PREEK · VRIJE STOFFEN

En Ik zal u een nieuw hart geven – Ezechiël 36

11 september 2016

Ezechiël 36:25: Dan zal Ik rein water op u sprengen en gij zult rein worden; van al uw onreinheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen.

INLEIDING

Ter voorbereiding op het Heilig Avondmaal onderzoekt Ezechiël 36 het hart in drie stappen: gebogen onder Gods recht (zonde ontheiligt Zijn Naam), gewassen met rein water (het bloed van Christus reinigt onvoorwaardelijk) en geheiligd tot nieuw leven (God vervangt het stenen hart door een vlesen hart). Steeds klinkt Gods 'Ik zal' — niet om onzentwil, maar om Zijn heilige Naam. Wie op eigen 'ik zal' vertrouwt, blijve zitten; wie alleen op Gods 'Ik zal' hoopt, bereide zich met verlangen voor.

THEMA

De grote belofte van het genadeverbond

KERNPUNTEN

  1. Gebogen onder Gods recht
  2. Gewassen met rein water
  3. Geheiligd tot een nieuw leven

EZECHIËL 36:22-29

22 Daarom, zeg tot het huis Israëls: Zo zegt de Heere HEERE: Ik doe het niet om uwentwil, gij huis Israëls, maar om Mijn heiligen Naam, dien gijlieden ontheiligd hebt onder de heidenen waarheen gij gekomen zijt.
23 Want Ik zal Mijn groten Naam heiligen, die onder de heidenen ontheiligd is, dien gij in het midden van hen ontheiligd hebt; en de heidenen zullen weten dat Ik de HEERE ben, spreekt de Heere HEERE, als Ik aan u voor hun ogen zal geheiligd zijn.
24 Want Ik zal u uit de heidenen halen, en zal u uit al de landen vergaderen, en Ik zal u in uw land brengen.
25 Dan zal Ik rein water op u sprengen en gij zult rein worden; van al uw onreinheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen.
26 En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven.
27 En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen en Mijn rechten zult bewaren en doen.
28 En gij zult wonen in het land dat Ik uw vaderen gegeven heb, en gij zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn.
29 En Ik zal u verlossen van al uw onreinheden, en Ik zal roepen tot het koren en zal dat vermenigvuldigen, en Ik zal geen honger op u leggen.

VOLLEDIGE TEKST

En Ik zal u een nieuw hart geven – Ezechiël 36

ds. J. IJsselstein - Ezechiël 36:25

THEMA

De grote belofte van het genadeverbond

Gemeente, wij staan als gemeente samen voor een week van voorbereiding voor de bediening van het Heilig Avondmaal, zo de Heere dat geeft, aanstaande zondag. Waarom is die voorbereiding eigenlijk nodig? Omdat het een Bijbelse opdracht is. Paulus schrijft in 1 Korinthe 11: Maar de mens beproeve zichzelven, en ete alzo van het brood, en drinke van de drinkbeker. Want die onwaardiglijk (dat wil zeggen: op een onwaardige manier) eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren. Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken, en velen slapen (11:28-30). Paulus zegt tegen de gemeente van Korinthe: vanwege uw wijze van avondmaal vieren zijn er in de gemeente veel zieken en veel sterfgevallen… En, zo zegt Paulus in 2 Korinthe 13: Onderzoekt uzelf, of u in het geloof bent, beproeft uzelf (13:5)

Als God tot ons komt, als wij naderen tot God, dan past ons het gebed van Micha: Waarmede zal ik de HEERE tegenkomen, en mij bukken voor de hoge God (6:6)? Ook het volk Israël kreeg het bevel van de Heere om zich te heiligen, voordat de Heere tot hen komen zou bij de berg Sinaï. We lezen in Exodus 19: Ook zeide de HEERE tot Mozes: Ga tot het volk, en heilig hen heden en morgen, en dat zij hun klederen wassen, en bereid zijn tegen de derde dag, want op de derde dag zal de HEERE voor de ogen van al het volk afkomen, op de berg Sinaï (19:10-11). Als de nodiging uitgaat om tot de bruiloft des Heeren te komen, is ons voor alle dingen nodig te weten of wij een bruiloftskleed aanhebben (Mattheüs 22:11-12). Juist in die weg, in de weg van dat zelfonderzoek, wil de Heere Zijn zegen geven.

