PREEK · KERKELIJK JAAR

Reformatie onder koning Josia - 2 Koningen 22

Kerkhervorming - 2 oktober 2014

2 Koningen 22:19: Omdat uw hart week geworden is en gij u voor het aangezicht des HEEREN vernederd hebt, als gij hoordet wat Ik gesproken heb tegen deze plaats en derzelver inwoners, dat zij tot een verwoesting en vloek zullen worden, en dat gij uw klederen gescheurd en voor Mijn aangezicht geweend hebt, zo heb Ik u ook verhoord, spreekt de HEERE.

INLEIDING

Koning Josia komt op als achtjarige in een geestelijk donkere tijd. Op zestienjarige leeftijd zoekt hij de God van zijn vaders, en breekt de afgodendienst af – een uiterlijke restauratie. Pas als de vergeten wetrol gevonden wordt, breekt zijn hart écht: hij scheurt zijn kleren en vernedert zich voor de Heere. Dat is pas ware reformatie. De vruchten volgen: hij vraagt de Heere, vernieuwt het verbond, breekt met verborgen zonden, en viert het Pascha – wijzend vooruit naar het Lam, Jezus Christus.

THEMA

Restauratie of Reformatie

KERNPUNTEN

  1. Een vervallen tijd
  2. Een verborgen werk
  3. Een vergeten wetboek
  4. Een vernederd hart

2 KONINGEN 22:14-20

14 Toen ging de priester Hilkía en Ahíkam en Achbor en Safan en Asája heen tot de profetes Hulda, de huisvrouw van Sallum, den zoon van Tikva, den zoon van Harhas, den klederbewaarder (zij nu woonde te Jeruzalem, in het tweede deel), en zij spraken tot haar.
15 En zij zeide tot hen: Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Zegt tot den man die u tot Mij gezonden heeft:
16 Zo zegt de HEERE: Zie, Ik zal kwaad over deze plaats brengen en over haar inwoners, namelijk al de woorden des boeks dat de koning van Juda gelezen heeft.
17 Daarom dat zij Mij verlaten en anderen goden gerookt hebben, opdat zij Mij tot toorn verwekten met al het werk hunner handen, zo zal Mijn grimmigheid aangestoken worden tegen deze plaats en niet uitgeblust worden.
18 Maar tot den koning van Juda, die u gezonden heeft om den HEERE te vragen, alzo zult gij tot hem zeggen: Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Aangaande de woorden die gij gehoord hebt:
19 Omdat uw hart week geworden is en gij u voor het aangezicht des HEEREN vernederd hebt, als gij hoordet wat Ik gesproken heb tegen deze plaats en derzelver inwoners, dat zij tot een verwoesting en vloek zullen worden, en dat gij uw klederen gescheurd en voor Mijn aangezicht geweend hebt, zo heb Ik u ook verhoord, spreekt de HEERE.
20 Daarom, zie, Ik zal u verzamelen tot uw vaderen en gij zult met vrede in uw graf verzameld worden, en uw ogen zullen al het kwaad niet zien dat Ik over deze plaats brengen zal. En zij brachten den koning het antwoord weder.

VOLLEDIGE TEKST

Reformatie onder koning Josia - 2 Koningen 22

ds. J. IJsselstein - 2 Koningen 22:19

THEMA

Restauratie of Reformatie

LITURGIE

Bedezang voor de preek

Psalm 79:4

Lezen 2 Koningen 22

Psalm 80:1,2,6,9

Psalm 106:4,24

Psalm 80:11

Gemeente, in deze dagen denken wij terug aan de grote omwenteling die plaatsgevonden heeft in de geschiedenis van de kerk: op 31 oktober 1517 sloeg Maarten Luther zijn 95 stellingen aan de slotkapel in Wittenberg. Opzienbarend moment, dat uiteindelijk een grote rol zou gaan spelen in de Reformatie van de kerk in Europa. Ook in onze tijd hebben we dringend zo’n reformatie nodig: persoonlijk, kerkelijk, en ook nationaal als volk van Nederland.

