PREEK · KERKELIJK JAAR

Elisa en zijn knecht in Dothan – 2 Koningen 6

Biddag - 8 maart 2023

2 Koningen 6:16: En hij zeide: Vrees niet; want die bij ons zijn, zijn meer dan die bij hen zijn.

INLEIDING

Kinderpreek voor biddag. Koning Benhadad vermoedt verraad, maar het is Elisa die door God alles weet. Zijn knecht schrikt van het omsingelende leger; Elisa blijft rustig: 'die bij ons zijn, zijn meer.' Hij bidt of de knecht mag zien, en de Heere opent zijn ogen: de berg vol vurige paarden en wagens. Elisa laat het vijandelijke leger blind naar Samaria leiden, waar koning Joram hun eten geeft in plaats van hen te doden — genade in plaats van verdiend oordeel. Toepassing: bid om geopende ogen en een nieuw hart.

2 KONINGEN 6:8-19

8 En de koning van Syrië voerde krijg tegen Israël, en beraadslaagde zich met zijn knechten, zeggende: Mijn legering zal zijn in de plaats van zulk een.
9 Maar de man Gods zond heen tot den koning van Israël, zeggende: Wacht u dat gij door die plaats niet trekt, want de Syriërs zijn daarheen afgekomen.
10 Daarom zond de koning van Israël heen aan die plaats waarvan hem de man Gods gezegd en hem gewaarschuwd had, en wachtte zich aldaar, niet eenmaal noch tweemaal.
11 Toen werd het hart des konings van Syrië onstuimig over dezen handel; en hij riep zijn knechten en zeide tot hen: Zult gij mij dan niet te kennen geven, wie van de onzen zij voor den koning van Israël?
12 En een van zijn knechten zeide: Neen, mijn heer koning; maar Elísa, de profeet die in Israël is, geeft den koning van Israël te kennen de woorden die gij in uw binnenste slaapkamer spreekt.
13 En hij zeide: Gaat heen en ziet waar hij is, dat ik zende en hem halen late. En hem werd te kennen gegeven, zeggende: Zie, hij is te Dothan.
14 Toen zond hij daarheen paarden en wagens en een zwaar heir, welke des nachts kwamen en omsingelden de stad.
15 En de dienaar van den man Gods stond zeer vroeg op en ging uit; en zie, een heir omringde de stad met paarden en wagens. Toen zeide zijn jongen tot hem: Ach, mijn heer! Hoe zullen wij doen?
16 En hij zeide: Vrees niet; want die bij ons zijn, zijn meer dan die bij hen zijn.
17 En Elísa bad en zeide: HEERE, open toch zijn ogen, dat hij zie. En de HEERE opende de ogen van den jongen, dat hij zag; en zie, de berg was vol vurige paarden en wagens rondom Elísa.
18 Als zij nu tot hem afkwamen, bad Elísa tot den HEERE en zeide: Sla toch dit volk met verblindheden. En Hij sloeg hen met verblindheden, naar het woord van Elísa.
19 Toen zeide Elísa tot hen: Dit is de weg niet en dit is de stad niet; volgt mij na, en ik zal u leiden tot den man dien gij zoekt. En hij leidde hen naar Samaría.

VOLLEDIGE TEKST

Elisa en zijn knecht in Dothan – 2 Koningen 6

ds. J. IJsselstein - 2 Koningen 6:16

LITURGIE

Psalm 84:1,2,3 Catechismus Zondag 9

Psalm 84:6

Lezen 2 Koningen 6:8-23

Psalm 34:2,3,4,6

Psalm 123:1

Psalm 124:1,2,3,4

‘Het is gewoon griezelig… Iedere keer maak ik plannen, om met mijn leger ergens naar toe te gaan… Maar iedere keer blijkt dat de koning van Samaria weet waar mijn mannen zijn… Hoe kan dat toch? En ’t gebeurt steeds weer. Niet één keer, niet twee keer, maar steeds weer (vers 8-10). Het is alsof ik geen geheimen heb…’

Eigenlijk heeft Benhadad (want zo heet die koning van Syrië waarschijnlijk), eigenlijk heeft hij gelijk. Hij denkt wel, dat hij geheimen heeft, dingen die niemand weet, maar dat is niet zo. Jij en ik, wij denken misschien ook wel, dat we dingen hebben die niemand weet, geheimen, maar de Heere weet alles. Hij ziet ons. Hij weet wat we willen. Hij weet wat we doen. Hij weet alles.

