PREEK · KERKELIJK JAAR

De Emmaüsgangers – Lukas 24

Pasen - 12 april 2026

Lukas 24:25-27: En Hij zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van hart om te geloven al hetgeen dat de profeten gesproken hebben; Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan? En begonnen hebbende van Mozes en van al de Profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was.

INLEIDING

Terwijl twee discipelen op weg naar Emmaüs hun verloren hoop bespreken — want hun Meester is gekruisigd en begraven, en de derde dag is voorbij — verschijnt de verrezen Christus als een vreemdeling onder hen en opent hun verstand aan de Schriften: 'Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan?' (Lukas 24:25-27). Hierin toont de Heere dat lijden en verheffing niet tegenstrijdig zijn, maar de vervulling van Gods eeuwige raad — en leert Hij zijn twijfelende kinderen om, zonder Hem te zien, in het Woord Christus zelf te geloven.

THEMA

De openbaring van de Heere Jezus aan de Emmaüsgangers

KERNPUNTEN

  1. Hun vragen
  2. Zijn antwoord

LUKAS 24:13-35

13 En zie, twee van hen gingen op denzelven dag naar een vlek dat zestig stadiën van Jeruzalem was, welks naam was Emmaüs;
14 En zij spraken tezamen onder elkander van al deze dingen die er gebeurd waren.
15 En het geschiedde terwijl zij samenspraken en elkander ondervraagden, dat Jezus Zelf bij hen kwam en met hen ging.
16 En hun ogen werden gehouden, dat zij Hem niet kenden.
17 En Hij zeide tot hen: Wat redenen zijn dit, die gij wandelende onder elkander verhandelt, en waarom ziet gij droevig?
18 En de een, wiens naam was Kléopas, antwoordende zeide tot Hem: Zijt Gij alleen een vreemdeling te Jeruzalem, en weet niet de dingen die deze dagen daarin geschied zijn?
19 En Hij zeide tot hen: Welke? En zij zeiden tot Hem: De dingen aangaande Jezus den Nazaréner, Welke een Profeet was, krachtig in werken en woorden, voor God en al het volk;
20 En hoe onze overpriesters en oversten Denzelven overgeleverd hebben tot het oordeel des doods, en Hem gekruisigd hebben.
21 En wij hoopten dat Hij was Degene Die Israël verlossen zou. Doch ook benevens dit alles is het heden de derde dag, van dat deze dingen geschied zijn.
22 Maar ook sommige vrouwen uit ons hebben ons ontsteld, die vroeg in den morgenstond aan het graf geweest zijn;
23 En Zijn lichaam niet vindende, kwamen zij en zeiden dat zij ook een gezicht van engelen gezien hadden, die zeggen dat Hij leeft.
24 En sommigen dergenen die met ons zijn, gingen heen tot het graf, en bevonden het alzo, gelijk ook de vrouwen gezegd hadden; maar Hem zagen zij niet.
25 En Hij zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van hart om te geloven al hetgeen dat de profeten gesproken hebben;
26 Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan?
27 En begonnen hebbende van Mozes en van al de Profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was.
28 En zij kwamen nabij het vlek waar zij naartoe gingen; en Hij hield Zich alsof Hij verder gaan zou.
29 En zij dwongen Hem, zeggende: Blijf met ons; want het is bij den avond en de dag is gedaald. En Hij ging in, om met hen te blijven.
30 En het geschiedde, als Hij met hen aanzat, nam Hij het brood en zegende het, en als Hij het gebroken had, gaf Hij het hun.
31 En hun ogen werden geopend, en zij kenden Hem; en Hij kwam weg uit hun gezicht.
32 En zij zeiden tot elkander: Was ons hart niet brandende in ons, als Hij tot ons sprak op den weg en als Hij ons de Schriften opende?
33 En zij opstaande te zelver ure, keerden weder naar Jeruzalem, en vonden de elve tezamen vergaderd, en die met hen waren,
34 Welke zeiden: De Heere is waarlijk opgestaan en is van Simon gezien.
35 En zij vertelden hetgeen op den weg geschied was, en hoe Hij hun bekend was geworden in het breken des broods.