In deze week van voorbereiding moeten we als eerste, in biddend opzien tot de Heere, onszelf onderzoeken of we in het geloof zijn, of de Heere genade in ons hart gewerkt heeft, of we horen bij hen die genodigd worden. Dit is de grote vraag bij het onderzoek van ons eigen hart en leven: mag ik iets opmerken in mijn hart en leven van het zaligmakende werk van Gods genade? Is daar iets op te merken van Gods werk en van de manier waarop de Heere handelt met Zijn volk?

Zoals we dat zien in het Schriftgedeelte dat ons voorgelezen is, in Ezechiël 36:17-27.

Ik lees als samenvatting de verzen 25 tot en met 27 aan u voor: Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden, van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen. En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven. En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u en Ik zal maken, dat u in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen.

Het thema voor de voorbereidingspreek van vanmorgen is: De grote belofte van het genadeverbond De grote belofte van het genadeverbond. We letten op drie aandachtspunten: 1. Gebogen onder Gods recht 2. Gewassen met rein water 3. Geheiligd tot nieuw leven Dus: De grote belofte van het genadeverbond, drie punten: gebogen onder Gods recht, gewassen van zonden en geheiligd tot een nieuw leven. Als eerste dus:

1. Gebogen onder Gods recht

Gemeente, de profeet Ezechiël, afkomstig uit een priesterfamilie, kan helaas geen priester worden. Want hij is in het jaar 597 voor Christus, bij de tweede wegvoering naar Babel, samen met tienduizend ballingen meegenomen van Jeruzalem naar Babel. Dus priester worden bij de tempel, dat is uitgesloten. Maar dan, in het jaar dat hij priester zou zijn geworden, op zijn dertigste levensjaar roept de Heere hem tot profeet. Niet tot priester, maar tot profeet (1:1).

Ezechiël wordt de Heere geroepen om de ballingen in Babel een ernstige boodschap te brengen. Want hoewel ze weggevoerd zijn uit Israël, toch zijn er nog heel veel mensen die denken dat het nog wel mee zal gaan vallen. Binnenkort zullen ze vast wel weer naar huis mogen. Ze buigen niet onder het oordeel van de Heere, maar zoeken houvast en hoop in zichzelf. Hoewel, dat geldt niet iedereen. Er zijn er ook die buigen onder het oordeel, die zeggen met David: Uw doen is rein, Uw vonnis is rechtvaardig (Psalm 51:2, ber.).

En dan…, het is inmiddels 12 jaar later, dan komt de droeve boodschap in Babel aan: de stad Jeruzalem is gevallen en de tempel is verwoest. En dan, juist opdat droeve moment, komt er in de profetie, in de prediking van Ezechiël ineens een keerpunt. Nu er geen hoop meer is bij de ballingen, nu gaat Ezechiël hoop preken bij God vandaan. Is dat ook niet zo in het leven van Gods kinderen? Zolang we nog hoop hebben op onszelf, zolang is er geen plaats voor Goddelijke troost en genade. Maar als ik geen hoop meer heb op eigen oplossingen, op eigen levensverbetering, dan (en niet eerder!) gaat genade schitteren. Als er geen plaats meer is voor mijn ‘ik zal’, voor mijn ‘ik zal het wel even doen’, dan (en niet eerder!) wordt het een wonder als God gaat zeggen: ‘Ik zal’.

Nu is er plaats voor troost, bij mensen met een verbroken hart en met een verslagen geest. Maar, geen troost zonder eerlijkheid. Genade schittert pas tegen de zwarte achtergrond van onze zonde en schuld. En dus begint de Heere heel eerlijk in vers 17 met hoe het ook alweer was… En dus is het goed (wil volgende week genade schitteren) om onszelf eerlijk te onderzoeken. Zo zegt het Avondmaalsformulier het toch ook: Een ieder bedenke bij zichzelf zijn zonden en vervloeking?

