PREEK · KERKELIJK JAAR

Wilde kolokwinten, dood in pot (Elisa 6) - 2 Koningen 4

Biddag - 11 oktober 2023

2 Koningen 4:39: Toen ging een uit in het veld om moeskruiden te lezen, en hij vond een wilden wijnstok en las daarvan zijn kleed vol wilde kolokwinten, en kwam en sneed ze in den moespot, want zij kenden ze niet.

INLEIDING

Op deze biddag klinkt uit 2 Koningen 4 dat eigen kracht giftige soep oplevert: wie zelf kookt, zoals de profetenzoon met zijn kolokwinten, brengt de dood in de pot, want dat is het gevolg van de zonde. Alleen als Elisa er meel bijdoet, wordt het goed - een beeld van Christus, het vermalen Tarwegraan. Ook bij de twintig gerstebroden voor honderd mannen blijkt: wie op de Heere vertrouwt, houdt over naar Zijn woord. Zo leert de mens leven van Gods belofte, niet van brood alleen.

THEMA

Soep met brood

KERNPUNTEN

  1. Zelf gekookt
  2. Van God gekregen

2 KONINGEN 4:38-41

38 Als nu Elísa weder te Gilgal kwam, zo was er honger in dat land, en de zonen der profeten zaten voor zijn aangezicht; en hij zeide tot zijn jongen: Zet den groten pot aan en zied moes voor de zonen der profeten.
39 Toen ging een uit in het veld om moeskruiden te lezen, en hij vond een wilden wijnstok en las daarvan zijn kleed vol wilde kolokwinten, en kwam en sneed ze in den moespot, want zij kenden ze niet.
40 Daarna schepten zij voor de mannen op om te eten. En het geschiedde als zij aten van dat moes, dat zij riepen en zeiden: Man Gods, de dood is in den pot. En zij konden het niet eten.
41 Maar hij zeide: Brengt dan meel. En hij wierp het in den pot, en hij zeide: Schep voor het volk op, dat zij eten. Toen was er niets kwaads in den pot.

VOLLEDIGE TEKST

Wilde kolokwinten, dood in pot (Elisa 6) - 2 Koningen 4

ds. J. IJsselstein - 2 Koningen 4:39

THEMA

Soep met brood

LITURGIE

Psalm 81:12 HC Zondag 50

Lezen Psalm 90:9

Lezen 2 Koningen 4:38-44

Psalm 34:4,9,10,11

Psalm 127:1,2

Psalm 33:10,11

Jongens en meisjes, is de Heere er alleen voor je hart of ook voor het gewone leven? Is Hij er ook voor eten en drinken, voor school en werk, voor het gezin thuis? Is het verkeerd om, zoals we dat op deze dag doen, te bidden voor de dingen van het gewone, tijdelijke leven? Voor eten en drinken, voor gezondheid, voor hulp bij leren op school en bij werken? Je zegt: ‘nee, dat is niet verkeerd, maar het gaat vooral om een nieuw hart! Dat zegt de Bijbel toch: zoek eerst het koninkrijk van God, en dan zullen al die andere dingen je toegeworpen worden?’ Ja, dat is waar. Maar heb je er wel eens aan gedacht dat de Heere Jezus ons eerst leerde bidden (wat zojuist is voorgelezen uit de catechismus): ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’ en daarna pas: ‘En vergeef ons onze schulden?’ Dus: de Heere bemoeit zich wel zeker met ons dagelijkse leven!

Dat zie je ook overduidelijk bij de geschiedenissen van de profeten Elia en Elisa. Heel veel dingen die gebeuren, heel veel wonderen die zij te doen hebben te maken met het gewone leven, met eten en drinken.

Over twee van die wonderen met eten en drinken, die de God van Elisa deed, gaat vanmorgen/-middag op deze biddag de preek. Het gaat over een maaltijd, over soep met brood. Dat is ook het thema van de preek, zo heet de preek: Soep met brood. Dat kunnen jullie vast allemaal goed onthouden: Soep met brood.

