PREEK · VRIJE STOFFEN

Jozef in de put - Genesis 37

10 september 2026

Genesis 37:20: Nu komt dan, en laat ons hem doodslaan en hem in een dezer kuilen werpen; en wij zullen zeggen: Een boos dier heeft hem opgegeten; zo zullen wij zien wat van zijn dromen worden zal.

INLEIDING

In Genesis 37 wordt Jozef, de liefste zoon van vader Jakob, door zijn jaloerse broers in een put geworpen en als slaaf verkocht naar Egypte. Ook Gods kinderen vandaag, die net als Jozef gehoorzaam aan de Heere willen leven, zullen daarom soms gehaat worden. Tegelijk wijst Jozefs weg van lijden vooruit naar de Heere Jezus Christus: verworpen door Zijn broers, maar uiteindelijk tot behoud van velen, ook van wie Hem haatten.

THEMA

Jozef in de put

KERNPUNTEN

  1. Wat er gebeurt met Jozef
  2. Wat er, net als bij Jozef, ook kan gebeuren met Gods kinderen
  3. Hoe het leven van Jozef hier vooruitwijst naar de Heere Jezus Christus

GENESIS 37:19-27

19 En zij zeiden de een tot den ander: Zie, daar komt deze meesterdromer aan.
20 Nu komt dan, en laat ons hem doodslaan en hem in een dezer kuilen werpen; en wij zullen zeggen: Een boos dier heeft hem opgegeten; zo zullen wij zien wat van zijn dromen worden zal.
21 Ruben hoorde dat en verloste hem uit hun hand; en hij zeide: Laat ons hem niet aan het leven slaan.
22 Ook zeide Ruben tot hen: Vergiet geen bloed; werpt hem in dezen kuil, die in de woestijn is, en legt de hand niet aan hem; opdat hij hem uit hun hand verloste, om hem tot zijn vader weder te brengen.
23 En het geschiedde als Jozef tot zijn broederen kwam, zo togen zij Jozef zijn rok uit, den veelvervigen rok, dien hij aanhad.
24 En zij namen hem en wierpen hem in den kuil; doch de kuil was ledig, er was geen water in.
25 Daarna zaten zij neder om brood te eten, en hieven hun ogen op en zagen, en zie, een reisgezelschap van Ismaëlieten kwam uit Gilead; en hun kemels droegen specerijen en balsem en mirre, reizende om dat af te brengen naar Egypte.
26 Toen zeide Juda tot zijn broederen: Wat gewin zal het zijn, dat wij onzen broeder doodslaan en zijn bloed verbergen?
27 Komt en laat ons hem aan deze Ismaëlieten verkopen, en o

VOLLEDIGE TEKST

Jozef in de put - Genesis 37

ds. J. IJsselstein - Genesis 37:20

THEMA

Jozef in de put

Jongens en meisjes, de preek van vanmorgen gaat over Jozef in de put. Daarover hebben we samen uit de Bijbel gelezen. Dat is ook het thema van de preek: Jozef in de put

We letten samen op drie dingen: Als eerste letten we op: wat er gebeurt met Jozef. Als tweede letten we op: wat er, net als bij Jozef, ook kan gebeuren met al Gods kinderen. En als derde letten we op: hoe het leven van Jozef hier vooruitwijst naar de Heere Jezus Christus.

Dus: Jozef in de put 1. Wat gebeurt er met Jozef? 2. Wat kan er ook met Gods kinderen gebeuren? 3. Hoe wijst het leven van Jozef hier vooruit naar de Heere Jezus Christus? Als eerste dus:

1. Wat er gebeurt met Jozef

Jozef is een jongen van zeventien jaar oud. Hij is een van de twaalf zonen van vader Jakob. En hij werkt, net als zijn broers, als herdersjongen voor zijn vader. Genesis 37, het hoofdstuk dat we gelezen hebben, begint met drie dingen te zeggen over Jozef en zijn broers.

