2 mei 2021
Psalm 13:2: Hoelang, HEERE, zult Gij mij steeds vergeten? Hoelang zult Gij Uw aangezicht voor mij verbergen?
INLEIDING
David klaagt in Psalm 13 vier keer "hoe lang?" – vermoeid, verlaten, alleen. Maar dit klagen is geen mopperen: het is een reflex van geloof, dat ondanks alle logica toch blijft bidden tot een God die zwijgt. David legt argumenten voor God neer, niet om zijn eigen waardigheid, maar om Gods eer en trouw. Het anker is uiteindelijk niet zijn gevoel, maar Gods onveranderlijke goedertierenheid en Zijn heil – Jeshua, Christus, Die zelf dieper door Godsverlating ging. Zo eindigt het klaaglied toch in vertrouwen: hij zal de HEERE zingen, omdat Hij welgedaan heeft.
Een klagend lied vol geloof.
PSALM 13:1-6
1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
2 Hoelang, HEERE, zult Gij mij steeds vergeten? Hoelang zult Gij Uw aangezicht voor mij verbergen?
3 Hoelang zal ik raadslagen voornemen in mijn ziel, droefenis in mijn hart bij dag? Hoelang zal mijn vijand over mij verhoogd zijn?
4 Aanschouw, verhoor mij, HEERE mijn God; verlicht mijn ogen, opdat ik in den dood niet ontslape;
5 Opdat niet mijn vijand zegge: Ik heb hem overmocht; mijn tegenpartijders zich verheugen, wanneer ik zou wankelen.
6 Maar ik vertrouw op Uw goedertierenheid; mijn hart zal zich verheugen in Uw heil; ik zal den HEERE zingen, omdat Hij aan mij welgedaan heeft.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Psalm 13:2
THEMA
Een klagend lied vol geloof.
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, samen psalmen zingen, dat doen we graag. Daar word je blij van. Loof, loof de Heere, mijn ziel, met alle krachten! Ik zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheden! Hoe zalig is het volk dat naar Uw klanken hoort. Zij wandelen, Heere, in het licht van Uw vriendelijke aanschijn voort!
Maar, er zijn ook van die psalmen, waarvan je denkt...: ‘Moeten wij dit ook zingen? Hier word ik niet vrolijk van. Als ik een psalmboek had mogen samenstellen, had ik die met tranen gevlekte pagina’s eruit gelaten.’
Maar, gemeente, gelukkig is het mes van onze censuur niet door deze Bijbel gegaan. En dus hebben we gelukkig ook Psalm 13. De preek van vanmorgen gaat over Psalm 13. Hij is ons al een keer voorgelezen, maar laten we hem samen nog een keer lezen. Een psalm van David, voor de opperzangmeester. Hoe lang, HEERE, zult U mij steeds vergeten? Hoe lang zult U Uw aangezicht voor mij verbergen? Hoe lang zal ik raadslagen voornemen in mijn ziel, droefenis in mijn hart bij dag? Hoe lang zal mijn vijand over mij verhoogd zijn? Aanschouw, verhoor mij, HEERE, mijn God; verlicht mijn ogen, opdat ik in de dood niet ontslape. Opdat niet mijn vijand zegge: Ik heb hem overmocht; mijn tegenpartijders zich verheugen, wanneer ik zou wankelen. Maar ik vertrouw op Uw goedertierenheid; mijn hart zal zich verheugen in Uw heil; ik zal de HEERE zingen, omdat Hij aan mij welgedaan heeft.
We letten vanmorgen samen op: Een klagend lied vol geloof. Dat is het thema van de preek: Een klagend lied vol geloof. Er zijn vier aandachtspunten: We letten in de 1ste plaats op de vermoeidheid van het geloof (dat ziet u in vers 1-3). We letten in de 2de plaats op het instinct van het geloof (dat ziet u in vers 4). Daarna letten we in de 3de plaats op de argumenten van het geloof (u leest het in vers 4-5) En ten slotte letten we op het anker van het geloof (dat ziet u in vers 6).