Maar koning Benhadad is er helemaal klaar mee! Hoe kan dat toch? Dat de koning van Samaria, koning Joram, steeds zijn plannen weet? Je ziet hem in gedachten voor je zitten. Aan een grote tafel. Met zijn knechten om hem heen. Een grote landkaart erbij… Maar dan ineens slaat hij met zijn vuist op tafel! ‘Het klopt gewoon niet! Er moet een spion, er moet een verrader zijn! Iemand die mijn geheimen verklapt aan de vijand! Hij ontploft. Hij zegt: ‘Wie van ons is er voor de koning van Israël (vers 11)? Wie verraadt ons?’

‘Eh…, niemand van ons, koning. Maar er is iemand anders. In Israël. Elisa, de profeet van de God van Israël. Die in Dothan woont. Die vertelt steeds weer aan koning Joram, wat u van plan bent.

Koning Benhadad snapt er niets van. Hij dient zijn eigen goden, maar die kunnen niet horen. Dus kennen ze zijn geheimen niet. Maar de God van Israël blijkbaar wel... Dat klopt ook, jongens en meisjes. De Bijbel zegt het ook: Voor de Heere is niets verborgen (Hebr. 4:13).

‘Ga hem halen, die Elisa, uit Dothan’, zegt de koning.

En zo gebeurt het. Koning Benhadad stuurt een leger met paarden en wagens (die zijn snel!) naar Dothan. En ‘s nachts omsingelen ze de stad. Aan alle kanten van de stad staan soldaten, wagens en paarden. Als Elisa daar echt is, dan kan hij geen kant op. Dan zit hij in de val. Dan kan hij echt niet ontsnappen.

’t Is nog heel vroeg in de morgen, als de knecht van Elisa - we weten niet hoe hij heet - wakker wordt en uit bed stapt. Maar als hij naar buiten kijkt, schrikt hij geweldig! ‘Wat? Oh! Overal soldaten, wagens en paarden!’ Soldaten, wagens en paarden, ze zijn in de Bijbel een beeld van vertrouwen op eigen kracht (Jes. 31:1). ‘Wat…, oh, wat kan één man (Elisa, nou ja, met hem erbij twee mannen), wat kunnen zij tegen zo’n groot leger?’

Hij loopt snel naar Elisa en zegt: ‘Ach mijn heer, hoe zullen wij doen’ (vers 15). ‘Wat nu, vader Elisa?’ Maar Elisa schrikt helemaal niet. Hij blijft heel rustig. Het lijkt alsof hij zeggen wil: ‘Ach jongen, waarom ben je zo geschrokken?’

Hoe komt het, dat zij zo verschillend reageren? De knecht van Elisa zo bang? En Elisa zelf zo rustig? Omdat de knecht van Elisa niet ziet, wat Elisa wel ziet. Niet dat hij blind is. Hij kan gewoon zien. Maar er is iets, wat hij niet ziet.

Net zoals de meesten van ons, gewoon wel kunnen zien. Maar sommige dingen zien we niet. We zien alle dingen om ons heen wel. Maar de dingen van de hemel, die zien we niet… We letten er ook niet op. We willen ze eigenlijk ook liever niet zien. We willen er eigenlijk liever niet aan denken…

We zien de Heere niet. Hij is overal. Maar daar denken we niet aan. Daar letten we niet op. We zien niet dat we ongehoorzaam zijn. En dat we de geboden van de Heere niet houden. We zien niet dat we hier op aarde maar een poosje leven. Maar dat we straks voor God moeten verschijnen. Dat ons lichaam hooguit zeventig, tachtig of negentig jaar wordt, maar dat ons hart, onze ziel voor altijd is geschapen. En we zien niet dat ons hart zondig is en verloren. En dus bidden we wel mee, als de meester of juf bidt, als pappa of mamma bidt, maar zelf vergeten we het vaak. We denken: we kunnen best zonder de Heere. Want we zien Hem toch niet.