Want, en dat is het eerste wat we zien in vers 17, ons leven is door onze zonden een verontreinigd leven. Leest u maar mee in vers 17,18 en 19: Mensenkind! het huis Israëls, als zij in hun land woonden, toen verontreinigden zij datzelve met hun weg en met hun handelingen, hun weg was voor Mijn aangezicht als de onreinigheid ener afgezonderde vrouw. Daarom goot Ik Mijn grimmigheid over hen uit, om des bloeds wil, dat zij in het land vergoten hadden, en om hun drekgoden, waarmede zij dat verontreinigd hadden. En Ik verstrooide hen onder de heidenen, en zij werden verspreid in de landen; Ik oordeelde ze naar hun weg en naar hun handelingen.

Met andere woorden: uw zonden, Israël, hebben scheiding gemaakt. U hebt onschuldig bloed vergoten, u hebt de afgoden gediend, en daarom heb Ik Mijn toorn en Mijn wraak over u uitgegoten. Woorden, die ons hart moeten vernederen, en die ons moeten brengen tot diepe schaamte: Wij hebben God op het hoogst misdaan, wij zijn van het heilspoor afgegaan (Psalm 106:4).

Die vernedering van hart is (als eerste) nodig, als voorwaarde om op de juiste wijze toe te treden tot de tafel des Heeren. Gods kinderen zijn door genade van hun hoogmoed vernederd en hebben leren buigen. Als God werkt onder het volk Israël, in het hart van Zijn kinderen, dan laat Hij ons zien wat we gedaan hebben: ik heb gezondigd, ik heb de eer en de Naam van de Heere gelasterd. En dat geeft verdriet, dat geeft een gebogen hoofd. Dat brengt tot diepe schaamte, tot belijdenis van schuld en zonde. Dat geeft een gebroken hart en een verslagen geest.

Wie nog nooit iets gezien heeft van de grootheid van zijn of haar zonden tegen God, die kan ook niets weten van de grootheid van schuldvergevende genade. Wie zichzelf niet heeft leren kennen, kent ook God en Christus niet. Wie wil komen, volgende week, tot het Heilig Avondmaal, die moet komen met een door God vernederd, ootmoedig en nederig hart: Ik heb gezondigd en ben niet waard om Uw zoon (of dochter) genoemd te worden. Wee mijn, dat ik zo gezondigd heb (Lukas 15:19, Klaagliederen 5:16).

Die vernedering van hart is in de eerste plaats nodig, maar is tegelijkertijd in de tweede plaats ook een sieraad voor een oprecht gelovig hart. Want vernedering van hart geeft God de eer van Zijn werk.

De Israëlieten, zij hebben het land dat God hen gegeven had, verontreinigd en (zo lezen we in vers 20): Als zij nu tot de heidenen kwamen, waarheen zij getogen waren, ontheiligden zij Mijn heiligen Naam, omdat men van hen zeide: Dezen zijn het volk des HEEREN, en zijn uit Zijn land uitgegaan. U hoort de beschuldiging in deze terugblik: u hebt Mijn Naam ontheiligd. U bent er de oorzaak van dat de vijanden in Babel gezegd hebben: ‘de God van Israël? Die is onbetrouwbaar, en die is zeker niet zo machtig als onze eigen god Marduk.’

Er is, gemeente, juist in de week van voorbereiding, reden om stil voor God te overdenken wat onze zonden teweeg gebracht hebben. Als we daaraan denken, dan denken we vaak in eerste instantie aan de voelbare gevolgen van onze zonden: aan ziekte, ellende en narigheid. Maar met onze zonden hebben we vooral de Naam van de heilige God gelasterd, we hebben Hem ontheiligd. Door onze opstand tegen onze Schepper en Maker in het paradijs, maar ook door ons dagelijks afdwalen van God, door ons dagelijks zondigen tegen Hem. Door dat alles hebben we Gods Naam ontheiligd. We hebben Zijn eer niet gezocht, Zijn Naam niet bedoeld, maar die ontheiligd! Gemeente, hebt u ooit iets gezien van de grootheid van uw kwaad tegen God? Van de grootheid van uw kwaad tegen een heilig en rechtvaardig God, van de grootheid van uw kwaad tegen een goeddoend God?

