PREEK · VRIJE STOFFEN

Lijm aan je hart - Ruth 1

20 september 2014

Ruth 1:14: Toen hieven zij haar stem op en weenden wederom; en Orpa kuste haar schoonmoeder, maar Ruth kleefde haar aan.

INLEIDING

"Ruth kleefde Naomi aan" (Ruth 1:14) is het thema van deze preek: lijm aan je hart. Naomi wil terug naar Israël en laat haar schoondochters Orpa en Ruth gaan. Orpa's hart zit wel vast aan Naomi, maar laat toch los; ze keert terug naar Moab. Ruths hart blijft echter vastgekleefd — niet alleen aan Naomi, maar vooral aan haar God. Dat vasthouden is genade, niet verdiend, maar door de Heere Zelf gegeven. Door de Heere Die nooit meer loslaat.

THEMA

Lijm aan je hart

RUTH 1:14-18

14 Toen hieven zij haar stem op en weenden wederom; en Orpa kuste haar schoonmoeder, maar Ruth kleefde haar aan.
15 Daarom zeide zij: Zie, uw zwagerin is wedergekeerd tot haar volk en tot haar goden; keer gij ook weder, uw zwagerin na.
16 Maar Ruth zeide: Val mij niet tegen, dat ik u zou verlaten, om van achter u weder te keren; want waar gij zult heen gaan, zal ik ook heen gaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten; uw volk is mijn volk en uw God mijn God.
17 Waar gij zult sterven, zal ik sterven en aldaar zal ik begraven worden; alzo doe mij de HEERE en alzo doe Hij daartoe, zo niet de dood alleen zal scheiding maken tussen mij en tussen u.
18 Als zij nu zag, dat zij vastelijk voorgenomen had met haar te gaan, zo hield zij op tot haar te spreken.

VOLLEDIGE TEKST

Lijm aan je hart - Ruth 1

ds. J. IJsselstein - Ruth 1:14

THEMA

Lijm aan je hart

Knutselen, iets heel moois maken, daar houden we allemaal van. Een mooi werkje maken, een mooie tekening maken. Wat heb je eigenlijk allemaal nodig om zoiets te maken? Nou, zeg je: papier, stiften, schaar, verf… En ja, ook lijm. Daar gaat het vanmiddag over: over lijm.

Lijm is handig. Als je iets vast wil plakken, heb je lijm nodig. Lijm is handig. Maar lijm is ook een beetje lastig. Want het hoort natuurlijk op je papier, maar als je bezig bent, komt het vaak ook op je handen. En dan voel je: het plakt, het blijft zitten, het komt niet zo makkelijk los. Je merkt: lijm laat niet los.

Dat merk je als je iets vastplakt. Je plakt een stuk papier op een ander stuk papier, en je zegt: het zit scheef! Je probeert te duwen en te draaien. Nou, misschien lukt het nog net, maar bijna niet meer. Want het zit al vast!

En soms, als je plakt — en dat wil je natuurlijk graag — dan zeg je: ‘Het zit goed en het zit vast. Het laat nooit meer los.’

Het gaat vanmiddag in de preek hier in de kerk over lijm. Maar niet over lijm aan je handen. Niet over lijm op papier. Maar over lijm aan je hart.

De tekst voor de preek staat in Ruth 1:14. Het is al voorgelezen, maar we lezen het nog een keer. Het zijn maar vier woorden. Er staat in vers 14: Ruth kleefde haar aan.

Ruth kleefde Naomi, aan. Dat wil zeggen: Ruth kleefde, Ruth plakte vast aan Naomi.

Het gaat in de preek over lijm aan je hart. En er zijn, net als meestal in de preek, drie punten. Misschien vier straks, maar laten we maar beginnen met drie.

