PREEK · KERKELIJK JAAR

Tranen van dochters van Jeruzalem - Lukas 23

Lijdenstijd - 8 maart 2026

Lukas 23:27: En een grote menigte van volk en van vrouwen volgde Hem, welke ook weenden en Hem beklaagden.

INLEIDING

Op weg naar Golgotha lopen twee groepen achter Jezus aan: een menigte die meeloopt zonder tranen, uit nieuwsgierigheid, en een menigte vrouwen die luid weent van medelijden. Jezus wijst beide af: "Weent niet over Mij, maar over uzelf." Ware tranen zijn geen oppervlakkige emotie, maar hartetranen van berouw over eigen zonde, zoals bij de tollenaar, de zondares en Petrus — tranen die uitlopen op verwondering over Zijn genade, nodig voor wie tot het Heilig Avondmaal wil gaan.

THEMA

Hoe de mensen Jezus volgen.

KERNPUNTEN

  1. Achter Jezus aanlopen
  2. Achter Jezus aanlopen
  3. Jezus achteraan kleven

LUKAS 23:27-31

27 En een grote menigte van volk en van vrouwen volgde Hem, welke ook weenden en Hem beklaagden.
28 En Jezus Zich tot haar kerende zeide: Gij dochteren van Jeruzalem, weent niet over Mij, maar weent over uzelven en over uw kinderen.
29 Want zie, er komen dagen in welke men zeggen zal: Zalig zijn de onvruchtbaren, en de buiken die niet gebaard hebben, en de borsten die niet gezoogd hebben.
30 Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons; en tot de heuvelen: Bedekt ons.
31 Want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden?

VOLLEDIGE TEKST

Tranen van dochters van Jeruzalem - Lukas 23

ds. J. IJsselstein - Lukas 23:27

THEMA

Hoe de mensen Jezus volgen.

Geliefde gemeente, het kruis van de Heere Jezus is gelegd op de schouders van ene Simon van Cyrene, die komende van de akker, daar voorbijging. Hij had er niet op gerekend, maar plotseling werd hij geroepen tot kruisdragen achter Jezus aan. Als zichtbaar onderwijs voor hem en voor al Gods kinderen: we moeten en mogen (want het is genade) ons kruis dragen. Ziende op Jezus, op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke voor de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en de schande heeft veracht, en is gezeten aan de rechterhand van den troon Gods (Hebr. 12:2).

Heel het geloof (zo zegt John Owen) bestaat uit het zien op Jezus. Het bestaat uit jezelf verloochenen en alles van Hem verwachten. De hoop op jezelf opgeven en alle hoop op Hem stellen. En niet meer leven voor jezelf, maar uit Hem en door Hem en voor Hem, Zijn voetstappen drukkend.

En dus bidden we volgende week voor de bediening van het Heilig Avondmaal: Verleen ons ook Uw genade dat wij, getroost ons kruis op ons nemende, onszelf verloochenen, onze Heiland belijden, en in alle droefenis met een opgeheven hoofd onze Heere Jezus Christus uit de hemel verwachten, waar Hij onze sterfelijke lichamen aan Zijn verheerlijkt lichaam gelijkmaken, en ons tot Zich nemen zal in eeuwigheid.

Maar er zijn die vrijdagochtend méér mensen op de been. Er zijn ook andere mensen die ook Jezus volgen, maar anders! Kijk maar naar vers 27 tot en met 31. Dat is de tekst voor de preek van vanmorgen. Lukas 23:27-31: En een grote menigte van volk en van vrouwen volgde Hem, welke ook weenden en Hem beklaagden. En Jezus, Zich tot haar kerende, zeide: Gij dochters van Jeruzalem! Weent niet over Mij, maar weent over uzelf, en over uw kinderen. Want zie, er komen dagen in welke men zeggen zal: Zalig zijn de onvruchtbaren, en de buiken die niet gebaard hebben, en de borsten die niet gezoogd hebben. Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons; en tot de heuvelen: Bedekt ons. Want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden?

Dus achter de Heere Jezus aan loopt niet alleen Simon met zijn kruis, maar ook een hele menigte andere mensen. Er staat (goed lezen): een menigte van volk en een menigte van vrouwen.