Zijn uw zonden, is uw harde en onbekeerlijke hart, die bron van wanbedrijven, u ooit tot schuld geworden? Nee, niet alleen tot een last, maar vooral ook tot schuld? Waardoor u bent gaan zeggen: ‘ik heb gedaan wat kwaad is in Uw oog, daarom ben ik, Heere, Uw gramschap dubbel waard? (Psalm 51:2, ber.) Hebt u ooit leren buigen voor de Heere, met schaamte en berouw, vanwege zoveel kwaad? En vooral vanwege het ontheiligen van Zijn heilige Naam? We waren geschapen tot de eer en glorie van Hem, tot heerlijkheid van God, maar we hebben moedwillig Zijn heerlijkheid en Naam gelasterd. En nu hebben we een hart vol van kwaad en ongerechtigheid. Als ik dat zie, als ik dat geloof, dan gaat mijn mond dicht, dan heb ik niets meer te zeggen. Zolang ik nog wat terugzeg als de Heere spreekt, is mijn hart niet vernederd. Paulus zegt: alle mond moet gestopt worden, want ons hart is verdoemelijk voor God (zie Romeinen 3:19). Hebt u ooit (dat is de eerste vraag voor deze week van voorbereiding) leren bidden: ‘Ai, was mij wel van ongerechtigheid, mijn schuld is zwaar, ik heb Uw wet geschonden?’ We gaan dat samen zingen uit Psalm 51, het vierde vers. Ontzondig mij met hysop, en mijn ziel, Nu gans melaats, zal rein zijn en genezen. Was mij geheel, zo zal ik witter wezen Dan sneeuw, die vers op 't aardrijk nederviel. Ai, geef mij weer gewenste zielevreugd; Laat uit Uw mond mij stof tot blijdschap horen; Zo wordt opnieuw 't verbrijzeld hart verheugd, En in mijn geest de ware rust herboren.

De voorbereidingspreek van vanmorgen gaat over de grote belofte van het genadeverbond. We hebben in onze eerste gedachte gelet op gebogen onder Gods recht. Nu onze tweede gedachte:

2. Gewassen met rein water

Daarover gaat het in vers 25. Maar daarvoor staat nog iets voor. Ik kijk naar vers 22: Zo zegt de Heere HEERE: Ik doe het niet om uwentwil, gij huis Israëls! maar om Mijn heilige Naam, die gijlieden ontheiligd hebt onder de heidenen. Wat is de reden dat de Heere Zijn volk niet loslaat? De heiligheid van Zijn Naam! Zo groot is de heiligheid van de Naam van de Heere, dat de Heere iets wilde en moest doen. Niet in de eerste plaats uit medelijden met Zijn volk, dat zo gezondigd heeft, hoewel God met innerlijke barmhartigheid bewogen is met Zijn volk, maar vooral vanwege Zijn heilige Naam.

Is dat u al tot schuld geworden, is dat uw verdriet geworden? Dat u Zijn Naam zo ontheiligd hebt? Is dit uw verlangen geworden: ‘Heere, hoe wordt Uw Naam ooit weer door mij geprezen? We zien hier vooral iets van het eenzijdige van Gods werk, van Zijn genadewerk destijds in Israël, en van Zijn genadewerk nu in al Zijn kinderen: Ik doe het niet om u, maar om Mijn heilige Naam. Daar schittert iets van het eenzijdige, het soevereine, het eeuwig en verkiezende van Gods welbehagen. Ik doe het, ondanks hen (want nodig had en heeft de Heere ons niet) om de eer en de heerlijkheid van Mijn heilige Naam. Dit is iets wat verbaast, iets wat verwonderd doet staan, iets wat klein maakt, iets waardoor ik mij nooit kan verheffen, waardoor ik ook nooit hoogmoedig kan en mag worden. ‘Waarom zocht U mij op, Heere? Was er iets in mij?’ ‘Nee, niets, Ik deed het om Mijn heilige Naam.’