VOLLEDIGE TEKST

De Emmaüsgangers – Lukas 24

ds. J. IJsselstein - Lukas 24:25-27

THEMA

De openbaring van de Heere Jezus aan de Emmaüsgangers

Ze gaan naar huis. Ontmoedigd, verdrietig en verslagen. Het is nu al de derde dag na de kruisiging van hun Meester. Ze hebben zich de laatste dagen opgehouden in de kring van de discipelen, in de kring van de bekenden van de Heere Jezus Christus. Maar het is ondertussen al zondag.

De berichten die ze gehoord hebben, hebben hen alleen maar verder in verwarring gebracht. Die berichten van de vrouwen, van die twee discipelen, die vertelden dat het graf leeg was. Maar ze hebben Hem niet eens gezien. Onzin, kletsverhalen, ijdel geklap! ‘Kom, we gaan naar huis. We weten het ook niet meer.’

Het is een uur of twee lopen naar Emmaüs. Vanaf Jeruzalem een kilometer of elf. Over ruim twee uur hopen ze thuis te zijn. Die twee mannen, Kleopas en die andere man, van wie wij de naam niet weten. Onderweg zijn ze in gesprek. Hoe kan het ook anders. In gesprek over de dingen (vers 14) die gebeurd zijn. Want, wat is het toch veel gebeurd. Maar nu is alles voorbij. Nu is alles verleden tijd. En van de dingen van het verleden kan je niet leven. Hun Heere is gekruisigd, gestorven en begraven. En nu is het al de derde dag.

Wat hadden ze vroeger hoop gehad. Vers 21: wij hoopten dat Hij was Degene Die Israël verlossen zou. Ze hoopten dat Jezus van Nazareth in eigen persoon hen van de Romeinse overheersing zou bevrijden. Dat hadden ze altijd al gedacht (zoals staat in Lukas 19:11): Zij meenden, dat het Koninkrijk Gods terstond zou openbaar worden. Ze dachten dat het Messiaanse Rijk zou aanbreken. Ja, dat dachten ze. Maar die hoop is nu voorbij…

Zo kan het nog wel zijn: Wij hopen…, wat wij zelf verwachten, wat wij zelf graag willen. Maar het gaat niet om wat wij hopen en om wat wij willen. Het gaat om wat de Heere wil. Die zegt in Jesaja 46: Mijn raad zal bestaan en Ik zal al Mijn welbehagen doen (Jes. 46:10).

Hun hart huilt van verdriet om hun lieve Meester. Van Wie ze zoveel geleerd hebben, aan Wie hun hart zo verbonden is. Maar ze zijn Hem kwijt. Ze zien Hem niet meer.

En ze kunnen niet geloven (konden ze dat maar!), ze kunnen niet geloven dat Hij leeft. Misschien is er wel iemand die dat herkent… U bent uw Heere kwijt. U ziet Hem niet meer. En kon u maar geloven, dat Hij leeft!

Twee levende harten, vol van liefde en heimwee. Maar zonder licht. Laten we vanmorgen met elkaar meelopen, met die twee mannen op weg naar Emmaüs.

Ik lees u als samenvatting van het Schriftgedeelte dat wij vanmorgen overdenken, de tekst voor de preek die u vindt in Lukas 24:25-27. Daar lezen we het Woord van God als volgt: En Hij zeide tot hen: O, onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben! Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan? En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was.

Het thema voor de preek is: De openbaring van de Heere Jezus aan de Emmaüsgangers

We letten met elkaar op twee aandachtspunten. In de eerste plaats op hun vragen. En in de tweede plaats op Zijn antwoord, het antwoord van de Heere Jezus. Twee aandachtspunten dus: 1. Hun vragen 2. Zijn antwoord Als eerste dus:

1. Hun vragen

Ze zijn druk met elkaar in gesprek. Al hun hoop zijn ze kwijtgeraakt, maar van het verleden kunnen ze niet zwijgen. Ze praten over (14): al deze dingen, die er gebeurd waren. Wat is er toch allemaal gebeurd de laatste dagen! En daarbij de prangende vraag: Hebben we het dan toch allemaal verkeerd gezien? Hebben we ons dan toch vergist?

Nee, dat kan niet waar zijn. Wat er vroeger was, dat was waar. Ze zeggen ook niet (in vers 19): We dachten dat Hij een profeet was, maar ze zeggen het nog steeds stellig: Welke een profeet was(!), krachtig in werken en woorden, voor God en al het volk. Maar, dat waar ze zich toen niet in konden bedriegen, lijkt nu uiteindelijk alsnog bedrog te zijn geweest. Hun leven, hun hart ligt overhoop. Het schip van hun hoop is te pletter geslagen op de rotsen van de dingen die de laatste dagen gebeurd zijn.