Het gaat eerst over: lijm aan het hart van Naomi. Dan gaat het over: lijm aan het hart van Orpa. En dan over lijm: aan het hart van Ruth. Dus eerst:

1. Lijm aan het hart van Naomi Naomi woont in Moab. Dat is heel ver weg, heel ver bij Israël vandaan. Heel lang geleden is ze daar naartoe verhuisd. Ze kwam ook uit Israël. Maar ze is lang geleden verhuisd naar Moab, toen nog samen met haar man en haar twee zonen. Maar nu, jaren later, zegt ze: ‘Ik wil weer naar huis. Ik vind het niet fijn hier in Moab. Ik krijg heimwee. Ik wil terug naar waar ik vandaan kom, naar Bethlehem.’

Weet je hoe dat komt? Er zijn in het leven van Naomi heel veel nare dingen gebeurd. Dat weet je misschien wel. En we hebben het net ook gehoord. Er zijn hele nare dingen gebeurd. Naomi’s man is gestorven. En haar twee zoons, Machlon en Chiljon, die zijn ook gestorven. Eigenlijk is Naomi een heel verdrietige vrouw.

Nu zijn ze nog maar met hun drietjes overgebleven: Naomi, Orpa en Ruth. Orpa en Ruth zijn haar schoondochters. Die waren getrouwd waren met haar zoons, die gestorven zijn.

Laten we het eerst even hebben over die Naomi. Wat is dat eigenlijk voor vrouw, doe Naomi? Naomi is een kind van God. Wat betekent dat? Dat betekent dat haar hart, dat eerst zo vastgeplakt zat aan de zonde en aan verkeerde dingen, door de Heere is losgemaakt en helemaal nieuw is gemaakt. Naomi heeft van de Heere een nieuw hart gekregen. Dat heeft de Heere gedaan. Dat kun je zelf niet doen. Dat kun je zelf niet maken.

Denk nog maar terug aan je papier en aan je lijm. Stel, je hebt een heel mooi werkje gemaakt. Je hebt een groot mooi hart getekend. En gekleurd. Je hebt het uitgeknipt. En met lijm op een heel groot wit vel papier geplakt. zo, dat zit goed vast. ‘Prachtig’, denk je. Dat hang ik aan de muur!

En dan…? O ja, daar had ik niet op gelet. Mijn chocolademelk staat nog op de tafel… Ik stoot er per ongeluk even tegenaan. De beker valt om en het gaat over mijn prachtige papier heen. Het was zo mooi, en ineens is het helemaal bruin en vies. Bah!

Nu kun je zeggen: ‘dat ga ik even snel schoonmaken onder de kraan’. Maar je voelt al: dat gaat niet lukken. Dat wordt nooit meer mooi. Wat zeg je als dat gebeurt? Misschien komen er wel tranen in je ogen. Je zegt: ‘Het moet helemaal opnieuw gemaakt worden. Moet je nou kijken, het is helemaal stuk’.

Zo is het ook met ons eigen hart. Door de zonde is het zo vies, zo bruin, zo zwart. Er is niets moois meer aan. Ons hart is slecht. Het houdt helemaal niet van de Heere. Net als dat hart van Adam in het paradijs. Dat was eerst zo mooi. En daarna is het zo stukgegaan door de zonde. Het is zo verkeerd en slecht geworden.

Dan kun je zeggen: ‘Ik ga poetsen wat ik kan. Ik ga heel erg mijn best doen, om mijn hart beter te maken’. Ja, maar je poetsen en wassen zoveel als je wilt, maar dat gaat je niet lukken.

Wat zeggen we altijd? Wat zegt de Heere in de Bijbel? Je hebt een heel nieuw hart nodig. En dat kan alléén de Heere doen. Dat hart van je veranderen. Dat hart levend maken. Dat hart weer nieuw maken.

En dus moet je daar, net als wij allemaal, heel veel om vragen aan de Heere: ‘Heere, geeft U mij toch alstublieft een nieuw hart?’ En de Heere luistert naar dat bidden.