Terwijl de Heere wel heel goed voor ons zorgt. Maar, dat vergeten we ook steeds weer. Dat we alles van Hem krijgen: eten, drinken en kleren. Dat Hij ons bewaart op de fiets naar school…

De meesten van ons kunnen gewoon zien. Maar al deze dingen zien we niet. Behalve, als je net als Elisa, een echt kind van de Heere mag zijn. Als je van de Heere een nieuw hart gekregen hebt. En ogen die alles zien. Ook al die dingen die je eerder niet zag.

‘Ach, mijn heer’, zegt de knecht van Elisa: ‘hoe zullen wij doen? Wat nu, vader Elisa?’ Maar Elisa schrikt helemaal niet. Hij blijft heel rustig. Het lijkt alsof hij zeggen wil: ‘Ach jongen, waarom ben je zo geschrokken? Al komen al die vijanden naar ons toe, we hoeven echt niet bang te zijn, hoor! Want… die bij ons zijn, zijn meer, dan die bij hen zijn (vers 16).’

‘Zij hebben (dat zie je, en daar ben je ook zo van geschrokken), zij hebben een heel groot leger. Maar wij hebben een nog veel groter leger…’ Zoals David vroeger zong in Psalm 34: De engel des HEEREN legert Zich rondom degenen die Hem vrezen, en rukt hen uit (Ps. 34:8). Hij redt ze! Of zoals staat in Psalm 46: God is ons een Toevlucht en Sterkte; Hij is krachtig bevonden een Hulp in benauwdheden, in gevaar (Ps. 46:2).

‘Hè…? Maar dat zie ik niet. Ik zie alleen maar soldaten!’ ‘Vrees niet, wees niet bang, jongen; want die bij ons zijn, zijn meer dan die bij hen zijn. God is bij ons, jongen. Met meer engelen, dan de soldaten die je ziet!’

Heel veel later gebeurt er weer iets, wat hier een beetje op lijkt. In Gethsémané. In het holst van de nacht. ‘t Is aardedonker... Als ineens een grote troep soldaten en andere mannen op de Heere Jezus afkomen. Hij kan geen kant op. Ze willen Hem gevangen nemen. En dan? Wat gebeurt er dan?

De Heere Jezus had kunnen doen, wat Elisa zometeen gaat doen. Bidden om hulp. Om hulp van engelen. De Heere Jezus zegt Zelf: ‘Ik zou Mijn Vader kunnen bidden om meer dan twaalf legers van engelen!’ Maar dat deed Hij niet. Hij liet Zich gevangen nemen. Omdat Hij wilde lijden en sterven voor de zonden van Zijn kinderen.

Jongens en meisjes, misschien zie je het niet. Maar die Heere Jezus heb je echt nodig. Om je zonden te vergeven. En om je weer terug te brengen bij de Heere.

Misschien denk je: ‘Ja, maar daar kan ik niks mee. Ik weet het wel. Maar het zegt me niks.’ Dat snap ik. Dat komt omdat je wel ziet, maar toch ook blind bent. Geestelijk blind. En dus, heb je hetzelfde nodig, als die jongen van Elisa. Die denkt: ‘Hè? Maar dat zie ik niet. Ik zie alleen maar soldaten!’

Elisa gaat voor zijn jongen bidden. Stilletjes in zijn hart. Zoals wij ook voor jullie, jongens en meisjes, bidden. Je pappa en mamma doen dat, de meester en de juf op school doen dat, en wij (de mensen van de kerk) doen dat ook.

Elisa bidt. Hij zegt: ‘HEERE, open toch zijn ogen, dat hij ziet (17)!’ Misschien hebben pappa en mamma, misschien hebben de meester en de juf, wel een nieuw hart van de Heere gekregen. Maar ze zijn niet zo sterk, dat ze dat ook aan jou kunnen geven. Zij kunnen jouw ogen niet opendoen. En zelfs de grote profeet Elisa kan dat niet.

En dus bidt hij stilletjes. Wat wij onder de preek ook altijd bidden: ‘HEERE, open toch de ogen van onze jongens en meisjes, dat ze zullen zien?’ ‘Laat ze toch zien, dat ze U kwijt zijn. Dat ze zoveel zonden hebben. Dat het zo goed is om met U te leven. Om van U te houden en om naar U te luisteren. Dat ze zo gelukkig zullen worden met een nieuw hart en met de genade van de Heere Jezus.’