Ze praten samen over (vers 14) al deze dingen. Zeker, ze kunnen er niet van zwijgen. Maar, dat praten loopt ook al niet zo goed. In vers 15 staat: ze ondervragen elkaar. Het wordt gaandeweg meer een discussie, dan een goed gesprek van hart tot hart.

Totdat…, ze ineens langzaam (ze kijken voorzichtig over hun schouder) ingehaald worden door een onbekende Man, Die hen achterop komt. Maar (vers 16): hun ogen werden gehouden, hun ogen werden vastgehouden, dat zij Hem niet kenden. Wie is die man? Ze kennen, ze herkennen Hem niet. Het is alsof er een blinddoek voor hun ogen zit.

Een blinddoek van? Van verdriet? Zoals tranen van gemis en zondeverdriet ook nu het zicht op de Zaligmaker kunnen belemmeren. Een blinddoek van ongeloof? Ze verwachten de Heere Jezus hier niet. Als ze Hem verwacht hadden, hadden ze anders naar Hem gekeken. Zoals het ongeloof ook nu het zicht op de Zaligmaker kan belemmeren. Maar ’t was ook een blinddoek van onwetendheid. Ze wisten nog de Schriften niet, dat Hij van de doden moest opstaan. Ze hadden het eerder wel gehoord uit de mond van de Heere Jezus, maar ze hadden het niet begrepen. Dat kunnen de redenen geweest zijn in henzelf, dat ze de Heere niet herkenden.

Maar Markus schrijft ook over een andere reden, en die lag niet in hen. Markus schrijft in Markus 16:12: En na dezen is Hij geopenbaard in een andere gedaante aan twee van hen, daar zij wandelden en in het veld gingen. Hij komt bij hen, als een gewone wandelaar. En zo worden hun ogen gehouden, vastgehouden. Het is alsof de Heere Zelf hen een blinddoek omdoet. En dus zien ze Hem wel, maar kennen zij Hem niet. Die onbekende Man…, de Vreemdeling…

Die Zich overigens wel vrijmoedig mengt in hun onderlinge gesprek. Want (zo staat in vers 17): Hij zeide tot hen: Wat redenen zijn dit, die gij, wandelende, onder elkander verhandelt, en waarom ziet gij droevig? Welke (zo staat er eigenlijk letterlijk) woorden wisselen jullie, welke woorden gooien jullie elkaar voor de voeten? Het lijkt vanuit de Griekse taal dat ze even stilstaan, terwijl die Vreemdeling hen onderzoekend aankijkt en zegt: ‘En u kijkt zo verdrietig. Wat is er met u?’

Wat is het een wonder, gemeente, dat de opgestane Heere juist dit soort van mensen opzoekt. Eerst die bange vrouwen bij het graf, toen die bedroefde Maria Magdalena, toen die berouwhebbende Petrus. En nu hier op weg naar Emmaüs, en nu hier vanmorgen in de kerk deze verwarde mannen. En: Hij ziet, Hij weet, Hij kent hun droefheid en verdriet. En Hij ziet, Hij weet en Hij kent ook uw droefheid en verdriet.

Maar, wat doet de Heere het toch vaak anders, dan dat wij het verwachten. Je zegt, jongens en meisjes: laat de Heere toch gewoon direct zeggen: ‘Hier ben Ik! Vrede zij u! Ik ben opgestaan uit de doden!’ Dan is alles opgelost toch?

Ja, maar weet je wat er dan gebeuren zou? Ze zouden (verdrietig als ze nu zijn) uitbreken in blijdschap, vreugde en verwondering… Hun gevoel zou helemaal omslaan. Maar één ding zou niet veranderen: hun hart. Hun ongelovige en twijfelende hart. En de Heere wil juist hun hart genezen van die twijfel en van dat ongeloof. En dat gaat Hij doen, ik hoop en bid ook vanmorgen. Maar dat doet Hij wel op Zijn eigen manier. En dus houdt Hij Zichzelf nog verborgen…

Zoals de Heere dat nog steeds vaak doet met verwarde discipelen, met kinderen van God die het niet meer weten. Hij zegt niet direct: ‘Hier ben Ik, Ik ben uw heil alleen!’ Nee, Hij onderhandelt met ze, Hij gaat met hen in gesprek. Opdat? Waarom? Opdat ze hun hart voor Hem zouden uitstorten. Opdat ze tegen Hem zouden zeggen wat in hun binnenste leeft. En zo, op die manier, wil Hij aan hen laten zien, waar het in hun hart echt aan schort. En tegelijkertijd verwarmt Hij zó (op die manier) hun hart, zo dat het weer en meer gaat branden van liefde en verlangen naar Hem.

