9 augustus 2020
Jeremia 3:1: Men zegt: Zo een man zijn huisvrouw verlaat, en zij gaat van hem en wordt eens anderen mans, zal hij ook tot haar nog wederkeren? Zou datzelve land niet grotelijks ontheiligd worden? Gij nu hebt met vele boeleerders gehoereerd, keer nochtans weder tot Mij, spreekt de HEERE.
INLEIDING
Deze leespreek over Jeremia 3:1 stelt de indringende vraag: kan het nog goedkomen tussen God en een ontrouw volk? Eerst wordt duidelijk dat de mens, door eigen schuld en afgoderij, de weg naar God zelf heeft geblokkeerd – zo kan het niet. Maar de HEERE Zelf opent een weg terug: wie zijn ongerechtigheid eerlijk belijdt en zich tot Hem keert, wordt niet afgewezen maar aangenomen, om Christus' wil. Zo klinkt, ondanks alle ontrouw, de hartelijke nodiging van een trouwe God: Kom, keer weder tot Mij!
Kan het nog wel goed komen?
JEREMIA 3:1-5
1 Men zegt: Zo een man zijn huisvrouw verlaat, en zij gaat van hem en wordt eens anderen mans, zal hij ook tot haar nog wederkeren? Zou datzelve land niet grotelijks ontheiligd worden? Gij nu hebt met vele boeleerders gehoereerd, keer nochtans weder tot Mij, spreekt de HEERE.
2 Hef uw ogen op naar de hoge plaatsen, en zie toe, waar zijt gij niet beslapen? Gij hebt voor hen gezeten aan de wegen, als een Arabier in de woestijn; alzo hebt gij het land ontheiligd met uw hoererijen en met uw boosheid.
3 Daarom zijn de regendroppelen ingehouden en er is geen spade regen geweest. Maar gij hebt een hoerenvoorhoofd, gij weigert schaamrood te worden.
4 Zult gij niet van nu af tot Mij roepen: Mijn Vader, Gij zijt de Leidsman mijner jeugd?
5 Zal Hij in eeuwigheid den toorn behouden? Zal Hij dien gestadiglijk bewaren? Zie, gij spreekt en doet die boosheden, en neemt de overhand.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Jeremia 3:1
THEMA
Kan het nog wel goed komen?
AANDACHTSPUNTEN
Jongens en meisjes, als twee mensen met elkaar trouwen, een man en een vrouw, dan (dat hoor je al een beetje in het woord dat ik gebruik, trouw-en), dan moeten zij elkaar trouw zijn. Dat moeten ze altijd denken: jij alleen bent mijn man, en jij alleen bent mijn vrouw, en niemand anders. Dus (dat kan je je voorstellen) gaat het goed verkeerd als één van de twee van iemand anders gaat houden. Bijvoorbeeld als de vrouw stiekem verliefd wordt op een andere man, of als de man stiekem verliefd wordt op een andere vrouw. Helaas gebeurt dat ook. En dat is echt heel verdrietig, ook voor de kinderen als die daarbij betrokken zijn. Het doet ook heel erg veel pijn bij degene die wel trouw was en bleef. Vaak gaan man en vrouw, om die ontrouw, uit elkaar. Ze gaan scheiden. Want (en die vraag kan je ook meevoelen) de vraag is: Kan je na die ontrouw nog wel verder met elkaar? Kan je de ander nog wel vertrouwen? ‘t Is heel verdrietig, jongens en meisjes, als je dit van dichtbij meegemaakt hebt. We bidden voor je, en vragen of de Heere je kracht geeft en helpt.
Stel, jongelui, je hebt een relatie, je hebt een vriend of vriendin, maar na verloop van tijd gaat die vriend of vriendin het stiekem houden met een ander. Je hart breekt. Je wilt misschien diep in je hart nog wel verder, maar zo kan je niet verder. Het doet je trouwens niet alleen verdriet, het maakt je ook heel erg boos. Ontrouw is zonde…
Maar, misschien vraag je je ook wel eens af: ‘Zonde, wat is dat eigenlijk?’ Je zou het ook omgekeerd kunnen zeggen. Niet alleen: ontrouw is zonde. Maar ook: zonde is ontrouw. Zonde is ontrouw tegenover God. Permanente ontrouw! Ontrouw ook aan Zijn verbond, waarvan je het teken aan je voorhoofd hebt. Zonde is ontrouw, die God verdriet doet, die Hem (menselijk gesproken) het hart breekt, die Hem ook heel erg boos maakt.
Dat blijkt ook uit het Bijbelgedeelte dat we vanmorgen met elkaar gaan overdenken. Ik neem als beginpunt, als uitgangspunt voor de preek de vraag van Jeremia 3:1Men zegt: Zo een man zijn huisvrouw verlaat, en zij gaat van hem, en wordt eens anderen mans, zal hij ook tot haar nog wederkeren? Zou datzelve land niet grotelijks ontheiligd worden? Gij nu hebt met veel boeleerders gehoereerd, keer nochtans weder tot Mij, spreekt de HEERE., hoewel het ook zal gaan over andere verzen uit Jeremia 3. Maar laten we dat vers lezen als uitgangspunt voor de preek van vanmorgen, Jeremia 3:1.