‘En dat ze dan voor de toekomst niet bang hoeven te zijn. Omdat U voor alle dingen zorgt. Omdat er niets gaat gebeuren zonder dat U het wilt. En omdat U er dan (hoe het ook gaat, en wat er ook gebeurt) altijd bij bent en zorgt!’

En de Heere hoort en verhoort het gebed van Elisa. Zoals Hij ook onze gebeden hoort en verhoort. Kijk maar naar vers 17: En de HEERE opende de ogen van de jongen, dat hij zag. En zie, de berg was vol vurige paarden en wagens rondom Elísa. Vol engelen!

Zo bidden wij ook: ‘Heere, open de ogen van onze jongens en meisjes.’ En omdat de Heere niet veranderd is, daarom geldt het nog steeds: De Heere hoort en verhoort. Ook onze gebeden.

We gaan samen zingen uit Psalm 123:1: Ik hef tot U, Die in de hemel zit, Mijn ogen op, en bid; Gelijk een knecht ziet op de hand zijns heren, Om nooddruft te begeren, En 't oog der maagd is op haar vrouw geslagen, Om hulp of gunst te vragen; Zo slaan wij 't oog op onzen HEER’, tot Hij Ook ons genadig zij.

Jongens en meisjes, het is de Heere, en de Heere alleen, Die blinde ogen opent. Ik kan preken wat ik wil, pappa en mamma en de meester en de juf kunnen uit de Bijbel vertellen wat ze willen. Maar niemand kan jouw ogen open doen (jij ook niet), dan de Heere alleen.

En dus moet je bidden (zoals de blinde Bartimeüs bad): ‘Heere, mag ik ziende worden? Mag ik zien wie ik ben? Dat ik zo gezondigd heb tegen U? Mag ik zien Wie U bent? U wilt de zonde niet. U bent heilig. Maar wilt U me ook om de Heere Jezus wil al mijn zonden vergeven? Want U bent toch ook genadig!’

Van onszelf zijn we blind voor de dingen die het allerbelangrijkst zijn. Maar de Heere kan en wil onze ogen openen. En Hij wil dat zeker ook en vooral bij kinderen doen. Kijk maar in je Bijbeltje naar vers 17: De Heere opende de ogen van de jongen. Je ogen zijn misschien verblind door de glinsterende glitter van de wereld. Maar God is machtig om je ogen open te doen. En dat doet de Heere ook, op het gebed van Elisa, bij zijn jongen.

Ineens ziet hij, wat hij eerst niet zag! De berg, de hele berg is vol van vurige paarden en wagens. De paarden en wagens die hij ziet, zijn als vuur. Net als de wagens en de paarden die Elia meenamen naar de hemel. Het is een teken dat de Heere God om hen heen is. En als dat zo is (als de Heere bij je is), dan is er geen gevaar meer.

Het is een teken en bewijs dat de Heere Elisa en zijn jongen zal bewaren. Want de Heere bewaart Zijn kinderen en zorgt altijd voor ze. Ook al zien we dat niet altijd. Maar de Heere heeft het beloofd. En dus is het waar: Ik ben met u, al de dagen. Altijd! En Wie zegt dat? Wie is die Ik? Dat is de sterke God (Jes. 9:5).

Dus, jongens en meisjes, als je een nieuw hart hebt, dan hoef je voor de toekomst niet bang te zijn. Want dan is de Heere altijd bij je. Dan zal Hij altijd voor je zorgen. Voor alles en altijd. En, zegt Paulus: Als de Heere voor je is, wie zal dan tegen je zijn? Wie kan je dan nog kwaad doen? Niemand!

Dan mag je de Heere vandaag bidden (want het is vandaag biddag), voor nu en voor de komende tijd… Om? Als eerste om Zijn genade voor iedere dag. Om voor Hem te leven. En om ver van de zonde weg te blijven. En om vergeving van je zonden, als je die toch weer hebt gedaan. En natuurlijk, daarna ook om alles wat je nodig hebt, voor iedere dag. Voor eten en drinken, voor kleding, voor liefde thuis. En of de Heere je zal helpen in alle dingen die je moeilijk vindt.

Als de Heere om je heen is, zoals bij Elisa en zijn knecht, dan ben je heel gelukkig. Dan bidt je niet alleen vandaag. Maar dan bid je veel vaker. Omdat je niet zonder de Heere kan leven. En tegelijkertijd belooft de Heere je dan, dat Hij je nooit in de steek zal laten.