Is er in uw hart vanmorgen ook zoveel verwarring, net als bij deze mannen? Vroeger was het zo anders. Toen was uw hart zo vol van liefde en ijver. Maar nu ligt alles overhoop. Nu weet u het allemaal niet meer. Ja, je kan allemaal wel vertellen tegen een kind van God. En het is ook goed om erover te praten, maar het lost het allemaal niet op.

Er is er maar Eén, Die licht kan ontsteken in dat donkere hart van hen en van u. De opgestane Christus Zelf! En, wat is het een zegen, wat is het een wonder… Ja, je kan wel denken, dat je alles verzondigd hebt, en dat er geen oplossing meer is… Maar, de Heere! Hij zoekt juist dit soort van mensen op. En dus komt Hij onverwachts bij hen lopen. En dus komt Hij vanmorgen in de dienst van het Woord onverwachts ook bij u lopen.

Hij komt vanmorgen in de dienst van het Woord als het ware ook bij u, naast u lopen. Hij kijkt u als het ware ook aan, en zegt: Wat ziet u toch droevig? Wat is er? Vertel Me eens wat in uw hart is.

‘Ja, maar’, zegt Kleopas in vers 18, ‘bent u dan een vreemdeling in Jeruzalem, en weet u niet wat daar de laatste dagen allemaal gebeurd is?’ Vers 19: En Hij zeide tot hen: Welke? Wat is er dan gebeurd?

O, wat ontlokt de Heere deze mannen hun hart. ‘Nou’, zegt Kleopas (in vers 19-24), ‘de dingen aangaande Jezus den Nazaréner, Welke een Profeet was, krachtig in werken en woorden, voor God en al het volk. En hoe onze

overpriesters en oversten (onze eigen mensen) Denzelven overgeleverd hebben tot het oordeel des doods, en Hem gekruisigd hebben.

Zij hebben Hem gedood en daarmee verging onze hoop en nu zijn we Hem kwijt… En wij hoopten dat Hij was Degene Die Israël verlossen zou. Doch ook benevens dit alles is het heden de derde dag, van dat deze dingen geschied zijn. Maar ook sommige vrouwen uit ons hebben ons ontsteld (ons in verwarring gebracht), die vroeg in den morgenstond aan het graf geweest zijn. En Zijn lichaam niet vindende, kwamen zij en zeiden dat zij ook een gezicht van engelen gezien hadden, die zeggen dat Hij leeft. En sommigen dergenen die met ons zijn (Petrus en Johannes), gingen heen tot het graf, en bevonden het alzo, gelijk ook de vrouwen gezegd hadden. Maar, Vreemdeling, Hem zagen zij niet.’

Kleopas stort heel zijn hart uit voor deze Vreemdeling: Wij hoopten, dat Hij was Degene, Die Israël verlossen zou. En wat iedereen nu ook van Hem zegt, wij zijn Hem kwijt. Wij zien, wij hebben Hem niet meer. We waren vol verwachting, toen Hij in ons leven kwam. We verwachtten de verlossing van Israël. Maar wat een ontgoocheling! We zijn onze hoop, we zijn Hem kwijtgeraakt!

We gaan zo meteen verder met onze tweede gedachte, maar zingen eerst uit Psalm 77:2: 'k Schatte mij geheel verloren; 'k Mocht van geen vertroosting horen, Als mijn ziel aan God gedacht, Loosd' ik niet dan klacht op klacht; Peinsd' ik aan mijn vrucht'loos kermen, Vrucht'loos roepen om ontfermen, Dacht ik, hoe God anders helpt, Mijne ziel werd overstelpt. - - -

Gemeente, we gaan verder met ons tweede aandachtspunt. We hebben het samen gehad over de vragen van de Emmaüsgangers, nu als tweede:

2. Zijn antwoord

Het antwoord van die Vreemdeling, Die bij hen is komen lopen. Wat is Zijn antwoord? Kijk maar in vers 25: En Hij zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben! De toon is bestraffend. Maar dat is ook terecht, als de Heere ons tegenkomt in ons ongeloof, in ons dwalen. O onverstandigen en tragen van hart. Wat bent u toch dwaas, wat bent u toch onverstandig.