Dus: Een klagend lied vol geloof 1. De vermoeidheid van het geloof 2. Het instinct van het geloof 3. De argumenten van het geloof 4. Het anker van het geloof Als eerste dus:
Het is David die hier zingt. Hij is een kind van God. Hij is de man naar Gods hart. Liefelijk in psalmen, ook in deze psalm. Maar zijn lied, zijn psalm klinkt klagend. Het is een klaagzang. Maar, laten we het daar gelijk maar even eerst over hebben, klagen is niet hetzelfde als mopperen. Klagen is niet hetzelfde als ontevreden zijn, als boos zijn op God, omdat Hij niet luistert en doet wat David wil. Maar David klaagt wel. Het is een klacht van moeheid, van moedeloosheid, misschien ook wel van hopeloosheid. Maar je hoort geen opstand. Je hoort niet dat ontevreden: ‘waarom doet U dit, Heere?’ Hij onderwerpt zich aan God. En al klagend (en gelovend!) blijft hij, zoals we zullen zien, vragen en hopen.
Wat klaagt David dan? U ziet dat vooral verwoord in die twee aansprekende, vragende woorden: ‘Hoe lang? Woorden die u misschien ook wel herkent. ‘Hoe lang zal mijn ziekte duren, dokter?’ ‘Hoe lang moet ik nog in het ziekenhuis blijven?’ Of, sterker nog: ‘Hoe lang heb ik nog te leven?’
Zoals er zoveel meer van die hoe-lang-vragen kunnen leven in ons hart. ‘Hoe lang zal het zo doorgaan, dat al mijn plannen mislukken?’ ‘Hoe lang zal het duren, dat ik dwarsgezeten, geplaagd, getreiterd, misbruikt of mishandeld wordt?’ ‘Hoe lang zal mijn somberheid, mijn angst, mijn paniek voortduren? Zal het ooit nog overgaan?’ ‘Hoe lang zal mijn geestelijke somberheid blijven? Vroeger was het zo licht. Vroeger was ik zo hoopvol gestemd. Ik verblijdde mij in de Heere. Maar nu? Zal de donkerheid ooit overgaan? De gevoelloosheid van hart? Hoe lang…?’
Ik roep al zo lang! Hoe lang, Heere, geeft U geen antwoord? Nee, dat is geen gemopper naar opzij, zo in de trant van: ‘De Heere hoort mij niet!’ Het is een zuchten en vragen naar omhoog: ‘Heere…, hoe lang? Wanneer…?’ Dat soort van vragen had David. Kijkt u maar in vers 2 en 3. Daar ziet u vier van die hoe-lang-vragen, waar u een vierdubbele vermoeidheid in proeft. Leest u maar mee in de Bijbel, in vers 2 en 3: Hoe lang, HEERE, zult U mij steeds vergeten?
Hoe lang zult U Uw aangezicht voor mij verbergen? Hoe lang zal ik raadslagen voornemen in mijn ziel, droefenis in mijn hart bij dag? Hoe lang zal mijn vijand over mij verhoogd zijn?
Koning Saul zit David op de hielen. Zijn vijand ‘is verhoogd’. Dat wil zeggen: die staat boven hem. Hij staat hem naar het leven. ‘Hoe lang, HEERE? David is moe van het vluchten. Van de ene plek naar de andere. Van de Moabieten naar de wildernis van Zif. Van de spelonk van Adullam naar de Filistijnen. En dan zucht hij: ‘Ik zal binnenkort nog in de hand van Saul omkomen.’ ‘Hoe lang, Heere? Ik ben moe.’ Als mens ben ik lichamelijk moe.
Maar ik ben ook psychisch moe. Kijkt u maar naar die andere hoe-lang-vraag. Hoe lang zal ik raadslagen voornemen in mijn ziel, droefenis in mijn hart bij dag? Ik bedenk allerlei plannen, allerlei scenario’s om eruit te komen. Maar alles mislukt. En dat stemt me verdrietig, moedeloos, misschien wel bijna hopeloos. Hoe lang, Heere? Ik ben doodmoe. Als mens ben ik lichamelijk moe. Ik ben ook psychisch moe.
Maar ik ben vooral ook geestelijk moe. Kijkt u maar naar vers 2, naar die eerste hoe-lang- vraag: Hoe lang, HEERE, zult U mij steeds vergeten? Hoe lang zult U Uw aangezicht voor mij verbergen? HEERE, mijn God (zo staat het in vers 4), in al mijn zorg en verdriet ben ik U kwijtgeraakt. U bent er nog wel, maar ik zie u niet meer. Ga ik vooruit, dan zie ik U niet. Loop ik achteruit, ook dan bent U daar niet. Zult U me dan voor altijd vergeten en verlaten? Zou U Uw genade vergeten en nooit meer van ontferming weten?