Maar…, als je nu nog geen nieuw hart hebt…? Hoe moet je dan verder…? Als je niet echt bidt? Als je niet echt van de Heere houdt? Als je niet echt met de Heere leeft? Kan je alles alleen doen? Kan je zelf zorgen voor alles wat je nodig hebt? Voor eten, drinken en kleren? Kan je zelf alle moeilijke dingen oplossen? Als je ziek bent? Als je verdrietig bent?

Nee, dat kan je niet. Dus? Wat moet je gaan doen? En wat moeten wij voor jou gaan doen? Bidden!

Jongens en meisjes, het is biddag. En deze dag heet zo, omdat bidden zo belangrijk is. Heb jij thuis een plekje om stil te bidden? Waar je stil op je knieën tegen de Heere vertelt hoe het is in je hart? En aan de Heere vraagt om vergeving? En om een nieuw hart? Waar je stilletjes in je hart mag weten: Nu ik bid, nu hoort de Heere mijn stem? Bid, jongens en meisjes, steeds weer, en je zult de Heere vinden!

Want bidden is het allerbelangrijkste. Zonder bidden, komt het nooit goed met je. Als je bidt wel. Als de Heere je leert bidden wel.

Elisa bidt, of zijn jongen mag gaan zien, wat hij eerst niet zag. Of hij mag gaan zien, dat de Heere bij hen is. En hij ziet het!

Maar Elisa bidt nog iets. Hij bidt ook of de vijanden om hen heen, iets niet zullen gaan zien. Of zij niet zullen gaan merken, dat hij Elisa is. En de Heere verhoort zijn gebed. Ze worden niet echt blind, alleen één ding zien ze niet: Dat hij Elisa is.

Elisa gaat naar ze toe: ‘Mannen, jullie zijn een beetje verkeerd. Ik zal jullie wel de goede weg wijzen. En jullie brengen bij de man die je zoekt (vers 19).’ En zo neemt Elisa ze mee, naar Samaria, naar de stad van koning Joram, naar het hol van de leeuw.

En daar bidt hij nog een keer: ‘HEERE, open nu hun ogen dat ze zien!’ (vers 20) En dan ineens zien ze het: Ze staan nu midden in de stad van de vijand. Ingesloten door de muur van de stad. En dus wordt dit hun dood. Dit zullen ze niet overleven!

Koning Joram zegt het ook: ‘Vader Elisa, zal ik ze doden?’ (vers 21) ‘Nee, natuurlijk niet’, zegt Elisa. ‘Als je iemand gevangen hebt genomen, mag je hem niet doden! (vers 22). Geef ze maar te eten, brood en water. En laat ze daarna naar huis gaan.’

En zo gebeurt het. Koning Joram maakt een grote maaltijd voor ze (vers 23). Het wordt zelfs een soort feestmaal! En daarna mogen ze weer naar huis.

Wie? De vijanden van Israël! Zegt de Heere dat ook niet in de Bijbel? Bid voor je vijanden. Heb ze lief. Geef ze te eten? (Rom. 12:20) En zo gebeurt het hier.

Bijzonder toch? Dat de vijanden van Israël niet gedood worden, maar eten krijgen en naar huis mogen. De Heere God wil dat koning Joram vriendelijk is tegen zijn vijanden. Want…? Want de Heere Zelf is ook vriendelijk voor Zijn vijanden.

En dus…, als je helemaal niks met de Heere hebt, als je helemaal niet van Hem houdt… Dan wil de Heere je niet doden. Maar dan wil Hij je ook helpen. Ook in het komende seizoen, waar we vandaag voor bidden. Door je steeds weer over Hem te laten horen, ook al zegt het je weinig. Door het Bijbellezen thuis, door het Bijbelverhaal op school, en door de preek. Door je eraan te herinneren, dat je bidden moet. Door je eten te geven, en drinken, en kleren. Door je te helpen bij verdrietige en moeilijke dingen. Je krijgt van de Heere (net als deze Syrische soldaten) zoveel van Hem! Mild en overvloedig.

