PREEK · VRIJE STOFFEN

Het sterven van de hogepriester Aäron – Numeri 20

23 april 2017

Numeri 20:28: En Mozes trok Aäron zijn klederen uit en hij trok ze zijn zoon Eleázar aan; en Aäron stierf aldaar, op de hoogte diens bergs. Toen kwam Mozes en Eleázar van dien berg af.

INLEIDING

Aäron moet sterven, omdat hij bij de wateren van Meriba God niet geloofd en niet geheiligd heeft. Op de berg Hor wordt hij door Mozes ontkleed: laag voor laag moet hij alles afleggen wat voor God niet bestaan kan. Maar op datzelfde ogenblik trekt Mozes zijn klederen zijn zoon Eleazar aan. Aäron sterft niet naakt en alleen, maar met zicht op de nieuwe hogepriester – een heenwijzing naar Christus, de volmaakte Hogepriester, met Wie ook wij zalig mogen sterven.

THEMA

Het sterven van de hogepriester Aäron.

KERNPUNTEN

  1. De reden waarom Aäron sterven moet
  2. De wijze waarop Aäron sterven gaat
  3. De rust waarmee Aäron sterven kan

NUMERI 20:23-29

23 De HEERE nu sprak tot Mozes en tot Aäron aan den berg Hor, aan de pale van het land van Edom, zeggende:
24 Aäron zal tot zijn volken verzameld worden; want hij zal niet komen in het land hetwelk Ik den kinderen Israëls gegeven heb, omdat gijlieden Mijn mond wederspannig geweest zijt bij de wateren van Meríba.
25 Neem Aäron en Eleázar, zijn zoon, en doe hen opklimmen tot den berg Hor.
26 En trek Aäron zijn klederen uit en trek ze Eleázar, zijn zoon, aan; want Aäron zal verzameld worden en daar sterven.
27 Mozes nu deed gelijk als de HEERE geboden had; want zij klommen tot op den berg Hor, voor de ogen der ganse vergadering.
28 En Mozes trok Aäron zijn klederen uit en hij trok ze zijn zoon Eleázar aan; en Aäron stierf aldaar, op de hoogte diens bergs. Toen kwam Mozes en Eleázar van dien berg af.
29 Toen de ganse vergadering zag dat Aäron overleden was, zo beweenden zij Aäron dertig dagen, het ganse huis Israëls.

VOLLEDIGE TEKST

Het sterven van de hogepriester Aäron – Numeri 20

ds. J. IJsselstein - Numeri 20:28

THEMA

Het sterven van de hogepriester Aäron.

LITURGIE

Psalm 102:15,16

Psalm 79:4

Lezen Numeri 20:1-13 en 22-29

Psalm 45:5,6,7,8

Lofzang Simeon: 1

Psalm 25:6

Gemeente, we overdenken vanmorgen met elkaar in deze dienst van het Woord de geschiedenis van het sterven van de hogepriester Aäron. De tekst kunt u vinden in Numeri 20, daarvan de verzen 23 tot en met 28. Numeri 20:23-28, waarvan ik u kortheidshalve alleen het 28e vers nogmaals voorlees. We lezen daar het Woord des Heeren als volgt: En Mozes trok Aäron zijn klederen uit, en hij trok ze zijn zoon Eleazar aan; en Aäron stierf aldaar, op de hoogte diens bergs.

Het thema van de preek van vanmorgen is: Het sterven van de hogepriester Aäron. We letten samen op een drietal gedachten: 1. De reden waarom hij sterven moet (het staat in de verzen 23 en 24) 2. De wijze waarop hij sterven gaat (we lezen het in de verzen 25, 26 en 27) 3. De rust waarmee hij sterven kan (waarbij ik u verwijs naar vers 28)

Als eerste dus:

1. De reden waarom Aäron sterven moet.

Gemeente, het is inmiddels 40 jaar geleden dat het volk Israël uit de slavendienst van Egypte is uitgegaan. Ze hebben eerder gestaan op de grens van het land Kanaän. In Numeri 14 lezen we hoe de Israëlieten het verslag van Jozua en Kaleb niet hebben geloofd. Ze hebben in plaats daarvan geluisterd naar de andere tien verspieders, die niet geloofden dat God bij machte zou zijn om het volk Israël in het land Kanaän te brengen, in dat land vloeiende van melk en honing. Meer dan 38 jaar hebben ze inmiddels rondgezworven in de woestijn. De meesten die destijds twintig jaar of ouder waren, zijn inmiddels gestorven. En nu lijkt dan toch, na al die jaren, het moment aangebroken dat het volk Israël het land Kanaän mag binnengaan. Ze zullen wel veel geleerd hebben in al de jaren, denk je niet, jongens en meisjes?