De vijand heeft het voor het zeggen. Mijn hart is vol van angst en verdriet. En mijn God zie ik niet meer. En daarbij: vroeg of laat zal ik oog in oog staan met de dood. En hoe moet het dan? Kijk maar in vers 4: ik zal in de dood ontslapen. En dan?
Gemeente, laten we met elkaar nog eens even goed kijken, wat hier precies aan de hand is. Het gaat hier om langdurige moeite en zorg. Het gaat om verdriet wat misschien al jarenlang bestaat. En wat is dat verdriet? De zegen van God lijkt weggenomen te zijn. Sterker nog: God Zelf voelt afwezig. Weg… Hij heeft mij vergeten! Zoals in vers 2: Hij heeft Zijn aangezicht voor mij verborgen! Het zien van het aangezicht van de Heere is in de Bijbel een teken van het zien van Gods liefde en trouw en gunst in Jezus Christus. En onze belijdenis zegt, dat dat voor Gods kinderen zoeter is dan dit leven. Dat is voor ons kostbaarder dan alles. Als we de Heere in het oog hebben, als we Hem mogen zien en ontmoeten door onze Heere Jezus Christus, in Zijn zondaarsliefde, in Zijn trouw, in Zijn kostbaarheid, in Zijn
heerlijkheid en glorie… En als we zo met Hem mogen leven, dan, jongelui, zijn we zielsgelukkig. Dat is voor ons zoeter, beter dan dit leven. Dan mag je alles van ons hebben. Want we hoeven er niets meer bij. Want we hebben Jezus, en door Hem zijn we met God verzoend. En dus is alles goed. Dan zeggen we zoals Jakob tegen Ezau zei: wij hebben alles.
Maar als we God kwijt zijn (niet dat God letterlijk weg is, maar wel in de ervaring, in het gevoel van ons hart), als we God kwijt zijn, dan zijn we dus alles kwijt. En dat, zo zegt onze belijdenis, is (en dat is het tegenovergestelde) voor ons bitterder dan de dood. Er is niets wat ons meer verdrietig maakt, dan het missen van God. Er is heel veel ellende in de wereld. En sommige mensen hebben heel erg veel verdriet. Maar toch zal ieder kind van God zeggen: dit is het ergste, als ik mijn God kwijt ben.
Er is overigens wel een sprank van hoop in dat gemis. Als je je vriend of vriendin mist, is dat een bewijs dat je heel veel van hem of haar houdt. Als je God mist, is dat een bewijs van het feit dat je Hem kent en dat je Hem liefhebt, als je Enige, als je Liefste, als je Alles.
God heeft Zijn gezicht verborgen voor David. De zon is achter de wolken gegaan. Hij is er nog wel, maar het licht is weg. Is het niet uit het leven gegrepen, kinderen van God? We weten wel: de Heere zal in dit moeilijke leven Zijn volk en erfdeel nooit vergeten. Maar de moeite en het verdriet van dat moeilijke leven zijn er wel. Vijanden, mensen die je steeds weer raken, die je steeds weer pijn doen, je vreugde verzieken, je stemming verzuren. En op de achtergrond is er die allersterkste vijand, sterker dan iedere denkbare menselijke vijand: de duivel die rondgaat als een briesende leeuw, zoekende wie hij zou mogen verslinden. Vijanden, maar ook andere dingen: verdriet in huwelijk of gezin, in kerk of kerkenraad, in werk of zendingswerk. Verdriet om verlies van geliefden. Van vader of moeder, kind of kleinkind, broer of zus, man of vrouw. Ik denk ook aan de pijn van een jarenlange ziekte. De moeite van niet kunnen praten, jezelf niet kunnen uiten, verlamd zijn, alleen zijn, lijden… Maar dan daarbij, en dat is bitterder dan al het andere: Waar is mijn God?
Jaren van geestelijke vooruitgang, hoop en blijdschap zijn weg geschrompeld. De vreugdevolle weg naar de overwinning is overgegaan in een glibberig modderpad, waar je steeds vaker dreigt uit te glijden, en waarin je steeds dieper dreigt weg te zakken. En de vragen borrelen omhoog in je hart (vragen die het alleen maar erger maken): Is het om mijn zonden? Straft God me vanwege wie ik ben of om wat ik gedaan heb?
