Hemelvaart - 7 mei 2026
Lukas 24:50-51: En Hij leidde hen buiten tot aan Bethanië, en Zijn handen opheffende, zegende Hij hen. En het geschiedde als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in den hemel.
INLEIDING
Wanneer op Hemelvaartsdag Jezus Zich van Zijn discipelen voor altijd scheidt, doet Hij dat niet zonder troost: al zegenend heft Hij Zijn doorboorde handen op en stijgt ten hemel. Deze leespreek over Lukas 24:50-52 onderzoekt wat die zegenende, doorboorde handen — het teken van een liefde die zich geheel aan het kruis gegeven heeft — voor onze gesloten hemel betekenen, en waarom ware discipelen van Christus niet huilend, maar met grote blijdschap naar Jeruzalem terugkeren.
De hemelvaart van de Heere Jezus Christus.
LUKAS 24:45-53
45 Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden;
46 En zeide tot hen: Alzo is er geschreven, en alzo moest de Christus lijden, en van de doden opstaan ten derden dage;
47 En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving der zonden onder alle volken, beginnende van Jeruzalem.
48 En gij zijt getuigen van deze dingen.
49 En zie, Ik zend de belofte Mijns Vaders op u; maar blijft gij in de stad Jeruzalem, totdat gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte.
50 En Hij leidde hen buiten tot aan Bethanië, en Zijn handen opheffende, zegende Hij hen.
51 En het geschiedde als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in den hemel.
52 En zij aanbaden Hem, en keerden weder naar Jeruzalem met grote blijdschap.
53 En zij waren allen tijd in den tempel, lovende en dankende God. Amen.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Lukas 24:50-51
THEMA
De hemelvaart van de Heere Jezus Christus.
Geliefde gemeente, de tekst voor de preek op deze Hemelvaartsdag kunt u vinden in Lukas 24, daarvan de verzen 50 tot en met 52. Lukas 24:50-52. Daar lezen we het woord van God als volgt: En Hij leidde hen buiten tot aan Bethanië, en Zijn handen opheffende, zegende Hij hen. En het geschiedde, als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in den hemel. En zij aanbaden Hem, en keerden weder naar Jeruzalem met grote blijdschap.
Het thema voor de preek van vanmorgen is: De hemelvaart van de Heere Jezus Christus. We letten samen op drie dingen. In de eerste plaats letten we op Zijn heengaan, weg van deze aarde, weg van Zijn discipelen. In de tweede plaats letten we op Zijn ingaan, in de hemel. En in de derde plaats (nadat we gezongen hebben) zullen we letten op het nut van de hemelvaart van de Heere Jezus. Dan denk ik aan de woorden van vers 52 en vraag me met u af: waarom de discipelen terugkeerden naar Jeruzalem met grote blijdschap?
2. Zijn ingaan 3. En: het nut daarvan Als eerste dus:
We lezen in vers 50 en 51a: En Hij leidde hen buiten tot aan Bethanië, en Zijn handen opheffende, zegende Hij hen. En het geschiedde, als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde.
Het pad waarop ze samen lopen kronkelt naar beneden. Uit de stad Jeruzalem, in de richting van het Kidrondal. De beek over, langs de hof van Gethsémané. Rechtdoor gaat het pad verder in de richting van Jericho, maar zij nemen het zijpad in de richting van Bethanië.
Het is niet zo ver, hooguit een kilometer of twee. Niet ver, maar wel een weg vol van herinneringen.
Voor hen ligt Bethanië. Een plaats met zo veel goede herinneringen aan zoveel goede ontmoetingen met Martha, Maria en Lazarus. Daar heeft Maria, de zus van Lazarus, de voeten van de Heere Jezus gezalfd met kostbare nardus (Joh. 11:1En er was een zeker man krank, genaamd Lazarus, van Bethanië, uit het vlek van Maria en haar zuster Martha.).