Kort geleden is Mirjam gestorven. Het is u voorgelezen. En nu gaat de reis weer verder. Maar er komt tegenslag. Want er is geen water. Droogte en dorst is er, midden in de zinderende hitte van de woestijn Zin. Een brandende zon, een droge mond, en geen water.

Toen, zo staat er in de verzen 2 en 3: Toen vergaderden zij zich tegen Mozes en tegen Aäron. En het volk twistte met Mozes, en zij spraken, zeggende: Och, of wij de geest gegeven hadden, toen onze broeders voor het aangezicht des HEEREN de geest gaven! Met andere woorden: waren wij ook maar gestorven in de woestijn. Hebben ze dan helemaal niets geleerd van het verleden?

Wat moet dat Mozes en Aäron diep geraakt hebben. Nu staan ze eindelijk weer op de grens van het beloofde land, en weer is er diezelfde reactie als in al die jaren. Zij, Mozes en Aäron, vallen op hun aangezichten voor de Heere. En dan verschijnt de heerlijkheid des Heeren. En de Heere antwoordt hen en zegt (zoals we lezen in vers 8): Neem die staf, en verzamel de vergadering, gij en Aäron, uw broeder, en spreekt gijlieden tot de steenrots voor hun ogen, zo zal zij hun water geven; alzo zult gij hun water voortbrengen uit de steenrots, en gij zult de vergadering en haar beesten drenken (dat wil zeggen: te drinken geven).

En dan, jongens en meisjes, dan gaat het fout. Dan gaat het helemaal fout. Mozes en Aäron verzamelen het volk Israël voor de rotssteen. Aäron staat erbij. Hij zegt niets. Hij kijkt toe. Mozes neemt het Woord. Maar Aäron houdt hem ook niet tegen. En dan zegt Mozes (in vers 10), en u hoort de bitterheid in zijn stem: Hoort toch, gij wederspannigen, zullen wij water voor ulieden uit deze steenrots hervoorbrengen? Toen (vers 11) hief Mozes zijn hand op, en hij sloeg de steenrots tweemaal met zijn staf; en er kwam veel waters uit, zodat de vergadering dronk, en haar beesten.

Derhalve (daarom, zo staat vers 12) zeide de HEERE tot Mozes en tot Aäron: Omdat u Mij niet geloofd hebt, dat u Mij heiligde voor de ogen der kinderen van Israël, daarom zult u deze gemeente niet inbrengen in het land, hetwelk Ik hun gegeven heb. Omdat u, Mozes en Aäron, Mij niet geloofd hebt, daarom zult u het volk Israël niet in Kanaän mogen brengen.

Wat? Niet in Kanaän brengen? Wat erg! Veertig lange jaren hebben ze het volk bestuurd. Het was bijna niet te besturen, maar toch hebben ze het met Gods hulp mogen doen. En nu eindelijk staan ze weer aan de grens van het beloofde land. En nu zegt de Heere: ‘U zult het land Kanaän niet binnengaan?’

Waarom, jongens en meisjes, is de Heere zo streng tegen Zijn kinderen en knechten, tegen Mozes en de Aäron? Misschien denk je bij jezelf (en dat kan ik ook wel begrijpen): ‘Is dat niet een beetje erg overdreven? Is het ook niet gewoon oneerlijk van de Heere om dit te zeggen en te doen? Slaan op de rots in plaats van spreken, in plaats van iets zeggen, en dan… Kanaän niet mogen ingaan?’ Is de Heere niet te hard tegen Zijn kinderen? Tegen Mozes? En tegen Aäron? Waarom is de zonde van Aäron en Mozes nu zo groot, dat de Heere hen zo streng straft? Was dat om de bitterheid, om de drift van Mozes?