Daar lezen we Gods Woord als volgt: Men zegt: Zo een man zijn huisvrouw verlaat, en zij gaat van hem, en wordt eens anderen mans, zal hij ook tot haar nog wederkeren? Zou datzelve land niet grotelijks ontheiligd worden? Gij nu hebt met veel boeleerders gehoereerd, keer nochtans weder tot Mij, spreekt de HEERE.
Het thema voor de preek van vanmorgen is: Kan het nog wel goed komen? Kan het nog wel goed komen tussen God en het volk van Juda? Tussen God en jou? De preek heeft twee aandachtspunten. Het eerste aandachtspunt is: zo kan het niet. Het tweede aandachtspunt: zo kan het wel. Dus: Kan het nog wel goedkomen? 1. Zo kan het niet 2. Zo kan het wel Als eerste dus:
Ja, want er zijn situaties, dat het niet meer goed kan komen. Want stel je voor, een man en een vrouw gaan uit elkaar. De vrouw heeft een ander, en ze trouwt ook met die ander. Valt dat vorige huwelijk dan nog te repareren? Kan en mag zij dan nog terugkomen bij haar vroegere man? En kan die man, dat is de vraag van Jeremia, nog verder met zijn vroegere vrouw? Kijk maar: Zo een man zijn huisvrouw verlaat, en zij gaat van hem, en wordt eens anderen mans, zal hij ook tot haar nog wederkeren? Kan dat? Kan zij terugkomen en kunnen en mogen die twee dan weer opnieuw met elkaar trouwen? Nee, volgens de wet van Mozes kan en mag dat niet. Dat is, zo staat in Deuteronomium 24, in de ogen van de Heere een gruwel (24:4).
Maar, bleef het daar maar bij. Want de situatie die Jeremia schetst, is nog veel erger. Hij zegt: die vrouw heeft ondertussen heel veel andere mannen gehad. Kijk maar in vers 1: Gij nu hebt met veel boeleerders (met heel veel vreemde mannen) gehoereerd. Dat kan niet meer goedkomen, toch? Die man zal zeker zeggen: ‘Je hebt me nu zo vaak bedrogen, het is over, het is uit. Ik wil je niet, ik wil je nooit meer terug hebben.’
Dat eerdere huwelijk is in het boek Jeremia een beeld van het verbond, dat God met Israël heeft gemaakt. God zette Israël apart van alle andere volken. En Hij gaf ze ook een teken, het teken van het verbond. Zoals Hij ook ons door Zijn verbond apart gezet heeft en het teken van dat verbond, het teken van de Heilige Doop gegeven heeft. Die band tussen God en Israël, die band tussen God en jou was bedoeld voor altijd. Zoals iedere huwelijk bedoeld is voor altijd.
Die vreemde vrienden van die weggelopen vrouw, die zijn in het boek Jeremia beeld van vreemde goden, van afgoden. Zoals ook wij, jongens en meisjes, onze vreemde vrienden, onze afgoden hebben.
Nee, we hebben geen beelden van steen of hout. Maar we hebben ze wel, die afgoden. Zoals staat in vers zes: op iedere hoge berg, onder iedere groene boom. Overal dus! Overal hebben ook wij onze afgoden. We hebben God verlaten en wonen samen met onze afgoden. Met de afgod van ons bezit, met de afgod van ons geld, ons mooie huis, onze mooie meubels en onze mooie auto. Met de afgod van ons vermaak, op internet, in de films die we kijken, in het verantwoorde vermaak in eigen kring. Met de afgod van onze vrijetijdsbesteding, met de afgod van onze hobby’s en de zinloze invulling van onze pensioenjaren. Met de afgod van onze eigen godsdienst, vol van vormen, maar zonder God. Met de afgod van onszelf, met het geloof in onze eigen wijsheid, ons eigen inzicht, onze eigen kennis en onze eigen gemaakte keuze voor God. We hebben in ontrouw God, onze Schepper en Maker, onze vorige Man, verlaten, en wonen sindsdien samen met onze afgoden (zie Jeremia 2:13Want Mijn volk heeft twee boosheden gedaan; Mij, den Springader des levenden waters, hebben zij verlaten, om zichzelven bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden., 5:7, enz.). Is er iemand hier in de kerk, steek uw vinger gerust op, die kan zeggen: ‘Dat geldt mij niet?’ Niemand. Zoals ook Paulus schrijft in Romeinen 3:10-12Gelijk geschreven is: Er is niemand rechtvaardig, ook niet een; Er is niemand, die verstandig is, er is niemand, die God zoekt. Allen zijn zij afgeweken, te zamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die goed doet, er is ook niet tot een toe.: Er is niemand, die verstandig is, er is niemand, die God zoekt. Allen zijn zij afgeweken, te zamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die goed doet, er is ook niet tot een toe. Gelijk geschreven is: Er is niemand rechtvaardig, ook niet één. We hebben allemaal gezondigd. We zijn allemaal ontrouw aan God geworden. En hebben de weg terug, naar God toe, geblokkeerd.
