste aarde zijn voorbijgegaan, de zee is niet meer...
c. Het derde wat Johannes noemt staat in vers 4. Er zijn geen tranen meer: God zal alle tranen van hun ogen afwissen… Ieder kind van God heeft hier op aarde betraande ogen. Er zijn tranen van verdriet, van rouw en gemis. Er zijn vooral ook tranen van Godsgemis, van verdriet om onze zonden, vanwege ons dwaalzieke hart, dat nog zo vaak zondigt tegen een heilig en goeddoend God.
Zo is het hier op aarde. Dat is hier. Maar, daar is (zo zegt de puriteinse dominee Samuël Rutherford), daar is een welkom thuis. Ze komen allemaal thuis met bedroefde gezichten en betraande ogen, maar Christus ontmoet hen aan de deur van hemel met een schone en zachte doek in Zijn hand, wist hun gezichten af en zegt: Stil maar, Mijn lieve kinderen, u zult nooit meer huilen. Hoe blij die ontmoeting zal zijn, dat kunnen we ons niet voorstellen.
De kerk (zo schrijft hij verder) is hier op aarde een halve weduwe. Haar Heere is in een vreemd land, ver weg. Daarom is het leven hier op aarde ook vaak zo moeilijk. Soms krijgt ze van Christus een liefdesbrief uit de hemel. Dan is ze blij en wist ze haar tranen weg. Maar de brief wordt oud, de troost raakt eruit, de Heere verbergt Zich en… er komen nieuwe tranen (einde citaat). Maar dan: nooit meer! Onze tranen zullen afgewist worden.
Tranen van zondeverdriet. Hier is de vervulling van Jesaja 54:11Gij verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste! zie, Ik zal uw stenen gans sierlijk leggen, en Ik zal u op saffieren grondvesten.: Gij verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste (heb toch moed!); zie, Ik zal uw stenen gans sierlijk leggen, en Ik zal u op saffieren grondvesten. Christus zal uw hoofd in Zijn schoot leggen. En uw tranen drogen. En Hij zal Zich verheugen over Jeruzalem, en vrolijk zijn over u (Jes. 55:19).
Tranen van gemis om dierbaren, die in de Heere ontslapen zijn. De moeder (schrijft Rutherford) die haar kinderen verloren heeft, zal ze daar weer krijgen. De weduwen des Heeren zullen hun mannen zien.
Tranen om verliezen, die geleden zijn in tijden van laster, verdrukking en vervolging. Wat Luther ooit deed zingen: Delf vrouw en kind'ren graf, neem goed en bloed ons af. Het brengt u geen gewin, wij gaan ten hemel in en erven het hemelse Jeruzalem.
Dat alles betekent ook, kinderen van God, aanstaande burgers van het hemelse Jeruzalem, dat u dit jaar opnieuw moet rekenen op tranen. Wij geloven niet in een aardse hemel, ook niet in [plaatsnaam]. Dit leven is een jammerdal, dit leven is een tranendal. Maar we mogen door Gods genade door die tranen heen vooruit kijken.
Maar, heb geen illusies, ons gezicht zal van tranen nat zijn tot aan de hemelpoort. Leef met die betraande ogen, hopend op het woord van Gods belofte. Er zal verlossing komen.
Dat betekent ook: Wee u, die nu lacht, u, die geen tranen kent. Uw lach zal vergaan. Diezelfde dominee Rutherford voegt aan het voorgaande citaat toe: Ik zou voor geen wereld uw pret willen hebben; doe uw best maar, wij zullen zien wie in die dag het hardst zal lachen.
Kinderen van God, geliefde medechristenen, straks zullen er geen tranen meer zijn. Jesaja schrijft het: En de vrijgekochten des HEEREN zullen wederkeren, en tot Sion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vrolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvlieden (35:10).
De eerste hemel en de eerste aarde zijn voorbijgegaan, de zee was niet meer en alle tranen zijn van de ogen afgewist…
d. Het vierde wat Johannes noemt staat ook in vers 4: De dood zal niet meer zijn. Zoals Jesaja ooit al profeteerde: Hij zal de dood verslinden tot overwinning, en de
Heere HEERE zal de tranen van alle aangezichten afwissen (…) want de HEERE heeft het gesproken (25:8).