Boven het eerste deel van de preek zetten we, dat is ons eerste punt:

1. Zelf gekookt.

We lezen samen nog een keer wat staat in 2 koningen 4: 38-41. Probeer in je eigen Bijbeltje maar mee te lezen. Als nu Elisa weder te Gilgal kwam, zo was er honger in dat land, en de zonen der profeten zaten voor zijn aangezicht; en hij zei tot zijn jongen: Zet den groten pot aan, en zied moes voor de zonen der profeten. Toen ging er een uit in het veld, om moeskruiden te lezen, en hij vond een wilden wijnstok, en las daarvan, zijn kleed vol

wilde kolokwinten, en kwam, en sneed ze in den moespot; want zij kenden ze niet. Daarna schepten zij voor de mannen op om te eten; en het geschiedde, als zij aten van dat moes, dat zij riepen en zeiden: Man Gods, de dood is in den pot! En zij konden het niet eten. Maar hij zei: Brengt dan meel; en hij wierp het in den pot; en hij zei: Schep voor het volk op, dat zij eten. Toen was er niets kwaads in den pot.

Er is honger in Israël. Zeven jaar heeft die honger uiteindelijk geduurd. Die honger was een straf van de Heere, omdat het volk Israël niet meer de Heere God diende, maar de afgoden. Vooral de afgod Baäl. In die tijd komt de profeet Elisa samen met zijn knecht Gehazi in het plaatsje Gilgal. Elisa geeft daar les (dat staat in vers 38) aan de ‘zonen van de profeten’. Dat zijn de leerlingen, de studenten van de profetenschool. Wij zouden zeggen: de studenten van de domineesschool. Het valt trouwens op dat niet alleen het volk Israël honger heeft, maar ook zij, de profetenzonen hebben honger. Heb je dan als kind van God niet altijd heel veel? Ben je dan niet altijd rijk en gelukkig? Ja, je bent wel altijd (diep in je hart) heel gelukkig, maar je bent niet altijd rijk wat geld betreft, en je voelt je ook niet altijd blij en gelukkig. Zo zijn er ook nu in deze tijd kinderen van God die honger hebben, die verdriet hebben, die vervolgd worden. Dit zijn ook kinderen van God, en ze hebben honger.

Maar, zegt Elisa in vers 38 tegen zijn knecht Gehazi: ‘Zet de grote pot aan’. Zet die grote pan op het vuur, want we gaan groente koken, we gaan eten. Je zou er bijna overheen lezen, maar niet doen! Hier blijkt iets van het geloof van Elisa. Er is honger, er is geen eten. Maar, zo zegt hij: Zet de pan maar op het vuur, de grote pan!

Want? Want Elisa gelooft dat de Heere zal zorgen. Zoals we dat toch samen ook gezongen hebben: Alles wat u ontbreekt, schenk Ik (zegt de Heere) als u het smeekt, mild en overvloedig!? Dus: De grote pan op het vuur! Want als de Heere zorgt, dan krijg je veel, dan krijg je heel veel, dan krijg je overvloed. Elisa verwacht het van God.

Maar als je het van de Heere verwacht, dan moet je wel je werk doen. Dus wordt een van de studenten op pad gestuurd: ‘Ga alsjeblieft kruiden, moeskruiden, groenten zoeken.’ En zo gebeurt het. Die man gaat groente zoeken. En hij vindt uiteindelijk (zo staat in vers 39) een wilde wijnstok. Hij snijdt de vruchten er af en doet ze in zijn kleed. Wij zouden zeggen: hij doet ze in een plastic zak. Heerlijke, verse soepgroenten. Ja, dat denkt hij, maar het zijn wilde kolokwinten. Kolokwinten dat zijn een soort kleine pompoenen, een soort kleine kalebassen, een soort augurken, een soort wilde appeltjes. Ze zijn heel bitter. En als je ze opeet, ga je er heel erg van aan de diarree. En uiteindelijk kun je er heel erg ziek van worden.

Maar zij koken er soep van. Echte mannen trouwens. Niemand neemt onder het koken even een klein hapje om te proeven. Nee, zegt Matthew Henry de bekende bijbeluitlegger: deze mannen hebben ook geen verstand van koken, ze hebben meer verstand van theologie dan van biologie. Je zegt: Maar dat geeft toch niet, want de Bijbel is het allerbelangrijkste! Ja, dat is waar, maar gezond eten is ook belangrijk. Zij koken vergif en hebben het niet in de gaten. Ze koken de soep en zetten die op tafel.