Het Schriftgedeelte dat u voorgelezen is geeft ons een Bijbels voorbeeld van wat echte reformatie is. Ik neem als uitgangspunt voor de preek van vanmorgen 2 Koningen 22:19. We lezen daar het Woord van God als volgt: Omdat uw hart week geworden is, en gij u voor het aangezicht des HEEREN vernederd hebt, als gij hoordet, wat Ik gesproken heb tegen deze plaats en derzelver inwoners, dat zij tot een verwoesting en vloek zullen worden, en dat gij uw klederen gescheurd en voor Mijn aangezicht geweend hebt; zo heb Ik u ook verhoord, spreekt de HEERE.

De preek van vanmorgen neemt ons mee in het leven van koning Josia. Het thema voor de preek is: Restauratie of Reformatie. Er zijn vier aandachtspunten: 1. Een vervallen tijd 2. Een verborgen werk 3. Een vergeten wetboek 4. Een vernederd hart Als eerste dus:

1. Een vervallen tijd.

Acht jaar is het jongetje Josia, als hij tot koning wordt gekroond over Juda en Jeruzalem. Het is een bijzondere tijd, de tijd waarin hij koning wordt. Het is een geestelijk donkere tijd. Zijn opa Manasse heeft meer dan wie dan ook Juda verleid tot en meegesleurd in de zonden. Hij diende Baäl, hij diende de godin Astarte, hij diende de hemellichamen zon en maan, hij verontreinigde de tempel en hij deinsde zelfs niet terug om kinderen te offeren.

Hij vroeg ook niet meer daar de God van zijn vaders, maar hij liet zich leiden door waarzeggers en occulte machten.

Het is een geestelijk donkere tijd. Het is ook een politiek onrustige tijd. Het is een tijd van veel politieke spanning. Assyrië heeft 80 jaar geleden al het rijk van de tien stammen ingenomen. Assyrië aan de ene kant, Egypte aan de andere kant, en Juda zit daar klem tussen. En ondertussen probeert Josia stiekem weer iets van dat verloren noordelijke rijk bij zijn eigen rijk te voegen.

Een geestelijk donkere tijd, een politiek onrustige tijd, maar verder ook een tijd waarin sommige dingen gewoon doorgaan. Er zijn nog steeds wel priesters van de God van Israël. Manasse heeft na zijn bekering ook nog wel een poging gedaan om de dienst van Israëls God te herstellen, hoewel dat hem niet echt gelukt is. Kortom, er is nog wel iets, maar het is slechts een dode vormendienst.

Een tijd die wel een beetje lijkt op de tijd van nu. Veel dode vormendienst: we gaan naar de kerk, we zien er netjes uit, we zijn actief… Een onrustige wereld: onrust in het Midden-Oosten, spanning tussen Oost en West, een verwoestende ebola-epidemieën in Afrika… En verder is het vooral geestelijk donker: veel landgenoten hebben gebroken met God en Zijn dienst. Gelukkig, er zijn nog veel mensen die in God geloven. Maar is hun godsdienst, is onze godsdienst nog wel echt? Is het echt een hartezaak? Of is het alleen een flinterdunne buitenkant? Genoeg vormen en tradities... Maar verder…?

U zegt: ‘Ja, maar we leven in de eindtijd, we zien de oordelen en uiteindelijk is het oordeel van de Heere onafwendbaar. Dus…’ Ja, dus…? Want zo was het ook in de tijd van Josia. In de tijd van zijn opa Manasse was het oordeel al definitief uitgesproken over Juda en Jeruzalem. U kunt het lezen in hoofdstuk 21: 3b, waar God zegt: Ik zal Jeruzalem uitwissen, gelijk als men een schotel uitwist. Zoals een schoolbord schoongeveegd wordt, zoals wat daarop staat uitgewist wordt, zo zal het vergaan met Juda en Jeruzalem. Maar opvallend genoeg leidt dat bij koning Josia niet tot een lijdelijk afwachten, zo van: het is toch allemaal hopeloos met de wereld, met de kerk, met mezelf, en dus…

In die tijd, in die moeilijke tijd wordt het jongetje Josia tot koning gekroond. Zijn vader Amon is door zijn eigen knechten vermoord. Daar voel je ook iets van de politieke verdeeldheid en de politieke spanning van die tijd. Maar het volk zelf kiest toch voor zijn zoontje, voor Josia. En hij wordt koning: knulletje van acht jaar oud.

