Kerst - 21 december 2020
Lukas 2:25: En zie, er was een mens te Jeruzalem, wiens naam was Simeon; en deze mens was rechtvaardig en godvrezend, verwachtende de vertroosting Israëls; en de Heilige Geest was op hem.
INLEIDING
Uitziend naar de komst van de Beloofde profeteert Jesaja over troost voor Gods volk, terwijl Simeon in de tempel, zoals Lukas 2:25 vermeldt, de Vertroosting Israëls verwachtte; Jesaja 40:1-2 klinkt het: 'Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen.' Deze leespreek laat zien dat er eerst verdriet om de zonde is voordat er ware troost gevonden wordt, en wijst de lezer die troost aan in de Persoon van Christus Zelf.
De Vertroosting van Israël
LUKAS 2:21-35
21 En als acht dagen vervuld waren, dat men het Kindeken besnijden zou, zo werd Zijn Naam genaamd JEZUS, welke genaamd was van den engel, eer Hij in het lichaam ontvangen was.
22 En als de dagen harer reiniging vervuld waren, naar de wet van Mozes, brachten zij Hem te Jeruzalem, opdat zij Hem den Heere voorstelden
23 (Gelijk geschreven is in de wet des Heeren: Al wat mannelijk is dat de moeder opent, zal den Heere heilig genaamd worden),
24 En opdat zij offerande gaven naar hetgeen dat in de wet des Heeren gezegd is, een paar tortelduiven of twee jonge duiven.
25 En zie, er was een mens te Jeruzalem, wiens naam was Simeon; en deze mens was rechtvaardig en godvrezend, verwachtende de vertroosting Israëls; en de Heilige Geest was op hem.
26 En hem was een Goddelijke openbaring gedaan door den Heiligen Geest, dat hij den dood niet zien zou, eer hij den Christus des Heeren zou zien.
27 En hij kwam door den Geest in den tempel. En als de ouders het Kindeken Jezus inbrachten, om naar de gewoonte der wet met Hem te doen,
28 Zo nam hij Hetzelve in zijn armen en loofde God en zeide:
29 Nu laat Gij, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord;
30 Want mijn ogen hebben Uw Zaligheid gezien,
31 Die Gij bereid hebt voor het aangezicht van al de volken:
32 Een Licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van Uw volk Israël.
33 En Jozef en Zijn moeder verwonderden zich over hetgeen dat van Hem gezegd werd.
34 En Simeon zegende henlieden en zeide tot Maria, Zijn moeder: Zie, Deze wordt gezet tot een val en opstanding van velen in Israël, en tot een teken dat wedersproken zal worden
35 (En ook een zwaard zal door uws zelfs ziel gaan), opdat de gedachten uit vele harten geopenbaard worden.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Lukas 2:25
THEMA
De Vertroosting van Israël
AANDACHTSPUNTEN
Jongens en meisjes, we kijken in deze tijd uit naar kerst. Nog even, en dan is het zover. Gebeurt er dan iets bijzonders? Nee, niets. Lang geleden is er iets bijzonders gebeurd. Toen in Bethlehem de Heere Jezus geboren is. En wij denken daar met kerst aan terug.
In de tijd daarvoor, toen de Heere Jezus nog niet geboren was, was er dus nog geen kerst. En toch dachten de mensen toen al wel aan de Heere Jezus. Ze wisten dat Hij zou komen. Want dat had de Heere beloofd, al vanaf het begin van de wereld. En ze hoopten erop, ze verlangden ernaar, ze keken ernaar uit, dat de Heere Jezus in hun tijd geboren zou worden.