Maar dan, als de soep wordt opgeschept en ze een eerste hap nemen, dan spugen ze het uit! Dit is fout, dit is bitter, dit is vergif! En ze roepen: ‘Man Gods, Elisa, de dood is in de pot!’ Dit is vergif! Dit is echt niet te eten! Je ziet in gedachten de kok al voor je. Die heeft uren gekookt en geroerd. En nu al die zure gezichten, al die boze blikken… Zo kan het nog weleens zijn. Een profetenzoon, een jonge dominee zit uren te zwoegen aan zijn preek. En dan? De mensen spugen het uit: ‘Bitter, bah, dat lusten we niet!’ We dachten dat het een hele goede kok zou zijn, maar nu we dit proeven… Zo kan het ook wel zijn op je werk, bij je studie of op school. Je doet heel erg je best, je werkt heel hard. Maar aan het eind is het toch niet goed gelukt. Je hebt een laag cijfer. En de meester of je juf kijkt je zuur aan. Of, je hebt uren tijd besteed aan vrijwilligerswerk en ook dit seizoen hoop je weer veel te doen voor anderen in of buiten de kerk. Maar soms zijn de reacties zuur, bitter en ondankbaar. Je hebt als moeder je best gedaan om te koken en heerlijk eten op tafel te zetten, maar dan, die zure gezichten: ‘Bah, mam, we lusten het niet...’

Heeft het wel zin om te preken, om te werken, om te studeren, om anderen te helpen, om iedere dag lekker te koken? En dan zingen we ook nog: Vergeefs op bouwen toegelegd? Denkend aan wat hier gebeurt, zou je kunnen zeggen: Vergeefs gekookt! Het bleek bitter, het bleek vergif! Dus? Dan maar stoppen? Het heeft toch allemaal geen zin. Nee, even verder lezen. In vers 41 staat: Maar hij zei: Brengt dan meel; en hij wierp het in den pot; en hij zei: Schep voor het volk op, dat zij eten. Toen was er niets kwaads in den pot.

Het valt trouwens op dat de man Gods, de grote profeet Elisa, tegen deze profetenzoon niet zegt: ‘Wat heb jij nu gedaan? Dit is helemaal verkeerd! Hier klopt helemaal niets van! Deze soep is bedorven! Daar zit de giftige kruiden in en geen gezonde kruiden! Geen zout ook, en de smaak is bitter!’ Nee, de Heere is mild en vriendelijk voor Zijn kinderen en knechten. Veel vriendelijker dan ze vaak tegen elkaar zijn.

Elisa zegt: ‘Ik doe er meel bij.’ Meel, zoals het meel waar je brood of pannenkoeken van kan bakken. En toen was het kwaad weg. Toen was die giftige, bittere soep ineens anders. Toen werd die soep goed. Zoals soep moet zijn: een heerlijke, lekkere soep.

De Heere maakt het goed. Wat zal die kok, die vast een kleur kreeg van schaamte toen iedereen begon te roepen, verwonderd geweest zijn. Wat had hij een blunder gemaakt. Maar de Heere maakt het goed.

Je zegt: ‘Dat is een mooi verhaal, maar waarom staat deze geschiedenis eigenlijk in de Bijbel? Wat betekent dat voor ons? Wat heeft dat ons te zeggen?’

Deze geschiedenis laat ons vooral zien, dat als wij de dingen zelf, als wij de dingen alleen gaan doen, dat het dan echt fout gaat! Als je vertrouwt op jezelf, op je eigen kookkunst, op je eigen preken, op je eigen catechisatielessen, als je vertrouwt op je eigen werk op school, op je eigen gezondheid (al ben je groot en sterk), als je vertrouwt op je eigen inzet en prestaties, dan gaat het echt fout! Wat wij maken, de soep die wij koken, dat is vergif!

Hoe komt dat? Dan moet je terugdenken aan het paradijs. Daar is het begonnen, dat vergif. Want dat deze profetenzoon kolokwinten, bittere appeltjes vindt, dat die daar groeiden op het veld, dat was vanwege de zonde. Immers de straf op de zonde was dat de aarde doorns en distels zou voortbrengen, en dus ook… giftige kolokwinten. Door de zonde van Adam, onze eerste vader, is ‘de dood in de pot’ gekomen. En dat bitter, dat vergif, is vervolgens overal in doorgedrongen: in ons werk, in onze vriendschappen, in ons schoolwerk, in onze kerk, maar vooral in ons hart. En dus geldt sindsdien van dat alles, maar vooral van ons hart: De dood is in de pot! En je kunt proberen wat je wilt, om de soep lekker te maken, maar: het mislukt! Het is en blijft een grote pot met giftige soep.