Achter hen ligt Gethsémané. De plaats van het bittere lijden. De plaats waar de Heere Jezus ‘geheel bedroefd werd, tot de dood toe’. De plaats waar Hij bad: ‘niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede.’ De plaats van hun verraad… De plaats waar ze Hem allemaal verlaten hebben…
En daarachter ligt de stad Jeruzalem… En hier, nu heel dichtbij, is de helling van de Olijfberg. De plaats waar de Heere Jezus in het verleden gehuild heeft, zoals staat in Lukas 19. Toen liep Hij de andere kant op, in de richting van Jeruzalem. Lukas schrijft: En als Hij nabij kwam, en de stad zag, weende Hij over haar, zeggende: Och, of u ook bekende, ook nog in deze uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen (Luk. 19:41-42). [stilte]
Ze zijn ondertussen doorgelopen, op dat pad, in de richting van Bethanië. En daar staan ze stil. Dichtbij Bethanië. Ze staan stil. En het is stil…
Luister, er wordt toch nog iets gezegd. Heere, zult U in deze tijd aan Israël het Koninkrijk weder oprichten (Hand. 1:6Zij dan, die samengekomen waren, vraagden Hem, zeggende: Heere, zult Gij in dezen tijd aan Israël het Koninkrijk wederoprichten?)? Komt nu dan eindelijk de tijd dat we mogen rusten op onze tronen in Uw Koninkrijk?
De liefde van de Zaligmaker is tastbaar in Zijn milde terechtwijzing en tegelijkertijd dubbele belofte: En Hij zeide tot hen: Het komt u niet toe, te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft; maar u zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal; en u zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde (Hand. 1:7-8).
Dit zijn de laatste woorden van onze Meester, van onze lieve Heere en Zaligmaker: U zult ontvangen de kracht van de Heilige Geest, Die over u komen zal; en u zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste van de aarde.
Daar staan ze. Ze staan stil. En na die enkele woorden is het ook helemaal stil. En dan, dat indrukwekkende moment. In die stilte.
Bij de geboorte van de Heere Jezus waren er legioenen engelen… Bij Zijn kruis was er die zwarte sluier die over de aarde viel. Toen schokte de grond, toen scheurden de rotsen, toen werden de graven geopend… En bij Zijn opstanding was er die geweldige aardbeving. De wachters werden als doden, ze vielen op de grond en daarna vluchtten ze voor hun leven…
Maar hier en nu: Geen donder, geen bliksem. Geen vurige paarden en wagens zoals destijds bij de profeet Elia. Alleen een indrukwekkende stilte…
En dan, in die volmaakte stilte heft de Heere Jezus Zijn doorboorde handen op (de littekens van de spijkers van het kruis zijn nog goed te zien), Hij heeft Zijn handen op en zegent Zijn discipelen. En terwijl Hij dat doet, stijgt Hij langzaam omhoog, van de aarde in de richting van de hemel. Ze zien het. En ze kijken Hem na. En ondertussen klinkt in de hemel de bazuin, en juichen de engelen. Zoals staat in Psalm 47: God vaart op met gejuich, de HEERE met geklank der bazuin.
En terwijl Hij langzaam omhoog gaat, blijft Hij Zijn discipelen zegenen. Kijk maar naar vers 50 en 51: En Zijn handen opheffende, zegende Hij hen. En het geschiedde als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in den hemel. Dus terwijl Hij Zijn discipelen zegent, gaat Hij heen. Al zegenend gaat Hij naar de hemel. Het laatste van Hem op aarde is: een zegen voor Zijn discipelen.
Hij gaat heen als een zegenende Koning en Hogepriester. In de tijd van het Oude Testament ging de hogepriester één keer per jaar, op de grote verzoendag, het heilige der heiligen binnen. Hij offerde bloed, eerst voor zichzelf, en daarna voor het volk. Hij sprengde bloed, eerst voor zichzelf, en daarna voor het volk. En daarna zegende hij het volk. Maar iedere hogepriester stierf. En daarna nam zijn zoon de dienst over. En toen Mozes afscheid nam van het volk Israël (in Deuteronomium 33), toen zegende ook hij het volk.