Als eerste is er dus een menigte van volk. Dat zijn waarschijnlijk de mensen die kort hiervoor geroepen hebben: Weg met Hem! Mensen, die in vers 21 riepen: Kruis Hem, kruis Hem! In vers 23 staat: Zij hielden aan met groot geroep, eisende dat Hij zou gekruist worden. En nu lopen ze mee! Dit moeten we zien, dit moeten we meemaken! Zoals er (als er nu iets gebeurt in de stad) ook bossen mensen achteraan kunnen lopen, zo gaat dat ook hier. Sommigen zijn nieuwsgierig, anderen zijn belust op sensatie. Ze denken: Laten we zien wat er gebeurt! Zó kan je blijkbaar óók Jezus volgen. Samen met een grote menigte van volk.

En dan is er als tweede ook nog een andere groep: een menigte van vrouwen. Zij volgen Jezus ook, maar anders: intens huilend, luid jammerend, luidruchtig klagend, met heel veel verdriet en emotie. Zij zijn het vast niet eens geweest met het vonnis van Pilatus, maar het geschreeuw van de massa had hen overstemd. Het is een groep die (eerlijk gezegd) sympathieker aanvoelt dan de rest van die massa mensen die Jezus volgt. Misschien zijn sommigen van hen wel kinderen van God, die ook huilen, omdat ze niet kunnen begrijpen wat hier gebeurt.

We lezen: En een grote menigte van volk en van vrouwen volgde Hem, welke ook weenden en Hem beklaagden. En Jezus, Zich tot haar kerende, zeide: Gij dochters van Jeruzalem! Weent niet over Mij, maar weent over uzelf en over uw kinderen.

Vorige week ging het over: Hoe Simon van Cyrene Jezus volgt. Vanmorgen gaat het over: Hoe déze mensen Jezus volgen.

We zien dat in drie punten: 1. Zonder tranen 2. Met heel veel tranen. Maar het is beter om Jezus te volgen: 3. Met andere tranen.

Als eerste dus:

1. Achter Jezus aanlopen: zónder tranen

Achter Jezus aanlopen: zónder tranen. Dat kon toen, en dat kan ook nu. Dat je meeloopt met de massa, dat je meedoet met iedereen, maar zonder ooit een traan te laten. Nooit geraakt door het Woord. Nooit geraakt door het leven, het lijden en het sterven van deze Zaligmaker.

Hij is (in alle gebrek) de afgelopen tijd voor uw ogen geschilderd. Het Lam van God, door de Vader in de wereld gezonden. Goed doend, prekend en nodigend: Och of u in deze dag bekende, wat tot vrede dient... Het Lam van God, dat nu zwaar lijdt onder de last van de toorn van God, om de zonden

van Zijn volk te verzoenen. De lijdende Christus, het Lam dat geslacht wordt en geslacht is...

En toen, wat deed dat met u? Hoort u bij de mensen van wie Jezus zei: Wij hebben u op de fluit gespeeld, maar u hebt niet gedanst; wij hebben u klaagliederen gezongen, maar u hebt niet geweend (Mat. 11:17). Tóen (toen Jezus dát gezegd had) begon Hij de steden in dewelke Zijn krachten het meest geschied waren, te verwijten, omdat zij zich niet bekeerd hadden. Wee u, Chorazin, wee u, Bethsaïda! Want zo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied die in u geschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak en as bekeerd hebben. Doch Ik zeg u: Het zal Tyrus en Sidon verdraaglijker zijn in den dag des oordeels dan ulieden. En gij, Kapernaüm, die tot den hemel toe zijt verhoogd, gij zult tot de hel toe nedergestoten worden. Want zo in Sodom die krachten waren geschied die in u geschied zijn, zij zou tot op den huidigen dag gebleven zijn. Doch Ik zeg u, dat het den lande van Sodom verdraaglijker zal zijn in den dag des oordeels dan u (Mat. 11:20-24). Dan u…

Dan u, die Zijn hartelijke nodigingen in de wind geslagen hebt, die Zijn liefdevolle waarschuwingen altijd hebt genegeerd, en die u nooit wilde laten raken door Zijn bedreigingen. Het zal het land van Sodom verdraaglijker zijn in de dag des oordeels dan u.

Dan u, die nooit hoop geput hebt uit Gods beloften, die nooit waarde hebt gezien in Jezus. Maar die tot op de dag van vandaag Zijn zondaarsliefde hebt veracht. Laat de week van voorbereiding op het Heilig Avondmaal je wakker schudden uit je dodelijke rust: je toestand is verschrikkelijk, je bent in dodelijk gevaar...