Maar waarom dan? Waarom waren ze daar zo mee bezig? Nou, dat zie je bijvoorbeeld bij de geboorte van Noach al (je weet wel, de man van de ark), helemaal in het begin van de Bijbel. Als de kleine Noach geboren wordt, dan zegt zijn vader Lamech (terwijl hij stiekem denkt: misschien is dit de Messias, misschien is dit de Heere Jezus al): Deze, dit kind zal ons troosten (Genesis 5:29En hij noemde zijn naam Noach, zeggende: Deze zal ons troosten over ons werk, en over de smart onzer handen, vanwege het aardrijk, dat de HEERE vervloekt heeft!). Deze, dit kind, zal ons troosten…
Dus keek hij uit naar de komst van de Heere Jezus omdat hij verdriet had. En hij hoopte dat de Heere Jezus, als de Messias, hem zou gaan troosten. Zoals er ook nu, in de kerk en thuis, mensen zijn met verdriet in het hart, die verlangen naar troost. Vanmorgen gaat het in de preek over die troost.
a. Voor dat de Heere Jezus geboren werd, profeteerde Jesaja erover. Dat is de eerste tekst van de preek: Jesaja 40 vers 1 en 2: Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen. Spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des HEEREN dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden. b. En, toen de Heere Jezus geboren was, toen was daar Simeon in de tempel, een man die ook verdriet had in zijn hart. Want we lezen in Lukas 2 vers 25, en dat is de tweede tekst van de preek: Hij verwachtte de Vertroosting Israëls.
En, als je uitkijkt naar troost, als je de Vertroosting verwacht, dan is dat omdat je verdriet hebt in je hart. Simeon verwachtte de Vertroosting Israëls. Hij verwachtte de Vertroosting Zelf, de Heere Jezus Christus. De preek van vanmorgen gaat, vanuit het perspectief van Jesaja 40 vers 1 en 2, ‘Troost, troost Mijn volk’, over Hem, Die Simeon noemt: de Vertroosting van Israël.
Het thema voor de preek is: De Vertroosting van Israël We letten samen op twee aandachtspunten. In de eerste plaats letten we op: verdriet voor de troost. En in de tweede plaats letten we op: troost voor het verdriet. Dus: De Vertroosting van Israël: 1. Verdriet voor de troost 2. Troost voor het verdriet Als eerste dus:
Want, jongens en meisjes, dat is logisch. Eerst is er verdriet, en dan wil je getroost worden. Eerst huil je, en dan veegt mama of papa je tranen af. Maar over wat voor soort van verdriet gaat het dan in de Bijbel? Als de Heere zegt door de mond van Jesaja: Troost, troost Mijn volk!?
Want, je kan om heel veel dingen verdriet hebben. Als je pijn hebt, als je ziek bent of als er iets naars is gebeurd, dan heb je verdriet en moet je misschien wel huilen. Maar daar gaat het hier niet als eerste om. Het klinkt misschien raar, maar het gaat hier om verdriet dat de Heere gemaakt heeft. Job zegt: Hij doet smart aan (de Heere maakt verdriet), en Hij verbindt; Hij doorwondt (de Heere doet pijn), en Zijn handen helen (dat wil zeggen: genezen) (Job 5:18Want Hij doet smart aan, en Hij verbindt; Hij doorwondt, en Zijn handen helen.). Dat is bijzonder. Dus: de Heere Zelf maakt verdrietig. En… Hij troost. Hij maakt verdrietig door…? Nou, bijvoorbeeld in de tijd van Jesaja door het aanwijzen van de zonden van het volk van Israël. En in de tijd vlak voor de geboorte van de Heere Jezus door de preken van Johannes de Doper, die de mensen hun zonden aanwees (Lukas 3:9En de bijl ligt ook alrede aan den wortel der bomen; alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen, en in het vuur geworpen.). En nu, ook in deze tijd, door je ogen open te doen en je te laten zien: je hebt tegen de Heere gezondigd, je hebt heel veel kwaad gedaan. Je hebt er misschien wel lang tegen gevochten en gedacht: ‘Ben ik echt zo slecht?’ Maar nu zie je het: ik heb gedaan wat kwaad, wat zonde is in Gods oog. En het doet je verdriet. Het brengt je in stilte in tranen voor de Heere.