Was het om zijn ondoordachte woorden? Om zijn ondoordachte woorden, toen hij zei: ‘Moeten wij (niet: moet God, maar: moeten wij), moeten wij water voor u uit de rots tevoorschijn halen?’ Was het omdat het een openbare zonde was, voor de ogen van heel het volk? Zeker, dat is allemaal waar, maar wat was dan toch de kern van de zonde van Aäron? Die daar bij stond?

Twee dingen. De Heere noemt ze Zelf: Omdat gijlieden Mij niet geloofd hebt, dat gij Mij heiligde voor de ogen der kinderen van Israël. Twee dingen dus: a. Omdat u Mij niet geloofd hebt. Ze hebben God niet geloofd, ze hebben God niet betrouwbaar geacht. Ze hebben hetzelfde gedaan als het volk Israël destijds deed, toen het niet geloofde dat God hen in Kanaän brengen zou. b. En het tweede: U hebt Mij niet geheiligd. Dat wil zeggen: u hebt Mij niet die plaats gegeven, die Ik heb en die Ik wil hebben in onderscheiding van alle andere goden van deze wereld. Namelijk, dat Ik niet alleen rechtvaardig toorn over de zonde en de zonde straf, maar dat Ik ook (zelfs voor dit volk!) barmhartig en genadig en goed wil zijn. Zelfs nu ze voor de zoveelste keer weer in opstand zijn geraakt.

Als God Aäron aan het einde van zijn leven laat terugkijken, dan zegt God in vers 24: U bent Mijn mond wederspannig geweest aan de wateren van Meriba. Letterlijk staat er: u bent rebels, u bent opstandig geweest.

Opstand, rebellie, dat was de zonde van Adam. Die de Naam van de Heere niet heiligde, maar opstond tegen de Almachtige. In het leven van Mozes en Aäron, kinderen en knechten van God, komt Adams zonde openbaar. Zoals in het leven van al Gods kinderen en knechten zo vaak nog (tot hun grote verdriet) Adams zonde openbaar komt.

Adam heeft God niet geloofd. Adam heeft God niet de plaats gegeven die Hij waard was, de plaats als de volmaakte, de heilige, de rechtvaardige en de allerhoogste God. Want: Adam wilde zelf als God zijn. Hij wilde niet buigen, maar staan. Hij wilde niet bukken, maar opstaan tegen God. Zucht u weleens, gemeente, onder de schuld van Adam? Zegt u weleens in uw hart: ‘Heere, dat is ook mijn schuld?’ Zucht u weleens onder uw opstand, onder uw rebellie tegen God? Terwijl u zegt in uw hart: ‘Heere, ik heb gezondigd. O, wee mij, dat ik zo gezondigd heb?’

Gemeente, om onze zonden moeten wij allemaal sterven. Om zijn zonden moest Aäron sterven. Rechtvaardig. Hij weet het, hij voelt het… en hij stemt toe. Hij spreekt het niet tegen. Hij zwijgt. Daar ziet u iets schitteren van het werk van Gods genade in het leven van de hogepriester Aäron. Zonde begon met opstaan. Genade begint met buigen. Niet met loven, prijzen en roemen in de Naam van Jezus, maar met buigen vanwege schuld en schaamte. We buigen, we breken, we zwijgen…

In dat zwijgen van Aäron proeven we iets van de erkenning: ‘Het is waar, Heere, ik heb gezondigd, ik ben Uw gramschap dubbel waardig. Ik heb Uw Naam gelasterd, ik heb Uw woorden niet geloofd, en dat voor de oren en de ogen van heel het volk.’ Kent u, gemeente, dat bukken, dat buigen, dat zwijgen? Vanwege de erkenning van de rechtvaardigheid van Gods oordeel, vanwege uw schuld en schaamte?

Wat blijkt hieruit ondertussen ook de onvolmaaktheid van deze aardse hogepriester. De Hebreeënbrief zegt later: Want de wet stelt tot hogepriesters mensen (mensen! Ezechiël noemt zichzelf een mensenkind, een Adamskind), die zwakheid hebben (Hebreeën 7:28). Dien nodig was eerst voor zijn eigen zonden te offeren, en daarna voor de zonden des volks (Hebreeën 7:27). Wat was deze Aäron toch onvolmaakt. Een mensenkind, een kind van Adam.