Maar (en dat brengt ons bij onze tweede gedachte) dat knulletje van acht doet (zo staat in vers 2) dat recht is in de ogen des Heeren. Hij wandelt in al de weg van zijn vader David, en wijkt niet af ter rechterhand noch ter linkerhand. Ons tweede aandachtspunt:

2. Een verborgen werk.

Niet alleen in 2 Koningen 22 en 23 gaat het over koning Josia, maar ook in het boek 2 Kronieken, hoofdstuk 34 en 35. En daar staat iets heel bijzonders van de kleine Josia: In het achtste jaar van zijn regering (hij is dan 16 jaar oud), toen hij nog een jongeling was, begon hij de God van zijn vader David te zoeken. Josia gaat, jongen van zestien jaar oud, de God van zijn vader David zoeken, de God van zijn overgrootvader. Hoor je dat, jongens van zestien? Een godvrezende vader heeft hij nooit gehad. Zijn vader Amon was een goddeloze man. Misschien heb jij ook wel geen godvrezende vader. Ga dan maar de God van je opa, van je overgrootvader, of van je over-overgrootvader zoeken! Wat schittert, midden in deze donkere tijd, hier ineens Gods verborgen werk. God is vader Amon voorbijgegaan. God heeft hem laten gaan in al zijn goddeloosheid. Maar deze jongen is een uitverkoren vat. Niets maakt hem beter dan anderen. Een goede opvoeding heeft hij ook niet gehad. Maar Gods genade gaat zijn leven veranderen als hij zestien jaar oud is.

En, zo staat er ook in 2 Kronieken 34, in het twaalfde jaar van zijn regering (hij is dan twintig jaar oud) begint hij de altaren van de afgoden af te breken, de afgodsbeelden weg te doen en de tempel schoon te maken. Er gaat iets gebeuren… En toch ontstaat de indruk, dat het allemaal een beetje mondjesmaat gegaan is. Was Josia, in die politiek gespannen tijd, toch bang voor politieke onrust? Maar wat vooral opvalt: het lijkt alleen maar uiterlijk herstel. Afgodsbeelden? Weg ermee! Altaren van Baäl? Omgooien! Opruimen, weg die rommel! Zoals je ook nu je persoonlijke leven kunt restaureren. Verkeerde tijdschriften? Weg ermee! Foute films, slechte muziek, verkeerde cd’s? In de kliko! Terug naar vroeger, zoals het toen was, in de tijd van vader en moeder, in de tijd van opa en oma. Dat was een veel betere tijd dan de tijd van nu! We moeten terug naar het leven van vroeger. Dat is ons gemis. Daar moeten we naar terug: Restauratie…?

Restauratie, jongens en meisjes, dat betekent: alles weer heel netjes en mooi maken, zoals het vroeger was. Zoals je een oud gebouw, een paleis, een kasteel of een oude kerk kunt restaureren. Maar, dat gaat (zeg je) vooral omdat je ziet, vooral om de buitenkant, dat die er weer mooi uitziet… Precies, je hebt het helemaal goed begrepen. Hoewel Josia de Heere zoekt…, toch blijft het hangen aan de buitenkant. Hoewel wij soms ons leven helemaal opruimen, en al dat slechte wegdoen, en weer echt gaan leven zoals vroeger…, toch blijft het (dat is het grootste gevaar!), toch blijft het hangen aan de buitenkant! En je kunt er ondertussen nog wel een beetje trots op worden ook.