Dus, Naomi was een kind van God. Ze had een nieuw hart. Nou, denk je, dan zal Naomi wel alles begrijpen wat de Heere doet. Dan zal ze altijd wel goed over de Heere denken en over Hem praten. Maar eerlijk gezegd was dat niet zo. Naomi is wel oud, maar eigenlijk moet ze nog heel veel leren van de Heere. Want ze moppert op de Heere. Ze zegt: ‘de Heere heeft me alles afgepakt. Eerst mijn man en toen mijn zoons. Mijn leven is zuur en bitter’. En Naomi zelf kíjkt er ook zo zuur, zo bitter en boos bij. Als ze later zegt: ‘ik had heel veel, maar nu heb ik helemaal niets meer’.

Je zegt: ‘hoe komt dat nou?’ Naomi was een kind van God, en dan toch zo zuur? En dan toch zo boos en zo bitter? Weet je hoe dat komt? Ze kijkt eigenlijk niet goed naar wat de Heere allemaal doet. Ze kijkt eigenlijk helemaal niet goed. Naar hoe de Heere midden in haar verdriet voor haar zorgt. Ze heeft notabene twee hele lieve schoondochters, Ruth en Orpa. Maar daar kijkt ze niet naar. Ze zegt: ‘het gaat allemaal fout. De Heere zal wel boos op me zijn. De Heere zal me wel straffen’.

Haar hart — ze heeft een nieuw hart, het zit wel vastgeplakt aan de Heere — het zit wel een beetje scheef.

Dat was het eerste hart, het hart van Naomi. NU gaan wij kijken naar Orpa, een van haar schoondochters. Dat is het tweede punt van de preek:

2. Lijm aan het hart van Orpa Orpa’s hart zit ook vastgelijmd. Vastgeplakt aan... Aan wat? Aan het land waar ze woont, Moab. Aan alle mooie spullen die ze heeft. Aan haar familie en vrienden. En eigenlijk ook aan de verkeerde goden van Moab, aan de afgoden. Want daar in Moab dienen de mensen de Heere God niet, maar de afgoden.

Naomi trekt aan het hart van Orpa. Gelukkig, het zit een beetje vast. Ze zitten een beetje vast aan elkaar. Het laat niet zomaar los…

Kijk maar. Naomi zegt: ‘ik ga terug naar huis, meisjes, ga maar mee. Ik ga terug naar Israël.’ En dan gaan ze met z'n drieën op reis. Zie je ze lopen? Drie vrouwen. Alle drie hebben ze een tasje bij zich, of een koffertje met spullen die ze mee willen nemen.

Ze lopen een heel eind samen in de richting van Israël. Dat is het land waar Naomi vroeger woonde. Maar dan, als ze bijna bij Israël zijn, dan staat Naomi stil. ‘Kijk, meiden, daar is Israël, daar kom ik vandaan. En daar, achter ons, ligt Moab. Meiden, ik ga naar huis. Gaan jullie maar weer terug. Doe dat maar. Ga maar terug naar je vader en je moeder. Dan gaan we nu uit elkaar. Laten we afscheid nemen.’

Wat een verschrikkelijk naar moment. Orpa moet er heel erg om huilen. Wat moet ze nou toch doen? Ze houdt zoveel van Naomi. Ze kennen elkaar al zoveel jaren. En ze hebben samen zoveel meegemaakt. Haar hart zit helemaal vastgelijmd aan Naomi. Maar er wordt aan getrokken… Er wordt aan getrokken... En… lijm laat los. Ze veegt ineens haar tranen een beetje weg. Hoewel ze nog steeds moet huilen. En ze zegt: ‘goed, Naomi, ik vind het heel moeilijk en heel verdrietig. Maar ik ga toch liever weer terug naar huis. Gaat u maar terug naar Israël terug.’