Zie dat, gemeente, toch eerlijk onder ogen. Wij hebben met onze ontrouw de weg naar ons vorige geestelijk huwelijk met God geblokkeerd. God heeft ons zoveel goed gedaan. Hij wilde onze God zijn. En Hij zei ook letterlijk: Ik ben uw God (Exodus 20:2Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.). Maar, kinderen, jongens en meisjes, je hebt met je zonden alles stuk gemaakt. Jongelui, je hebt door je ontrouw definitief met God gebroken. Ouderen, we zijn door onze ontrouw verloren mensen voor God geworden. Zie dat, gemeente, toch eerlijk onder ogen.
Jeremia gaat verder. Hij schrijft in vers 1: Gij nu hebt met veel boeleerders gehoereerd, keer nochtans weder tot Mij, spreekt de HEERE. Het staat er in de oorspronkelijke Hebreeuwse taal eigenlijk vragenderwijs: ‘Denkt u echt nog terug te kunnen? Denkt u echt, dat dat nog kan?’
Eigenlijk plaatst Jeremia zijn mensen, eigenlijk plaatst hij ons vragenderwijs voor een muur. Denk je echt, dat je nog terug kan? Kinderen, jongens en meisjes, dat wat je gedaan hebt, is niet meer goed te maken. Ouderen, wat u gedaan hebt, is onmogelijk te herstellen. Want, u hebt het (zo blijkt ook uit vers 2), u hebt het echt niet per ongeluk gedaan. En (zo blijkt uit vers 3) de Heere heeft u ook nog zo duidelijk gewaarschuwd. In het geval van Juda met droogte, als straf en als waarschuwing. Zoals de Heere ook u zo indringend
gewaarschuwd heeft met dat ongeluk, met die ziekte, maar (zo staat in vers 3) u weigert schaamrood te worden. U zou u diep moeten schamen. U zou u, zoals ons Avondmaalsformulier zegt, moeten mishagen en voor God moeten verootmoedigen, maar u doet het niet.
Juda, beeld van de kerk, Juda heeft God verlaten. Juda is gewaarschuwd, maar weigert zich te schamen. Het tekent, gemeente, ook scherp de tijd van nu. Dichterbij: het tekent met heldere strepen wie wij, kerkmensen van Gereformeerde Gemeenten, zijn! Wij hebben God verlaten. We voelen Gods vinger in de corona-epidemie, die ons trof en treft. Maar we weigeren schaamrood geworden. Wij weigeren schaamrood te zijn vanwege onze ontrouw aan God, vanwege onze zonden.
Ja, er kwamen en komen wel mooie woorden. Berouwvolle worden. Zoals bij Juda. Juda noemt God zijn Vader (in vers 5) en vraagt zich hardop af, of God wel vertoornd kan blijven? ‘Zo is God toch niet? Ja, zo behandelt Hij de wereld wel, maar ons toch niet?’ Berouwvolle woorden, mooie woorden over God, maar geen gebroken harten en geen breken met de zonde.
En zij gingen, en wij gaan door. Zoals staat in vers vijf: u doet die boosheden. U doet het gewoon nog steeds! En, kijkt u eens in vers 10: U hebt u tot Mij niet bekeerd met uw hart, maar valselijk, spreekt de HEERE. Ik heb u geslagen, maar u hebt geen pijn gevoeld (Jeremia 5:3O HEERE! zien Uw ogen niet naar waarheid? Gij hebt hen geslagen, maar zij hebben geen pijn gevoeld; Gij hebt hen verteerd, maar zij hebben geweigerd de tucht aan te nemen; zij hebben hun aangezichten harder gemaakt dan een steenrots, zij hebben geweigerd zich te bekeren.).
Dit, gemeente, tekent niet de wereld. Dit tekent ons. Dit, jongens en meisjes, laat zien wie wij zijn. We zien het van onszelf niet, hoeveel kwaad we gedaan hebben, hoeveel verdriet we de Heere hebben aangedaan. En we schamen ons er ook niet voor. En we gaan door, persoonlijk en kerkelijk. En dat…, is een gruwel in Gods ogen.
Wat halen veel mensen hier hun schouders over op… Jullie misschien ook wel, jongens en meisjes. Je denkt: ‘Ja, maar wat kan ik daaraan doen? Ik heb nu eenmaal geen nieuw hart!’ U misschien ook wel, ouderen. U denkt: ‘Ja, zo ben ik nu eenmaal. Ik ben nog onbekeerd.’ Zo, jongens en meisjes, op deze manier krijg je nooit een nieuw hart. Zo, ouderen, op deze manier gaat u zeker verloren. Zo kan het niet!
Wat kan het ook als een ondraaglijke last op je schouders drukken… Als God je ogen opent, en je dat echt zo voor jezelf gaat zien. Ook als je jong bent. Als je voelt en gelooft in je hart, jongelui: mijn leven is een en al ontrouw tegenover God. Ik heb tegen God gezondigd. En ik doe het iedere dag weer. En ik schaam me wel, maar ik schaam me niet zoals ik me werkelijk schamen moest.