Daarom zal Ik (vers 24 en 25) u (Israël) uit de heidenen halen, en zal u uit al de landen vergaderen en Ik zal u in uw land brengen. Dan zal Ik rein water op u sprengen, en u zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen. Dit zal Ik doen met u, o Israël. Dit zal Ik doen met Mijn volk in de tijd van het Nieuwe Testament, in de tijd na Pinksteren. Met Mijn volk, dat Ik om Mijn Naam heb liefgehad, met de eeuwige liefde van Mijn vaste verbond. U was verloren, door eigen schuld. Maar Ik zal u terugbrengen, Ik zal u uit de volken halen. En dan zal Ik! Hier valt de mens helemaal buiten. Nergens staat als eerste: ‘u zult, en dan…’ Nee! ‘dan zal Ik!’

Het staat er zonder enige voorwaarde. Er staat niet, zoals het Evangelie zegt tot iedereen die het hoort: als u zult bidden, zoeken en kloppen, dan zal Ik… Nee, het staat hier onvoorwaardelijk. Dit geldt al Gods kinderen, al diegenen die God in eeuwigheid heeft liefgehad.

Wat een troost, ook in deze week van voorbereiding. Als ik, als kind van God, niet meer bidden kan, diep gebogen voor de Heere vanwege mijn schuld, rechten heb ik niet meer, wat een troost is het dan, dat de Heere zegt: Ik zal! Dit zijn de grote en vaste beloften van het eeuwige genadeverbond, vast besloten tussen God en Christus, als Hoofd en Vertegenwoordiger van al degenen die Hem van eeuwigheid gegeven zijn door de Vader.

Ik zal, en daar komt u niet aan te pas, rein water op u sprengen. Ik zal u wassen van al uw ongerechtigheden. Ik zal u wassen met rein water, als teken van het bloed van Christus. Ik zal het bloed der besprenging op u sprengen, Ik zal het bloed van Christus door Mijn Geest op u toepassen, om uw hart en geweten te reinigen van uw dode werken om de levende God te dienen (Hebreeën 9:14, 12:24).

Het is een beeld van hoe God een zondaar zalig maakt, van hoe God een zondaar rechtvaardig maakt, van hoe de Heere zonden afwast door het bloed van Christus. Zoals ook zo duidelijk afgebeeld in het water van de Heilige Doop (Ik zal rein water op u sprengen), als teken en zegel van wat gezien wordt in het sacrament van het Heilig Avondmaal: de rode wijn wijst op het rode bloed des verbonds.

Hier is dus een tweede aspect voor zelfonderzoek. Het eerste was: Hoe sta ik voor God? Ben ik vernederd? Heb ik een walg van mezelf, omdat ik met al mijn zonden de heilige Naam van de Heere ontheiligd heb, terwijl ik was geschapen om Hem eer en glorie te geven? Hier is het tweede: wat dunkt mij, wat dunkt u van de Christus, van Zijn bloed, van Zijn werk? (Mattheüs 22:42) Hongert mijn hart naar Hem, om mij te verzoenen met God, met de heilige God, die ik zo gelasterd hebt? Nee, het gaat niet om de vraag of ik praat over Jezus en enthousiast ben over Hem. Het gaat om de vraag: heb ik Hem nodig gekregen om mijn verloren hart met God, de rechtvaardige God te verzoenen en om de breuk met God te herstellen? Hongert uw hart naar het bloed van Christus, om de breuk tussen God en uw hart te herstellen? Gaat uw hart ernaar uit, om door dat bloed gerechtvaardigd te worden? Roept uw hart daarom om Jezus? Omdat u niet meer weet hoe u het ooit zelf goed kan maken? En dus: is Hij uw enige hoop? Is dit uw enige hoop, dat God zegt: Ik zal?

Roept uw hart om Jezus? Zoekt u Hem, verlangt u naar Hem? Is uw verloren en vernederde hart bereid om zich aan Hem over te geven, om Hem aan te nemen? Is Hij uw Liefste geworden? Omdat er genade op Zijn lippen uitgestort is voor een zondaar zoals u bent? En als u uit zwakheid in zonden valt, nadat uw ziel gewassen is door Zijn bloed, zoekt u dan opnieuw reiniging in dat bloed, zonder in de zonde te blijven liggen?