Totdat er, zes jaar later iets gebeurd in het leven van Josia. En dan zie je ook dat de Heere stapsgewijs werkt, dat hij Zijn kinderen stap voor stap dingen leert. Als God in je leven gaat werken, dan ben je niet gelijk een volleerd christen, dan valt er altijd nog heel veel te leren. En dat geldt je leven lang. En zo geldt dat ook voor deze jonge, godvrezende koning Josia.

Als hij zesentwintig jaar oud is - men is druk bezig met het herstellen van de tempel - wordt er onverwachts een oude boekrol gevonden. Dat brengt ons bij ons derde aandachtspunt:

3. Een vergeten wetboek.

Hilkia de hogepriester vindt hem. Misschien dat iemand hem vroeger zonder opletten heeft weggelegd, omdat hij de waarde ervan niet kende. Misschien was hij expres ver weggestopt door koning Manasse of koning Amon. Misschien was hij juist verstopt door een kind van God om hem uit de hand van de vijand te houden. Maar het is de hogepriester Hilkia, die ineens, onverwachts die onbekende, oude boekrol in handen heeft. En Hilkia geeft hem aan Safan, de schrijver. En die gaat erin lezen. En hij vertelt erover tegen koning Josia. En dan zegt de koning: ‘Safan, lees toch eens voor uit die rol…’

Ineens zien we, tot onze schrik, hoe ver men heen was in die tijd. De restauratie van de dienst van de Heere was al heel ver. Uiterlijk lijken de zaken allemaal goed op orde te zijn. Maar (en dat is verschrikkelijk), het woord van de Heere, de wet van de Heere speelde in werkelijkheid geen enkele rol meer. Men is hoogst verbaasd! Warempel, de vroegere wet van Mozes! O ja, die is er ook nog…!

Is daarmee de nood van de kerk nu, en ook de nood van ons persoonlijk leven niet heel scherp getypeerd? De conservatie (het behoud), de restauratie (het herstel) zijn redelijk op orde. Maar er is één groot gebrek. En we missen het nog niet eens ook! Het levende spreken van God, van Zijn woorden en van Zijn wet.

Want het valt op hier, er staat nergens dat ze de wet missen en ernaar zoeken. Hilkia zoekt helemaal niets. En toch vindt hij. Wij zeggen: dat is ook toevallig! Maar zo is het niet! Het is God Zelf(!), die onverwachts Maarten Luther brengt bij de Schrift en zijn hart en oog ervoor opent. Het is God Zelf, die werkt in het leven van Josia, die hem onverwachts de wet, die vergeten boekrol laat vinden en hem die onder ogen brengt.

En Safan leest. En koning Josia luistert. Waarschijnlijk is het een deel geweest van het boek Deuteronomium, misschien Deuteronomium 28, een lang hoofdstuk vol van de zegen en de vloek van het verbond.

En dan… Die man (die misschien toch wel een beetje trots is geworden op al die verbeteringen die hij heeft aangebracht), die man… hij breekt! De wet komt binnen in zijn hart en leven, en… hij breekt. Hij scheurt zijn kleren als teken van grote rouw, als bewijs van hartelijk berouw. En hij zegt in vers 13: Gaat henen, vraagt de HEERE voor mij, en voor het volk, en voor het ganse Juda, over de woorden dezes boeks, dat gevonden is; want de grimmigheid des HEEREN is groot, dewelke tegen ons aangestoken is, omdat onze vaderen niet gehoord hebben naar de woorden dezes boeks, om te doen naar al wat voor ons geschreven is.

Wij hebben gezondigd tegen de Heere! Wat moeten we doen om behouden te worden? In het licht van die oude boekrol (en dat is ten diepste het werk van de Heilige Geest) ziet hij: heel mijn eigen schoonmaakactie is niet genoeg om de toorn van God over mijn en ons leven weg te nemen. Zijn hart breekt, zijn hart (vers 19) wordt week, het smelt voor God. En hij vernedert zich voor het aangezicht van de Heere en huilt vanwege zijn zonden. Dit zou je niet verwachten, toch? Bij een koning die - voor ons oog - juist zoveel goed gedaan heeft? De afgoden opgeruimd, de tempel gerestaureerd… Ja, maar uiterlijk is alles wel gerestaureerd, maar voor een echte reformatie is nodig dat die vergeten boekrol van de wet gevonden wordt!