Ik heb tegen God gezondigd. Maar ik sta voor een muur. Want: Zou ik ooit nog wel terug mogen komen bij God? Ja, ik heb in mijn hart wel berouw, maar zou het wel oprecht zijn? Of zou het vals zijn, zou namaak zijn zoals het staat in vers 10?
Wat kan het als een ondraaglijke last op je schouders drukken… Als God je ogen opent, ouderen. En je dit echt zo voor jezelf ziet: mijn leven is verzondigd. Altijd ben ik ontrouw geweest. Ik leek vromer dan de wereld, zoals Juda vromer leek dan Israël, maar het was schijn. Ik heb mijn afgoden gediend en God, de Springader des Levens, verlaten (2:13).
Wat kan het ook als een ondraaglijke last op je schouders drukken… Ook, juist ook na ontvangen genade, nadat je een nieuw hart van de Heere gekregen hebt. Als je na alles, wat je uit genade van de Heere gekregen hebt, moet zeggen: Heere, ik ben zo ontrouw! In enkele, eenzijdige trouw (die trouw kwam van één kant, die kwam van Gods kant!), in eenzijdige trouw zocht de Heere me op. Maar nu heb ik Hem weer verlaten. Nu heb ik weer gezondigd. En als je daarbij dan de bittere klacht uit de hemel hoort, liefdevol, maar ook verwijtend, zoals het staat in het vorige hoofdstuk (2:32): Vergeet ook een jonkvrouw haar versiersel, of een bruid haar bindselen? Nochtans heeft Mijn volk Mij (trouwe God!) vergeten, dagen zonder getal. Kan de Heere nog wel met mij verder? Wil de Heere nog wel met mij verder? Antwoord? Ja! Maar niet op onze manier. Zoals wij het willen, kan het niet. Mooie dingen beloven? Nog beter je best doen? Het voor de zoveelste keer opnieuw proberen in eigen kracht? Jezelf verbeteren? Antwoord? Nee! Zo kan het niet. Want: uit de werken der wet zal geen vlees gerechtvaardigd worden voor God (Romeinen 3:10).
We gaan verder met ons tweede aandachtspunt. Het gaat in de preek van vanmorgen over de vraag: Kan het nog wel goed komen? Eerst ging het over: Zo kan het niet. Nu ons tweede punt:
Waar zit het op vast, jongens en meisjes? Waarom ben je, als je onbekeerd bent, nog steeds onbekeerd? Dat komt hierdoor: Als je thuis iets gedaan hebt, iets wat heel erg verkeerd was, wat doe je dan? Je wilt er het liefst niet meer aan denken. Je hoopt dat niemand het gezien heeft, en je hoopt dat als iemand het wel gezien heeft, hij of zij het vergeten zal of het aan niemand zal vertellen. Je wilt liever niet voor de dag komen, om het eerlijk te vertellen, want dan voel je pas echt, hoe slecht je bent. En je weet ook, als je het eerlijk vertelt, dan kan je het niet weer doen. En misschien wil je dat, terwijl je weet dat het verkeerd was, toch wel…
Maar, als je het nu wel eerlijk zou vertellen tegen papa en mama? Wat dan? Nou, dan zouden papa en mama eerlijk met je praten. Dat is wel moeilijk, maar het zou wel helpen. Misschien zou je moeten huilen. Van verdriet, om wat je gedaan hebt. Je zou,
nadat je alles eerlijk verteld zou hebben, uiteindelijk papa en mama om vergeving vragen. En zij zouden zeggen: ‘Het was heel erg, maar we vergeven het je allemaal.’ Dan droog je je tranen. En dan voel je, hoewel het misschien in je hart vanbinnen wel blijft knagen, maar dan voel je je toch weer gelukkig. En vooral: je houdt nog veel meer van papa en mama, als dat je van tevoren van ze hield. Hebben zij je nu beloond? Omdat je iets goeds hebt gedaan? Omdat je alles eerlijk zei en om vergeving vroeg? Nee, dat was geen beloning. Want: die vergeving kwam uit hun hart. Uit het hart van papa en mama, dat zoveel van je houdt. Maar voor jou was de manier om die vergeving te krijgen, voor jou was de weg naar die vergeving toe: komen, naar papa en mama toe gaan en alles eerlijk vertellen en om vergeving vragen. Op die manier kwam je bij de liefde van hun vergevende hart.
Zo, zegt de profeet Jeremia, tegen het volk van Israël en Juda, zo kan het wel. Zo kan het wel weer goed komen. Kijk maar in vers 12. Eerst liet God de mensen door de preek van Jeremia botsen tegen de muur van hun eigen ontrouw, tegen de muur van de slechtheid en de onwil van hun zondige hart. Zodat ze de hoop op zichzelf zouden opgeven. Zodat ze het niet meer van zichzelf, van hun eigen inspanningen of goede voornemens zouden verwachten. Je kan het ook, jongens en meisjes, zelf niet meer goed maken tussen God en je zondige hart. Je moet naar de Heere toe komen. Luister maar naar wat Jeremia zegt in vers 12. Dit zegt de HEERE: Bekeer u, gij afgekeerde Israël! spreekt de HEERE, zo zal Ik Mijn toorn op ulieden niet doen vallen; want Ik ben goedertieren, spreekt de HEERE. Ik zal de toorn niet in eeuwigheid behouden. Want Ik heb een vergevend hart! En zo, door die weg van bekering, komt u bij Mijn vergevende hart. Bekeer u, keer u om. Draai u om, afgekeerde mensen. Zoals de meester of de juf in de klas ook tegen je zegt, jongens en meisjes: Zeg, zit niet steeds naar buiten te kijken, draai je om, naar mij toe en luister!