Zeker, er is verschil. Karakter, aanleg, gevoeligheid voor somberheid, moeheid, een lichamelijke ziekte of (als we ouder worden) achteruitgang in ons denken, het kan het
allemaal nog eens extra versterken. En het kan ook maken dat we hulp nodig hebben van mensen. En die hulp moet u dan ook zeker inroepen. Maar ook al zit je zo niet in elkaar, ook al ben je net als David een zingend en muziek makend mens, dan nog kan het zo zijn in je hart. Je leest over Israël in het land Gosen: En de HEERE hoorde hun gekerm (Ex. 2:24-25En God hoorde hun gekerm, en God gedacht aan Zijn verbond met Abraham, met Izak, en met Jakob. En God zag de kinderen Israëls aan, en God kende hen.). Maar zelf moet je zeggen: God heeft mij vergeten!
Nee! Toch niet! Goed lezen wat er staat! Het zijn geen conclusies! Het zijn vragen! Want David weet Wie God is. En David weet hoe God is.
Je kan voor jezelf de conclusie trekken: hij of zij is mij voor altijd vergeten. Maar je kan ook aan iemand vragen (en dat doet David hier): ben je mij soms vergeten? Kijk maar naar de vraag die David stelt: Hoe lang, HEERE, zult U mij steeds vergeten? Ik ken U. Ik weet dat er een einde aan komt. Maar, wanneer? En daarbij, vragen doe je aan iemand die misschien wel heel ver weg is, maar die ondertussen toch wel bereikbaar is. Want David weet: God is niet veranderd. Hij is er wel. Alleen: ik zie Hem niet meer.
Misschien kent u dat ook wel. Die vermoeide vragen: Hoe lang? Die vermoeide vragen aan die schijnbaar afwezige, maar wel bereikbare God: Hoe lang, HEERE? HEERE(!), Gods Naam geschreven met vijf grote letters, als stille verwijzing naar Gods trouw, naar Zijn vasthouden, naar Zijn nooit laten varen, naar Zijn nooit loslaten het werk dat Hij begon.
Zuchten dus, vragen en klagen. Naar? Naar redding? Naar genezing? Naar betere tijden? Nee. Naar God!
We gaan verder met ons tweede aandachtspunt:
Want, wees nu eerlijk: Is dit logisch? Jongelui, kan je dit volgen? ‘Heere, hoe lang vergeet U me? Hoe lang verbergt U Uw gezicht voor me? Hoe lang geeft U me geen antwoord…?’ Is dat logisch? Is het logisch om dat te bidden, is het logisch om dat te vragen? Om dat te blijven bidden en te blijven vragen? Iemand geef je al een jaar lang, al drie jaar, al vijf jaar geen antwoord op je vragen. Is het logisch om dan te blijven vragen? Nee! De logische reactie is: ‘Stop ermee. Stop met dat vragen, want dat heeft toch geen zin. Het helpt toch niet.’ Hier ontbreekt alle logica. Maar hier schittert geloof. God verbergt, misschien al jaren Zijn gezicht voor mij. En…? Ik bid, en ik blijf bidden: ‘Heere, zie op mij.’ Zoals in vers 4: Aanschouw mij, HEERE. Zie op mij in gunst van boven.
De Heere lijkt me vergeten te zijn. En…? Ik bid, en ik blijf bidden: ‘Verhoor mij, Heere’. Zoals in vers 4: Verhoor mij, HEERE, mijn God.
Mijn God... Al de golven zijn over mij heengegaan. Maar het zijn Uw golven, het zijn Uw baren, o HEERE, mijn God. Ik ben moe van mijn zuchten. En…? Ik leg het hoofd erbij neer? Nee. Ik bid, en ik blijf bidden: ‘Verlicht, Heere, mijn ogen, eer ik sterf.’ Dat wil zeggen: Geef me toch nieuwe moed, nieuwe kracht en nieuwe energie om verder te kunnen gaan.
Zo bidden, dat is geen uitzondering in de Bijbel. Dit is een rode draad door heel de Bijbel heen. De Heere antwoordt niet. Mijn hoop vergaat. Reactie? ‘Heere, ik hoop op.’ De Heere verbergt Zijn gezicht. Reactie? ‘Zie mij toch, o, mijn Heere en God!’ Vrouw, het brood is niet voor mensen zoals u. Reactie? ‘Ja, Heere. Ik kom en ik aanbid U.’