a. Het eerste staat in vers 2: Jozef bracht hun kwade gerucht tot zijn vader. De broers van Jozef doen verkeerde, zondige dingen. En de mensen om hen heen zien dat, en praten daarover. En dat is niet tot eer van de Heere. Dat doet Jozef verdriet. Dáárom zegt hij het tegen zijn vader. Dus Jozef is geen klikspaan. Maar Jozef heeft een nieuw hart van de Heere gekregen. Hij heeft de Heere lief. En daarom heeft hij een hékel aan de zonde. Maar van zijn broers zelf, houdt hij wel!

b. Het tweede wat we lezen over Jozef is wat staat in vers 3. Namelijk dat Israël, de nieuwe naam van vader Jakob: Jozef liefhad boven al zijn zonen. Vader Israël houdt het allermeest van Jozef. Want Jozef is het kind van zijn allerliefste

vrouw Rachel. Die ondertussen al jaren geleden gestorven is. Hij trekt Jozef voor. En dat is niet verstandig van vader Jakob. Hij geeft hem een lange, veelkleurige rok. Dat is een bovenkleed van verschillende kleuren. Eigenlijk is dat een bovenkleed dat past bij een prins. Het is eigenlijk een koninklijk kleed. Daarom hebben de broers een hekel aan Jozef. Ze haten hem. Ze kunnen en willen, staat in vers 4, niet meer gewoon met hem praten.

c. En dan is er nog iets, een derde ding wat er over Jozef en zijn broers staat: Jozef droomt dromen. Dromen waarin de Heere tegen hem zegt, wat er later zal gaan gebeuren. Eerst droomt Jozef dat alle korenschoven op het land zich buigen voor zijn schoof. En daarna droomt hij nog een keer. Nu buigen zelfs de zon, de maan en elf sterren zich voor hem. Jozef kán er niet over zwijgen. Het is zo duidelijk het spreken van de Heere in zijn hart, dat hij het wel móet vertellen. Juist omdat de Heere er na die eerste droom nog een keer op terugkomt. Hij weet het zeker: straks, in de toekomst, gaan er de bijzondere dingen gebeuren.

Het is trouwens wel opvallend, jongens en meisjes, dat Jozef niet droomt over de put, waar hij straks in gegooid zal worden. En hij droomt ook niet over dat hij straks als slaaf verkocht zal worden aan vreemde mannen. En ook niet over dat hij in de gevangenis zal komen. Daar droomt hij gelukkig niet over. Wel over de mooie dingen die zullen gaan gebeuren.

Maar vader Jakob vindt het wel een beetje ver gaan. Ook omdat hij wil dat zijn andere zoons niet nog bozer zullen worden. Daarom bestraft hij Jozef. Hij krijgt van zijn vader op zijn kop. Maar vader Jakob blijft er ondertussen wel stil over nadenken. Wat zou dat toch te betekenen hebben…?

Drie dingen worden er dus gezegd over Jozef. Over dat hij tegen zijn vader vertelt, dat zijn broeders verkeerde dingen doen. Over zijn jas. En over zijn dromen. En die drie dingen maken zijn elf broers heel erg jaloers en heel erg boos. Ze krijgen een hékel aan Jozef. Ze gaan hem haten. Omdat hij thuis vertelt over de zonden die zij doen. Omdat hun vader meer van Jozef houdt dan van hen. Maar ze hebben vooral een verschrikkelijke hekel aan hem: om zijn dromen!

En dan, op een dag, stuurt vader Jakob Jozef op pad. Om naar zijn broers te gaan. Die ver van huis op pad zijn met de kudde schapen en geiten. Maar na een poosje verdwaalt Jozef. Wat doe jij, als je broers of zussen een hekel aan je hebben? Je móet naar hen toe. Maar… je kunt de weg niet vinden. Nou, dat is dan mooi toch? Ik zou denken: ‘ik kan er ook niks aan doen, ik ga mooi terug naar huis’.