En wonderlijk! Ze verdragen die bestraffing. Stel je voor, je wordt aangesproken door een vreemdeling. En zijn eerste reactie op wat je zegt is: Dwaas, wat ben je onverstandig.

Maar zij verdragen het. En zo is het nog steeds. De oprechten verdragen bestraffing. Ze zeggen: Heere, doorzoek mijn hart maar, als er een schadelijke weg bij mij is, laat me dan zien en leid mij dan toch op de goede, op de eeuwige weg.

Deze twee mannen verdragen de bestraffing en ze luisteren. Hun discussie stopt. Ze luisteren. En door die weg, gaat de Heere wonderlijke dingen doen. Door die weg, wil de Heere het licht weer laten doorbreken in hun hart

Want (zo zegt de puriteinse dominee John Flavel), er zijn (ook bij deze mannen) twee barrières, twee belemmeringen voor Gods kinderen om te geloven. Twee deuren die beiden door Christus geopend moeten worden. De eerste barrière, de eerste gesloten deur is die van de onwetendheid: ik weet het niet, ik begrijp het niet, ik ben het vergeten. En de tweede barrière is de hardheid van ons hart.

De eerste barrière, die van onwetendheid, opent Christus door het Woord, door de prediking van het Evangelie. De tweede barrière, die van de hardheid van ons hart, neemt Hij weg door het verborgen werk van Zijn Heilige Geest. Die, net als bij Lydia, het hart opent.

a. Want, terwijl zij luisteren, opent deze (Zichzelf nog steeds verbergende) Vreemdeling als eerste de Schriften. En hoe doet Hij dat? Hij laat ze (al vertellend) twee dingen zien. Als eerste: Alles wat de profeten gesproken hebben. Kijk maar in vers 27: En begonnen hebbende van Mozes en van al de Profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was. En als tweede laat Hij hun zien uit die Schriften: dat het moest. Kijk maar in vers 26: Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan?

Hij opent de Schriften. En zo breekt Hij de eerste barrière van hun onwetendheid. Hij legt hun uit, in al de Schriften, wat van Hem geschreven was. Om? Om ervoor te zorgen dat ze het een beetje gaan snappen? Dat ze een beetje meer Bijbelkennis krijgen? Nee, om te laten zien Wie Hij is en wat Hij deed om Gods raad, om Gods plan uit te voeren.

Met andere woorden, wil er licht opgaan in je ziel, Kléopas, andere man, dan moet je het zoeken in de Schrift. En dat is nog zo. Wil er licht opgaan in je ziel, zoek het dan in dit Woord. Natuurlijk is het goed om allerlei goede boeken te lezen, maar licht vind je in de Schrift, in je Bijbel. Maak je gang vast in het Woord van de Heere, in je Bijbel. Denkend aan wat de dichter zingt in Psalm 119: Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht voor mijn pad (119:105).

En de opening van Uw woorden geeft licht, de slechten verstandig makende (119:130). Maak je gang vast in het Woord van de Heere, in de hele Bijbel.

Die vol is van Christus. De boeken van Mozes zijn vol van Christus. Heel de offerdienst wees heen naar het slachten van het Lam van God. En ook de Psalmen zijn vol van Hem (Psalm 22, 40, 69, 110, 118): De Steen die door de bouwlieden verworpen is, is nu geworden tot een uiterste Hoeksteen. En ook de Profeten zijn vol van Christus. Denk maar aan Jesaja 53. De Knecht des Heeren zal bitter lijden, maar daarna zal Hij verhoogd worden. Dan zal het welbehagen des Heeren door Zijn hand gelukkig voortgaan

Terwijl die Vreemdeling (die ze nog steeds niet kennen) met hen meeloopt, opent Hij voor hen de Schriften. Al sprekend vanuit de Schriften, onthult, openbaart Hij meer en meer Zichzelf. Niet zo, dat ze Hem kunnen zien met hun lichamelijke ogen. Want ze kennen Hem nog steeds niet. Maar toch wordt de Christus, de Christus Gods, steeds helderder voor hen: Wie Hij was, waarvoor Hij kwam, wat Hij doen moest en wat Hij gedaan heeft. En zo wordt die Christus (Die ze zo missen, en Die ze nog maar zo weinig kennen) steeds helderder voor hen. Omdat de Woorden van die Vreemdeling kracht doen aan hun hart. Omdat Schriftwoorden gaan oplichten in hun ziel. Omdat (zoals Petrus later schrijft): het profetische Woord als een licht gaat schijnen in hun duistere harten. Waardoor de dag gaat aanlichten en de Morgenster opgaat in hun harten (2 Petr. 1:19).