Ik noem het maar de reactie, het instinct, de reflex van het geloof. Zoals een kniepeesreflex bij de dokter. De huisarts of de neuroloog onderzoekt je met zo’n klein hamertje, waarmee hij of zij tikt op de pees van je knie. Hij tikt erop, en direct schiet je onderbeen in een reflex omhoog. De Heere verbergt Zijn gezicht. Reflex? Ik bid: ‘Heere, let toch op me.’ De Heere laat de vijand toe om mij in het nauw te drijven. Reflex? ‘Heere, red me toch!’ De Heere geeft de duivel ruimte om mij aan te vallen. Reflex? ‘Heere, haast U tot mijn hulp!’
Het is geen kunst om blij te zingen van Gods liefde en van een liefhebbende Jezus, als alles in het leven je toelacht en alles je voor de wind gaat. En het is ook geen kunst, maar het is genade, het is geloof om te zingen, al is het een klaaglied, maar om toch te zingen in de nacht: ‘omdat ik, HEERE, U verwacht!’
Ja, is deze psalm eigenlijk wel een klaaglied? Of heeft het toch ook iets in zich van wat Paulus en Silas zongen: Gode lofzangen, midden in de nacht? In pijn, in levensgevaar? ‘Zullen onze vijanden (kijkt u maar in vers 5) straks zeggen: Wij hebben gewonnen? Zullen we, Heere, wankelen en omkomen?’ Ja, die vragen, zulke vragen zingen we. Omhoog! Naar boven! Naar onze God en HEERE. Terwijl we diep in ons hart weten (en dat is geloof): onze God en HEERE hoort. En dus zullen toch vroeg of laat al deze klagende gebeden, die in stilte, met zuchten en tranen naar de hemel opgezonden zijn, een ommekeer teweegbrengen in dit droevige lot.
En de weg tot die ommekeer, de weg tot dat keerpunt is? Net zoals hier: de weg van het gebed, om Jezus’ wil. We gaan het zo meteen verder zien in ons derde en vierde aandachtspunt, maar we gaan eerst samen zingen uit Psalm 42, daarvan het 5e vers.
Maar de HEERE zal uitkomst geven, Hij, die 's daags Zijn gunst gebiedt; 'k Zal in dit vertrouwen leven, En dat melden in mijn lied; 'k Zal Zijn lof zelfs in de nacht Zingen, daar ik Hem verwacht; En mijn hart, wat mij moog' treffen, Tot den God mijns levens heffen.
Ons derde aandachtspunt:
Gemeente, we hebben gezien de diepe en langdurige ellende waarin David verkeert, en waarin ook Gods kinderen nu kunnen zijn. We hebben gehoord hoe David emotionele vragen klagend aan de Heere voorlegt. Maar deze biddende David doet meer dan alleen zijn hart luchten.
Dat mag ook. Je hart luchten voor God. Al biddend, klagend je verdriet en ellende voor de Heere neerleggen. Daarom, jongelui, is het leven met de Heere ook zo’n gelukkig leven. Als je God niet kent, kan je misschien je problemen nog aan je vrienden voorleggen, maar als die je ook niet meer begrijpen? Wat dan? Maar als je God wel kent, dan mag je biddend alles voor de Heere neerleggen. Je mag je hart vol verdriet uitstorten, zoals Hanna haar hart als een emmer water leeggoot, voor het aangezicht van de Heere. En de Heere hoort het. Hij luistert. Hij begrijpt je. En Hij zorgt. Je mag eerlijk alles tegen God zeggen (doe dat trouwens ook maar als je de Heere persoonlijk nog niet kent): ‘Heere, ik voel me bang, ik voel me verdrietig, ik voel me alleen, en vooral: ik voel me alleen zonder U.’
Nee, we klagen niet om te klagen. Maar we klagen om eerlijk te zijn. Omdat we de Heere liefhebben, omdat we Hem vertrouwen, mag Hij alles van ons weten. We vertellen de Heere eerlijk waar we mee zitten: ons verdriet en onze nood. En we vragen of de Heere ons daaruit wil halen. Of Hij ons wil optrekken uit het modderige slijk. Dus, we klagen. Dat mag. Niet mopperen, maar wel je hart uitstorten, leeg gieten voor God. We klagen, en: we vragen. ‘Heere, zie op mij, hoor mijn gebed en vergeet mij toch niet.’ Maar, er is meer. Bidden is ook (zoals we zien in vers 4 en 5) argumenten, redenen aandragen bij God. Argumenten, redenen waarom Hij ons zou kunnen verhoren. Maar ja, kan je, juist in die donkere perioden van verlating en geestelijke donkerheid, kan je in perioden waarin je geplaagd wordt door ziekte en pijn, moeheid of somberheid, tegenstand van mensen en aanvallen van de duivel…, kan je in zulke perioden al biddend redenen bedenken, waarom de Heere zou moeten horen en verhoren? Redenen in de trant van: ‘Heere, ik heb U toch zo hartelijk lief? Heere, mijn hart is toch zo vol van U? Nu dan, hoor mij dan toch?’ Nee, dat lukt niet.