Maar dat dóet Jozef niet. Want hij houdt van zijn broers. Hij blijft ze zoeken. Uiteindelijk wijst een man hem de plek waar zijn broers zijn. Twintig kilometer verderop: in Dothan. Zijn broers zien hem aankomen! Ze herkennen hem al in de verte, aan zijn lange rok met die verschillende kleuren. En nog voordat Jozef goed en wel dichtbij is, hebben ze samen al een slim en gemeen plan gemaakt: ze gaan hem doden. Dan kunnen ook zijn dromen niet meer uitkomen, dat ze voor hem zullen gaan buigen! Voor hem, dat dromenmannetje. Die ‘meesterdromer’, zo noemen ze hem. De meester, de Baäl van de dromen.

Ze zeggen tegen elkaar: Kom en laat we hem doodslaan, en hem in een van deze kuilen werpen; en wij zullen zeggen: een boos dier heeft hem opgegeten; zo zullen wij zien, wat van zijn dromen worden zal (Gen. 37:20). Maar Ruben, Jozefs oudste broer, zegt: ‘Jongens, laten we dat niet doen. Laten we hem in deze kuil, in deze put werpen’. Ruben wil Jozef eigenlijk weer terugbrengen bij vader Jakob.

‘Goed, dan doen we dat.’ En zo gebeurt het. Ruw pakken ze hem vast. Ze trekken de veelkleurige rok van zijn lijf en gooien hem in een diepe put. Gelukkig is die droog, dus hij verdrinkt niet. Maar hoe komt hij hier ooit nog uit? Hij is moe van de reis en heeft dorst. Maar water is er niet. En in een droge put gaat niemand hem vinden. Want bij deze droge put komt echt geen schaapherder met zijn kudde. Niemand!

Jozef roept. Hij gilt van angst: ‘Jongens, doe dit niet. Haal me hier toch uit. Ik smeek jullie: wees mij genadig!’ Later denken zijn broers daaraan terug, als ze zeggen in Genesis 42: wiens benauwdheid der ziel wij zagen, toen hij ons om genade bad (Gen. 42:21). Maar de broers luisteren niet. Erger nog, ze gaan rustig met elkaar een hapje eten! Zo'n hekel hebben ze aan Jozef. Zo haten ze hem. Dat ze doof zijn voor zijn angstige roepen.

Totdat ze ineens een karavaan van kamelen en kooplui langs zien komen. Juda oppert het plan om Jozef niet te doden, maar om hem te verkopen aan die vreemde mannen. Zo gezegd, zo gedaan. Ze verkopen hem aan die mannen voor twintig zilveren geldstukken. Als slaaf, om hem mee te nemen naar Egypte.

Als Ruben dat even later hoort, dan schrikt hij heel erg. Hoe kan hij, als oudste zoon, straks zijn vader nu nog onder ogen komen? Ze besluiten vader Jakob te bedriegen. Ze slachten een geitenbokje en dopen de mooie rok van Jozef in het bloed. En sturen die naar huis. Vader Jakob snapt de boodschap: Jozef, zo denkt hij, is door een wild dier verscheurd en opgegeten. Wát is vader Jakob verdrietig. Zijn liefste zoon leeft niet meer. Dat denkt hij tenminste… Hij is niet te troosten.

Wat er écht gebeurd is, vertelt niemand tegen hem. Jozef is als slaaf verkocht naar Egypte. Dat gebeurde er met Jozef. Dat was ons eerste punt.

Voordat we verder gaan met ons tweede punt, gaan we eerst zingen. Psalm 105 vers 10: Wie kan Gods wijs beleid doorgronden? Een man werd voor hen heengezonden: De vrome Jozef, rijk in deugd, Tot slaaf verkocht in zijne jeugd, In ijz'ren boeien wreed gekneld, Werd, hun tot heil, in eer gesteld.