Als het in de Bijbel gaat om verdriet, om tranen, dan gaat het vooral en meestal om zondetranen. Zondetranen, die zo moeilijk te drogen zijn. Want wie kan je erbij helpen? Mensen kun je niet helpen. Vader of moeder, man of vrouw kan je niet helpen. Je ouderling, je dominee kan je niet helpen. Want iedereen kan mooie dingen tegen je zeggen, maar je voelt in je hart: ik sta tegenover God. En zij kunnen mijn probleem niet oplossen.
En je kan jezelf ook niet helpen. Je probeert het misschien wel, maar het eind van al dat proberen is: Heere, mijn gerechtigheden (het beste van wat ik geprobeerd heb) zijn een wegwerpelijk kleed, ze zijn waardeloos. In Uw heilig oog zijn mijn beste probeersels schade en drek, verlies en vuil.
Dat verdriet komt in je hart, als de Heere je ogen opent en je laat zien wie je bent voor God. Maar dat verdriet is er ook in de harten van Gods kinderen. Want als je genade gekregen hebt, ben je je zondige hart nog niet kwijt. Je krijgt er alleen maar meer last van. En ons geweten zegt ons duidelijker dan ooit, hoe en waarmee we zondigen tegen God: met ons doen en laten, met ons praten en zwijgen, met ons denken, met ons karakter… En dan is er ook nog de duivel, die ons aanvalt, die ons tot twijfel wil brengen. En er is ook nog de wereld, die ons wil verleiden. Maar de grootste en gevaarlijkste vijand zit het dichtste bij, die ligt altijd op de loer: ons eigen, zondige hart. En dan is er ook nog het verdriet over alle moeilijke dingen van dit leven. Het hart van een kind van God is (als het goed is) een hart dat verdriet heeft. (Nee, ik ben nog niet klaar, er is ook een andere kant, die komt straks. En dan zal blijken dat het waar is wat Paulus zegt: we zijn droevig, en toch altijd blij (zie 2 Korinthe 6:10Als droevig zijnde, doch altijd blijde; als arm, doch velen rijk makende; als niets hebbende, en nochtans alles bezittende.)).
Er zijn trouwens ook mensen (en daarom vertel ik dit allemaal, als een spiegel om in te kijken!), er zijn ook mensen die geen verdriet hebben. Natuurlijk, de nare dingen van het leven, ziekte en tegenslag, kruisen ook hun pad. Maar altijd weer probeert u uzelf op te beuren. U zegt: ‘Kop op! Het gaat wel weer over!’ U probeert weer te lachen en gelukkig te zijn. Hoewel de Spreukendichter zegt: Het hart zal ook in het lachen smart hebben; en het laatste van die(!) blijdschap is droefheid (Spreuken 14:13Het hart zal ook in het lachen smart hebben; en het laatste van die blijdschap is droefheid.). U voelt het, als u eerlijk bent: ik heb geen echte vrede. Mijn hart is rusteloos. De goddelozen, zegt Jesaja, hebben geen vrede (Jesaja 48:22Maar de goddelozen hebben geen vrede, zegt de HEERE.). Geen vrede, maar ook geen verdriet om die dingen, die u verdriet zouden moeten doen. Omdat u zonder God in de wereld bent. En dus zonder hoop. Omdat u tegen God gezondigd hebt, zonder er een traan over te laten. Zie toch wat u mist en heb berouw en bekeer u.
Wat voor soort troost hebben die mensen nodig, die wel verdriet hebben om hun zonden? Wat kan je in dat geval echt troosten? a. Je zou kunnen zeggen: de troost die je nodig hebt, moet als eerste passen bij je verdriet. Want, jongens en meisjes, als je huilt omdat je honger hebt, word je niet blij als iemand je een mooi boek geeft. Je wilt graag eten, want je maag doet zeer. En als je ziek bent, zit je niet te wachten op een zak snoep. Je hebt een dokter nodig. En hoe vies het drankje ook is, je zal het opdrinken! b. Troost moet passen. En troost moet ook echt zijn. Want, jongens en meisjes, als je honger hebt, ga je je niet beter voelen van alleen maar denken aan eten. Je hebt eten in je maag nodig. En als je ziek bent, is wachten op de dokter ook niet genoeg om beter te worden. Hij moet echt komen en je helpen.
c. Troost moet passen, troost moet echt zijn, en die troost moet (als derde) ook echt voor jou zijn. Want, jongens en meisjes, als jij en je zusje samen honger hebben, en zij krijgt te eten en jij niet… Of als jullie samen ziek zijn en de dokter komt alleen voor haar en niet voor jou, dan worden je tranen niet gedroogd. Dan ga je nog veel harder huilen!