Alleen het meel van Elisa… Als de Heere God met Zijn almacht, met Zijn grote kracht Zich er als het ware in mengt, alleen dan komt het goed. Dus, jongens en meisjes: we hebben de Heere nodig. Voor een nieuw hart. Om die giftige soep vanbinnen, hier in ons hart, gezond te maken. Voor een nieuw hart. Maar ook voor het komende seizoen, voor allerlei andere dingen: om te eten en te drinken, om naar school te gaan, om te leren en te studeren, in vriendschap en relaties, in alles! Dat zegt de psalm toch ook: ‘Vergeefs op bouwen toegelegd. Mislukt, als je zelf de soep kookt, behalve… als God de stad bouwt. Behalve als de Heere meel mengt door de soep. Dan gaat het wel goed, dan is alles niet tevergeefs!’

Meel. Waar doet je dat aan denken? Meel komt van een tarwekorrel. Weet je Wie er in de Bijbel bij een tarwekorrel vergeleken wordt? De Heere Jezus. Hij wordt vergeleken bij een tarwekorrel, die in de weg van Zijn lijden en sterven vermalen is tot meel. Onder de molensteen van de toorn van God is het hemelse Tarwegraan vermalen. Tot meel. Opdat er voor verloren zondaars een weg gebaand zou

zijn, om…., om verlost te worden van dat giftige hart. Van dat hart waarvan geldt: de dood is erin! Vermalen tot meel. En van meel maak je brood. Daarom noemt Hij Zichzelf ook het Brood des levens.

In onze pot, in ons hart, in ons leven is de dood. Alleen het meel van de gestorven Tarwekorrel, alleen het Brood des levens, de Heere Jezus Christus, kan die giftige pot vol kolokwinten (hier vanbinnen, in ons hart) heel maken: levend en gezond.

Dus, jongens en meisjes, je hebt het werk van de Heere nodig voor je hart. Zoek eerst het koninkrijk van God. Vraag de Heere veel en steeds weer, ook in het komende seizoen, om een nieuw hart. Maar je hebt ook het werk van de Heere, het meel in de pot, het werk van de Heere Jezus, nodig voor het leven van iedere dag. Want als je denkt dat je zelf kunt koken, dan komt er helemaal niets van terecht. Dan heb je misschien wel een grote pot vol met spullen, kennis, geld, of wat dan ook…, maar het is allemaal vergif. Alleen als de Heere het goed maakt, als de Heere je helpt, thuis, op school en overal, dan alleen gaat het goed. We gaan daar nu eerst samen van zingen uit Psalm 127:1,2:

Vergeefs op bouwen toegelegd; Vergeefs, om 't huis voltooid te zien, Gezwoegd, gezweet, o arbeidsliên, Zo God Zijn hulp aan 't werk ontzegt. Vergeefs, o wachters, is uw vlijt, Zo God niet zelf de stad bevrijdt.

Vergeefs van 's morgens vroeg geslaafd Tot 's avonds, en het brood der smart Gegeten, met een angstig hart; Vergeefs den gansen dag gedraafd; God geeft het, hoe een ander schraap', Dien Hij bemint, als in den slaap.

Het gaat in de biddagpreek van vanmorgen/-middag over soep met brood. Het eerste punt was: Zelf gekookt. En de les was: vertrouw niet zoals Gehazi, zoals de kok op jezelf, op je eigen kracht, of kennis en kunde. Want je kunt het nieuwe seizoen alleen maar in met het meel van de Heere Jezus, met de kracht van de Heere, met de God van Elisa. Die in geloof zei: ‘Zet de grote pan maar op het vuur’. En nu is er heerlijke soep, voor iedereen. En, zeg je: ‘Bij soep hoort brood…’ Ja, dat klopt, maar er is honger. En dus is er geen brood. Het wordt een één-gangenmenu.

Ons tweede aandachtspunt is:

2. Van God gekregen.

We lezen met elkaar verder in 2 Koningen 4. Ik lees verder in vers 42: En er kwam een man van Baäl-Salisa, en bracht den man Gods broden der eerstelingen, twintig gerstebroden, en groene aren in haar hulzen; en hij zei: Geef aan het volk, dat zij eten. Doch zijn dienaar zei: Wat zou ik dat aan honderd mannen voorzetten? En hij zei: Geef aan het volk, dat zij eten; want zo zegt de HEERE: Men zal eten en overhouden. Zo zette hij het hun voor, en zij aten, en zij hielden over, naar het woord des HEEREN.