Het gaat vanmorgen over de grote belofte van het genadeverbond. We hebben gelet op: gebogen onder Gods recht, gewassen met rein water zonden, en nu tot slot ons derde punt:

3. Geheiligd tot een nieuw leven

Als ik met u lees in vers 26 en 27: En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven. En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat u in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen.

Nu komt de derde vraag van de zelfbeproeving. Mijn hart was van steen, maar: heb ik een vlesen hart gekregen? Het was van steen. Steen is hard. Smelten doet het niet. Soms komt er een kras op of een barstje in, maar smelten doet het nooit. Een hart van steen, is koud, hard, ongevoelig, niet in beweging te krijgen, ondoordringbaar. Het Woord dringt er niet in door, maakt het niet warm, doet het niet leven, laat het niet smelten. Is dat hoe uw hart is? Hebt u nog steeds een hart van steen? Kom dan volgende week alstublieft niet aan het Heilig Avondmaal.

God is het, Die van stenen harten vlesen harten maakt. Nee, dat is geen uitwendige reformatie, dat is geen uitwendige toename van deugden, van uiterlijke vroomheid. Het is ook niet hetzelfde als gehoorzaamheid aan de waarheid, het is ook niet hetzelfde als liefde tot Gods kinderen of een veelheid van blijde emotie en vrijmoedigheid.

Het is een totale verandering van hart, van innerlijk. Want een vlesen hart is zacht en teer. Het is een hart dat smelt. Zoals het hart van Petrus. Hij lastert de Naam van de Heere door zijn zonden. De Heere kijkt hem aan, en zijn hart smelt. Naar buiten gaande, weende hij bitter (Mattheüs 26:75). Een vlesen hart blijkt vooral en in de eerste plaats in het verborgen, waar mijn hart breekt en smelt vanwege mijn zonden tegen een goeddoend God. Een vlesen hart wordt aangeraakt, in beslag genomen, overweldigd door het Woord. Zoals bij Lydia: de Heere opende haar hart en zij gaf acht op het Woord (Hand. 16:14). Een vlesen hart lijdt ook onder en strijdt tegen overgebleven zonde. En dus is een vlesen hart ook een zuchtend hart. Het zucht: Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? (Romeinen 7:24) Een vlesen hart klaagt onder, zucht onder het stenen deel dat nog overgebleven is. Kortom, dat vlesen hart is totaal anders. Het heeft een andere richting gekregen. Het is gericht op de eer en de Naam des Heeren.

En Ik zal(!) het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven. En Ik zal(!) Mijn Geest geven in het binnenste van u. Hoort u, het blijft maar (wel tot zes keer toe): Ik zal. Dat mag ons wel klein en ootmoedig maken: Heere, van mijn ‘ik zal’ komt nooit iets terecht. En dit Uw ‘Ik zal’ is onverdiend en verzondigd.

En Ik zal u nieuw hart geven, en zal nieuwe geest geven in het binnenste van u. Het zijn parallelle woorden en zinnen van gelijke strekking. Een vlesen hart is hetzelfde als een nieuw hart en een nieuwe geest.

Jongelui, als God je een nieuw hart, een vlesen hart (een zacht en levend hart), als de Heere je een nieuw geest geeft, dan wordt alles anders. Dan ga je anders denken over God. Over Wie en hoe Hij is, in Zijn heiligheid en rechtvaardigheid, en ook in Zijn barmhartigheid en genade. Als God je een nieuw hart en een nieuwe geest geeft, dan ga je anders denken over jezelf: hoe slecht is dit mijn hart! Hoe slecht ben ik voor God! En dan ga je ook anders denken over Jezus, over de enige Zaligmaker die God gegeven heeft voor verloren zondaars.

De wet verbreekt het hart en doet een zondaar buigen. Maar het ervaren van Gods onverdiende genade doet het hart nog veel meer smelten voor God. Het brengt tot ootmoedig bidden en smeken, het brengt tot evangelisch berouw en evangelische schaamte, en het brengt te meer tot verlangen naar vrede en verzoening met God.