Wat was het een wonder van Gods eenzijdige genade, dat God de mens, die wegkroop voor zijn Schepper en Maker, dat God Adam niet liet gaan, en dat Hij hem niet wegdeed van voor Zijn aangezicht, maar dat Hij verzoening voor hem vond. En wat was en is het een wonder dat mensen als Aäron (mensenkinderen, kinderen van Adam) een plaats kregen en krijgen in die dienst der verzoening.

Eeuwenlang werd die verzoening, die voortkwam uit het eeuwige welbehagen van God, afgebeeld in alle offers, in het bijzonder in de offers van die ene dag, van de grote verzoendag, de dag waarop de hogepriester zijn kleurrijke gewaad aflegde en in een eenvoudig priesterkleed inging in het binnenste heiligdom. Daar waar het bloed gesprengd werd voor het aangezicht van de heilige Israëls. Daar waar de geur en de kleur van het bloed zich als het ware vermengde met de stem van de Almachtige: Wanneer Ik het bloed zie (niet als u het ziet, maar als Ik het zie), (dan) zal Ik u voorbijgaan (Exodus 12:13).

Maar wat was deze man (die daar jaar in jaar uit het bloed sprengde) onvolmaakt. Alles wachtte op en wees heen naar de volmaakte Hogepriester, naar de Messias, Jezus Christus die komen zou. Een Priester, niet uit de stam van Levi, maar uit de stam van Juda, een Priester in der eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek (Hebreeën 7:17).

Heel de oudtestamentische priesterdienst wees terug naar de stille eeuwigheid, waarin de Zoon van God gezegd had: ‘Zie Ik kom, o God, om Uw welbehagen te doen, en Uw wet is in het binnenste van Mijn ingewand.’ En diezelfde oudtestamentische priesterdienst wees voortdurend vooruit naar de dag van Zijn komst, naar de dag van Zijn geboorte, de dag van de kribbe, naar de dag van Zijn sterven, de dag van het kruis, kortom: naar de vrijwillige liefde van Christus die komen zou.

Wat was deze Aäron toch onvolmaakt. Maar wat was de Heere toch tegelijkertijd genadig en goed voor Zijn kind en knecht Aäron. Het was een wonder van eenzijdige genade bij God vandaan dat deze mens, Aäron, niet weggevaagd werd, niet verzwolgen en opgeslokt werd door de aarde zoals destijds Korach, Dathan, Abiram en On gebeurde.

God spaarde Aäron, uit genade. Hij deed met hem en Hij doet met ons niet naar zijn en onze zonden. Aäron moet wel sterven, maar niet als een misdadiger, niet zoals Korach. Hij zal (en wat klinkt dat vol liefde, zorg en tederheid), hij zal verzameld worden tot zijn volken (vers 24). Voordat wij gaan zien de wijze waarop Aäron sterven gaat, zingen wij nu eerst samen van de Lofzang van Simeon, daarvan het eerste vers.

Zo laat Gij, HEER, Uw knecht, Naar 't woord, hem toegezegd, Thans henengaan in vrede; Nu hij Uw zaligheid, Zo lang door hem verbeid, Gezien heeft op zijn bede.

Onze tweede gedachte:

2. De wijze waarop Aäron sterven gaat.

Aäron, Mozes en Eleazar (de zoon van de Aäron), klimmen omhoog, de berg op, de berg Hor. Kijk, het volk kijkt toe. Daar gaan ze… Aäron weet wat hem te wachten staat. Dit wordt zijn laatste tocht…, een enkele reis… Hij moet voor God verschijnen.

Wat een stil getuigenis gaat er toch uit van deze man. Van de rust, waarmee hij gaat, wetend dat hij aanstonds sterven moet. Dit is een man, die weet dat hij sterven kan, die weet dat hij kan heengaan in vrede. Wat zou, jongens en meisjes, Aäron nu zoveel rust geven? Denk ondertussen eens, al luisterend, na over die vraag?