Alleen, één ding (kijk maar in vers 13): geen loze woorden, geen goedkope sorry’s. Zeg niet, dat je niet anders kon. Maar wees eerlijk. Kom eerlijk naar Mij toe, met diepe schaamte en eerlijk berouw. Lees maar mee in vers 13: Alleen ken (erken en belijd) uw ongerechtigheid, dat gij tegen de HEERE, uw God, hebt overtreden, en uw wegen verstrooid hebt tot de vreemden, onder alle groene boom, maar gij zijt Mijner stem niet gehoorzaam geweest, spreekt de HEERE.
Kom, zegt de Heere, jongens en meisjes, kom naar Mij toe. Kijk niet meer naar de afgoden. Maar kijk en kom naar Mij. En vertel Mij eerlijk, alles wat je gedaan hebt. Je schuld, je zonden en je ongehoorzaam zijn. Kom, zegt de Heere, jongelui, naar Mij toe. Keer je af van je afgoden. Kijk en kom naar Mij. En vertel Mij eerlijk, alles wat je gedaan hebt. Je ontrouw, dat je in plaats van Mij lief te hebben, zoveel andere dingen liefhebt en Mij bedrogen hebt.
Kom, zegt de Heere, ouderen: ken (erken en belijd) uw ongerechtigheid, dat u tegen de HEERE, uw God, hebt overtreden, en uw wegen verstrooid hebt tot de vreemden, onder alle groene boom, maar u bent Mijn stem niet gehoorzaam geweest.
Laten we, gemeente, voordat we verder gaan met ons tweede punt, nu eerst samen zingen uit Psalm 49, daarvan het 1e vers.
Gij, volken, hoort; waar g' in de wereld woont, 't zij laag van staat, of hoog, met eer bekroond; 't zij rijk of arm, komt, luistert naar dit woord. Mijn mond brengt niets dan loutere wijsheid voort, bij mij in 't hart opmerkzaam overdacht. Ik neig het oor, daar 'k op Gods inspraak wacht, naar 's HEEREN spreuk, en zal u, op de snaren der blijde harp, geheimen openbaren.
Gemeente, wat is dit, na alle ontrouw van onze kant, toch een wonderlijke uitnodiging: Kom! Wat bij mensen onmogelijk is (want in vers 1 staat, dat het niet kan en dat het niet mag!), wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God (Lukas 18:27En Hij zeide: De dingen, die onmogelijk zijn bij de mensen, zijn mogelijk bij God.). Ga je dan iets verdienen, met dat berouw, waarmee je naar de Heere toe komt? Nee, niets. Er is ook niemand die dat van zichzelf doet of doen kan. Het is Gods vriendelijkheid, het tekent de oprechtheid van Zijn nodiging, dat Hij zegt: zo, op die manier, door die weg mag u terugkomen: met schaamte, met berouw, met belijdenis van zonden, met boetvaardigheid en bekering. Want zo, door die weg, op die manier, komt u bij Mijn vergevende hart. Door te breken met uw zonden, door voor altijd weg te kijken van uw afgoden, en door u naar Mij toe te keren. Zo zegt de Heere: Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! want Ik ben God, en niemand meer (Jesaja 45:22Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! want Ik ben God, en niemand meer.)!
Jongens en meisjes, na alles wat je verkeerd gedaan hebt, na al je zonden, ondanks je slechte en boze hart (misschien heb je er wel veel last van, misschien vraag je je wel af, hoe je dat slechte hart ooit kwijtraakt), na alles wat je gedaan hebt, komt de Heere vanmorgen naar je toe en zegt: Kom! De Heere zegt niet: ‘Dit komt nooit meer goed. Ik wil je niet meer, ga maar weg.’ Nee, Hij zegt: ‘Zondaar, jongen of meisje, kom! Stop met het doen van zonden. Stop met ongehoorzaam zijn, met liegen, stelen en spotten. En vertel je zonden eerlijk aan Mij. Belijd je zonden en ongehoorzaamheid. Breng je zondige hart bij Mij. Zo kan en mag je bij Mij terugkomen. Door die weg, kom je bij Mijn vergevende hart.’ Jongelui, na al je ontrouw zegt God niet (vind je dat geen wonder?): ‘Ga maar.’ Maar: ‘Kom!’ ‘Buig je knieën. Schaam je om alles wat je deed. En vertel het eerlijk tegen Mij. En ga niet verder met die foute vrienden, met die foute gewoontes en die slechte begeertes. Breek er mee. Kom en geef Mij je verloren hart (Spreuken 23:26Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.).
Je hoeft het niet van tevoren op te knappen, maar kom zoals je bent, want Ik ontvang zondaars. Door die weg, kom je bij Mijn vergevende hart.’