Echte reformatie in ons persoonlijke leven komt pas als het woord van God echt een plek krijgt in ons leven. Nee, ik bedoel niet die dode vormendienst, dat je oude preken leest, terwijl het ondertussen alleen maar dode klanken zijn. Ik bedoel: als God de Heilige Geest die woorden van Zijn wet je onder ogen duwt als levende woorden: ze raken je hart, ze raken je binnenste. En je breekt, je smelt en buigt, en zegt: ‘Heere, ik heb gezondigd. Jarenlang was ik dit boek vergeten, jarenlang heb ik gedacht dat ik goed bezig was, maar nu…? Voor de spiegel van Uw wet zie ik de grootheid van mijn kwaad: ik heb tegen U gezondigd’. Toen het gebod gekomen is (zo zegt Paulus later), toen is de zonde levend geworden. Nu zie ik de zonde levend voor mijn ogen.

Hebt u die oude boekrol al gevonden in uw leven? Of hebt u nog steeds genoeg aan die uiterlijke restauratie alleen?

Echte reformatie van ons kerkelijke leven begint niet met restauratie van het uiterlijk, maar met een terugkeer naar het Woord van God. Precies zoals in de tijd van Luther en Calvijn: terug naar de Schrift! Terug naar het Woord! Daar en in die weg ontdekken we, herontdekken we de levende werkelijkheid van de woorden van God. Woorden die ons geen complimenten geven, maar woorden die ons veroordelen. Als God je zó laat lezen in die oude boekrol, als God je zó laat luisteren naar dat eeuwenoude Woord, dan zeg je niet: ‘onze vaders vroeger waren echt goed, en wij zijn gelukkig redelijk in het spoor van de oude paden gebleven of terugkomen’. Nee, dan zeg je: ‘wij en onze vaders hebben tegen God gezondigd!’

Reformatie begint, in de tijd van Josia, in de tijd van Luther en Calvijn, en ook nu met: terug naar het Woord. Niet als een verkapte poging om alleen maar oude tradities te herstellen, ook niet als verkapte poging om alleen maar nieuwe gebruiken in te voeren… Want, dat woord plaatst je voor God, en legt iedereen het zwijgen op!

Als dat Woord weer echt aan het woord komt, persoonlijk en kerkelijk, dan gaat er pas echt iets veranderen. En het eerste wat verandert (persoonlijk, en kerkelijk) is: onze hoogmoed wordt vernederd, ons hart wordt gebroken, we weten het niet meer, en ga naar God vragen. Dat zullen we zo meteen zien in het verdere vervolg, maar gaan we samen eerst zingen uit Psalm 106: 4 en 24.

Wij hebben God op 't hoogst misdaan; Wij zijn van 't heilspoor afgegaan; Ja, wij en onze vaad'ren tevens, Verzuimend' alle trouw en plicht, Vergramden God, den God des levens, Die zoveel wond'ren had verricht.

Nochtans was God met hen begaan; Hij zag hun angst, hun tranen aan, En hunner hateren verwoedheid; Hij dacht aan Zijn gestaafd verbond, En had berouw, naar al Zijn goedheid, Meêdogendheid met Isrels wond.

Het thema voor de preek van vanmorgen is: restauratie of reformatie. We hebben gelet op een vervallen tijd, op een verborgen werk, op een vergeten wetboek, en nu als laatste ons vierde aandachtspunt:

4. Een vernederd hart

Jarenlang was die boekrol van de wet vergeten, kwijt. Maar nu spreekt de Heere. Persoonlijk in het leven van Josia, maar ook in de kerk, onder het volk van Juda. Josia’s hart is gebroken. Hij heeft zijn kleed gescheurd als teken van rouw, als teken van hartelijk berouw, en heeft zich vernederd voor de Heere. Als een schuldige buigt hij diep voor God. Dat is het begin van echte reformatie. Al het andere is alleen maar restauratie.