We gaan verder met ons tweede aandachtspunt:

2. Wat er, net als bij Jozef, ook kan gebeuren met Gods kinderen

Want, jongens en meisjes, als je een nieuw hart van de Heere gekregen hebt, als je van de Heere houdt, als je Hem dient en liefhebt met heel je hart, dan zal je vast wel dingen herkennen in het leven van Jozef. Ik ga er een paar noemen.

a. Als je de Heere mag liefhebben en dienen, kan de Heere ook in deze tijd tot je spreken. Toen sprak de Heere door drómen tot Jozef. Maar nu hebben we de Bijbel. Een boek vol woorden van de Heere. Die je, ook als je jong bent, plotseling heel erg kunnen raken. Zodat je ze nooit meer vergeet. Tientallen jaren later, weet ze nog steeds.

Je zegt: ‘toen, toen ik zeven, acht, twaalf of dertien was, toen sprak de Heere tot me’. Hoe je dat kan weten? Nou, die woorden van de Heere, zei ik net al, die ga je nooit vergeten. En, die woorden knopen je vooral vast aan de Heere in je bidden. Als je biddend zegt: ‘Heere, maar dat hebt U toch tegen mij gezegd? Dat hebt U toch aan mij beloofd? Dóet U dat dan ook alstublieft, op Uw tijd’. In Psalm 119 zegt David: Dit leert mijn ziel U achteraan te kleven (Ps. 119:25). Dat woord van de Heere dat knoopt, dat plakt mijn hart vast aan de Heere.

Dus, als je de Heere mag liefhebben en dienen, kan de Heere ook in deze tijd tot je spreken door Zijn Woord. Als je daarin leest of daarnaar luistert.

b. Als je een nieuw hart van de Heere gekregen hebt, dan lijk je (dat is het tweede) ook hierin op Jozef: je wilt net als Jozef gehoorzaam naar de Heere luisteren. En dus krijg je een hekel aan de zonde. Omdat die botst met de eer van de Heere. Je gaat verkeerde dingen laten. Je wilt ze niet meer doen. Want je hart wil luisteren naar wat de Heere zegt. En vinden ándere mensen dat altijd leuk of goed?

Nee. Misschien zeggen ze wel, net als bij Jozef: ‘Ach joh, loop toch niet te dromen. Doe toch gewoon mee met ons.’ Misschien gaan andere mensen wel lelijk tegen je doen. Misschien krijgen ze wel een hekel aan je.

c. En dat is het derde, waarin mensen met een nieuw hart, lijken op Jozef. Mensen die zonder de Heere leven, hebben vaak diep in hun hart een hekel aan Gods kinderen. De Heere Jezus heeft het Zelf gezegd: Iedereen zal u gaan haten om Mijn Naam (Matth. 10:22). Waarom? Omdat ze Mij ook gehaat hebben (Joh. 15:18). Maar ménsen kunnen je wel haten, maar als de Heere je liefheeft, dan is dat toch goed. Dan hoor je toch bij de gelukkigste mensen op aarde.

En als mensen een hekel aan ons krijgen, wat gaan wíj dan doen? Gaan we dan ook heel lelijk doen? Nee, dan gaan we luisteren naar de Heere Jezus, die in Mattheüs 5:44 zegt: Hebt uw vijanden lief; en bidt voor die mensen. Bid dat de Heere hun harten zal veranderen. Dat ze ook de Heere zullen gaan dienen.

d. En dan is er nog een vierde ding waarin al Gods kinderen op Jozef lijken. Uiteindelijk gaan ze allemaal, wel heel verschillend, maar toch als ze ouder worden dezelfde weg als Jozef. De Heere had heel veel bijzondere dingen aan Jozef beloofd. Maar hoe kreeg hij die? Hoe kwam hij daar? Door een weg van veel narigheid en verdriet. Door een weg van, zo noemen we dat, van beproeving. Door een weg, waarin de Heere Jozef leerde te geloven in wat de Heere hem beloofd had. Terwijl Jozef het níet zag en níet kon begrijpen.