Haar hart zit een beetje vastgelijmd aan het hart van Naomi. Maar niet zo goed en niet zo sterk. En dat laat nog een keer zien, wat wij nodig wij hebben: echt een ander hart. Een nieuw hart dat helemaal vastzit. Niet aan Naomi, maar aan de Heere. En dat nieuwe hart, dat kan en wil de Heere maken. Dat nieuwe hart, dat zit zo vast aan de Heere, daar kun je aan trekken wat je wil, maar dat laat nooit meer los. Dat gaan we zien bij punt drie. Zo meteen gaan we verder nadenken over het hart van Ruth. Over de lijm aan haar hart.

Maar we gaan eerst samen zingen, uit Psalm 116. Een psalm die Ruth eigenlijk ook wel gezongen zou kunnen hebben. God heb ik lief. Ik hou veel van Naomi, maar ik hou het meest van de God van Naomi. God heb ik lief, want die getrouwe Heer hoort mijn stem, mijn smekingen, mijn klagen. Hij neigt Zijn oor. Dat wil zeggen: Hij luistert naar me als ik bid. Ik roep tot Hem. Ik bid al mijn dagen, altijd. En altijd geeft de Heere mij hulp. Hij redt mij keer op keer, steeds weer. Psalm 116 vers 1: God heb ik lief; want die getrouwe HEER’ Hoort mijne stem, mijn smekingen, mijn klagen; Hij neigt Zijn oor, 'k roep tot Hem, al mijn dagen; Hij schenkt mij hulp, Hij redt mij keer op keer.

We hebben het gehad over het hart van Naomi, dat was punt 1. Toen ging het over het hart van Orpa. Die wel heel veel moest huilen, maar toch weer terugging naar haar huis in Moab.

En nu, punt 3:

3. Lijm aan het hart van Ruth Trouwens, vind je het niet raar dat Ruth in de Bijbel staat? Ruth is, zouden wij zeggen, iemand uit een ander land. Ruth is iemand uit Afrika. Ruth is een Turkse of een Marokkaanse vrouw. Ruth is eigenlijk een onbekende. En toch, en dat is heel bijzonder, staat Ruth zelfs in de familielijst van de Heere Jezus. In die hele lange lijst van de opa's en oma's, waaruit later de Heere Jezus geboren is.

Dat begrijp ik niet. Ik begrijp ook niet dat God sowieso nog iets met ons mensen te maken wil hebben. We doen zoveel slechte dingen. We zondigen zo vaak tegen de Heere.

Weet je hoe de Bijbel dat noemt? De Bijbel noemt dat: genade. Genade betekent dat je iets krijgt, wat je niet verdiend hebt. Je hebt het niet verdiend. Integendeel. Je hebt verdiend dat de Heere boos op je is en je straft. Maar dat doet de Heere niet. Je krijgt iets wat je niet verdiend hebt. Je hebt het niet verdiend, maar de Heere doet het toch. Als je kind van God bent, heb je niets verdiend. Maar krijg je uit genade toch een nieuw hart van Hem.

Ruth is ook meegegaan met Naomi. Ze waren met z’n drieën, toch? Naomi en Orpa en Ruth. En nu staan ze daar op de grens van Moab, bijna in Israël. En Naomi zegt, net zoals ze tegen Orpa zei: ‘Ruth, ga jij nu ook maar terug. Ik houd heel veel van je, maar ga jij nu ook maar terug naar huis. Kijk, Orpa gaat ook terug. Ze moet wel heel erg huilen, maar ze gaat terug naar huis. Doe nou, ga nu maar. Ga nou gewoon terug naar huis en zoek daar een nieuwe man. Misschien kun je nog trouwen. Misschien krijg je nog kinderen. Ik heb geen zonen meer om mee te trouwen...’

Maar Ruth zegt: ‘nee, ik ga niet terug. Naomi. Ik wil niet terug naar Moab. Maak het nu niet zo moeilijk voor me. Ik moet ook zo huilen. Maak het niet zo moeilijk. Ik wil met u mee!’