Maar met dit grote verschil: de hogepriester in het Oude Testament en Mozes konden die zegen wel uitspreken, maar ze konden die zegen niet werkelijk geven. Maar Christus heeft als Hogepriester en Koning macht en volmacht om zegen uit te spreken en te geven! Want Hij is de grote Hogepriester, Die Zichzelf geofferd heeft, als een volkomen Lam, als het Lam Gods. En nu Hij de prijs voor de zonde betaald heeft, nu Hij het leven verworven heeft, nu Hij de deugden van Zijn Vader groot gemaakt heeft, nu Hij de dood overwonnen heeft, nu heerst Hij ook als Koning. En dus stijgt Hij op vol majesteit en heerlijkheid als Overwinnaar-Koning, en zegenend als Hogepriester. Kijk, daar gaat Hij. Zijn handen opheffend, zegent Hij hen.
Kijk, jongens en meisjes, eens in gedachten naar Zijn handen. En, kijk eens naar je eigen handen. Doe dat eens. Kijk eens naar je eigen handen. Zijn handen zegenen. Jouw handen, wat doen die, en wat hebben die allemaal gedaan? Moeten wij niet allemaal eerlijk zeggen: deze handen, mijn handen, die hebben zoveel zonden, die hebben zoveel kwaad gedaan?
Onze handen namen in het paradijs van de verboden vrucht. Onze handen grepen naar de troon van God. Want wij wilden als God zijn. Onze handen hebben zoveel kwaad gedaan. En daarom! Daarom was de hemel voor ons gesloten. Dat hebben onze handen gedaan. Onze handen hebben de hemel dichtgedaan. Door onze handen was de kloof tussen de hemel en de aarde onmetelijk diep. God was onbereikbaar voor ons. De hemel was gesloten. Door onze schuld.
Dat kan je weten met je verstand. Maar ben je dat ook al echt aan de weet gekomen? Is dat ook zo in de beleving van je hart? ‘Heere, door mij, om mijn handen en om mijn hart, is de hemel dicht.’
Wat kunnen zondaars (aan wie de Heere dat laat zien) verdriet hebben om hun handen. Maar wat kunnen ontdekte zondaars ook verdwalen, als ze hun hoop toch weer gaan stellen op hun handen. Ik bedoel: op dat je probeert om het zelf weer goed maken, om zelf weer een weg naar de hemel te banen. Hopend op het werk van je eigen handen. Op je bidden, maar… je kan niet bidden zoals het behoort. Op je lezen, maar… je begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn. Op je emoties, maar… dan zijn ze er, en dan ineens niet meer. Op het voelen van je schuld, maar… het voelt alsof het nooit genoeg is. Laat los, zoekende zondaars, de hoop op je eigen handen. Want dat blijft altijd tekort.
Dit is als het ware de laatste, woordeloze boodschap van de naar de hemel gaande Christus: ‘Uw handen kunnen het nooit meer goed maken. Maar, kijk naar Mij. Kijk naar Mijn handen!’ U bent het waard om te vallen in de handen van een rechtvaardige Rechter. Zijn handen zouden u kunnen breken als een pottenbakkersvat, als een aarden kruik (Ps. 2). Om alles wat uw handen gedaan hebben. Maar kijk toch naar Mijn handen.
Die handen, de handen van de Heere Jezus, jongens en meisjes, dat waren de handen die zieken genazen, die blinden het gezicht gaven. Dat waren de handen die wenkten naar jullie, toen Hij zei: Laat kinderen tot Mij komen. Dat waren handen die zo vaak in stilte gevouwen waren, toen de Heere in de stilte bad. Deden ze ooit iets verkeerds? Nee, nooit! En toch werden ze gebonden. Hij liet Zich binden. En toch werden ze gespijkerd aan een kruis, Hij liet Zich kruisigen. Kijk eens omhoog, je kunt de littekens in Zijn handen nog zien…
Kijk maar…, dan zie je het Evangelie van deze Hemelvaartsdag! Gods heilige en rechtvaardige handen hebben Hem, Christus gebroken! En daarom zijn Zijn handen nu milde handen, zegenende handen. Kijk maar… naar Zijn handen.
Als de discipelen naar die handen kijken en zien dat die handen hen zegenen, wat blijft er dan over? Als u, discipelen van de Heere, in gedachten kijkt naar deze handen, wat blijft er dan over? Dan blijft er zonder twijfel maar één ding: verwondering. Drie-enige God, U alleen zijn daarvoor al de eer.