Want toen hij in de put kwam, toen hij aan vreemde kooplui verkocht werd, en toen hij slaaf werd in Egypte… Snapte hij toen nog, dat de Heere bijzondere dingen met hem zou gaan doen? En dat iedereen voor hem zou gaan buigen? Nee, dat snapte hij niet. Maar door die moeilijke dingen leerde de Heere hem dat toch te geloven. De Heere leert Zijn kinderen, als ze groot worden, als ze ouder worden, vaak door moeilijke dingen te geloven. Te geloven dat, dat wat de Heere beloofd heeft, tóch waar is. En toch waar blíjft, ondanks dat alles er anders uitziet.

Als je kijkt naar je zonden, die je nog steeds doet, dan denk je: komt het ooit nog goed? Maar als je dan denkt aan die vroegere woorden van de Heere… Die Hij tegen je sprak… Die je dan leest… Waar je dan weer aan terugdenkt… Aan Gods beloftewoorden… Dan kan het toch! Dan zal de Heere het doen!

We zeggen altijd: de Heere vervult Zijn beloften. Hij houdt Zijn woord, dwars door onze onmogelijkheid heen.

Zoals we dat ook zien in de psalm die we gaan zingen. Psalm 147 vers 6: Die, hoe het ook moog' tegenlopen, Gestadig op Zijn goedheid hopen. O Salem, roem den HEER der heren; Wil Uwen God, o Sion, eren!

We gaan verder met het derde punt van de preek:

3. Hoe het leven van Jozef hier vooruitwijst naar de Heere Jezus Christus

Want dit is niet alleen maar een mooi, echt gebeurd verhaal. Dit is een verhaal met een betekenis. Dit wijst vooruit. In het Oude Testament wijst alles vooruit naar de Heere Jezus. Die toen nog komen moest.

Denk maar even met mij mee. Hoe wijst Jozef, en alles wat met hem gebeurt, vooruit naar de Heere Jezus? Ik ga een paar dingen noemen. Misschien weet je er zelf nog wel meer. Probeer ze een beetje te onthouden.

a. Vader Jakob hield veel, heel veel van Jozef. Zo en veel meer, hield ook de Heere God, de hemelse Vader, van Zijn eniggeboren Zoon, de Heere Jezus Christus. Die liefde van God voor de Heere Jezus was een eeuwige liefde. Die er altijd was, die altijd bleef, en die altijd zal blijven.

b. Jozef kreeg, dat is het tweede, van vader Jakob een heel mooie, gekleurde rok. Daarmee werd hij, zeg maar, mooi gemaakt en versierd. Alsof hij een prins was boven zijn broers. Zo had de Heere Jezus, voordat Hij naar de aarde kwam, ook eer en heerlijkheid bij Zijn Vader in de hemel. En toen Hij van de aarde weer terugging naar de hemel, gaf Zijn Vader Hem een Naam boven alle namen (Fil. 2:9).

c. En, dat is het derde, vader Jakob stuurde Jozef naar zijn broers om te kijken hoe het met hen en de kudde was (Gen. 37:14). Zo stuurde de Heere God ook Zijn Zoon, de Heere Jezus, naar deze aarde. Door Hem als mens geboren te laten worden. Zo werd de Heere Jezus ook naar Zijn broers gestuurd. Niet alleen maar om aan hen te vragen, hoe het met hen ging. Maar om iets voor hen te dóen. Hij kwam naar deze wereld om de schuld van verloren zondaars voor God te betalen. Door voor hen te sterven aan het kruis. Om hen te redden van de ondergang.

d. Maar, dat is het vierde, waren de broers van Jozef blij met hem? Hebben ze naar hem geluisterd? Nee, ze waren boos op hem. Ze waren jaloers op wie hij was. Omdat vader Jakob zoveel van hem hield. Ze waren jaloers op zijn mooie kleed. En ze haatten hem vooral om zijn dromen.

Waren de mensen later blij met de Heere Jezus? Nee. De Bijbel zegt: Hij is gekomen tot het Zijne – naar Zijn eigen mensen, naar Zijn Eigen volk – en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen (Joh. 1:11). Ze hebben Hem verworpen. Uiteindelijk riepen de mensen zelfs: ‘Weg met Hem, kruis Hem!’