Dus, troost, troost in zondeverdriet moet passen bij dat verdriet, moet echt zijn (geen fantasie) en moet echt voor jou zijn.
a. Welke troost past echt bij zondeverdriet? De troost van vergeving van zonden. De troost van het weer goed komen tussen God en je zondige hart. De troost van vernieuwing van je hart, van echt een nieuw hart krijgen. En de troost van hulp in de strijd tegen de zonde, om de zonde niet meer te doen. Dat past. b. En welke troost is echt, bij zondeverdriet? De troost van: niet van denken aan, niet van hopen op en verwachten alleen(!) -hoewel dat al zo troostvol is, en voor God ten diepste gelijk is aan het bezit van de gehoopte zaak, immers de Heere zegt: Zalig zijn die treuren want ze zullen vertroost worden-, maar dit is de echte troost, waar de dichter van Psalm 35 om vraagt: Heere, zegt U(!) tot mijn ziel, Ik ben uw heil (uw redding, uw zaligheid) alleen. Dat is echt. c. En welke troost is echt voor jezelf, persoonlijk, bij dat zondeverdriet? De troost die ik noem, als God tegen je zegt: Ik ben uw heil alleen. Dat is echt voor jou.
Wat is de echte, enige troost voor verdriet over zonden en misdaden? De troost van Jesaja: Troost, troost Mijn volk, zegt uw God. Uw ongerechtigheid is verzoend. Uw zonden zijn betaald. De troost van Simeon. Hij verwachtte de Vertroosting van Israël. Zoals er in die tijd meer mensen waren, die de verlossing in Jeruzalem verwachtten (Lukas 2: 25,38). En op Gods tijd, in de volheid van de tijd, op de tijd van Gods welbehagen, op de dag van Gods heirkracht: kwam (hij) door de Geest in de tempel. En als de ouders het Kindeken Jezus inbrachten, om naar gewoonte wet met Hem te doen; zo nam hij Hetzelve in zijn armen, en loofde God, en zeide: Nu laat Gij, Heere! Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord; want (dat is mijn troost!) mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien! (2:27-32)
Op Gods tijd werd zijn hoop werkelijkheid en werden zijn tranen gedroogd. Laten we, voordat we verder gaan met ons tweede aandachtspunt nu eerst samen met Simeon zingen uit de Lofzang van Simeon, daarvan het eerste vers. Zo laat Gij, HEERE, Uw knecht, Naar 't woord, hem toegezegd, Thans henengaan in vrede; Nu hij Uw zaligheid, Zo lang door hem verbeid, Gezien heeft op zijn bede.
Gemeente, het gaat in de preek van vanmorgen over de Vertroosting Israëls. We hebben in ons eerste aandachtspunt gelet op: verdriet voor de troost. Nu ons tweede aandachtspunt:
Er is troost voor verdrietige mensen, die treuren. Want de Heere zal Sion troosten (Jesaja 51:3Want de HEERE zal Sion troosten, Hij zal troosten al haar woeste plaatsen, en Hij zal haar woestijn maken als Eden, en haar wildernis als den hof des HEEREN; vreugde en blijdschap zal daarin gevonden worden, dankzegging en een stem des gezangs.). Maar, wat kunnen er in ons hart, ondanks al ons zondeverdriet, ook belemmeringen zijn. Het is één ding om verdriet te hebben, maar dat wil nog niet zeggen dat je je ook wilt laten troosten. Het kan zijn, jongens en meisjes, dat je ergens om huilt, en dat iemand je graag wil troosten, maar dat je zegt: ‘Nee, ga weg, ik doe het zelf!’ Of dat je zegt: ‘Nee, je snapt me toch niet. Laat me maar alleen huilen.’ Zo kunnen er ook in ons hart, als we de last van onze zonden en schuld voelen, zoveel blokkades zijn, die onze troost belemmeren.