Het is tijd, gemeente, om in ons eigen hart, om naar ons eigen leven te kijken. Is het bij u, bij mij restauratie alleen? De buitenkant alleen? Of is het een vernederd hart? Is het binnenwerk ook veranderd, het hart vernieuwd?

Reformatie begint met vernedering voor God. En dan blijven de gevolgen niet uit. Dat zien we bij Josia ook, aan de vruchten. Er worden er vier genoemd.

Als eerste: Josia gaat naar de Heere vragen. Hulda, de profetes, wordt gevraagd om de raad van de Heere. En zij bevestigt wat eerder voorzegd is: Juda zal uitgewist worden. Het oordeel is onherroepelijk. Maar, Josia, omdat u zich vernederd hebt voor God, zult u in vrede sterven.

Hier zien we wat we nodig hebben, en wat ons te doen staat in deze tijd. Waar het oordeel van de Heere ook onvermijdelijk lijkt. Dit hebben we nodig, dit staat ons te doen: persoonlijk bukken, buigen, breken. Dat is de enige weg tot persoonlijk behoud.

We zien nog een tweede vrucht van Josia’s vernedering: Josia gaat het verbond vernieuwen. We lezen in het volgende hoofdstuk (23:3): De koning nu stond aan den pilaar, en maakte een verbond voor des HEEREN aangezicht, om den HEERE na te wandelen, en Zijn geboden, en Zijn getuigenissen, en Zijn inzettingen met ganser harte en met ganser ziele te houden, bevestigende de woorden dezes verbonds, die in dit boek geschreven zijn. En het ganse volk stond in dit verbond. Goede voornemens alleen hebben geen zin, mooie beloften zijn waardeloos, tenzij ons hart vernederd is voor God. Maar dat komt dan ook openbaar in de vrucht van een nieuwe gehoorzaamheid, in hartelijke bereidheid om de Heere te dienen en oprecht te vrezen.

Er gebeurt nog iets. We zien een derde vrucht. Ineens blijkt dat de eerdere restauratie niet compleet geweest is. Het leek allemaal wel mooi aan de buitenkant, maar het was zeker niet volledig en totaal. Er moeten (u leest het thuis nog maar eens na in hoofdstuk 23) uiteindelijk nog twaalf stappen worden gezet om echt, finaal, definitief te breken met het dienen van de afgoden. Er zijn nog (vers 4) heidense vaten in de tempel. Er zijn nog (vers 5) heidense priesters. Er is nog (vers 6) een beeld van Asjera. En uit vers 7 blijkt dat er nog tempelprostitués zijn. Uit vers 9 blijkt dat er nog hoge plaatsen zijn waar priesters offeren voor de afgoden. Ook de plaats van de kinderoffers (vers 11) is nog intact. Er zijn ook nog plaatsen waar de zon aanbeden wordt (vers 14). En er is ook nog een altaar in Beth-El (vers 15 en 16). En ook in het noordelijke rijk zijn ook nog hoogten waar afgoden worden aanbeden (zo staat in vers 19 en 20). Wat blijkt? Alles wat aan de buitenkant zo mooi leek, was nog maar ten dele, was nog onvolledig. Er was nog heel veel verborgen zonde.

Is dat ook nu niet zo? Als we in eigen kracht ons leven restaureren? We ruimen heel veel op, vooral wat zichtbaar is. Maar wat blijft er nog veel over, wat misschien niet zo opvalt, wat anderen misschien niet zien… Maar als God het licht van die oude boekrol, van Zijn wet laat vallen op ons leven, dan wordt bekering radicaal. Dan blijft het niet bij restauratie van het uiterlijk alleen. Ook minder opvallende zonden, verborgen zonden gaan er aan.