De Heere Jezus Zelf zegt ervan: Zij hebben Mij zonder oorzaak gehaat (Joh. 15:25). Dus waren de broers blij met Jozef? Nee. Waren de mensen later blij met de Heere Jezus? Nee, ook niet. Zijn wij blij met Hem…? Hoe is dat bij jou, en bij u…?

e. Jozef vertelde ook, dat is het vijfde, aan zijn broers de plannen die de Heere met hem had. Hoewel zij daar niet naar wilden luisteren. Ze lachten hem erom uit. Ze gingen Jozef lelijk behandelen en haten, juist omdat hij daarover vertelde. Zo ging het ook met de Heere Jezus, toen Hij op aarde was. Toen Hij vertelde dat de Heere Zijn hemelse Vader was, toen wilden de mensen Hem doden (Joh. 5:18). Later vertelde Hij de mensen waaróm Hij naar de aarde gekomen was. Om Zijn schapen, Zijn kinderen het eeuwige leven te geven. Maar toen Hij dat vertelde, toen wilden de mensen Hem stenigen (Joh. 10:31).

f. Jozef hield niet alleen van zijn vader. Maar, en dat is het zesde, hij hield ondanks alles ook van zijn broers. Van zijn broers, die heel veel slechte dingen deden. Maar toch bleef Jozef van hen houden. Anders was hij wel naar huis gegaan, toen hij verdwaald was. Zo houdt ook de Heere Jezus, jongens en meisjes, heel erg veel van slechte, zondige mensen. Hun zonden vindt Hij niet goed. Die doen Hem pijn en verdriet. Daar walgt Hij van. Maar de mensen zelf? Hij wil zo graag dat ze weer terugkomen. Dat ze zich bekeren. En weer naar de Heere gaan luisteren. Daarom roept Hij hen ook. En daarom roept Hij ook ons. Daarom roept hij ook jullie: ‘Kom terug. Bekeer je. Stop met de zonde en ga Mij zoeken’.

g. En tóen, dat is het zevende, begon bij Jozef de weg van zijn lijden. Zijn broers rukten hem zijn mooie kleed af. En gooiden hem in een put. Ze hoopten dat hij sterven zou. Dat was wat ze wilden. Weg met dat dromenmannetje! Uiteindelijk verkochten ze hem voor twintig zilverlingen aan een stel kooplui. ‘Zo, die zijn we kwijt’, dachten ze. Zo, en nog veel meer, is ook de Heere Jezus slecht behandeld door Zijn broers. Hij werd door Judas voor dertig zilverlingen verkocht aan Zijn vijanden. Die rukten ook Zijn mooie kleed af. Dat mooie kleed, zonder naad. Dat bewaarden de soldaten voor zichzelf. En daarna spijkerden ze de Heere Jezus aan het kruis.

Zwaar was Zijn lijden. Toen al de toorn van Zijn Vader over de zonde op Hem gelegd werd. Maar Hij droeg het. Hij deed het. Vrijwillig en met al de liefde van Zijn hart. Totdat Hij stierf en Zijn lichaam in een graf gelegd werd.

‘Zo, Die zijn we kwijt’, dachten de vijanden van de Heere Jezus. Het graf werd gesloten. Er werden wachters voor gezet. Nu zouden ze, dachten ze, de Heere Jezus voor altijd kwijt zijn.

h. Ondertussen, dat is het volgende, wordt Jozef in Egypte verkocht aan Potifar. Later komt hij zelfs onschuldig in de gevangenis terecht, waar hij in contact komt met twee medegevangenen: de schenker en de bakker. Uiteindelijk komt de schenker weer vrij. Die mag weer verdergaan met zijn werk aan het hof van Farao. Maar de bakker wordt opgehangen (Gen. 40:21-22). Als je dat hoort, denk je dan ook niet aan die twee moordenaars aan het kruis? Links en rechts van de Heere Jezus? De één wordt gered. Maar de ander blijft zich verharden en komt om.