Er is niet alleen gewoon een beetje honger, er is heel erge honger! Misschien dat ze daarom zo aanvielen op die soep, die ze van tevoren niet eens geproefd hadden. De honger is sterk, de honger is erg. Hoe weet ik dat, dat de honger erg was? Nou, er komt een man uit het plaatsje Baäl-Salisa, en die komt broden van de eerstelingen brengen. Nieuwe broden. De eerste vrucht van het land, gerst of tarwe, die at je nooit zelf op, die was voor de priesters. Maar ja, de priesters zijn priesters van Baäl geworden. En dus komt deze man ze brengen bij de man Gods, bij de profeet Elisa. Eindelijk is er weer een beetje brood. Maar dat betekent natuurlijk ook, dat net daarvoor de honger juist op zijn ergst was, op zijn hoogtepunt! Maar gelukkig, nu is er weer wat brood: twintig bolletjes gerstebrood en ook nog wat aren, van die stengels met de gerstekorrels er nog in. Twintig bolletjes. Geen grote broden waarschijnlijk, maar kleine bolletjes. Want de honger was nog steeds groot.

Trouwens, dat die man die gerstebroodjes komt brengen, dat heeft ons op deze biddag wel wat te zeggen. Het was een tijd van grote schaarste. Er was heel veel gebrek. De honger was sterk. En nu eindelijk is er weer wat brood. En waar brengt die man dat heen? Naar de man Gods Elisa. Wij zouden zeggen: naar de kerk. ‘Als ik wat over heb…, maar ik moet eerst even goed te rekenen…’ Nee, de eerste, grote gift van deze man, in een tijd van crisis, in een tijd van honger, is voor de kerk.

En dan…, dan zie je weer het verschil tussen de ongelovige knecht Gehazi en de gelovige profeet Elisa. Elisa zegt: ‘Dank u wel, geef het aan de mannen, dat zij ervan eten’. Maar Gehazi zegt: ‘Wat weinig! Dit is niet genoeg hor, want we zijn met honderd man!’ Maar nee, zegt Elisa in vers 43: Geef aan het volk, dat ze eten. Want alzo zegt de Heere: men zal eten en overhouden.

Wij zouden denken: Elisa, waar leef je nu van? (Trouwens, waar leeft u van?) Elisa, wat maakt je nu zo gerust? Je ziet toch dat twintig broodjes niet genoeg is voor honderd mannen? Weet je wat het is, wat Elisa zo gerust maakt? Dat zijn die paar woorden: Alzo zegt de HEERE. Wat zegt de Heere dan? Dat Hij zorgen zal.

Als je naar beneden kijkt, zoals Gehazi (die telt: 20 voor 100, dat is te weinig!), als je naar beneden kijkt, dan heb je altijd te weinig. Maar als je naar boven kijkt, zoals Elisa, en op de Heere vertrouwt, dan…? Dan heb je altijd teveel? Dan heb je altijd geld? Dan heb je altijd genoeg te eten? Nee, dan heb je als kind van God altijd ‘het woord van de Heere’: het woord van Zijn belofte, namelijk dat Hij zorgen zal.

Als je je nu afvraagt: ‘Maar, hoe zorgt de Heere dan voor Zijn volk?’, dan moet je denken (en je moet het thuis maar eens rustig nalezen, misschien vanavond aan tafel na het eten) aan de geschiedenis van die andere profeet: Mozes. Het staat in Deuteronomium 8. Vraag maar of pappa of mamma het straks aan tafel voorleest. Daar, in Deuteronomium 8, daar zegt Mozes tegen Israël: ‘Nu moet u, volk van Israël, eens terugdenken. (En dat moet u vandaag ook eens doen). U moet eens terugdenken aan al die wegen, die u de Heere, uw God, in deze 40 jaar in de woestijn geleid heeft. Want? U had altijd heel veel voorraad? Want? Wij hebben de diepvriezer, de koelkast en de bankrekening altijd helemaal vol? Genoeg werk, genoeg eten en drinken, geld en kleding? Zou dat goed geweest zijn voor Israël? Zou dat goed zijn voor ons? Je zegt: ‘Het zou wel fijn zijn, als ik alles wat ik wil hebben van de Heere zou krijgen’. Ja, maar de Heere zegt: ‘Dat is misschien wel fijn voor jou, maar het is niet goed voor je’.