Ons tweede aandachtspunt:

2. Achter Jezus aanlopen: met heel veel tranen

Want zij zijn anders, die menigte van vrouwen, die wenen en Jezus beklagen. Ze hebben diep medelijden met Hem. Ze waarderen Hem zo, om hoe Hij altijd was en om wat Hij altijd deed: zo liefdevol, zo nederig. En nu zien ze Hem zo zwaar lijden, ze vinden het verschrikkelijk.

Hun medelijden is echt en oprecht. Maar toch zegt de Heere: Ween niet over Mij. Dit wil Ik niet, want Ik ben geen slachtoffer, Ik doe dit vrijwillig. En Ik doe dit met al de liefde van Mijn hart. Jullie begrijpen niet wat Ik doe en wie Ik ben. Jullie begrijpen niet dat dit móet, omdat God rechtvaardig is en de zonden moet straffen. En nu straft Hij die zonden aan Mij, in plaats van aan Mijn volk.

Ze huilen heel veel tranen, maar hun huilen is voor de meesten een blijk van ongeloof. Het is voor de meesten een emotioneel, oppervlakkig en dramatisch huilen vol menselijk verdriet. En dat terwijl hier het meest wonderlijke gebeurt wat ooit gebeurd is. Hier zou plaats geweest zijn voor tranen van verwondering en vreugde. Maar zij zien het niet, ze zijn blind voor wat hier werkelijk gebeurt.

Hij doet wat zij niet, wat zij nooit zouden kunnen doen. Hij draagt de straf voor de Zijnen. Hij draagt de toorn van God tegen de zonden. Dit is een eeuwig wonder van Goddelijke wijsheid en zondaarsliefde. Maar zij begrijpen het niet, en dus huilen ze.

En zo kan het ook nu zijn. Dat je niet hard of onverschillig bent, maar misschien juist wel emotioneel betrokken, gevoelig en godsdienstig. Het raakt je als je hoort dat het volgende week Heilig Avondmaal is. En als je ernaar kijkt, pink je misschien wel een traantje weg uit je ogen. Terwijl je ondertussen in je hart niet begrijpt wat daar buiten Jeruzalem gebeurde, en wat hier volgende week gebeuren mag. Geraakt zijn en tranen huilen, zonder berouw, zonder echte bekering, zonder vernedering van het hart, zonder het juiste zicht op de Zaligmaker, en zonder vernieuwing van het leven, dat gevoel, zulke emoties, dat is niet genoeg. Dat is geen teken van echtheid en geen bewijs van waar geloof. En dus roep ik u op, geliefde gemeente, om niet aan de bediening van het Heilig Avondmaal te gaan louter op grond van emoties en gevoelens die je misschien wel volgende week plotseling raken.

Zoals Bileam (goddeloos als hij was) plotseling een verlangen had, met misschien wel tranen in zijn ogen, toen hij het geluk zag van Gods volk. Toen hij zei: Mijn ziel sterve den dood der oprechten, en mijn uiterste zij gelijk het zijne (Num. 23:10). Hoe goed zijn uw tenten, Jakob! uw woningen, Israël! (Num. 24:5). Maar hij begreep er niets van.

Ook Koning Saul hief zijn stem op en weende en zei: Ik heb gezondigd. Maar het was slechts een verdrietige, snel voorbijgaande emotie.

Anderen in de Bijbel waren vol van positieve emoties. De Israëlieten gingen door de Rode Zee en zongen Gods lof (zegt Psalm 106), maar zij vergaten haast Zijn werken. Sommige hoorders hebben (ook hier) het zaad van het Woord met vreugde ontvangen, maar ze hebben geen wortel. Ze geloven maar voor een tijd, en in de tijd der verzoeking wijken zij af (Luk. 8:13). Anderen in die tijd verheerlijkten God en prezen de Naam van Jezus. Zoals men hier kort geleden nog riep: Hosanna den Zone Davids, Hosanna in de hoogste hemelen. Maar ze hadden er niets van begrepen.

Het doet de Heere zuchten in Hosea 6:4 over Efraïm, en misschien ook wel over u: Wat zal Ik u doen, o Efraïm, wat zal Ik u doen, o Juda? Dewijl uw weldadigheid is als een morgenwolk, en als een vroeg komende dauw, die heengaat. Als schijn, als een korter- of langerdurende emotie die verdwijnt.