i. Uiteindelijk — we zijn ondertussen bij nummer negen —, uiteindelijk wordt Jozef door al het koren dat hij in de schuren heeft laten sparen, iemand die heel veel mensen in het leven bewaart. Want er komt een grote hongersnood in Egypte, zeven jaar lang. Maar bij Jozef is er koren, heel veel koren. Waardoor uiteindelijk zélfs zijn broers, die zo'n hekel aan hem hadden, in leven blijven. Zo heeft ook de Heere door Zijn lijden en sterven heel veel mensen leven gegeven. Ondanks dat ze Hem haatten. Zijn víjanden ging Hij met God verzoenen. Voor Zijn víjanden ging Hij het weer goedmaken met de Heere. En dat doet de Heere steeds. Om alles wat de Heere Jezus gedaan en geleden heeft. Daarom kunnen mensen die Hem haten, zalig worden. Om Jezus’ wil.

j. Je ziet, en dat is het laatste wat ik hierover ga zeggen, het als het ware gebeuren. Als de broers van Jozef later naar Egypte komen om koren te halen. Dan zie je in gedachten wat er op de Pinksterdag ook gebeurde. Toen stonden er op het plein van de tempel heel veel vijanden van de Heere Jezus. Die door de woorden van de Heere geraakt werden in hun hart. Toen gebeurde wat de profeet Zacharia ooit geprofeteerd had. Toen hij zei: Zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben; en zij zullen over Hem rouwklagen als met de rouwklage over een enigen zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene (Zach. 12:10). Als de mensen op de Pinksterdag in gedachten de Heere Jezus weer voor zich zien… Als ze terugdenken aan wat zij met Hem gedaan hebben… Dan voelen ze dat als diepe pijn in hun hart. Dan rollen de tranen over hun wangen. Ze schamen zich diep, om wat ze gedaan hebben.

Zo ging het ook toen de broers van Jozef uiteindelijk voor hem stonden in Egypte. Toen zagen ze pas hoe slecht ze Jozef behandeld hadden. En…, hoe goed Jozef voor hen geweest was… En vooral…, hoe wonderlijk het plan van de Heere was geweest… Dat Jozef hen kon redden van de hongerdood.

Zo gaan zondige mensen ook huilen in hun hart, als de Heere hun laat zien wat ze gedaan hebben. Maar, net als bij Jozef, wil de Heere zulke tranen ook afdrogen. En dat wil Hij ook vanmorgen doen. Door zulke mensen te laten zien wat de Heere Jezus gedaan heeft.

Hij is naar deze wereld gekomen om zondaars zalig te maken. En Hij wil ook jou zalig maken. Hij wil ook jou een nieuw hart geven. Buig dan je knieën voor de Heere. En vraag Hem om vergeving van alles wat je gedaan en gedacht hebt. En blijf dat vragen. Dan zal de Heere naar je luisteren en je gebed verhoren. Zo alleen komt het weer goed tussen de Heere en je zondige hart. Alleen… om Jezus' wil.

Wil je nog één laatste ding leren van deze geschiedenis van Jozef? Dan denk ik aan het voorbeeld wat Jozef aan ons geeft. In het liefhebben van zijn broers. Hoewel ze zo lelijk tegen hem deden. Dat wil ons leren om ook anderen mensen, ondanks alles, lief te hebben. En hun behoud te zoeken. Tot eer van de Heere. Laten we de Heere liefhebben boven alles, en onze naaste als onszelf.

Amen.

Slotzang Psalm 119:25

Gedenk aan 't woord, gesproken tot Uw knecht, Waarop Gij mij verwachting hebt gegeven; Dit is mijn troost, in druk mij toegelegd, Dit leert mijn ziel U achteraan te kleven; Al 't geen Uw mond aan mij had toegezegd, Gaf aan mijn hart vertroosting, geest en leven.