De dood, het graf, en de hel (het staat in hoofdstuk 20:14) zijn geworpen in de poel des vuurs. Wat een tranen hebben de dood en het graf al niet veroorzaakt. Ook die tranen van verdriet, kinderen van God, zullen dan worden weggeveegd. Want de dood zal niet meer zijn, noch… (dat ook niet meer)
e. Het vijfde wat Johannes noemt: Noch rouw, noch gekrijt (noch geschreeuw), noch moeite. De dood is niet meer, dus is er ook geen rouw meer. De bruid krijgt sieraad voor as. Treuring en zuchten zullen wegvluchten (Jes. 51:11Alzo zullen de vrijgekochten des HEEREN wederkeren, en met gejuich tot Sion komen; en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vreugde en blijdschap zullen zij aangrijpen, treuring en zuchting zullen wegvlieden.). De bruid krijgt vreugdeolie van treurigheid (Jes. 61:3Om den treurigen Sions te beschikken dat hun gegeven worde sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwden geest; opdat zij genaamd worden eikebomen der gerechtigheid, een planting des HEEREN, opdat Hij verheerlijkt worde.). Geen gekrijt, geen geschreeuw zal daar meer zijn. Geen hartverscheurend huilen meer van een vader of moeder over een ziek, over een stervend kind. Want: Ik (zegt God) zal Mij verheugen over Jeruzalem, en vrolijk zijn over Mijn volk; en in haar zal niet meer gehoord worden de stem der wening, noch de stem des geschreeuws (Jes. 65:19En Ik zal Mij verheugen over Jeruzalem, en vrolijk zijn over Mijn volk; en in haar zal niet meer gehoord worden de stem der wening, noch de stem des geschreeuws.). Alle moeite, kinderen van God, die er is sinds onze diepe val in het paradijs, is dan voorbij. Ziekte, pijn, zwoegen, moeilijk werk, harde inspanning, het is allemaal voorbij.
Want, zo staat in vers 4: De eerste dingen zijn weggegaan. Wat, kinderen van God, hebben we toch een blij vooruitzicht. Alles van deze wereld, alles van hier en nu gaat voorbij. Straks is het voorbij. Ook dit: dit zondige hart. Dan zijn er geen zonden meer, dan is er geen verlaten meer, geen verdwalen meer, geen scheiding meer, geen breuk, geen duisternis en donkerheid meer, dan is dat alles voorbij!
Als het goed is, kijk je aan het begin van dit jaar anders vooruit dan anderen. Anderen kijken verwachtingsvol naar wat hier beneden komt: een nieuwe baan, een beter huis, meer inkomsten, goede vooruitgang, meer kennis, meer geluk… Maar wij kijken omhoog: blij vooruitzicht, dat ons streelt. Dan is alles van hier beneden voorbij. Dan zullen we eeuwig met de Heere wezen. Wat dat inhoudt zien we zo meteen (na het zingen) in onze tweede gedachte. We zingen nu samen eerst uit Psalm 89, daarvan het 1e vers.
'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên; Uw waarheid t' allen tijd vermelden door mijn reên. Ik weet, hoe 't vast gebouw van Uwe gunstbewijzen, Naar Uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen; Zo min de hemel ooit uit zijnen stand zal wijken, Zo min zal Uwe trouw ooit wank'len of bezwijken.
Gemeente, het gaat vanmorgen over de grote nieuwjaarsmorgen. We hebben gezien wat daar niet meer is: de eerste aarde en de eerste hemel zijn voorbijgegaan, de zee is niet meer, alle tranen zijn afgewist, dood, rouw, gekrijt en moeite, al die eerste dingen zijn voorbijgegaan. Dat was onze eerste gedachte. Nu onze tweede gedachte:
Wat daar is…? Een hemelse erfenis. Een erfenis die bewaard wordt voor Gods kinderen, en zij worden bewaard voor die erfenis. En dus is onze toekomst, kinderen van God, zeker!
Ik zag, zegt Johannes (en dat is het eerste): Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Als je goed leest in het Grieks, gaat het niet om een nieuw heelal dat uit niets gemaakt is, zoals in het begin bij de schepping. Hemel en aarde zijn nieuw, zijn wezenlijk vernieuwd, maar hebben nog steeds hun oorsprong in de oude schepping. Want God laat nooit varen het werk van Zijn handen.