En als je dat dan allemaal krijgt… Wat zou de bedoeling van de Heere daarmee zijn? Dat je net als deze Syrische soldaten weer naar huis zou gaan? Om weer lekker verder te gaan met je eigen dingen? Of…?

Zou de bedoeling Heere niet zijn… Dat je naar Hem toe zal gaan komen? Omdat Hij zo vriendelijk voor je is? Omdat Hij zo goed voor je zorgt? Dat je ook je knieën zal gaan buigen? Dat je ook zal gaan bidden? Dat je zal gaan zeggen: ‘Heere, ik heb gemerkt, hoe goed U voor me zorgt. Dat U me roept om bij U te komen. In de Bijbel en in de preek. Dat U bij me wilt zijn en dat U me helpen wilt. Dat U me bewaard hebt, toen ik bijna een ongeluk kreeg. Daarom, Heere, wil ik U ook gaan zoeken. Daarom wil ik U ook zo graag gaan dienen!’

‘Wilt U…?’ Ja, wat had je ook alweer nodig? ‘Wilt U ook mijn ogen opendoen? Dat ik alles ga zien, wat ik moet zien? Wilt U ook mij een nieuw hart geven?’ Zou dat niet de bedoeling van de Heere zijn, met al Zijn goede zorgen voor jou?

Al de vijanden van Israël, al die soldaten uit Syrië krijgen te eten. En lekker ook! Hadden ze dat verdiend? Nee… Dus wat krijgen ze? Dat wat ze niet verdiend hebben. En dat noemen we: genade!

Dat is waar we ook vandaag en komende tijd om bidden mogen. Als eerste, als allerbelangrijkste: Om genade voor ons hart. Om ogen die zien. Om vergeving van onze zonde. Om een nieuw hart. En om liefde voor de Heere.

En ook, als tweede, om alles wat we iedere dag nodig hebben. Dat de Heere ons eten laat groeien op het land. Dat Hij ons helpen zal met ons huiswerk. Dat Hij ons bewaren zal onderweg. En dat de Heere dat ook aan andere kinderen geven zal. Die het moeilijk hebben. Die geen huis hebben. Die bang zijn. Die leven in landen waar oorlog is. En ook dichtbij. Aan de kinderen die naast jullie wonen, die nog niet in de Heere geloven.

Jongens en meisjes, bid om ogen die kunnen zien. Die kunnen zien de dingen die over de Heere gaan. Bid om een nieuw hart, dat de zonde niet meer wil doen. Dat heel erg van de Heere houdt. Bid iedere dag of de Heere voor je zorgen zal.

Vraag of de Heere je zal leren bidden. ‘Bid’, zegt de Heere, ‘en je zal gegeven worden!’ Vraag of Heere je zal leren zoeken. ‘Zoek’, zegt de Heere, ‘en je zult vinden!’ Vraag of Heere je zal leren kloppen. ‘Klop’, zegt de Heere, ‘en Ik zal voor je opendoen!’

Dat is het eerste, het allerbelangrijkste. Als je dat doet, wees dan niet bezorgd. Want dan zal de Heere in alles voor je zorgen. Net als bij Elisa en zijn knecht. Als met paarden en wagens van vuur, als met engelen. Dan ben je, hoe het ook gaat, nooit meer alleen.

Amen.

We zingen nog Psalm 24: 1, 2, 3 en 4:

Dat Israël nu zegge, blij van geest: Indien de HEER’, Die bij ons is geweest, Indien de HEER’, Die ons heeft bijgestaan, Toen 's vijands heir en aanval werd gevreesd, Niet had gered, wij waren lang vergaan.

Dan hadden zij ons levendig vernield; Hun hete toorn had ons gewis ontzield; Bedolven in een diepen jammervloed; Dan had een stroom, dien niemand tegenhield, Ons gans versmoord, had God het niet verhoed.

Dan had geen mens naar onze klacht gehoord; Dan had een zee van rampen ons versmoord. Geloofd zij dies de HEER’, Die redt van 't graf, Die ons, schoon wreed vervolgd van oord tot oord, Tot enen roof niet in hun tanden gaf.

W' ontkwamen haast des vogelvangers net, Den lozen strik, tot ons bederf gezet; De strik brak los, en wij zijn vrij geraakt. De HEER’ is ons tot hulp op ons gebed; Die God, Die aard' en hemel heeft gemaakt.