Als mijn hoop vertwijfelt (zegt Maarten Luther), als mijn hoop vertwijfelt, kan de vertwijfeling niet meer wijzen naar mezelf. Maar wel naar God: Ik hoop, Heere, op U. Dat U, om de eer van Uw grote Naam, Uw woord zult houden. Kijkt u maar in vers 5: Opdat niet mijn vijand zal zeggen: ik heb hem overmocht. Ik heb hem overwonnen. Opdat mijn tegenstanders zich niet zouden verheugen, wanneer ik zou wankelen. Met andere woorden: ‘Heere, U hebt mij toch tot koning gezalfd? En in mijn lijn zal de grote Zoon van David, de Messias, toch straks eeuwig zitten op de troon? En als dat nu fout loopt, Heere, jazeker, dan zal ik me ook schamen, maar dan zal dat toch vooral ten koste gaan van de eer van Uw Naam? En dat kan toch niet! Dat zult U toch niet toelaten, Heere?’ ‘Als Uw belofte niet uitkomt? Als U mij, die U Zelf hebt opgezocht en terecht gebracht (ik heb het wel verdiend, maar als U mij) loslaat en voor altijd vergeet? Heere, hoe moet het dan met de eer van Uw grote Naam?’ Dat zijn de redenen, dat zijn de argumenten die het geloof in tijden van nood neerlegt voor God.
En, zo staat er in vers 6: Ik vertrouw op U. Ik beroep me op de eer van Uw grote Naam. En: Ik houd me vast aan: Uw trouw! Het brengt ons tot slot bij ons vierde aandachtspunt:
Want we lezen in vers 6: Maar ik vertrouw op Uw goedertierenheid. Kinderen van God, er zijn perioden waarin we moeten zuchten. Maar ons zuchten is zo anders dan het zuchten van de kinderen van de wereld. We zuchten niet opzij, we zuchten niet in het luchtledige, maar wij zuchten omhoog. En we geven onszelf ook niet zo nu en dan een frisse shot van nieuw zelfvertrouwen, maar ons vertrouwen richt zich omhoog, tot onze God.
Wij zuchten omhoog. En leren juist in de diepte van geestelijke verlating vertrouwen. Hoe? Waarop? David zegt: Ik vertrouw op Uw goedertierenheid. Ik vertrouw op Uw trouw. U bent de trouwe God van het eenzijdige verbond, van het eenzijdige genadeverbond. U bent het die me opzocht, vond, levend maakte en aannam als Uw kind. U was het, die mij maakte van een kind des toorns, tot een kind van ontferming en genade. En sindsdien word ik achtervolgd door Uw trouw. Over hoogten en door de diepten. Door lijden en vreugde. Al de dagen van mijn leven.
Denkt u maar aan Psalm 23. In Psalm 23:6 staat hetzelfde woord: het goede en de weldadigheid (dat wil zeggen: Uw trouw) zullen mij volgen al de dagen van mijn leven. Zoals (maar dat is negatief!) de politie je achtervolgt. Zoals een hond achter je aan zit. Zo, (maar nu positief!), word ik, ontrouw en dwalend kind van God, mijn leven lang achtervolgd door Uw trouw, o Heere, mijn God. En dat is mijn hoop, in mijn ellende. Uw macht is groot en Uw trouw zal nooit vergaan.
En dat is onverdiend. Laat dat duidelijk zijn. Hier gelden geen rechten. De Heere noemt Zichzelf nadrukkelijk trouw in Exodus 34, als de Heere tegen Israël Zijn Naam uitspreekt: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid (groot van blijvende liefde en trouw) en waarheid (Exodus 34:6). En wanneer zegt de Heere dat? Vlak nadat Israël gebogen heeft voor en gedanst heeft bij het gouden kalf. De verbondsdocumenten, de stenen tafels, zijn nog niet beneden gebracht van de berg Sinaï, of Israël heeft het verbond verbroken. Gods onveranderlijke trouw staat lijnrecht(!) tegenover onze hardnekkige ontrouw.