Daarom schrijft Jesaja niet alleen troostvol over de komst van de Heere Jezus, als hij zegt: Troost, troost Mijn volk, en: zeg de steden van Juda: Zie hier is uw God! (Jes. 40:9) Maar hij voorzegt in Jesaja 40 ook de komst van Johannes de Doper: Een stem des roependen in de woestijn: Bereidt de weg des HEEREN (maak die in orde, maak die klaar!), maakt recht in de wildernis een baan voor onze God! Alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en wat krom is, dat zal recht, en wat hobbelachtig is, dat zal tot een vallei gemaakt worden (Jesaja 40:3-4). Voordat de Koning komt, moeten weg voor Hem vrijgemaakt worden. Voordat de Vertroosting van Israël komt, maakt Hij de weg vrij voor Zichzelf.
a. Want er zijn, zegt Jesaja: dalen, die verhoogd moeten worden. Er zijn mensen die in de put van moedeloosheid zitten, die het geloof zo missen in de beloften van God. En die steeds maar weer denken: het is waar, maar is het ook wel waar voor mij? b. En er zijn bergen en heuvels die vernederd moeten worden. Er zijn mensen die zitten op bergen van hoogmoed, die zo bezig blijven om het zelf te proberen. En die steeds maar weer denken: het is waar, maar zouden mijn gebeden, mijn werken en mijn tranen toch ook niet helpen? c. En er zijn mensen die dwalen op kromme wegen, die recht gemaakt moeten worden. Er zijn mensen die een verkeerd begrip hebben (misschien van huis uit meegekregen, maar het komt zeker ook uit hun eigen hart), die een verkeerd begrip hebben van Gods beloften, van Gods gewilligheid en van Gods barmhartigheid. Het zijn allemaal dingen (en ik bedoel dat te zeggen dat u troost), die de Heere Zelf door Zijn Woord moet en wil opruimen. Om plaats te maken voor Zichzelf. Het is een pijnlijke weg, want er moet veel opgeruimd worden, maar het wil u brengen tot… de enige troost.
Tot… (ja, want Simeon zegt het anders), tot de Vertroosting van Israël. Tot Degene, tot de Persoon Die troost. Tot de Trooster Zelf, tot de Heere Jezus.
Want (zo zegt Jesaja in Jesaja 51): de Heere zal Sion troosten (51:3). De Heere Jezus is (zo noemt Simeon hem): de Vertroosting Israëls. Dus, wat is de inhoud, of beter gezegd de Wie is de inhoud van de troost waar Jesaja over profeteert als hij zegt: Troost, troost Mijn volk, en zegt: Hier is uw God!? De Vertroosting Israëls is Christus.
En de Heere geve u, bedroefden van hart, en jullie jongens en meisjes, die verdrietig zijn om je zonden, vanmorgen deze Vertroosting, deze Zaligmaker door het geloof in uw armen, in jullie hart. Dan zal alles wat Hij verdiend heeft voor u zijn: Zijn gunst, Zijn genade, Zijn vergeving en de verzoening met God. Meer nog, dan zal Hij tot je grote blijdschap van jou zijn, jouw Zaligmaker. En jij van Hem, Zijn kind: het persoonlijke, het gekochte eigendom van de Heere Jezus Christus.
Want de troost, de enige troost is Christus Zelf. Door degenen die vrede verkondigen, in opdracht van God Zelf, in de handen gedrukt van schuldverslagen zondaars, van treurende kinderen van God: Zie hier is uw God! De vertroosting van Jeruzalem! Geen troost los van de Vertrooster. Geen vergeving los van Hem, Die vergeving verdiend heeft. Geen rechtvaardigheid los van de Rechtvaardige. Geen heiligheid los van de Heilige. Geen vervulling los van Hem, Die Zelf de Vervulling is. Christus, de Heere Jezus Zelf is onze Vertroosting, onze Vergeving, onze Rechtvaardiging, onze Heiliging, onze Hoop, onze Toekomst en onze Heerlijkmaking.