Dat zie je trouwens overal in de Bijbel. Het nieuwe verbond kwam voort uit het oude. De nieuwe mens is een transformatie, een vernieuwing van de oude mens, die vernieuwd wordt. Zo zijn ook de nieuwe hemel en de nieuwe aarde gebaseerd op de oude wereld.
De oude wereld zal niet vernietigd zijn. De planeet aarde zal niet weggevaagd worden. De dichter heet toch gezegd in Psalm 37, dat de zachtmoedigen de aarde erfelijk zullen bezitten (37:11)? Niet vernietigd dus, maar wel zodanig veranderd (immers: de elementen zijn brandend vergaan), dat er iets heel nieuws herschapen is. Het is te voelen in het herscheppende woord in vers 5. Het klinkt, zoals het klonk in het paradijs: Zie, Ik maak alle dingen nieuw! Nieuw, totaal anders dan zoals het eerder was. Nu: volmaakt, heerlijk, heilig, perfect. Het oude is echt voorbijgegaan. Het is opnieuw een vervulling van de profetie van Jesaja: Want ziet, Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, en zullen in het hart niet opkomen (Jesaja 65:17).
En ik, Johannes, zag (dat is het tweede; in vers 2): De heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit de hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is. Die andere stad, Babylon, is gevallen. Zij is niet meer. Babylon, die grote stad, vol van zonde, vol van hoererij. Maar nu is alles anders: Jeruzalem, de heilige stad! Van God, uit de hemel. Als een bruid die voor haar man versierd is.
Die heilige stad is beeld van de Kerk van Christus, van al degenen die door Hem gekocht zijn met de prijs van Zijn kostbare bloed. De kerk van Christus, Gods kinderen, worden in de Bijbel genoemd de heilige stad. Zo was het al bij de profeet Jesaja: En zij zullen hen noemen het heilige volk, de verlosten des HEEREN; en u zult genoemd worden de gezochte, de stad(!) die niet verlaten is. (Jes. 62:12En zij zullen hen noemen het heilige volk, de verlosten des HEEREN; en gij zult genoemd worden de gezochte, de stad, die niet verlaten is.). Zij wonen in het nieuwe Jeruzalem: Daar zullen zij, Gods knechten met hun zaad, zij die Zijn Naam beminnen erfelijk wonen (Ps. 69:14Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U, o HEERE; er is een tijd des welbehagens, o God! door de grootheid Uwer goedertierenheid; verhoor mij door de getrouwheid Uws heils., ber.). Hier wonen de Filistijnen, de Tyriërs, de Moren, gebracht in de Godsstad van het nieuwe Jeruzalem (Ps. 87:3Zeer heerlijke dingen worden van u gesproken, o stad Gods! Sela., ber.).
Weten we nog meer van die stad? Wat is er nog meer zo bijzonder aan deze stad? Het is een heilige stad, die (zo staat er) neerdaalt van God, uit de hemel. Ineens zien we het voor onze ogen: alles is van God, alles komt van God. God is er de Architect, de Kunstenaar en Bouwmeester van (Hebr. 11:10Want hij verwachtte de stad, die fondamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is.). Dit is de stad die we, kinderen van God, met Abraham in het verleden verwachtten. Zoals staat in Hebreeën 11:10: Want hij verwachtte de stad die fundamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God(!) is. De heilige stad, die neerdaalt van God uit de hemel.
Op aarde gaf dat vooruitzicht, in alle verdrukking en moeite, ons troost en houvast. We geloofden het, hoewel we het niet altijd konden vasthouden: Hij zal nooit laten varen het werk van Zijn handen. En nu hier, kijkend en terugkijkend, zien we helder voor onze ogen: Gods macht, Zijn trouw! Die bron wordt van onze eeuwige lof, vreugde en dank. Het is allemaal door U, door U alleen, om het eeuwige welbehagen (Ps. 89:8, ber.).
Want de stad daalt neer van God, uit de hemel. En daarom, omdat deze stad uit de hemel komt, bij God vandaan, daarom zal deze stad eeuwig blijven staan.