Al die emoties zijn allemaal geen onbedrieglijk teken of zekere blijk van een echt en waar geloof. En dus zegt Jezus: Stop daarmee. Huil niet over Mij. Ik heb geen behoefte aan zulke menselijke emotie, of het nu verdriet is of vreugde. Ten diepste belemmert u Mij in Mijn werk.

Geliefde gemeente, dit roept ons op tot zelfonderzoek. Er was toen, en er is nu: veel schijn. Ik bedoel daarmee: wat iets lijkt, maar wat niets is. Wat geen wortel heeft. En dus hebben wij allemaal goede reden om onszelf heel goed te onderzoeken. Denkend aan wat Jeremia zegt: Arglistig is ons hart (Jer. 17:9). En dus zegt Zefanja: Doorzoek u zelf nauw, ja, doorzoek nauw (Zef. 2:1). Wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle (1 Kor. 10:12).

Want: Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heere, Heere! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt (Mat. 7:22-23). Laten we (zoals Paulus zegt): onszelf onderzoeken of we in het geloof zijn.

Voordat we verdergaan, zingen we nu eerst van Psalm 26, het tweede vers:

Beproef vrij, van omhoog, Mijn hart, dat voor Uw oog, Alwetende, steeds open lag. Doorzoek mij; toets mijn gangen; Doorgrond al mijn verlangen; En stel mijn oogmerk in den dag.

----

Ons derde aandachtspunt:

3. Jezus achteraan kleven: met ándere tranen

Er waren veel mensen die Jezus volgden: sommigen zonder tranen, anderen met heel veel tranen. Maar het is beter om Jezus achteraan te kleven met ándere tranen.

Want: Jezus, Zich tot haar kerende, zeide: Gij dochters van Jeruzalem! Weent niet over Mij, maar weent over uzelf en over uw kinderen. Huil om uzelf, om wat u gedaan hebt, want u bent de oorzaak van de toorn van God die op Mij rust. Huil omdat u gezondigd hebt tegen de heilige God. Heb diep verdriet met hartetranen, omdat u van God bent weggegaan en omdat u sindsdien geleefd hebt zonder God. Huil om uzelf.

Zijn dat dezelfde emotionele tranen als zojuist? Is dat ook een oppervlakkig gevoel, een voorbijgaande emotie? Nee, deze tranen zijn hartetranen, blijvende hartetranen die opkomen uit een gebroken hart dat zichzelf leert kennen en geleerd heeft te kennen voor God. Dit verdriet welt op, blijvend en steeds weer, uit een hart dat bedroefd is naar God. De tranen van de vrouwen zijn oppervlakkig en hebben geen richting. Maar de tranen van Gods kinderen, huilend om zichzelf, zijn tranen (zichtbaar of

onzichtbaar, en zonder uiterlijk vertoon) die opkomen uit een verslagen hart en die gericht zijn op God. Van zulk soort tranen zingt de dichter in Psalm 56: Mijn tranen hebt G' in Uwe fles vergaard. En van zulke tranen zingt de dichter in Psalm 102: Hoor, o HEER, verhoor mijn smeken, Laat m' Uw bijstand niet ontbreken; Ai, veracht mijn tranen niet.

Denk maar aan de volgende voorbeelden (laat ik drie voorbeelden noemen).

a. Denk maar aan de gelijkenis van de farizeeër en de tollenaar. De tollenaar stond van verre. Een man zonder zichtbare tranen, maar wel met een hart vol tranen, gericht op God. Roepend: O God, wees mij zondaar genadig! Kent u iets van dat roepen tot God uit de nood van uw hart?

b. Denk als tweede maar aan de zondares uit Lukas 7. In Lukas 7:37-38 staat: En zie, een vrouw in de stad, welke een zondares was, verstaande dat Hij in des farizeeërs huis aanzat, bracht een albasten fles met zalf. En staande achter aan Zijn voeten, wenende, begon zij Zijn voeten nat te maken met tranen, en zij droogde ze af met het haar van haar hoofd, en kuste Zijn voeten en zalfde ze met de zalf. Ze wás een zondares. Ze is een kind van God. Want even later zegt de Heere Jezus: Haar zonden zijn vergeven, die vele waren. Zijn haar tranen, tranen van medelijden met Jezus of met haarzelf? Nee, haar tranen zijn tranen van verdriet (na gekregen genade) om de zoveel zonden in het verleden gedaan tegen een goeddoend God. Het zijn ook tranen van blijdschap, om zoveel genade voor zo'n slecht mens.

c. Denk als derde maar aan Petrus, die Zijn Meester verloochend heeft. Misschien hebt u dat de afgelopen tijd ook gedaan. In Lukas 22:62 staat: Petrus naar buiten gaande, weende bitterlijk. Zeker, met tranen, met heel veel tranen. Maar niet oppervlakkig; ze wellen op en stromen over zijn wangen vanwege het besef van zijn zonden, en uit berouw over zoveel ontrouw richting Zijn Meester.