Je zegt: dat is bijzonder. Dat Orpa ervoor koos om terug te gaan. Maar Ruth kiest ervoor om mee te gaan met Naomi. Ja, is dat het nu? Is het nu zo dat Ruth het allerbeste kiest? Misschien moet je het anders zeggen. Zoals het staat in de Bijbel: Ruth kleeft vast. Ruth zit vast aan Naomi. En de lijm laat… niet los!

Dus wat zegt Ruth? ‘Naomi, waar u heen gaat… U gaat rechtdoor? Ik ga met u mee. Daar ga ik ook naartoe. En waar u straks gaat wonen? Dat zal wel bij Bethlehem zijn. Daar ga ik ook wonen. Want uw volk, Israël, dat is ook mijn volk. En uw God is ook mijn God. Ik wil de afgoden van Moab niet meer dienen. En ik wil zelfs, ook als u gestorven bent, dáár leven. En dáár daar wil ik uiteindelijk ook sterven.’

Ruth kleeft vast aan Naomi. Dat is wat we zien als we kijken naar wat er gebeurt. Maar als je goed luistert naar wat Ruth zegt, dan hoor je ook iets anders. Ruth kleeft vast aan de Heere, aan de God van Naomi. Want ze zegt: ‘uw volk is mijn volk, en uw God is mijn God’.

Je zegt: ‘goed zeg, van Ruth! Dat ze ervoor koos om niet terug te gaan. Maar om mee te gaan met Naomi’. Dat is waar. Maar vergeet niet, dat God eerst voor Ruth gekozen heeft. Weet je nog? Genade betekent: ik heb het niet verdiend, maar de Heere doet het toch. Zij was een vreemdeling. Zij was iemand die de afgoden diende in Moab. Maar God koos haar uit. En gaf haar een nieuw hart. En tóen plakte Ruth helemaal vast. Niet alleen aan Naomi, maar vooral ook aan de God van Naomi.

En dat is wat er gebeurt als je van de Heere een nieuw hart krijgt. Dan kleeft dat hart helemaal vast aan de Heere. Je zegt: ‘ik kan de Heere niet meer vergeten. Ik denk altijd aan Hem. Het is echt het allerbelangrijkste voor me om de Heere te zoeken. Om te bidden. En ik wil de zonde niet meer doen. Ik wil zo graag de Heere dienen. Want ik hou zoveel van de Heere in mijn hart. En ik kan ook niet meer zonder bidden. En ik kan ook niet meer zonder de Bijbel. En zonder de dingen die ik uit de Bijbel hoor. Ik zit helemaal aan Hem vastgekleefd’. Waarom? Omdat de Heere mij niet loslaat. Omdat de Heere mij als het ware aan Hem heeft vastgelijmd.

En dat is — en dan komt dat woordje weer terug — dat is genade. Want dat had Ruth niet verdiend, dat de Heere dat deed. Want Ruth diende vroeger de Heere helemaal niet. Ruth bad helemaal niet. Ze las niet in de Bijbel. Ze zocht de Heere niet. En tóch, de Heere zocht haar wel. En Hij vond haar. En Hij gaf haar een nieuw hart. Hij lijmde haar hart helemaal vast aan Hem. En dat is genade: niet verdiend, en toch gekregen.

Het hart van Naomi, het hart van Orpa, het hart van Ruth. Dat waren de drie punten. Je zegt: ‘nu is de preek klaar, toch?’

Wacht even, ik heb nog een vierde punt. Want hoe zit het eigenlijk met de:

4. Lijm aan jouw hart Dat is natuurlijk een vraag voor ons allemaal. Ook voor mezelf, en voor de ouderlingen en de diakenen. Voor iedereen! Hoe zit het met de lijm aan ons hart?