En dus is dit vertrouwen op Gods trouw een vertrouwen op onverdiende genade, gekoppeld aan het tweede, wat volgt. David zegt: Ik vertrouw op Uw trouw, en: mijn hart zal zich verheugen in Uw heil.
Waarom kan en mag ik hopen en vertrouwen op de trouwe HEERE (geschreven met vijf hoofdletters), op de trouwe God van het verbond? Waarom kan ik zo meteen zeggen, dat ik voor mijn God zal zingen? Dat kan alleen om Uw heil. En daarin, zegt David, zal ik mij verblijden. Mijn hart is vol van verdriet, maar ik zal mij verblijden in Uw heil. Dat zal mij nieuw leven geven, nieuwe hoop, nieuwe moed en vast vertrouwen.
Uw heil. Uw zaligheid. Uw (zo staat er letterlijk) Jeshuat. Uw Jezus, Uw Zaligmaker. Uw Messias, Uw gezalfde Christus. De vijand zal niet alleen mij, maar vooral Hem niet overwinnen. Uw Gezalfde zal niet wankelen. Hij, die (zo staat in Hebreeën 5:7Die in de dagen Zijns vleses, gebeden en smekingen tot Dengene, Die Hem uit den dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd hebbende, en verhoord zijnde uit de vreze.) in de dagen Zijns vleses, gebeden en smekingen tot Dengene, die Hem uit de dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd hebbende, Hij ging dezelfde weg, maar oneindig veel dieper dan ik. Hij bad en smeekte, met roepen en tranen. Dat is troost, kinderen van God: als je bidt en smeekt en roept met tranen tot God, dan ga je dezelfde weg als die Jezus ging. Hij ging gebukt onder lichamelijk lijden, onder spot en verachting door de vijand, onder verlating door Zijn vrienden, en zelfs (wat de ervaring van Zijn hart betreft) door God. Ons Avondmaalsformulier zegt: De toorn God (onder welken wij eeuwig hadden moeten verzinken) heeft Hij van het begin van Zijn menswording tot het einde van Zijn leven op aarde voor ons gedragen. En al de gehoorzaamheid en gerechtigheid van de Goddelijke wet heeft Hij voor ons vervuld. Voornamelijk toen Hem de last van onze zonden, en van de toorn van God het bloedige zweet in de hof uitgedrukt heeft (Hij zei: Mijn ziel is geheel bedroefd tot dood toe). Waar Hij gebonden werd, opdat Hij ons zou ontbinden. Daarna ontelbare smaadheden geleden heeft (maar de vijand heeft Hem niet overmocht!), opdat wij nimmermeer te schande zouden worden, onschuldig ter dood veroordeeld is, opdat wij voor het gericht Gods zouden vrijgesproken worden, ja, Zijn gezegend lichaam aan het kruis heeft laten nagelen, opdat Hij het handschrift van onze zonden daaraan zou hechten, en heeft alzo de vervloeking van ons op Zich geladen, opdat Hij ons met Zijn zegening vervullen zou. En heeft Zich vernederd tot in de aller diepste versmaadheid en angst der hel, met lichaam en ziel, aan het hout van het kruis, toen Hij riep met luider stem: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?
Waarom? Opdat wij tot God zouden genomen, en nimmermeer door Hem verlaten zouden worden. We kunnen ons verlaten voelen, maar zullen nooit echt verlaten worden.
Het heil is van de HEERE! Jezus is ondergegaan in de nacht van Godsverlating. En daarom kan en zal Hij Zijn schijnbaar ondergaande kinderen altijd helpen op Zijn tijd. En midden in de diepte van de vertwijfeling mogen we hopen, om Jezus’ wil, mogen we ons door Hem vasthouden aan Gods eeuwige trouw.
En dus kan David, als hij daarop ziet, op Christus en door Hem op het vriendelijke aangezicht van de Vader in Zijn eeuwige trouw, zeggen: Hoe donker Gods weg ook is, mijn hart zal zich verheugen in de zaligheid, bij God vandaan! Ik zal de HEERE zingen, omdat Hij aan mij welgedaan heeft. Ik zal Hem nog loven, voor Zijn verlossing. Mijn ziel wat buigt u zich neer? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven!