Buiten Hem is niets. En buiten Hem hoeft u ook nooit iets te verwachten. Beschouw alles buiten Christus maar (zo zegt Paulus) schade en drek, verlies en vuil. Hij alleen is uitnemend. Alles wat aan Hem is, is gans begeerlijk voor een ellendig mens. In Hem is troost voor zondeverdriet. Want in Hem is vergeving van zonde en schuld. Omdat de Vader de straf, die ons de vrede aanbrengt, op Hem gelegd heeft (Jesaja 53:5Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden., 2 Korinthe 5:21Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.).
Wat is er allemaal niet in Christus, voor arme mensen, voor verdrietige kinderen, met een hart vol tranen om hun zonden? In de Heere Jezus is alles. Kijk maar mee, als u in uw Bijbeltje Jesaja 40 nog voor u hebt. Kijk maar in vers 2: Hij is het, en Hij alleen, die uw ongerechtigheid verzoend heeft, en die een dubbele (dat wil zeggen: overvloedige) vergeving heeft aangebracht voor al uw zonden. En kijk maar in vers 9: Hij is het, Die zegt (nu, vanmorgen in de preek): Zie, hier ben Ik! Hier is uw God. Omdat God uit enkel genade de God wil zijn van het verlorene, van het weggedrevene, van het arme, van het treurende en van hen die in duisternis zijn en geen licht hebben (Jesaja 50:10Wie is er onder ulieden, die den HEERE vreest, die naar de stem Zijns Knechts hoort? Als hij in de duisternissen wandelt, en geen licht heeft, dat hij betrouwe op den Naam des HEEREN, en steune op zijn God.). En kijk maar in vers 10: Zie, de Heere HEERE zal komen tegen de sterke en Zijn arm zal heersen. Hij komt, en niets en niemand, ook geen enkele belemmering of blokkade, kan Hem tegenhouden. Als Hij werkt, wie zal het dan keren? (Jesaja 43:13Ook eer de dag was, ben Ik, en er is niemand, die uit Mijn hand redden kan; Ik zal werken, en wie zal het keren?).
En Ik (vers 11), zegt de Vertroosting van Israël: zal u, Mijn kudde, weiden als een herder; Ik zal de lammeren (de kleintjes) in Mijn armen vergaderen en in Mijn schoot dragen; de zogenden (de zwakken, de kwetsbaren) zal Ik zachtjes leiden.
Wat denkt u: Wat is sterker? Onze verwachting, onze hoop, ons uitzien? Of Gods belofte? Die laatste. Adventtijd is in de eerste plaats ook niet de tijd van onze verwachting, adventtijd is Gods beloftetijd. En: God is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens mensen kind, dat het Hem berouwen zou; zou Hij het zeggen, en niet doen, of spreken, en niet bestendig maken (Numeri 23: 19). Hij zal geen van Zijn woorden op de aarde laten vallen. Hij doet wat Hij beloofd heeft. En dus, kinderen van God, moeten wij met David zeggen, pleitend op Gods belofte: Heere, doet U alstublieft wat U gesproken hebt (2 Samuël 7:25Nu dan, HEERE God, doe dit woord, dat Gij over Uw knecht en over zijn huis gesproken hebt, bestaan tot in eeuwigheid, en doe, gelijk als Gij gesproken hebt.). Niet (ook niet na gekregen genade), niet zelf doen! Maar zien op de belofte. En in alles, ook in alle verdriet, in alle nood en duisternis, zien op Christus.