Inmiddels zijn ze bovenop de berg aangekomen. Misschien staan ze wel een beetje buiten het gezichtsveld van het volk dat beneden wacht. Kijk, daar staat hij, de hogepriester Aäron. Prachtig, in dat hogepriesterlijke kleed. Eerst een witte, linnen rok. Die kon je niet zien, die zat onder zijn kleding. Daaroverheen een prachtige blauwe mantel, met aan de onderkant van die mooie, klingelende belletjes. En daaroverheen de efod, een soort hesje met een voor- en achterkant, aan elkaar gehecht met gouden gespen. En daarin zaten twaalf prachtige edelstenen, met daarop de namen van de twaalf stammen van Israël. En daaroverheen aan de voorzijde de borstlap, versierd met twaalf gouden kastjes, met ook daarin twaalf edelstenen. En op zijn hoofd een prachtige tulband met een gouden plaat, waarop geschreven stond van rechts naar links: de heiligheid des Heeren. Alles, alles in de kleding van de hogepriester wees heen naar die heiligheid des Heeren en naar de trouw van Zijn verbond. Maar de mens onder die kleding, was een mens, een mensenkind, een Adamskind… Wat riep alles toch om de betere en de blijvende Hogepriester! Daar staat hij, de hogepriester Aäron… Maar zo kan hij niet sterven.

En daarom heeft God tegen Mozes gezegd: trek Aäron zijn klederen uit. Mozes moet al die mooie gewaden één voor één uittrekken. En het woord dat in het Hebreeuws gebruikt wordt heeft iets heel onaangenaams in zich, iets van: iemands kleding afnemen zonder daar toestemming voor te hebben. Zoals de broers van Jozef zijn veelvervige rok hebben afgepakt. Zoals de krijgsknechten de kleding van de Heere Jezus hebben afgenomen en onder zich verdeeld. In Bethlehem is Hij gewonden in doeken. Hij droeg de schande van onze naaktheid. Maar op Golgotha worden de doeken van Zijn lijf gerukt en draagt Hij opnieuw en veel intenser de schande van Zijn bruidskerk.

Aäron kan niet voor God verschijnen als hogepriester. Hij moet als mens voor God verschijnen. Als kind van Adam. Naakt. Zoals hij is. Mens. Zondaar. Gemeente, de dood ontkleedt ons. De dood kleedt ons uit. We moeten voor God verschijnen zoals we zijn. Als mens, als zondaar. En u zult daarbij ook niemand mee kunnen nemen. U kunt uw vader of moeder, uw man of vrouw niet meenemen. U kunt ook uw godvrezende kind of kinderen niet meenemen. Niemand. U zult alleen voor God staan, zoals u bent. En voordat we sterven, moeten, ook wij ambtsdragers, al onze waardigheid afleggen. Dit zwarte pak gaat uit. Broeders, dit zwarte pak gaat uit. Gedenk te sterven. Hier waren we misschien geacht om onze woorden, om ons optreden, om ons ambt, maar we zullen zonder dat alles voor God moeten verschijnen, zoals we zijn.

Mozes doet wat God hem opgedragen heeft. Eén voor één neemt hij Aäron zijn kledingstukken af. Ongevraagd. ‘Geef maar hier, Aäron’ Aäron heeft gezwegen toen God hem de straf aan zegde. En (het valt op!) Aäron zwijgt opnieuw. En in dat zwijgen wijst hij als hogepriester opnieuw heen naar de komende Christus. Ruw is Zijn kleding Hem ontnomen. Zijn rok zonder naad is verdobbeld. De psalmdichter zegt: Zij hebben Mijn klederen onder zich verdeeld en over Mijn kleding het lot geworpen. Alles hier wijst heen, alles hier wijst vooruit.

Maar er was één groot verschil, tussen Aäron en Christus. Aärons kleed was besmet met zonde. Maar het kleed van Christus was ondanks allerlei verzoekingen nooit besmet geraakt met zonde. Hij kon met recht zeggen: Wie overtuigt Mij van zonde? Maar toch moest ook Hij voor God verschijnen. Maar zo geheel anders. Niet vanwege Zijn eigen zonden, maar Hij droeg vrijwillig de zonde van Zijn bruid. Hij was ook meer dan Hogepriester alleen. Christus heeft Zichzelf opgeofferd. Hij was Hogepriester en Offerlam tegelijk. Een volkomen Hogepriester en een volmaakt Offer. Zonder gebrek, zonder enige zonde. Voor Hem was het niet allen dag nodig (...), gelijk de hogepriesters, eerst voor zijn eigen zonden slachtofferen op te offeren, daarna, voor de zonden des volks; want dat heeft Hij eenmaal gedaan, als Hij Zichzelven opgeofferd heeft (Hebreeën 7:27).