Als we verder lezen in hoofdstuk 23 (vers 21) dan zien we uiteindelijk nog een vierde vrucht. Josia geeft bevel aan het hele volk: Houdt de HEERE, uw God, Pascha, gelijk in dit boek des verbonds geschreven is.

De wet ging spreken. Zonde werd zonde. Ja, en dan kan het niet anders, dan gaan we breken met al onze zonden. Maar dan…? Hoe moet het dan verder? Wie kan de prijs van zoveel zonde en schuld betalen? Hoe komt het nu weer goed tussen God en ons? Hoe? Dat kan alleen door God Zelf!

De naam Josia betekent ook letterlijk: de HEERE geeft, Jehova geneest. Het kan niet door de weg van zelf ons eigen leven restaureren. Het kan alleen door de weg van het Pascha. Waar als het ware met grote letters boven geschreven staat: “de HEERE geeft, Jehova geneest!” Het kan alleen door de weg van het Pascha, door de dood van het paaslam. Het paaslam moet geslacht worden… Ineens blikt alles in deze geschiedenis vooruit naar de komende, grote Koning Josia: Jezus Christus. God geeft. God zal Zelf voor een lam zorgen, en Hij heeft voor een Lam gezorgd. Voor een Lam ten brandoffer: zijn eigen, liefste Zoon Jezus Christus.

Maleachi heeft geprofeteerd van Zijn reformatie, van de reformatie van die komende Koning Josia, Jezus Christus: Hij zal het huis van Juda en Levi reinigen, louteren, Hij zal alle afgoderij wegdoen en echt herstel brengen. En Johannes de Doper heeft van Hem geprofeteerd: Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren. En daarna zal (zo heeft Daniel geprofeteerd): de Messias Zelf uitgeroeid worden. Daarna zal het Lam geslacht worden. Maar het zal niet voor Hemzelf zijn.

Juda en Jeruzalem zullen rechtvaardig uitgewist worden. Het oordeel is onafwendbaar. En koning Josia buigt mee onder dat rechtvaardige oordeel: ‘Heere u bent rechtvaardig. Want wij hebben u op het hoogst misdaan en zijn van het heilspoor afgegaan. Het zou rechtvaardig zijn als U ons los zou laten, als ook wij in dat oordeel zouden moeten omkomen’. Hij buigt onder het oordeel, gebroken van hart en verslagen van geest. Hij breekt met al zijn zonden. Niet omdat hij denkt dat hij daar beter van zal worden, maar omdat God, de heilige en rechtvaardige God weer op de eerste plaats in zijn leven staat. En dan is het die God Zelf, die in het leven van Josia een deur van hoop gaat openen, en zijn ogen (en de ogen van zulke zondaars) gaat richten op het Lam, op het Paaslam. Op het Lam dat geslacht is om een eeuwige verzoening aan te brengen voor mensen die alles verzondigd hebben.

In de spiegel van de wet zagen we de grootheid van ons kwaad. In het restaureren van ons leven vonden we geen uitweg. En zo dreef de wet ons verder, weg van onszelf, van onze eigen pogingen, naar het Lam, naar Christus.

Maar als dan de Heilige Geest onze ogen richt op de spiegel van het Paaslam, wat gaat er dan een ruimte van verzoening open in dat bloed. Christus heeft een volkomen verzoening aangebracht door Zijn bloed.

Zesentwintig jaar is Josia ondertussen. Succesvolle twintiger… Succesvolle twintigers, heb je ook al zo voor God gebogen? Heb je ook al zicht gekregen op je eigen onmogelijkheid? Heb je ook al zicht gekregen op het bloed van het Lam?

U, ouderen? Jullie, jongeren? Gebroken van hart, vernederd voor God?

Zie het Lam Gods. Wat bij Hem alleen is verzoening voor de grootste van de zondaars.

Amen.

Slotzang Psalm 80:11:

Behoud ons, HEER der legermachten, Zo zullen w' ons voor afval wachten; Zo knielen w' altoos voor U neer. Getrouwe Herder, breng ons weer; Verlos ons, toon ons 't lieflijk licht Van Uw vertroostend aangezicht.