Nederdalende van God uit de hemel, en: toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is. De grote dag der dagen, kinderen van God, wordt onze bruiloftsdag. Dit is onze huwelijksdag. De tijd van onze ondertrouw op aarde is dan voorbij. De grote dag van de bruiloft des Lams is nu aangebroken.
Maar, goed lezen! Er staat niet: de bruid heeft zichzelf versierd… Er staat: ze is versierd. Door Christus, haar Bruidegom. Christus heeft haar geheiligd, haar gereinigd met het bad des waters door het Woord; opdat Hij haar Zichzelf heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk (Ef. 5:26-27). Nu heeft Hij, Die Zich eeuwen tevoren in de doeken van onze schande liet wikkelen, nu heeft Hij Zijn bruid bekleed met de klederen des heils en met de mantel van Zijn gerechtigheid (Jes. 61:10).
De bruid heeft van Hem het gewaad des lofs gekregen voor een benauwde geest. Dus blijft daar in het nieuwe Jeruzalem voor ons, kinderen van God, maar één ding over: tot in alle eeuwigheid zingen van Gods goedertierenheden. Zijn liefde bezingen, ons verwonderen over Zijn zaligheid (Jes. 25:9En men zal te dien dage zeggen: Ziet, Deze is onze God; wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken. Deze is de HEERE, wij hebben Hem verwacht, wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijn zaligheid.) en Christus en God Drie-enig tot in alle eeuwigheid aanbidden.
En ik, Johannes, hoorde (de eerste twee dingen heeft hij gezien, maar het derde hoort hij) Ik hoorde een grote stem uit den hemel (is het de stem van God, is het de stem van een van de vier dieren, is het de stem van een engel? We weten het niet) zeggende: Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen en hun God zijn (Openb. 21:3). Eeuwenlang woonde God onder Zijn volk, in de tabernakel. Hoewel, alleen de hogepriester mocht één keer per jaar het heilige der heiligen binnengaan. De anderen moesten allemaal buiten blijven.
Dus… dit is echt nieuw, en dit is echt wonderlijk… Ooit zijn we allemaal van God weggegaan. Maar door het werk van de Heere Jezus en door de toepassing van dat werk door de Heilige Geest zijn deze inwoners van het nieuwe Jeruzalem teruggebracht bij God. Hij, Christus, kwam in de volheid van de tijd naar deze verloren wereld. Hij heeft onder ons gewoond. Johannes schrijft in zijn Evangelie: Hij heeft Zijn tent onder ons opgezet. En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid (Joh. 1:14En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid.). Hij woonde onder ons. En heeft door een weg van volmaakte gehoorzaamheid, door bitter lijden en sterven, door op te staan uit de dood, alles volbracht waardoor een wederhorig kroost altijd bij de Heere zou kunnen wonen.
En nu: Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen en hun God zijn (vers 3). Nu zal God voor altijd bij Zijn volk wonen! Dit is ten diepste de eeuwig blijvende voltooiing van de gouden draad die in heel de Bijbel te zien is: de gouden draad van Gods onbegrijpelijke, eenzijdige, soevereine liefde tot Zijn verkoren verbondsvolk. Abraham, Ik zal u tot een God zijn (Gen. 17:7En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.). Jesaja, ziet, de maagd zal zwanger worden en een Zoon baren, Zijn Naam zal zijn Immanuel, hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons (Jes. 7:14Daarom zal de Heere Zelf ulieden een teken geven; ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam IMMANUËL heten., Matt. 1:23Ziet, de maagd zal zwanger worden, en een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten Emmanuël; hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons.). Voor eeuwig en altijd: God met ons! Ezechiël, Mijn tabernakel zal bij hen zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn (Ez. 37:27). En nu zijn al die beloften vervuld. Hier woont God weer bij Zijn volk. Zoals de dichter ooit zong: Daar zal Zijn volk weer wonen naar Zijn raad, God eeuwig hun Zijn volle gunst betonen; Daar zullen zij, Gods knechten met hun zaad, Zij, die Zijn naam beminnen, erf'lijk wonen (Ps. 69:14, ber.)
Nee, het is geen tijdelijk logeren. Maar het is een voor eeuwig en altijd bij hen wonen. Als een eeuwig blijvende erfenis.