Ouderen, kom! U hebt veel te veel van uw jaren vergooid in het dienen van de afgoden, in het ontrouw zijn aan God. Zeg nu niet weer, dat het wel meevalt en dat u het zo goed bedoelde. Erken en belijd uw zonden en schuld, en buig voor de Heere. Mishaag uzelf en verootmoedig u voor God. En breek met uw zonden. En kom. Door die weg van bekering en verootmoediging komt u bij Gods vergevende hart.
Wat een vriendelijke en hartelijke nodiging, ook na ontvangen genade. Want je kunt, jongens en meisjes, ook als je een nieuw hart gekregen hebt, weer zoveel zonden doen. We kunnen, ouderen, ook na ontvangen genade in ontrouw ons weer zo ver van de Heere weg zondigen. Maar wat gaat dan, juist dan de eenzijdige trouw van God schitteren, als de Heere zegt in vers 14: Bekeert u, gij afkerige kinderen(!), spreekt de HEERE, want Ik heb u getrouwd en Ik zal u aannemen. Wij moeten eerlijk belijden: Heere onze liefde is zo gebrekkig en onze ontrouw is zo groot. Maar de Heere zegt: ‘De liefde? Die komt van Mij! En de trouw? Die komt van Mijn kant! Ik zal niet feilen in Mijn trouw, noch Mijn verbond ooit schenden!’ (Ps. 89:14Gij hebt een arm met macht; Uw hand is sterk, Uw rechterhand is hoog.) Mijn kinderen (hoort u hoeveel liefde daar in doorklinkt?), Mijn kinderen, Ik heb u getrouwd. En Ik zal u, als ook u komt door de weg van smeking en geween, Ik zal u in Mijn eeuwige verbondstrouw opnieuw aannemen als Mijn kinderen.
Kan dat? De weg was toch geblokkeerd? Waarom kan dat dan toch? Omdat Ik, zegt de Heere, als u komt door die weg van berouw en boetvaardigheid, niet zal zien op uw zonden, maar op Mijn Eniggeliefde Zoon, de Messias, de Heere Jezus Christus. Dan zal Ik Zijn gehoorzaamheid zien in plaats van uw ongehoorzaamheid. Dan zal Ik Zijn heiligheid zien in plaats van uw zonden. Dan zal Ik Zijn trouw zien (Hij deed altijd de wil van Zijn Vader) in plaats van uw ontrouw. Dan zal Ik Zijn lijden en sterven aan het kruis zien in plaats van uw dood. En dan kan en zal Ik nooit meer op u toornen of op u schelden (Jesaja 54:9Want dat zal Mij zijn als de wateren van Noach, toen Ik zwoer, dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden gaan; alzo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal.). Dan zal Ik u reinigen van al uw ongerechtigheid, waarmee u tegen Mij gezondigd hebt; en Ik zal vergeven al uw ongerechtigheden, waarmee u tegen Mij gezondigd en waarmee u tegen Mij overtreden hebt (Jeremia 33:8En Ik zal hen reinigen van al hun ongerechtigheid, met dewelke zij tegen Mij gezondigd hebben; en Ik zal vergeven al hun ongerechtigheden, met dewelke zij tegen Mij gezondigd en met dewelke zij tegen Mij overtreden hebben.).
Gaandeweg wordt het steeds helderder in het boek Jeremia. En nog helderder wordt het in het Nieuwe Testament: weggelopen en ontrouwe zondaars worden geroepen, van harte en zo oprecht gemeend. Maar zij willen en kunnen niet komen. Maar dan zegt God, om Hemzelf, om Jezus’ wil: Ik zal het Zelf doen. Zoals later staat in Jeremia 31: Ik zal ze aanbrengen, Ik zal ze vergaderen. En dan: zullen ze komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren (Jeremia 31: 8,9).
Kan dat uw zware last, ontdekte zondaars, niet verlichten? Als u staande voor de muur van uw onmogelijkheid hoort, dat de Heere Zelf een weg gebaand heeft in de Heere Jezus Christus? En dat Hij u uit genade alles wil geven wat u mist? Berouw, geloof, een hart om lief te hebben en voeten om te komen? Bij Hem is hoop voor hopelozen. Bij Hem is moed voor de moedelozen. Bij Hem is liefde voor ontrouwen en hartelozen. Bij Hem is geloof voor wie niet kan en durf te geloven. Kijk dan toch, in al uw onmogelijkheid en gebrek, naar de verhoogde koperen slang. Kom en zie, met al uw zonden, op Jezus. Als u in geloof, roepend met tranen ‘ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp’, afziet van uzelf en ziet op de gekruisigde Christus, dan zal dat zware pak van uw schuld en ontrouw van u worden afgenomen. Als u in de gekruisigde Christus gelooft, dan zult u zalig worden (DL, II, 5).
Kan dat (dat God zegt: Ik zal u brengen, Ik zal u aannemen), kan dat ook uw zuchten, kinderen van God, niet verlichten? Kan dat uw hopeloosheid geen nieuwe hoop geven? Kan dat uw moedeloosheid geen nieuwe moed geven? Hoe veel en hoe vaak wij ons weg gezondigd hebben, er is altijd, ook nu, een weg terug. Een weg van berouw en belijdenis van schuld: ken uw ongerechtigheid. Laten we onze schuld dan met schaamte belijden en terugkeren. En door het geloof opnieuw zien op Christus, om Wie God zegt: Ik zal het doen. Dan zullen we komen met smeking en geween.