Gemeente, nog een laatste vraag: Waarom werkt God zo? Waarom vaak door diepten en beproevingen heen? Waarom stelt de Heere de verhoring van onze gebeden vaak uit? Waarom is het soms zo lang donker? Wij zijn geneigd het aan te zien voor afwijzing, en dat ontneemt ons onze hoop nog meer. Maar het is Vaderlijke zorg, het is Vaderlijke wijsheid en er is liefdevol onderwijs in.
a. In de eerste plaats dit onderwijs: Als wij iets vragen, willen we het altijd graag direct hebben. Maar Heere leert ons wachten op Zijn tijd. De Heere leert ons om Zijn vrijheid te aanbidden. Om kleiner te worden voor Hem, de Allerhoogste, die gezegd heeft: Mijn raad zal bestaan. Laat af en weet dat Ik God ben.
b. In de tweede plaats zijn tijden van beproeving vaak ook tijden van ontdekking. We leren in tijden van nood en donkerheid vaak ook meer en meer de diepten kennen van ons verloren bestaan: onze goddeloosheid, ons wantrouwen, onze opstand, onze ontrouw. We leren juist ook in die tijden van verlating, dat het onze ongerechtigheden zijn, die scheiding maken tussen God en ons hart (Jesaja 59:2Maar uw ongerechtigheden maken een scheiding tussen ulieden en tussen uw God, en uw zonden verbergen het aangezicht van ulieden, dat Hij niet hoort.). En juist door die weg leren we Christus meer nodig hebben, gaan we Hem meer hoogachten, liefhebben en bewonderen. En zo leren we ook de liefde van de Vader, Zijn wonderlijke trouw en onveranderlijke liefde meer en dieper bewonderen, en Zijn Naam groot maken.
c. In de derde plaats leren de tijden van zuchten ‘Hoe lang, Heere?’ ons ook steeds meer geloven en vertrouwen zonder te vragen. Ze leren ons gaandeweg steeds meer zeggen: ‘Vader, wat U doet is goed. Leer me slechts het heden dragen.’
d. En (in de vierde plaats) is na lang wachten vaak de verwondering bij de verhoring niet des te groter? Hoe langer het wachten duurt, hoe groter de verwondering als God Zijn belofte vervult.
Daarom, hoe donker, kind van God, Gods weg ook wezen mag, laten we buigen onder Gods leiding, onder Zijn wijze en Vaderlijke Hand. Denkend aan belofte van onze onveranderlijke God en Zaligmaker: Na dezen zult u het verstaan (Johannes 13:7Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat Ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan.). Hetzij hier op aarde, hetzij op de plaats waar straks ten volle zal gezegd worden: Ziet, deze is onze God; wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken. Deze is de HEERE (hoe groot was Zijn trouw!), wij hebben Hem verwacht, wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijn zaligheid (Jesaja 25:9En men zal te dien dage zeggen: Ziet, Deze is onze God; wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken. Deze is de HEERE, wij hebben Hem verwacht, wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijn zaligheid.).
Vlak voor het aanlichten van de dag voelt de duisternis het donkerst. ‘s Avonds vernacht het geween, maar ‘s morgens is er gejuich (Psalm 30:6Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid; des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich.)
Bedroefden van hart, armen van geest, zing deze psalm maar. Laat hij uw hart maar vertroosten en versterken. Bezwijk niet onder twijfel en strijd, onder moeite of verdriet. Om Jezus’ wil, onze lieve Heiland en Zaligmaker, om Gods onveranderlijke liefde en trouw, zal onze druk eens verwisseld worden in geluk. Hoop dan op God, sla het oog naar boven. Zuchtend, hopend, argumenterend, u vasthoudend aan Gods heil, aan Jezus en aan de trouw van de drieenige God. Sla het oog naar boven. Want u zult op Gods tijd Zijn Naam voor eeuwig loven.
Amen.
Slotzang Psalm 40:1,8
k Heb lang den HEER in mijnen druk verwacht, En Hij heeft Zich tot mij geneigd; Ik riep, door nood op nood bedreigd, Hij gaf gehoor aan mijne jammerklacht. Mij, in de kuil verzonken, Mij heeft Hij hulp geschonken, Gevoerd uit modderig slijk; Mij op een rots gezet, Waar ik, met vasten tred, Die jammerkolk ontwijk.
Andere preken over Psalmen