Komt er dan uiteindelijk rust en tevredenheid? Zoals zoveel mensen (helaas ook avondmaalgangers) zo gerust en tevreden zijn, als zij denken of zeggen: ‘ik heb het gewoon…’ Nee, God oprechte kinderen kunnen niet leven van hun eigen: ik heb. We kunnen alleen maar leven van dat onbegrijpelijke, Goddelijke: Ik zal. Immers, zegt de Heere niet door de mond van Amos: Wee de gerusten in Sion (6:1)! In het hart van Gods kinderen komt geen blijvende rust, maar wel blijvend verlangen. Een blijvend verlangen naar vereniging met God, naar het ervaren van de nabijheid van de Heere, naar vrede in het geweten en naar een heilig leven. Er komt geen blijvende rust, maar er komt een blijvende strijd tussen geest en vlees.

Maar gelukkig is er ook wat dat betreft een Goddelijk ‘Ik zal’. Kijk maar in vers 27: Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen. De eerste belofte, de belofte van rein water, is een belofte van rechtvaardigmaking, van verzoening met God door het bloed van het Lam, van herstel van de verbroken betrekking tussen God en ons hart. Deze tweede belofte is de belofte, de Pinksterbelofte van heiligmaking. In dat smerige, vuile hart, dat van zichzelf maar niet weet van ophouden met zondigen, daarin zal Ik, zegt God (Ik zal!) met Mijn Geest intrek nemen en gaan wonen, om die onbewoonbare woning te maken tot een tempel van de levende God.

En dan…, dan mag u het opnieuw zelf proberen? Nee, Ik zal overal voor zorgen. Ik zal maken dat u in Mijn wegen zult wandelen. Levensvernieuwing, heiligmaking is ook Gods werk. Dat komt ook niet uit ons. Als u altijd maar weer vraagt: wat moet ik doen om een beter en heiliger mens te worden, dan

hebt u niet de juiste blik op hoe de Heere werkt, dan hebt u niet het juiste zicht op heiligmaking, als zijnde Gods werk.

Heiligmaking, zegt God, dat is Mijn werk. En dus draagt ons leven alleen vrucht als we aan de Heere verbonden zijn. Als arme zondaars, die in zichzelf geen kracht en wil hebben om het goede te doen, maar die alles van Hem vragen, begeren en verwachten, van Hem die gezegd heeft: Zonder Mij kunt u niets doen (Johannes 15:5). Alleen in die weg wordt alles anders. Alleen in die weg gaan we Gods eer bedoelen, de zonde haten en verlaten.

Als God werkt, als de Heilige Geest intrek neemt in het hart van Gods kinderen, dan wordt alles anders. En dat komt allemaal van God. Hij maakt onze gedachten anders, onze wil, onze verlangens. Hij maakt dat er liefde komt tot God, haat tegen de zonde en een wandelen in het spoor van Gods geboden. Ja, de Geest van de Heere Jezus Christus, heeft ten diepste maar één doel: hart en ziel met Christus te verenigen en aan Hem gelijkvormig te maken. Die zal, zei de Heere Jezus (Ik zal, Die zal!) Mij verheerlijken (Johannes 16:14).

Ook dat (en dat is het derde wat het formulier voor het Heilig Avondmaal noemt) kunnen we in de weg van zelfonderzoek weten, of dat zo is in ons hart of niet. Is er in ons hart hartelijke liefde tot de Heere? Omdat Hij mij eerst liefgehad heeft? Liefde tot al Gods geboden? Haat tegen al de zonden? Liefde tot de broeders en zusters? Is er iets van de vrucht van het inwonen van de Heilige Geest, zoals Paulus die beschrijft in Galaten 5:22: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid? Nee, niet als een wettische prestatie, omdat ik mezelf in eigen kracht tot die hoogte heb opgewerkt, maar als een onverdiende genadegift van de Heere? Als een onverdiende genade van de Heere, die Zelf werkt het willen en het werken naar Zijn welbehagen (Filippenzen 2:13)?