Maar kan dit (dat God het kan en wil doen), kan dit ook u, onbekeerden medereizigers op weg naar de grote ontmoeting met God, niet aansporen om nu eindelijk eens werk te maken van uw zaligheid? Want de roep van de Heere klinkt ruim, de stem van de Heere klinkt ver. Zelfs (kijk maar in vers 12) tot het noorden, tot het weggevoerde Israël, en tot (kijk maar in vers 20) het trouweloze Juda. Met andere woorden: tot ieder van u roept de Heere in grote trouw en hartelijke liefde: Kom! Verlaat uw slechtigheden en leef (Spreuken 9:6Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in den weg des verstands.). Bekeer u, gij afgekeerde Israël! spreekt de HEERE, zo zal Ik Mijn toorn op ulieden niet doe vallen; want Ik ben goedertieren. Alleen ken uw ongerechtigheid, dat u tegen Mij, uw God, hebt overtreden, en Mijn stem niet gehoorzaam bent geweest. Verlaters van God, kom! Zondaars, kom! Kom uit de staat van uw zonden en ontrouw, tot God! God roept u niet tot een onmogelijke prestatie. Hij roept u helemaal niet om iets te doen. Hij roept u om alles uit handen te geven. Om u als een ontrouw en verloren mens aan Zijn voeten te leggen. En Hij geeft u in het Evangelie een genadig recht om gebruik te maken van het enige Redmiddel, de Heere Jezus Christus. God wil alles doen! Stoot u daar toch niet aan, maar kom met berouw tot God in Christus, die door God Zelf gegeven is tot bekering en vergeving van zonden (Handelingen 5:31Deze heeft God door Zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israël te geven bekering en vergeving der zonden.).
En roep, en zeg: ‘Heere, hier ben ik, ontrouw en verloren in mezelf. Ik heb U op het hoogste misdaan. Maar kom, Heere, redt U mij toch, bekeert U mij en vergeeft U mij toch al mijn zonden?’
Misschien hebt u al heel lang de afgoden gediend. Tot nu toe bent u nooit tot God terug gekeerd. Veel mensen zijn na u geboren en hebben zich inmiddels wel bekeerd. Maar u nog niet. Misschien heeft de voorspoed van uw leven, misschien heeft de weelde van de overdaad u van God weggetrokken. Misschien bent u grijs geworden in het dienen van de zonde. Kom dan nu. Stel het niet langer uit. Het is bijna te laat. Al zijn uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al zijn rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol, als u ze laat wassen in het bloed van Christus (Jesaja 1:18Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.).
Kom, er is plaats bij God, voor ontrouwe zondaars. Kom, na al uw weigeringen. Geef uw verzet op. Geef God niet langer de schuld, maar buig u eerbiedig voor Hem neer. Wijs dit hemelse aanbod van vrede en aanneming tot kinderen niet af. Acht het niet van nul en geen waarde. Onder welk excuus dan ook. Want hoe zult u ontvluchten, als u op zo grote zaligheid geen acht geeft? (Hebreeën 2:3Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen? dewelke, begonnen zijnde verkondigd te worden door den Heere, aan ons bevestigd is geworden van degenen, die Hem gehoord hebben;) Kom! Als u niet komt, gaat u zeker verloren.
Kom, kinderen van God, terug, na eerder verval en verachtering in de genade. Als u na ontvangen genade van de Heere weg gedwaald bent en terug gegaan bent naar de wereld en de zonde, luister dan naar de lokstem van God en van Christus: ‘Kom, keer terug, afkerige kinderen!’ Wat krenken we de liefde van de Vader, wat verachten we de trouw van Christus en wat bedroeven we de Heilige Geest, als we ondanks alles doorgaan op onze weg van zonde en ontrouw. Hij, die in Zijn enkele trouw nooit loslaat het werk van Zijn handen, Hij Zelf roept u terug: Bekeert u, gij afkerige kinderen! spreekt de HEERE, want Ik heb u getrouwd. Bekeer u, en kom met berouw tot Christus, die U roept!
Wie u ook bent, ga niet door, blijft niet stil en nietszeggend zitten, maar antwoord nu in uw hart biddend op de stem van de Heere. Als de Heere zegt in vers 22: Keert weder, gij afkerige kinderen! Ik zal uw afkeringen genezen, verwacht het dan niet (zoals staat in vers 23) van de heuvels en van de bergen. Verwacht het dan niet van uzelf en van uw afgoden. Maar zeg dan met een ootmoedig en beschaamd hart, wat staat in vers 22: Heere, zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt de HEERE, onze God!