Wat die Vreemdeling doet, is meer dan het opsommen van Bijbelsteksten uit de Boeken van Mozes, uit de Psalmen en uit de Profeten… Het is heel iets anders wat deze Vreemdeling doet.

b. Hij ruimt al sprekend ook de tweede barrière op, die hen belemmert te geloven. Hij opent niet alleen de Schriften, maar Hij breekt ook de hardheid van hun hart!

Ze horen Zijn woorden en Hij geeft hun geloof, om die woorden echt te geloven. Híj Zelf brengt ze tot geloof, zodat ze de kracht, de waarde en de betekenis van die woorden in hun hart leren kennen en vertrouwen. Die Vreemdeling doet een wonderlijk werk. Hij opent de Schriften. Dat is de eerste gesloten deur. En Hij opent tegelijkertijd (dat was de tweede barrière, de tweede gesloten deur) hun hart. Zodat ze gaan geloven. Zodat ze een andere blik krijgen op Hem, van Wie ze dachten dat Hij Israël verlossen zou (op de manier zoals zij verwachtten).

Maar nu leert Hij hun, dat het Gods bedoeling was, Gods eeuwige raadsplan, dat Hij lijden en sterven moest.

Dat eiste Gods rechtvaardigheid. Dat de zonde gestraft zou worden met de hoogste straf. Maar nu heeft Hij die straf gedragen in plaats van al de Zijnen. Nu is Hij hun dood gestorven. Nu is het volbracht. En de Vader heeft de prijs die Hij betaald heeft, aanvaard. En nu heeft Hij door Zijn eeuwige kracht de dood overwonnen. Dat alles moest, naar Gods raad, naar Zijn plan. De Christus moest lijden èn opstaan!

Hadden ze nu maar geluisterd naar de profeten. Dan hadden ze op Golgotha de vervulling gezien van de profetie. Hadden ze nu maar geluisterd naar de eigen woorden van de Heere Jezus. Dan hadden ze nu geweten: Hij leeft.

Maar nu komt Christus Zelf in al hun gebrek, in al hun vergeten, in al hun ongeloof en twijfel. En deze Vreemdeling, die de Christus is, verkondigt hun Christus. Christus preekt Christus! En dus mogen Zijn dienaars hetzelfde doen! Vanuit het Woord, vanuit de Schrift. En Hij (dat kan geen mens) opent tegelijkertijd gesloten harten. Om te geloven: dit moest. Lijden tot de heerlijkheid van God. Opstaan tot de heerlijkheid van God. De Verlosser, Die Israël verlossen zou. Maar niet op hun manier, zoals zij verwacht hadden. Maar op Gods manier. Door plaatsvervangend te lijden, door de dood aan het kruis en door de opstanding tot het leven.

Terwijl het leven van deze mannen aan alle kanten stukgelopen is en hun hoop vergaan is, (hoewel hun liefde nog brandt) - en ik hoop en bid dat dat vanmorgen ook zo zal zijn -, komt de levende Christus naar hen toe. Hij opent de Schriften. Hij breekt hun ongeloof. En Hij onthult Zichzelf.

Hij leert hen om Hem meer te kennen, om Hem dieper te kennen. En Hij schenkt hun geloof in Hem, de Christus, die door God gezonden was om dit plan van de zaligheid uit te voeren. Hij schenkt hun geloof in het Woord. Terwijl ze Hem nog niet herkennen en zien! En dat is nieuw! En ondertussen brandt hun hart. Ze zeggen dat later tegen elkaar in vers 32: Was ons hart niet brandende in ons, als Hij tot ons sprak op den weg, en als Hij ons de Schriften opende?