Zie in alle verdriet om uw zonden, tot uw troost op Gods belofte, op de Inhoud van Zijn belofte: op de Vertroosting Israëls, op de Heere Jezus Christus. Zie in alle verdriet om uw zonden, tot uw troost, op de belovende God Zelf. Die niet voor niets zegt: Troost Mijn volk, zegt Uw God. Waarmee de Heere een diepe en blijvende verbondsrelatie aanduidt tussen Hem en al degenen voor Wie Hij Zijn eigen Zoon heeft overgegeven aan het kruis. En zie in al uw moedeloosheid om uw zondige, biddeloze en ongelovige hart, tot uw troost op deze belofte: Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude (Lukas 22:32Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude; en gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders.). En zie in al uw donkerheid en geestelijke verlating, tot uw troost op deze belofte en hoort naar Gods Knecht: Wie is er onder ulieden, die de HEERE vreest, die naar de stem Zijns Knechts hoort? Als hij in de duisternissen wandelt, en geen licht heeft, dat hij betrouwe op de Naam des HEEREN, en steune op zijn God (Jesaja 50:10).
Misschien, jongelui, vraag je jezelf ondertussen af, of het leven van Gods kinderen dan toch niet een beroerd, saai en verdrietig leven is. Ik snap die vraag, en ik zal ook niet zeggen (dat heb je gemerkt) dat God kinderen geen verdriet kennen. Want in onszelf hebben we inderdaad altijd behoefte aan vertroosting. Want er is veel tegenspoed. Psalm 34 zegt: Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen. Maar, dat is de andere kant: uit alle die redt hem de HEERE (34:20). En er is aanvechting door de duivel. De Heere Jezus zei tegen Petrus: Simon, Simon, ziet, de satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe. Maar, dat is de andere kant: Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude (Lukas 22: 32). En er is in ons hart verdriet, om de zonden die we nog steeds doen. Dat maakt dat we zuchtten: Ik, ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Maar, dat is de andere kant, we zeggen er achteraan: ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere (Romeinen7:24-25). Want Hij heeft alles voor ons gedaan en zal nooit loslaten het werk dat Zijn hand begon. En dus zijn we (zo zegt Paulus) droevig zijnde, toch altijd blij (2 Korinthe 6:10). Want het is onze Heere, Die de nederigen troost (2 Korinthe 7:6Doch God, Die de nederigen vertroost, heeft ons getroost door de komst van Titus.).
En in de tijd dat we die troost niet voelen, mogen we zeggen met de dichter van Psalm 119: Dit is (toch) mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging (Uw belofte) heeft mij levend gemaakt (119:50). En voor de toekomst weten we, dat de Heere onze druk (onze moeite, ons verdriet) zal verwisselen in geluk. Want zo zegt Jesaja in hoofdstuk 25: de Heere HEERE zal de tranen van alle aangezichten afwissen. Er is geen betere dienst, dan de dienst van de Heere. Er is geen beter leven, dan het leven met de Heere.
U zegt: Hoe komt het, dat sommigen van Gods kinderen meer troost ervaren en anderen minder? Laat ik eerst dit zeggen, dat het ervaren, het voelen van troost, geen maat is voor meer of minder rechtvaardig zijn voor God. Want, zo zegt de Heere Jezus: Zalig zijn (ook, juist!) die treuren (Mattheüs 5:4Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden.). Toch is het waar, er is verschil wat betreft het ervaren van troost in het leven van Gods kinderen. Sommigen van ons hebben weinig troost. Door…?
a. Het kan zijn door het misverstaan van de Schriften, van Gods woorden en beloften. Ze zijn juist voor hen bestemd, ze worden juist aan hen aangeboden, maar ze durven ze niet aan te nemen. Ze denken dat ze te slecht zijn, en daarom durven ze niet te denken dat de Heere tot hen spreekt. Terwijl de Heere u juist zo vaak met naam en toenaam noemt, en laat weten dat Hij van u afweet. Als Hij u aanspreekt als: verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste (Jesaja 54:11Gij verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste! zie, Ik zal uw stenen gans sierlijk leggen, en Ik zal u op saffieren grondvesten.), als arme en verslagene van geest, en die voor Zijn Woord beeft (Jesaja 66:2Want Mijn hand heeft al deze dingen gemaakt, en al deze dingen zijn geweest, spreekt de HEERE; maar op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest, en die voor Mijn woord beeft.). Hij kent u. Hij kent jouw aarzeling en nood, en dat je jezelf er niet bij durft te rekenen. En zegt vanmorgen: Als een, dien zijn moeder troost, alzo zal Ik u troosten; ja, gij zult te Jeruzalem getroost worden (Jesaja 66:13). Getroost met? Met de Vertroosting Israëls. Ziet hier is uw God!