Ik wil je graag (en dat staat in Deuteronomium 8), ik wil je graag verootmoedigen. Ik wil je hart klein maken en klein houden, zodat je steeds weer naar Mij toekomt om te vragen en te bidden. En ik wil je verzoeken, om te weten wat in je hart is, of je Mijn geboden zult houden of niet. De Heere zegt: ‘Ik wil graag zien of het je echt om Mij gaat, of je echt van Mij houdt. Of dat je alleen maar bidt en naar Mij luistert om de dingen die Ik voor je doe, alleen omdat je zoveel moois van Mij krijgt. Gaat het je echt om Mij? Of gaat het je alleen maar om Mijn spullen, om Mijn zegeningen?’

En wat deed de Heere toen met het volk Israël? Mozes zegt: ‘Hij (de Heere) verootmoe- digde u en liet u hongeren…’ Honger uit Gods hand. God liet de honger komen. Moeilijke dingen, nare dingen, verdriet en honger, het komt allemaal van de Heere. Maar, er staat nog iets bij: ‘En Hij spijsde u, Hij gaf u te eten, van het manna’. Iedere dag mocht u manna van de grond oprapen om daar brood van bakken. En (nog even goed luisteren), waarom deed de Heere dat zo? Mozes zegt: ‘Opdat Hij u bekendmaakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit des HEEREN mond uitgaat’.

Van brood alleen kan je niet leven. Je kan alleen leven ‘van alles wat uit de mond van de Heere uitgaat.’ Wat gaat er uit je mond? Wat gaat er uit de mond van de Heere? Woorden. De woorden die Hij zegt.

Dus zegt Mozes eigenlijk: ‘Je kan leven van het Woord van God. Daar blijf je van leven’. Van dat wat Elisa zegt: ‘Alzo zegt de HEERE. Van Zijn Woord. Daar kan je van leven. Maar, zeg je: ‘Hoe kan je nu leven van woorden? Die kan je toch niet opeten? Je kan de Bijbel toch niet opeten?’

Weet je hoe dat ging, destijds? Loop maar even in gedachten mee, met zo’n Israëliet. Het brood van gisteren is weer op. Wij zouden zeggen: ‘Vanmorgen heeft hij nog gebeden: Geef ons heden ons dagelijks brood.’ Maar ja, het brood is wel op. De broodtrommel is leeg. Hij moet vandaag weer manna zoeken, buiten het leger, buiten het tentenkamp. Ja maar, als er nu eens niets ligt? Als het nu eens op is? ‘Nee’, zegt de gelovige Israëliet, ‘Het is niet op! Ik zie het nog wel niet liggen, ik moet het nog gaan zoeken, maar één ding is er al wel: het woord van de Heere! De Heere heeft het beloofd. En dus zal Hij voor me zorgen’.

Je kunt, en dat is een grote troost voor al Gods kinderen, ook en vooral als het leven op aarde moeilijk is, je kunt leven van het woord van de Heere. Van de zorg van de Heere, die Hij Zelf beloofd heeft. Ook al lijkt alles misschien wel anders te gaan dan gedacht: Je ziet geen brood, je ziet geen mooie cijfers, je hebt geen goede gezondheid, je hebt geen werk, maar: daar is het woord van de Heere.

Kinderen van God, u mag (al is het leven nog zo moeilijk door rouw, verdriet, eenzaamheid, ziekte en pijn), u mag leven van het woord van de Heere. Denkt u maar aan wat Jeremia gezegd heeft: Als uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten. En Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten. Dan mag je, hoe het ook tegenloopt, gestadig op Gods goedheid hopen. De goedheid van Hem, die het tot Zijn spijs had (het was Zijn eten), om te doen de wil van Zijn Vader in de hemel.

U kunt verder, u kunt leven van de zorg van de Heere, van de belofte, van het woord van de Heere: ‘Wees niet bezorgd, Ik zorg voor u’. Zelfs in tijden van honger. Zelfs als je alleen maar tekort en gebrek hebt. En ook als je in de kast kijkt en je ziet wel heel veel voorraad. Ook dan weet je: Ik heb het allemaal gekregen, omdat de Heere beloofd heeft voor me te zullen zorgen.