Soms is van dit alles de gevoelige ervaring minder geworden in het hart van Gods kinderen. Dat mag voor ons geen reden zijn om zo nu en dan wel, en andere keren niet aan te gaan. De week van voorbereiding is ook bedoeld, niet alleen om ons hart te onderzoeken, maar ook voor de ware avondmaalgangers om zich voor te bereiden op het komen tot het Heilig Avondmaal.

Ons hart kan dor en geesteloos geworden zijn, door onze zonden, door onze hang naar de dingen van de wereld. Daar mogen we, kinderen van God, niet in berusten. Als dat zo is, dan moeten we ons hart in de weg van de middelen aanzetten, aansporen en opwekken tot meer geestelijkheid. Laten wij in deze week, kinderen van God, twee dingen nadrukkelijk overdenken en bemediteren, om onze harten in de weg van de middelen op te wekken tot meer geestelijkheid.

a. In de eerste plaats: Overdenk in uw hart, met mij, in deze week (naast alles wat eerder gezegd is) de inhoud van de nodiging die aanstaande zondag tot ons komt. God de Vader nodigt Zijn kinderen te komen tot de plaats van Zijn gunst en genade. Christus nodigt ons tot de plaats van Zijn liefde, tot Zijn bruiloftsmaaltijd. De Heilige Geest nodigt ons tot de plaats waar Hij ons bijzondere genieting wil geven van Zijn werk en verlevendiging van Zijn genade. Zouden wij onze ziel, kinderen van God, dan niet moeten aansporen om met een hart vol verlangen aan te gaan?

b. In de tweede plaats: Laten we in deze week van voorbereiding ook de hartelijkheid van de hemelse nodiging in stilte overdenken. God heeft ons niet nodig. Maar desondanks zal Hij tot Zijn kinderen komen en zeggen: Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop (Openbaring 3:21). Zie in Mijn handen en in Mijn zij het teken der nagelen, voor u. Ik wil uw liefde verwakkeren. Ik wil u vrede verkondigen door Mijn bloed. Ik wil uw geloof versterken en verzekeren. Ik wil u de trouwring van Mijn liefde en ondertrouw tonen. Ik wil u (zoals staat in Hooglied) kussen met de kussen van de liefde van Mijn mond (Hooglied 1:2). Ik wil u ontmoeten. Ik begeer, als de grote Gastheer van de tafel, grotelijks dit avondmaal met u te eten.

Laat ons dan, kinderen van God, komen met nederigheid, met lege handen, met verlangen en uitzien, maar ook met hoop en blijdschap, om de dood des Heeren te verkondigen. Zijn dood, die ons leven, die onze hoop en die onze verwachting is! Want hij heeft gezegd: Ik zal! Ik zal Sions, Ik zal der armen spijs, hier zegenen op de ruimste wijs. En Mijn gunstgenoten zullen zeer juichen (zie Psalm 132).

Daarom, laten we ons, kinderen van God, biddend voorbereiden. Buigend en biddend voor de hoge God. Laten we ons hart biddend versieren met ootmoed, nederigheid en verlangen. Want de Heere wil ons ontmoeten, Hij wil tot ons spreken en onze ogen te richten op Hem, op Zijn heerlijke genade en op de verzoening met Hem door het bloed van Zijn lieve Zoon.

Als u zegt: ik zal, dan mag u blijven zitten. Maar als dit uw enige hoop is, dat God zegt Ik zal, bereid u dan voor, met verlangen en stille blijdschap om de Koning te ontmoeten, om Zijn dood te verkondigen, totdat Hij komt.

Amen.

Slotzang Psalm 132:11,12

"Daar zal Ik David, door Mijn kracht, Een hoorn van rijkdom, eer en macht Doen rijzen uit zijn nageslacht. 'k Heb Mijn gezalfden knecht een licht, Een held're lampe toegericht."

"Wat vijand tegen hem zich kant', Mijn hand, Mijn onweerstaanb’re hand, Zal hem bekleên met schaamt' en schand'; Maar eeuwig bloeit de gloriekroon Op 't hoofd van Davids groten Zoon."