b. We kunnen ook weinig troost hebben omdat we (in de tweede plaats) onze troost in andere dingen zoeken. Maar deze Trooster wil een volkomen Trooster, deze Zaligmaker wil een volkomen Zaligmaker zijn. Zoek uw troost dus niet in uw tranen (hoe zouden tranen uiteindelijk ook kunnen troosten?), zoek uw troost niet in ervaringen en emoties, of in wat andere mensen van u denken. Zoek uw troost bij Christus! En zoek Christus in het Woord (Johannes 5:39Onderzoekt de Schriften; want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen.). En zoek Hem ook in de middelen, in de sacramenten en in verborgen gebeden. Leg uw tranen voor Hem neer. Hij alleen kan uw tranen afwissen. Leg uw zonden in Zijn handen. Want: Hij is een verzoening voor onze zonden (1 Joh 2:2En Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der gehele wereld.).
c. Ook (in de derde plaats) een slordige en zondige levenswandel kan ons veel troost onthouden. Als we de Heilige Geest bedroeven, zal Hij ons niet troosten met Christus.
d. En daarbij is het (in de vierde plaats) de vrijheid van de Heilige Geest om de een meer en de ander minder troost te geven, naar dat het Hem goed dunkt.
Maar, zou Hij u, als u Hem om troost bidt, hard vallen? Zou Hij u, als u Hem vraagt om uw tranen te drogen, afwijzen? Als u maar bidt om de enige troost, om de Vertroosting Israëls, om de Trooster Zelf, om Christus! Want dan bidt u naar de wil van God, en dan zal Hij u verhoren. De Vertroosting van Israël is Christus. De Verzoening van Israël is Christus. Hij is een verzoening voor onze zonden. Het Leven van Israël is Christus, Die ons leven is (Kolossenzen 3:4Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.). En de Hoop van Israël is Christus, Die onze hoop is.
Geliefde medechristenen, onze Heere Jezus Christus Zelf, en onze God en Vader, Die ons heeft liefgehad, en gegeven heeft een eeuwige vertroosting en goede hoop in genade, vertrooste uw harten, en versterke u in alle goed woord en werk (2 Thess. 2:16-17En onze Heere Jezus Christus Zelf, en onze God en Vader, Die ons heeft liefgehad, en gegeven heeft een eeuwige vertroosting en goede hoop in genade, Vertrooste uw harten, en versterke u in alle goed woord en werk.). Treurenden in Sion, kom tot Hem. Zolang u niet tot Christus komt, zult u geen echte troost hebben. Jongens en meisjes, huilend om je zonden, kom naar de Heere Jezus. Zolang je niet naar Hem toegaat, zullen je tranen niet gedroogd worden.
En bid ondertussen stil in uw hart, gemeente, denkend aan deze vriendelijke nodiging: Heere, kom, trek mij, wij zullen U nalopen (Hooglied 1:4Trek mij, wij zullen U nalopen! De Koning heeft mij gebracht in Zijn binnenkameren; wij zullen ons verheugen en in U verblijden; wij zullen Uw uitnemende liefde vermelden, meer dan den wijn; de oprechten hebben U lief.). En vertroost ook elkaar met deze woorden.
Amen.
Slotzang Psalm 85:3:
Merk op, mijn ziel, wat antwoord God u geeft; Hij spreekt gewis tot elk, die voor Hem leeft, Zijn gunstgenoot, van blijden troost en vreê, Mits hij niet weer op 't spoor der dwaasheid treê. Voorwaar, Gods heil is reeds nabij 't geslacht, Hetwelk Hem vreest en Zijne hulp verwacht; Opdat er eer in onzen lande woon' En zich aldaar op 't luisterrijkst vertoon'.
Andere preken over Lukas
Andere preken voor Kerst
Andere gerelateerde preken