En dus, geliefde gemeente, wil ik u en mijzelf vragen om deze week van voorbereiding op het Heilig Avondmaal na te denken over de vraag: Waarover huil ik?

Móet je dan huilen? Ja, dat zegt de Heere hier. Nee, niet om het lijden van de Heere Jezus. Maar (zegt de Heere) wel om jezelf. Is het je grootste verdriet dat je tegen God gezondigd hebt? Dat je God verlaten hebt? Dat je zelf een breuk geslagen hebt tussen God en je hart? Dat je na de gekregen genade nog steeds zoveel zonden doet? Heeft dat je vernederd voor de Heere? Heeft dat je hart gebroken? Als dat niet zo is, lieve mensen, dan moet je volgende week niet aan de bediening van het Heilig Avondmaal gaan.

Kinderen van God, wat is ons grootste verdriet als wij zondag aan het Heilig Avondmaal zitten en de dood van de Heere gedenken? Is het niet dat we zien en geloven: dat U zo leed, Heere, dat was vanwege mijn zonde? Ik heb door mijn schuld Uw kroon gevlochten, Uw beker gevuld. En mengen die tranen van verdriet en schaamte in ons hart om zoveel kwaad, zich dan niet tegelijkertijd (net als bij de zondares uit Lukas 7) met tranen van verwondering en blijdschap? Wat is het toch onbegrijpelijk, Heere, dat U mij zo liefgehad hebt! Dat U de last van de toorn van God over mijn zonden hebt gedragen. En dat U me trok uit de duisternis tot Uw licht. En dat U mij met al mijn ontrouw en blijvende zonden nog nooit hebt losgelaten. De offeranden Gods (zegt Psalm 51) zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zal de Heere niet verachten.

Huil niet over Mij, maar huil over uzelf. En óók over uw kinderen. Want er staan verschrikkelijke dagen te gebeuren. Straks, als de stad Jeruzalem valt, zullen kinderen weggerukt worden van hun ouders. Maar vooral ook straks aan het eind der tijden, als het definitieve oordeel komt. Want zie, er komen dagen in welke men zeggen zal: Zalig zijn de onvruchtbaren, en de buiken die niet gebaard hebben, en de borsten die niet gezoogd hebben. Geen kinderen hebben is heel verdrietig, daar kan je in stilte veel om huilen. Maar wèl kinderen hebben, die je intens ziet lijden... De Heere zegt: huil om ze. Om de gevaren die hen bedreigen, nu en straks.

Doen we dat ook, kinderen van God in het bijzonder? Huilen we om onze kinderen, die nog steeds niet inzien wie ze zijn voor God? Die nog steeds geen waarde zien in de Zaligmaker? Terwijl ze wel op weg zijn naar de eeuwigheid? Mijn kind, ons kind, maar nog steeds geen kind van God? Brengen wij ze wel met tranen (net als de Kananese vrouw) bij Jezus?

Dat zijn de vragen die ik u en mijzelf wil meegeven in deze week van voorbereiding op het Heilig Avondmaal. Huilen we om onszelf? Huilen we om onze kinderen, vanwege het komende oordeel? Want (zegt de Heere in vers 30): Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons; en tot de heuvelen: Bedekt ons. Bedekt ons voor het alziende oog van de almachtige God.

Want (zo staat in vers 31), indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden? Jongens en meisjes, je hebt vast weleens geprobeerd een vuurtje te maken. Als je groen hout met groene bladeren pakt, dan lukt dat niet. Je moet dor, droog en dood hout hebben; dat brandt, en goed ook! Met dat groene hout wijst de Heere Jezus naar Zichzelf. En met dat dorre hout wijst Hij naar iedereen die nog nooit in waarheid als een arme zondaar voor Hem gebogen heeft.