Hij liet Zich vrijwillig ontkleden. Eén voor één namen de krijgsknechten al Zijn kledingstukken af. Ik moet het anders zeggen: Eén voor één nam de Vader Hem alles af. Want het behaagde de Heere Hem te verbrijzelen. En Hij liet het vrijwillig toe. En Hij deed het voor… vijanden.

Naakt liet God Hem hangen aan het kruis. Voor wie? Voor wat voor soort van mensen? Voor vijanden, weglopers en verbondsbrekers. Zie hier toch Christus, gemeente, in Zijn kostbaarheid, in de kostbaarheid van Zijn schande. Voor opstandelingen, voor rebellen, als…, ja, als Adam.

Wat doet Mozes? Eén voor één neemt hij alles van Aäron af. Kleed na kleed. Dat is het werk van Mozes. En Mozes is de vertegenwoordiger van de wet. Dat is het werk van de wet, juist ook in het leven van opnieuw geboren mensen, die door God van dood levend zijn gemaakt. Mozes neemt hem alles af. De wet neemt hen alles af. Wat maakt dat klein voor God.

En die wet (zo schrijft de bekende dominee Ralph Erskine), die wet is als een scherpe naald, die aan de draad van het Evangelie voorafgaat. Dus het Evangelie is de draad, maar die draad wordt getrokken door de naald, door de scherpe naald van de overtuiging door de wet.

De wet, dat is de naald. De wet wijst de zonde aan. De wet schijnt dwars door de buitenkant heen naar ons binnenste, naar ons goddeloze en vijandige hart. Zoals het licht van de Alwetende God dwars door de vijgeboombladeren van Adam heen scheen in het paradijs. Zo schijnt de wet, in de handen van Gods Geest, dwars door de buitenkant van ons bestaan heen tot in het diepst van ons hart, tot in het diepst van ons adamshart.

Aäron laat het toe. Hij laat zijn kleding afnemen door Mozes, één voor één. Maar, zo gewillig als Aäron was, zo zijn de meesten van Gods kinderen niet. Aäron, dat blijkt, is door Gods genade gewillig gemaakt. Maar wat kunnen wij ons, als de Heere in ons leven werkt, wat kunnen wij ons daartegen verzetten. Wat kunnen wij vechten tegen dat ontdekkende werk van Gods Geest. Als Hij de schijn van ons bestaan ontmaskert, als Hij onze uiterlijke vroomheid en netheid letterlijk gaat uitkleden. Maar ondanks al ons verzet, gaat de Heere toch door. Hij neemt ons in het werk van Zijn ontdekking alles af, laag voor laag, kledingstuk voor kledingstuk, één voor één.

Tot dat… laatste kleed. Dat is het moeilijkste. Dat doet het meeste pijn. Dat weet je, jongens en meisjes, van als je bij de dokter bent. Hij zegt: ‘Doe je trui maar even uit, dan kan ik je goed onderzoeken. Je zegt: ‘Goed dokter.’ Hij zegt: ‘En doe dat ook maar even uit.’ ‘Nou ja, liever niet, maar al het moet.’

‘En dat.’ ‘Nee, dat doe ik niet, dat wil ik niet.’ Ja, want ik wil (en zo is het ook geestelijk, in mijn hart voor de Heere) wel wat kwijt, maar niet alles. En ik wil misschien wel een beetje minder worden, maar ik wil geen naakte zondaar voor God worden. Als de Heere ons ontdekt aan zonde en schuld, zeker, in het begin stemmen we nog wel gemakkelijk in: ‘Het is waar, Heere, dit is zonde, dat is zonde, en er is nog zoveel zonde Meer.’ Maar dan verder, laag voor laag, kledingstuk voor kledingstuk… dat wordt steeds moeilijker, dat wordt steeds pijnlijker.

‘Dit is ook zonde, dat is ook zonde, en dat ook…’ ‘Ja, maar, Heere, dit is mijn gerechtigheid’ ‘Wat zegt u? Gerechtigheid? Uw gerechtigheden zijn in Mijn oog als een wegwerpelijk kleed. Ik zie helemaal niets in u, wat voor Mijn heilig oog, uw zondige naaktheid zou kunnen bedekken.’ Wat doet dat veel verdriet. Ik zeg: ‘Ach nee, Heere, dat wil ik allemaal niet kwijt, dat wil ik niet verliezen.’