Wilt u niet? Kunt u niet? Zeg dan: ‘Heere, kom en brengt U me toch, kom en draagt U me toch?’ Een ieder die deze nodiging ter harte neemt, die met belijdenis van schuld, met berouw en boetvaardigheid komt, en zijn of haar verloren hart aan Christus geeft, in één woord
gezegd ‘een ieder die in Hem gelooft’, die zal behouden worden. Omdat God, om Christus’ wil, de God wil zijn van verloren zondaars en ontrouwe kinderen. Maar…, wie niet geloofd zal hebben, die zal verdoemd worden (Markus 16:16Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.).
Laat ik, gemeente, tot slot nog wat vragen proberen op te lossen, die misschien aan het einde van deze dienst nog bij u leven.
1. Een eerste vraag: Kan het wel voor mij? Want ik ben zo slecht? Ja. De roepstem van het Evangelie geldt voor alle zondaars, niemand is te slecht. Jeremia is door God gezonden en wij zijn door God gezonden om zondaars vrede aan te bieden. U mag niet alleen komen, u moet ook komen. Het is een hemels bevel aan het adres van verloren Adamskinderen: bekeer u, afkerige kinderen en kom. En wie tot Mij komt, zegt Jezus, zal ik geenszins uitwerpen (Johannes 6:37Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.).
2. Een tweede vraag: Ik heb deze boodschap zo vaak gehoord, maar ik heb altijd geweigerd. Is het voor mij niet te laat? Nee. We weten uit de Bijbel zoveel voorbeelden van mensen die bruut geweigerd hebben, die hardnekkig zijn blijven zondigen, ja, die zelfs de Zaligmaker gekruist hebben. Maar toen zij bogen als Manasse, toen zij baden als Saulus van Tarsen, wilde de Heere hen horen. Weiger dan nu niet langer, maar kom!
3. Een derde vraag: Ben ik ondertussen niet te oud? Het is zondermeer waar, dat als u oud bent, dat uw zonden dan veel zijn. Maar u wordt ter elfde uur alsnog genodigd. En God meent het. Kom dan, als de moordenaar aan het kruis, voor het moment dat het echt te laat is. Want Ik heb geen lust aan de dood des stervenden (zo groot is het gevaar van uw toestand, u hoort bij de stervenden!), spreekt de Heere HEERE; daarom bekeert u en leeft (Ezechiël 18:32Want Ik heb geen lust aan den dood des stervenden, spreekt de Heere HEERE; daarom bekeert u en leeft.). De Zaligmaker nodigt u met uitgestrekte armen, bij een geopende deur. Kom en word behouden!
4. Een vierde vraag: Je zegt, jongelui: Ik heb geen bekeerde vader of moeder. Ik heb geen voorbeeld om na te volgen. Ik ken van dichtbij geen kind van God. Zou God mij als eenling wel aan willen nemen? Ja, kijk maar in vers 14. Daar zegt de Heere: Bekeert u, gij afkerige kinderen! spreekt de HEERE, want Ik heb u getrouwd, en Ik zal u aannemen, een uit een stad (al ben je de enige), en twee uit een geslacht (al ben je maar samen), en zal u brengen te Sion. Wie komt is welkom. Daarom, zoek God, tot zegen voor jezelf. En vraag of je door de grootheid van Gods genade de eerste mag zijn, van heel veel anderen die je zullen gaan volgen.
5. Een vijfde vraag, de laatste: Je zegt, jongens en meisjes: Ben ik niet te jong? En ben ik niet te slecht, nu mijn hart, terwijl ik nog zo jong ben, al zo slecht is? Nee. De Heere heeft gezegd: Laat de kinderen tot Mij komen (Markus 10:14Maar Jezus, dat ziende, nam het zeer kwalijk, en zeide tot hen: Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods.).
Afkerige kinderen, naar buiten kijkende kinderen, van Mij wegkijkende kinderen, je vergeet Mij zo vaak, en je houdt van zoveel andere dingen zo veel meer dan van Mij, Maar kom! Dan zal Ik je een nieuw hart geven.
Tot slot, kinderen van God, laten wij nooit vergeten: We kunnen niet leven van onze trouw. We kunnen alleen onze ontrouw belijden. En de toevlucht nemen tot Christus. En steunen op Zijn trouw. En zelfs voor dat, hebben we Zijn genade en verzoening nodig. Maar: Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid (1 Johannes 1:9Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid.).
Hij, Die u roept, is getrouw, Die het ook doen zal (1 Thessalonicenzen 5:24Hij, Die u roept, is getrouw, Die het ook doen zal.).
Amen.
Slotzang Psalm 89:7:
Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort! Zij wandelen, HEERE, in 't licht van 't Godd'lijk aanschijn voort; Zij zullen in Uw naam zich al den dag verblijden; Uw goedheid straalt hun toe; Uw macht schraagt hen in 't lijden; Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedogen, Maar Uw gerechtigheid hen naar Uw woord verhogen.
Andere gerelateerde preken
De verspieders van beloofde land (deel 19) - Numeri 13
Numeri 13:30-31
Wie is als God? - Psalm 89
Psalm 89:7
Jozef in de put - Genesis 37
Genesis 37:20
Zij meenden dat het een spook was - Markus 6
Markus 6:49-50
Christus, Die onze Hoop is – 1 Timotheüs 1
1 Timotheüs 1:1
Mijn zoon, geef mij uw hart - Spreuken 23
Spreuken 23:26