Hier op de aarde had de bruid in al haar zielennood met Ruth toevlucht gezocht onder de schaduw van Zijn vleugels (Ruth 2:12De HEERE vergelde u uw daad en uw loon zij volkomen, van den HEERE, den God Israëls, onder Wiens vleugelen gij gekomen zijt om toevlucht te nemen!). Daar mogen we eeuwig wonen in de schuilplaats van de Allerhoogste, in de schaduw van de Almachtige (Ps. 91:1Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen.).
Want (vers 3), Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen en hun God zijn. Het is de vervulling van de eeuwenoude belofte van Hosea: En Ik zal ze Mij op de aarde zaaien, en zal Mij ontfermen over Lo-ruchama; en Ik zal zeggen tot Lo-ammi: U bent Mijn volk; en dat zal zeggen: O, mijn God! (2:23) Hier zullen we eeuwig van zingen. Dit zal al Gods kinderen voor eeuwig stof tot blijdschap en vreugde geven.
We hebben voor dit nieuwe jaar geen goede voornemens. Want het wordt nooit wat met ons. We hebben goede hoop op God en daarom hebben we een goed vooruitzicht. Laten we dan, kinderen van God, ook in het komende jaar zoeken de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods. Bedenk de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn (Kol. 3:1-2Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn.). Laat onze wandel in de hemelen zijn waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heere Jezus Christus (Filip. 3:20).
Denkend aan de woorden van Petrus, uit 2 Petrus 3: Dewijl dan deze dingen alle vergaan, hoedanigen behoren (wij) te zijn in heilige wandel en godzaligheid! Verwachtende en haastende tot de toekomst van de dag Gods, in welke de hemelen, door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten. Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont (2 Pet. 3:11-13).
Tot slot, vers 5: En Die op den troon zat, zeide: Ziet, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw. De zonde heeft alles oud gemaakt. De aarde, en alles wat daarop leeft, zucht. En alles veroudert als een kleed. Maar nu zegt Degene Die op troon zit, de Heere Zelf, terwijl alles veroudert en vergaat: Ziet, ik maak alle dingen nieuw.
Dit klinkt, in deze tijd nog, als een hartelijke nodiging. Als de Heere de kunst verstaat, om alle dingen nieuw te maken…, lieve mensen, ga dan naar Hem toe! Als u nog oud hart hebt. Geef uw oude en harde hart aan Christus! Hij wil nieuw maken. Onthoud Hem die eer, op de eerste dag van dit nieuwe jaar niet.
Want: Deze woorden zijn waarachtig en getrouw. Veracht de woorden van de Heere nu en in dit nieuwe jaar niet. Niet opnieuw.
Want ze zijn waar en betrouwbaar. En dat zult u niet alleen horen, zoals nu, maar op Gods tijd ook zien. Als u aan mag komen in het nieuwe Jeruzalem. Of niet… Dan zal, zegt vers 8: Uw deel zijn in den poel die daar brandt van vuur en sulfer; hetwelk is de tweede dood. Buigt u dan in het stof. En kust de Zoon (Ps. 2.:12)! Die vandaag, op 1 januari [2024] nog van harte bereid is, om uw ziel te redden van het verderf.
Voor nu is dat zeker: waar en betrouwbaar. Voor morgen heb ik geen boodschap. Heden zo u Zijn stem hoort, verhard uw hart niet, maar laat u leiden (Ps. 95:4In Wiens hand de diepste plaatsen der aarde zijn, en de hoogten der bergen zijn Zijne;, ber.).
Amen.
Slotzang Psalm 69:14
Gij, hemel, aard' en zee, vermeldt Gods lof; Laat al wat leeft Zijn trouw en goedheid prijzen; Want God zal aan Zijn Sion hulp bewijzen, En Juda's steên herbouwen uit het stof. Daar zal Zijn volk weer wonen naar Zijn raad, God eeuwig hun Zijn volle gunst betonen; Daar zullen zij, Gods knechten met hun zaad, Zij, die Zijn naam beminnen, erf'lijk wonen.
Andere preken over Openbaring
Andere preken voor Nieuwjaar
Andere gerelateerde preken