Hadden ze dit nu maar eerder gezien en geloofd. Dan was de kruisiging van hun Heere geen belemmering geweest om te geloven dat Hij echt de Messias der Schriften was! Dan had Zijn dood hun juist zekerheid gegeven! Hij was immers de Zaligmaker niet, als Hij niet geleden had en niet gestorven was. Maar nu toont de Heere Jezus Christus hen Zelf de gouden draad van de profetie, de gouden draad van het heilsplan van God. En ze geloven Hem met hun hele hart. Hoewel ze Hem nog steeds niet herkennen, niet zien. En dat is nieuw…

De tijd is, al pratend, ongemerkt verder gegaan. Ze zijn inmiddels vlakbij huis. ‘Vreemdeling, blijft bij ons, want het is al donker’. En in het donker is de weg niet veilig. Er zijn misschien rovers, de weg is ongelijk en er kunnen zelfs wilde dieren zijn. Het lijkt voor de twee mannen alsof de Vreemdeling (zo staat het in vers 28) verder wil gaan. Weer ontlokt Hij hun (voor hen ongemerkt) wat leeft in hun hart… ‘Meester, ga niet verder, blijf bij ons’. En (vers 29) zij dwongen Hem.

En het geschiedde (vers 30 en 31), als Hij met hen aanzat, nam Hij het brood, en zegende het, en als Hij het gebroken had, gaf Hij het hun. En hun ogen werden geopend, en zij kenden Hem; en Hij kwam weg uit hun gezicht. Als ze gaan eten, dan zegent Hij het brood. Hij neemt de leiding. Als Hij gedankt heeft breekt Hij het brood. En dan… Wat dan? Je zegt: ‘Dan horen ze hoe Hij biddend spreekt tot Zijn Vader en dan herkennen ze Zijn stem? En dan, als Hij het brood breekt en geeft, dan zien ze aan Zijn handen de littekens...?’

Nee, dat staat er niet. Er staat niet dat zij Hem ontdekken. Hij doet het. Hij neemt de blinddoek weg van hun gezicht. Zoals staat in vers 31: En hun ogen werden(!) geopend, en zij kenden Hem Eerst heeft Hij de Schriften geopend, toen heeft Hij hun hart geopend om te geloven, en nu opent Hij hun gewone ogen. Maar dan ineens is Hij weg. Vers 31 zegt: en Hij kwam weg uit hun gezicht. Ze zien Hem niet meer.

Je zegt: ‘Wat gebeurt daar nu precies?’ Dit: hier zijn twee kinderen van God, twee discipelen, met een hart vol van liefde tot de Heere Jezus Christus. Maar zo ondersteboven! Door hun ongeloof en twijfel. En dan komt de Heere Zelf. Hij opent de Schriften, Hij breekt hun ongeloof, Hij opent hun hart. En wat gebeurt er dan? Komt er dan weer zoveel gevoelige blijdschap, vrede en liefde, omdat ze Hem zien met hun eigen ogen? Nee, dan werkt de Heere geloof in hun hart. Geloof in het Woord. Geloof in de Schriften. Terwijl ze Hem aanvankelijk met hun gewone ogen nog steeds niet zien.

Met andere woorden: er komt in het leven van deze mannen (en datzelfde is gebeurd in het leven van de vrouwen en van de discipelen) een vaster fundament. Minder twijfel. Meer vastheid en zekerheid.

Na Pasen zien ze de Heere nauwelijks meer. En op de momenten dat ze de Heere wel zien, leert Hij hun geloven zonder te zien. Leert Hij hun geloven in het Woord. Als ziende de Onzienlijke, Christus in het Woord.

Zoals Petrus later zelf zegt in 1 Petrus 1:8: Dewelke u niet gezien hebt, en nochtans liefhebt, in Dewelke u nu, hoewel Hem niet ziende(!), maar gelovende(!), u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde. Zo mogen ook wij, kinderen van God, leren leven door het geloof. Ook al zien we Christus niet. Ook al voelen we niets meer. Leren leven door het geloof in het Woord. En Christus is in dat Woord. Leren leven door het geloof in de beloften van het Woord, die ja en amen zijn in God door Christus.

Ook al wijst alles op het schijnbare tegendeel. Maar God heeft het beloofd. En in dat beloftewoord is een vaste grond. Als we daarop bouwen, worden we niet meer zo geslingerd als in het verleden, maar mogen we staan op een vaster fundament. Op het fundament van de Schriften, op de rotsvaste grond van het Woord.