Want ik wil niet als een naakte zondaar voor God staan. En ik kan het ook niet. Wat wordt het dan nood in ons leven. Ik kan niet meer verder zonder God. Maar zo kan ik ook voor Hem niet bestaan. Zo kan ik ook niet verder. Zo Gij in 't recht wilt treden, o HEERE, en gadeslaan onze ongerechtigheden, Ach, wie zal dan bestaan?

Wat wordt het dan een wonder in het leven van zulke ontdekte zondaars, als het Evangelie klinken mag. Als Christus zich in de verte of van meer dichterbij aan onze ziel gaat openbaren. Als blijkt dat de scherpe en pijnlijke naald van de wet een draad trekt: de draad van het Evangelie. De draad van de blijde boodschap, dat Christus kwam om het verlorene te zoeken en om rebellen, om vijanden met God te verzoenen.

Het brengt ons tot slot bij de derde gedachte:

3. De rust waarmee Aäron sterven kan.

Wat is toch het geheim van deze man, die hier voor God verschijnen moet? Het antwoord staat in onze tekst, in vers 28, waar we lezen: En Mozes trok Aäron zijn klederen uit (daar hebben we het zojuist over gehad), en (en dan komt het geheim:) hij trok ze zijn zoon Eleazar aan. Dit is het geheim: Aäron sterft terwijl zijn ogen de nieuwe hogepriester zien!

Als God Zijn gericht gaat voltrekken in het leven van Aäron, dan moet Hij alles afleggen wat geen geldigheid heeft voor God. Mozes, de vertegenwoordiger van de wet, neemt hem één voor één alles af, wat de toets van de heilige wet van God niet kan doorstaan. En ondertussen moet Aäron zich meer en meer beschuldigen voor God. Als Hij op zichzelf ziet, dan weet hij: zo kan het niet, zo moet ik omkomen.

Maar wonder van Gods eenzijdige genade: diezelfde God, die Hem alles laat ontnemen, stelt op datzelfde ogenblik voor die stervende Aäron een nieuwe hogepriester. Aäron kon leven, met zicht op het bloed van de offers. Aäron kan sterven, met zicht op de hogepriester Eleazar, met zicht op de komende, grote Hogepriester Jezus Christus. Zo kan hij zingen met Simeon: Nu laat Gij, Heere! Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord. Want...? Want mijn ogen hebben Uw Zaligheid gezien. Letterlijk staat er in Lucas: mijn ogen hebben ‘het reddende’, mijn ogen hebben het reddende Kind gezien!

Het is alles ook beeld van het werk van God de Heilige Geest in het hart van Zijn kinderen. Het is de Heilige Geest Zelf, die (terwijl wij zien dat we voor God niet kunnen bestaan) onze ogen gaat richten, bij aanvang of in verdere voortgang, op de schoonheid van de Borg, op de kostbaarheid van de grote Hogepriester. Hoe kostbaar wordt Zijn bloedrode gewaad, als we mogen zien dat Hij gestorven is in de plaats van vijanden. En hoe kostbaar wordt Zijn verdobbelde kleed, als we mogen zien dat Hij gestorven is in de plaats van naakte zondaars. O, hoe kostbaar die verdobbelde rok, als we mogen zien en geloven dat Hij gegeven is (van harte en met zoveel onuitsprekelijke zondaarsliefde) in de plaats van het wegwerpelijke kleed van mijn eigen schijngerechtigheid. Dat Zijn kleed mij gegeven is als de mantel van Zijn gerechtigheid.

Zie toch, armen, geestelijk naakte zondaars, van wie de wet één voor één alles afgenomen heeft: hier is de Hogepriester. De volmaakte Hogepriester, de volkomen Hogepriester, de blijvende Hogepriester. Hij heeft Zichzelf geofferd. Alles: Zijn kleding, Zijn leven, Zijn bloed, alles! Voor zulk een als u bent, die naakt staat voor God. Hij roept u, juist u, toe: Ik deed het voor u. Ik voor u, daar u anders de eeuwige dood had moeten sterven. Deze, omdat Hij in der eeuwigheid blijft, heeft een onvergankelijk Priesterschap. Waarom Hij ook volkomen kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden (Hebreeën 7:24-25).