Waar is jouw hart aan vastgelijmd? Is het met jouw hart nou net als met het hart van Orpa? Vastgelijmd aan speelgoed, aan je mooie kamer, aan de mooie huiskamer? Aan de dingen van school, aan alle spullen die je hebt, aan je vrienden en vriendinnetjes? Net als het hart van Orpa? Of is jouw hart net als dat van Ruth? Als het ware vastgelijmd aan de Heere God?

Je zegt: ‘ja, maar hoe kan ik dat nou weten? Hoe weet ik dat? Wat gebeurt er dan als de Heere je hart aan Hem laat vastkleven? Als Hij mij vastlijmt aan Hem?’

Eigenlijk kan je je dat nauwelijks voorstellen, toch? Dat mijn zondige hart wordt vastgelijmd door God aan Hem. Want mijn hart is slecht en vol van zonde. Ja, en dus krijg je daar ook echt verdriet van. Als de Heere je hart gaat veranderen. En dan gaat het zo vastplakken aan Hem, dat je zegt: ik kan niet meer zonder de Heere. Heel veel spullen, daar kan ik best zonder. Maar zonder de Heere kan ik echt niet.

Je gaat Hem zoeken. Je gaat bidden. Je gaat vragen om de vergeving van je zonden, om de Heere Jezus' wil. En je zit ook zo vastgelijmd aan de Heere, dat je zegt: de verkeerde dingen, de zonde, die wil ik echt niet meer doen. Ik wil de Heere dienen. Ik wil graag leven zoals de Heere wil dat ik leef.

Zeg, lijk jij nou op Orpa, of lijk jij op Ruth? Waar zit jouw hart aan vastgelijmd? Als je op Orpa lijkt — je weet wel, die zoveel tranen moest huilen, maar toch weer terugging naar haar huis — dan ben je eigenlijk heel ongelukkig. Dat is om echt van te huilen. Zo kan je eigenlijk niet leven. En zo kan je ook niet sterven. Vraag dan heel veel aan de Heere, en heel vaak, om een nieuw hart. Dat God je hart lostrekt van al die andere dingen. En aan Hem vastmaakt. En helemaal nieuw maakt. Als je het vraagt aan de Heere, als je het heel veel vraagt, dan zal Hij het echt aan je geven: een nieuw hart.

Of lijk je op Ruth? Zit je hart vastgelijmd aan de Heere? Dan ben je echt heel erg gelukkig. Maar dat heb je dan niet aan jezelf te danken. Dan moet je niet trots worden. Dan moet je niet gaan zeggen: zie je wel, ik ben een kind van God. Nee, want ik zei het al: het was en het is genade. Ik verdiende dat helemaal niet. Ik, met mijn slechte hart. Maar ik heb het toch van de Heere gekregen.

En die genade is er alleen om Jezus' wil. Genade is er om de Heere Jezus' wil. Die uit de hemel gekomen is. Hij is mens geworden. Hij heeft heel veel geleden, veel pijn en verdriet. En uiteindelijk is Hij aan het kruis gestorven. Waarom? Om de zonden te vergeven van slechte mensen. Die dat met al hun zonden niet verdiend hebben.

Dat is eigenlijk het geheim van het Bijbelboek Ruth. Straks komt de Heere Jezus. Er gaan nog heel veel jaren overheen, heel veel opa's en oma's… Maar uiteindelijk, als verre familie van Ruth, wordt de Heere Jezus geboren. Hij was de liefste Zoon van God. Hij kwam op de aarde om te lijden en te sterven. En daarom, en om niets anders, daarom kan het weer goedkomen met jouw en mijn hart. Daarom kan dat zondige hart van jou en mij weer losgetrokken worden van de zonde. En vastgelijmd worden aan de Heere God.

En daar mag je altijd om vragen. Daar moet je altijd om vragen. Om een nieuw hart. Dat je hart voor nu en voor altijd zal vastkleven aan de Heere God. Het laat nooit meer los. Omdat de Heere Zelf nooit loslaat het werk van Zijn handen.

Amen.