Zoals die andere puriteinse dominee Samuel Rutherford ooit zei: Ook al zie ik de liefde niet meer op Zijn gezicht (op het gezicht van Christus), ik weet, ik geloof dat Zijn liefde tot mij nog steeds in Zijn hart is. Dat weet ik (hoewel ik het niet zie) vanuit het Woord. Want Hij heeft het gezegd!

Het is dat wat Paulus zegt in 2 Korinthe 5:7: Want wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen. Als het duister wordt in mijn hart en ik de gevoelige nabijheid van de Heere niet ervaar, dan is het Woord van God, het Woord van Zijn belofte een licht op mijn pad. Levend en krachtig.

Geliefde gemeente, dit hebben wij allemaal nodig. In de eerste plaats (want dat hoort daarbij!) dat je ook zelf echt de Schrift onderzoekt. Zoek uw leven en uw licht in de Schriften. Terwijl je bidt of de Heere die Schriften zal openen. En terwijl je bidt om ogenzalf, opdat je die woorden geloven zou met heel je hart (Openb. 3:18). Dat is in de eerste plaats nodig: de Schriften onderzoeken.

En in de tweede plaats hebben we nodig dat de Heere Zelf komt door Zijn Heilige Geest (en Hij wil ook komen in deze middellijke weg!) om ons (natuurlijke mensen, die de dingen van de Geest van God niet begrijpen) de geestelijke verborgenheden van het Woord te laten zien. Door ons hart te verlichten en ons geloof te geven. Houdt u daarom, gemeente, bij de Schrift, bij het Woord van God.

Door Woord en Geest overtuigt Christus harten van mensen. Dat zie je hier. Hij trekt hun hart. Ze stoppen met praten. Ze gaan luisteren naar het Woord. Ze worden klein, hongerig en verlangend. En krijgen door het Woord, Christus Zelf in het oog, en de onnaspeurlijke rijkdom van Hem en van Zijn genade.

En nu de Heere dat geeft, nu gaan ze heel snel terug naar Jeruzalem. Het is donker, maar dat geeft niet. Ze hebben wat te vertellen!

Maar dat blijkt overbodig. De Heere heeft hen en hun getuigenis helemaal niet nodig. Hij is al verschenen (zichtbaar) aan Petrus. En in Jeruzalem galmt het hun tegemoet: De Heere is waarlijk opgestaan en Hij is van (door) Simon gezien (vers 34). Maar dan vertellen ze het toch ook: niet wat zij ervaren hebben, maar wat Hij gedaan heeft. Hoor, wat mij God deed ondervinden, wat Hij gedaan heeft aan mijn geest (Ps. 66:8, ber.). Hij heeft Zich aan ons bekendgemaakt in het breken van het brood.

Ze zijn weer thuis. Bij de elven, in de bredere kring van de discipelen. Hun hart is verwarmd, hun geest verlicht, hun hoop weer levend, maar vooral… en dat is nu toch echt anders in het leven van deze kinderen van God (en we wensen en bidden dat elkaar ook toe, kinderen van God): er is meer vastheid, meer zekerheid gekomen in hun leven. Door de persoonlijke ontmoeting met Christus. Door…? En nu goed opletten! Niet in een bijzondere, zichtbare verschijning of in een wonderlijke ervaring. Maar door de persoonlijke ontmoeting met Christus in het Woord. Hun geloof is vaster geworteld in dat Woord. En Christus is in dat Woord!

Kruis en opstanding zijn voor hen beide (van nu af aan en voortaan) tekenen van de vervulling van Gods eeuwige raad en van de heerlijkheid en de glorie van Christus en van God Drie-enig. Zo was er geschreven en zo móest de Christus lijden en verheerlijkt worden! Geliefde gemeente, kinderen van God: Ik heb u ten eerste overgegeven (zo Paulus schrijft in 1 Korinthe 15), hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften. En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derde dage, naar de Schriften (1 Kor. 15:3-4).

Onderzoekt dan de Schriften, want die zijn het die van Christus getuigen (Joh. 5:39).

Amen.

Slotzang Psalm 119:67:

Maak in Uw woord mijn gang en treden vast, Opdat ik mij niet van Uw paân moog' keren; En wordt mijn vlees door 't kwade licht verrast, Ai, laat het mij toch nimmer overheren. Verlos mij, HEER., van 's mensen overlast, Dan zal ik U, naar Uw bevelen, eren.