Deze Zaligmaker, die gewikkeld werd in de doeken van onze schande, die naakt en bloedend hing aan het kruis op Golgotha, deze Zaligmaker is zo geschikt voor u, naakte en doodschuldige zondaar. U bent nooit geschikt voor Hem. En u zult het nooit worden ook. Al die klederen van u zijn waardeloos. U bent ongeschikt voor Jezus. Maar Hij is zo geschikt voor u!

Kom, laat (terwijl de Heilige Geest u alles ontneemt) uw blik toch door Woord en Geest gericht mogen worden op Hem, die vanmorgen voor u staat: Zie het naakte Lam Gods. Met Hem kunt u leven. Zalig leven. Met Hem kunt u sterven. Zalig sterven. O, wat een rust, wat een vrede, wat een zegen, om in de strijd met de laatste vijand (want de laatste vijand die te niet gedaan wordt is de dood), wat een zegen, om in de strijd met de laatste vijand te mogen sterven met een blik op de Hogepriester. Dan staat u (ik zei het zojuist wel, maar het was niet waar!), dan staat u straks toch niet alleen voor God. Dan staat er Eén naast u: de grote Hogepriester.

En Hij zal zeggen: ‘Voor deze naakte zondaar heb Ik verzoening aangebracht. Mijn bloed voor de schuld van zijn rebellie. Mijn kleed, het kleed van Mijn gerechtigheid over de schuld van haar opstand en ongerechtigheid.’ Zo zullen zondaars, vijanden, verbondsbrekers straks in gestikte klederen tot de Koning geleid worden. En zingen: Het was door U, door U alleen, om het eeuwige welbehagen.

Jongens en meisjes, jongelui, als je zo mag leven, zoals Aäron, met zicht op de offers, met zicht op het grote offer van de Heere Jezus Christus, als je zo mag sterven, zoals Aäron, met zicht op de grote Hogepriester, dan ben je zo gelukkig! Aäron was zo’n gelukkig mens. Kom, heb je geen lust, heb je geen verlangen, om de Heere te vrezen? Het is zo goed om de Heere te dienen. Het maakt je zo nameloos gelukkig. Je raakt alles van jezelf kwijt. Maar je krijgt meer dan alles terug: genade, die door de Heere Jezus is verdiend, Zijn vergeving en het kleed van Zijn gerechtigheid. Dan heb je alles. Dan heb je echt alles. Maar als je Hem niet hebt, dan heb je echt helemaal niets.

Gemeente, ik wens u toe, dat u mag leven zoals Aäron leefde. Dat is echt leven. Van genade! En ik wens u toe dat u, vroeg of laat, mag sterven zoals Aäron stierf. Met zicht op de Hogepriester. Dan wordt sterven eeuwig erven. Dat mag u zingen met Simeon: Nu laat Gij Heere Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw Woord, want mijn ogen hebben Uw Zaligheid, ‘het reddende’, Uw reddende Kind gezien. En de ogen die Hem gezien hebben, zullen nooit meer terugzien. Onze blijdschap zal dan onbepaald, door het licht dat van Zijn aangezicht straalt, ten hoogste toppunt stijgen.

Verlangt u er weleens naar, kinderen van God? Zegt u ook wel eens met Paulus: Het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin (Filippenzen 1:21)? Want beter dan dit tijdelijke leven is Gods goedertierenheid? Het is mij goed nabij God te zijn? Ontbonden te worden en met Christus te zijn, dat is zeer verre het beste (Filippenzen 1:23)? In gestikte klederen zullen we (we hebben het samen gezongen uit Psalm 45) tot de Koning geleid worden. En we zullen zingen, voor eeuwig en altijd: want onze Koning is van Israëls God gegeven!

Zo is onze geliefde broeder heengegaan, zo zijn zij heengegaan die in het verleden vanuit het midden van de gemeente in Christus ontslapen zijn. Ze leefden van genade. En ze stierven met zicht op de Hogepriester. En nu zingen zij eeuwig Gode lof!

De drie-enige God zij daarvoor alle eer.

Amen.

Slotzang Psalm 25:6:

Wie heeft lust den HEER te vrezen, 't Allerhoogst en eeuwig goed? God zal Zelf zijn Leidsman wezen; Leren, hoe hij wandelen moet. 't Goed, dat nimmermeer vergaat, Zal hij ongestoord verwerven, En zijn Godgeheiligd zaad Zal 't gezegend aard'rijk erven.