Geeft God dan altijd, ook in het komende seizoen, heel veel? Krijg je dan van de Heere altijd alles wat je denkt dat je nodig hebt? Nee, soms hebben zelfs de profetenzonen honger. Maar als de Heere zegt (‘het woord van de Heere’), als de Heere dan zegt dat dat wat tekort is (20 broodjes voor 100 mannen) genoeg zal zijn, ja, meer dan genoeg, dan zal het ook zo zijn! Omdat God het beloofd heeft. Zo staat het ook in vers 44: Zo zette hij het hun voor en zij aten, en zij hielden over (en dan komt het) naar het woord des HEEREN.

Dat doet nog één keer aan iets anders denken. Elisa is een beeld, een type van de grote profeet: de Heere Jezus Christus. Hij was veel groter dan Elisa. In zijn tijd was er ook zo’n Gehazi, zo’n Andreas. Die zei: ‘Hier is een jongen die vijf broden heeft en twee vissen, maar… dat is niet genoeg voor zoveel mensen.’ En toen voedde de Heere geen honderd mannen, maar vijfduizend! En toen bleef er niet iets over, maar heel erg veel! Maar daarna zei de Heere (en dat is geen toeval!): Werk niet voor de spijs die vergaat, voor de dingen van nu die voorbijgaan. Maar om het brood dat blijft. Niet om het gewone manna, maar om het Brood des levens. En dat (zei de Heere Jezus) ben Ik.

Je kunt jagen naar alles van de wereld van nu, maar je krijgt steeds weer honger. Je buik zit vol met eten, maar even later heb je weer trek. Alles van de wereld geeft je steeds weer het gevoel: Ik mis iets, ik wil meer. Vandaag koop je een mooi ding, morgen ben je er blij mee, maar overmorgen denk ik: Ik wil dat ook… Wat van de wereld is, is nooit genoeg!

Maar, de Heere Jezus zei tot hen: Ik ben het brood des levens. Die tot Mij komt, zal geenszins hongeren en die in Mij gelooft zal nimmermeer dorsten (Johannes 6:35). Als je de Heere Jezus kennen mag, als je in Hem geloven mag, als je Zijn eigendom mag worden, dan ben je pas echt werkelijk gelukkig. Dan zal je nooit meer echt dorst hebben, dan zal je nooit meer echt honger hebben. Want dan is het diepste verlangen van je hart vervuld. Omdat het weer goed geworden is met God, omdat er weer vrede is met God in de hemel.

Bid daarom, jongens en meisjes, iedere dag om je dagelijkse brood. Denkend aan de belofte van de Heere, dat Hij iedere dag manna geven zal. Maar, zoek eerst het koninkrijk van God, zoek eerst het Brood des levens, zoek eerst de Heere Jezus Christus te kennen als de Zaligmaker van je hart. Dan zal je alles krijgen wat de Heere goed voor je vindt. Soms is dat honger, soms is dat verdriet. Om ons klein te maken, om te kijken of het ons echt om Hem te doen is, om ons te laten verlangen naar Hem, het Brood des levens. En op andere momenten maakt Hij met Zijn meel onze bittere soep tot een heerlijke maaltijd. En zorgt de Heere ervoor dat er brood genoeg is.

Want dit is het woord van de HEERE voor ieder die Hem vreest: Mijn machtige arm beschermt de vromen Ik red hun zielen van de dood. Ik zal hen nimmer om doen komen In dure tijd en hongersnood.

Want, zo zegt de Heere, door de mond van Jesaja (33:16), tot ieder die op Hem vertrouwt: Zijn brood wordt hem gegeven, zijn wateren zijn gewis.

Amen.

Slotzang Psalm 33:10,11

Zijn machtig' arm beschermt de vromen, En redt hun zielen van den dood; Hij zal hen nimmer om doen komen In duren tijd en hongersnood. In de grootste smarten Blijven onze harten In den HEER gerust; 'k Zal Hem nooit vergeten, Hem mijn Helper heten, Al mijn hoop en lust.

Laat ons alom Zijn lof ontvouwen: In Hem verblijdt zich ons gemoed, Omdat wij op Zijn naam vertrouwen, Dien Naam, zo heilig, groot en goed. Goedertieren Vader, Milde zegenader, Stel Uw vriend'lijk hart, Op Wiens gunst wij hopen, Eeuwig voor ons open; Weer steeds alle smart.