Met andere woorden: Als Ik (Jezus) zo zwaar en bitter lijd onder de brandende toorn van God, wat dan straks met u, onbekeerde vrienden? Als deze Jezus terugkomt op de wolken in de lucht? Openbaring 1:7 zegt: Alle oog zal Hem zien, ook degenen die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen over Hem rouw bedrijven. En in Openbaring 6:15-16 staat: Zij zullen zich verbergen in de spelonken en in de steenrotsen der bergen, en zeggen tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht Desgenen Die op den troon zit, en van den toorn des Lams. Vreest des Heeren macht! Want Hij komt om de aarde te richten.

Tot slot, geliefde gemeente. Dit is wat de Heere tegen ons zegt, voor deze week van voorbereiding op het Heilig Avondmaal. Huil niet om Mij, maar huil over uzelf en over uw kinderen. Laten we ons vernederen voor de Heere, voor het eerst of opnieuw. Diep buigend, met een verbroken en verslagen hart. Huilend in ons hart om de zoveel zonden die Gods hoogheid schonden. Om de zoveel zonden, kinderen van God, die Zijn kroon hebben gevlochten en Zijn beker hebben gevuld.

Dat berouw en die diepe vernedering zal bij ons, kinderen van God, zonder twijfel in ons hart ook een diep verlangen wekken om de Zaligmaker volgende week te mogen ontmoeten in de tekenen van brood en wijn. Hij, Die gezegd heeft: Zalig zijn die treuren, want zij zullen vertroost worden. Want Ikzelf zal uw weeklacht en geschrei veranderen in een blijde rei.

Laten we ons verdriet, kinderen van God, dan maar brengen aan de voeten van de Heere. Tranen van berouw, tranen van verwondering, en tranen ook van blijdschap. Om alles wat Hij deed en leed in onze plaats. Kijkend naar de eis die Gods heiligheid deed (op Golgotha), wordt ongetwijfeld onze gerechtigheid meer dan ooit een wegwerpelijk kleed. Dat zal ons meer dan ooit laten verlangen om bekleed te mogen zijn met de gerechtigheid van Christus.

Alleen zó kunnen we komen tot de bediening van het Heilig Avondmaal. Beschaamd, diep gebogen. Maar ook met verwondering en blijdschap, om de tekenen van Zijn liefde en trouw als uit Zijn Eigen handen te ontvangen. De Heere geve ons dat we ons zo zullen verheugen en verblijden in Zijn zaligheid. Dan zal waar worden wat er staat in Psalm 30: des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich (Ps. 30:6).

De weg naar die zegen is een weg van vernedering en verootmoediging. Want juist door de diepte van ons berouw en verdriet om onze zonden heen, leert de Heere ons (voor het eerst of opnieuw) zicht te krijgen op de rijkdom van Christus Jezus. Die de Zaligmaker is en wil zijn van zondaars en van niemand anders!

De Heere krijgt de meeste eer uit de diepten van onze schuldbelijdenis en van het ons vernederen voor Hem. Daarom zegt Jakobus: Vernedert u voor den Heere, en Hij zal u verhogen (Jak. 4:10). Want U verlost (zegt Psalm 18) het bedrukte volk, maar de hoge

ogen vernedert Gij. Want een iegelijk die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden.

In die weg geve ons de Heere, dat we volgende week na mogen zingen, de woorden uit het bekende gedicht van R.M. McCheyne:

Eens was ik een vreemd'ling voor God en mijn hart. Ik kende geen schuld en gevoelde geen smart. Ik zocht bij de kruispaal geen veilige wijk. 'k Stond blind, en van verre, in mij zelf zo rijk.

Ik deed als Jeruzalems dochters weleer. Ik weende om de pijn van mijn lijdende Heer'.

Maar toen mij Gods Geest aan mijzelf had ontdekt, Toen werd in mijn ziele de vreze gewekt. Toen voeld' ik wat eisen Gods heiligheid deed. Daar werd al mijn deugd een wegwerpelijk kleed.

Toen vluchtte ik tot Jezus! Hij heeft mij gered. Hij heeft mij verlost van het vonnis der wet. Mijn heil en mijn vrede en mijn leven werd Hij. Ik boog me' en geloofde, en mijn God sprak mij vrij.

Amen.

Slotzang Psalm 130:1,2,3,4:

Uit diepten van ellenden Roep ik, met mond en hart, Tot U, die heil kunt zenden; O HEER, aanschouw mijn smart; Wil naar mijn smeekstem horen; Merk op mijn jammerklacht; Verleen mij gunstig' oren, Daar 'k in mijn druk versmacht.