Misschien, jongens en meisjes, zeg je: ‘Jammer, jammer dat we de inhoud van die zegen niet weten. Dat we wel zegenende handen zien, maar dat de Heere Jezus daar niets bij gezegd heeft.’ Ik begrijp wat je bedoelt. Want als we afscheid nemen van mensen van wie we heel veel houden, dan kunnen woorden (al waren het er maar een paar) ons heel veel zeggen. Maar…, als je afscheid neemt van je man of vrouw, van je vader of moeder, als je afscheid moet nemen van je kind of kleinkind, dan kan één blik op degene van wie je zoveel houdt, óók genoeg zijn. Want, die ene blik zegt alles…
Eén blik is genoeg. Eén blik op Zijn zegenende, doorboorde handen. Zonder woorden, maar die handen zeggen alles.
Die handen zeggen immers: ‘om alles wat uw handen deden, moest u de eeuwige dood sterven. Maar nu (om Mijn geopende, om zegenende handen): Nu is alles van Mij voor u. Nu Ik gebroken ben (door uw misdadige handen), voor u, in uw plaats, daar u anders de eeuwige dood had moeten sterven. Nu is alles wat Ik deed voor u. Nu zal niemand u ooit nog uit Mijn handen kunnen rukken.
En nu baan Ik voor u een weg. Naar die plaats, die u met uwe eigen handen gesloten had. Een weg die voor u onmogelijk was om te gaan. Maar Ik ga u vóór. Om die weg te openen voor u. En al zegenend neem ik u, Mijn discipelen, mee terug mèt Mij naar het huis van Mijn Vader.
Een laatste gesprek, laatste woorden van onze geliefden zullen wij nooit vergeten. Die laatste blik (troostvol, misschien ook wel hartverscheurend), die laatste blik die staat op ons netvlies gebrand. Zo ook hier. Dat beeld van die zegenende handen. Dat beeld van die doorboorde handen. Dat beeld van Zijn ingaan in de hemel. Dat beeld van dat openen van die voor ons onbegaanbare weg, van dat overbruggen van die voor ons onmetelijke kloof. Dat moeten we, dat mogen we, discipelen van Christus, kinderen van God, nooit vergeten. Dat mag wel op ons netvlies gebrand blijven, ons leven lang.
Laten we samen gaan zingen, voordat we verdergaan uit Psalm 68, het negende vers: Gij voert ten hemel op, vol eer, de kerker werd Uw buit, o HEER! Gij zaagt Uw strijd bekronen met gaven, tot der mensen troost, Opdat zelfs 't wederhorig kroost altijd bij U zou wonen. - - -
Terwijl Hij heengaat, zegent hij hen. Ziet u ze in gedachten staan? Johannes, Petrus, Thomas… Petrus, die zei: ‘Ik ken de Mens niet’. Wat getuigen die doorboorde, zegenende handen van eenzijdige liefde voor een man als Petrus… Thomas, die ooit zei: Indien ik in Zijn handen niet zie het teken der nagelen, en mijn vinger steek in het teken (van die spijkers), en steek mijn hand in Zijn zijde, ik zal geenszins geloven (Joh. 20:25De andere discipelen dan zeiden tot hem: Wij hebben den Heere gezien. Doch hij zeide tot hen: Indien ik in Zijn handen niet zie het teken der nagelen, en mijn vinger steke in het teken der nagelen, en steke mijn hand in Zijn zijde, ik zal geenszins geloven.). Het is alsof de Zaligmaker nog één keer zegt: ‘Kijk, Thomas, maar naar Mijn handen, naar Mijn doorboorde handen.’
Iemand schrijft ergens: ‘Al zegenend toont de Heere Jezus aan Zijn discipelen Zijn trouwring; het teken van de spijkers (in Zijn doorboorde handen) is de trouwring van Zijn zondaarsliefde. Alsof Hij zegt: Mijn lieve bruid, dit zijn de tekenen van Mijn blijvende liefde en trouw voor u.
Hij zegende hen. Hen. Dus niet iedereen wordt gezegend. Alleen degenen die van Hem zijn, alleen degenen die Zijn eigendom zijn, gekocht met de prijs van Zijn bloed.
De meeste mensen kennen Hem niet eens. Die zitten rond die tijd gewoon in Jeruzalem. De meeste mensen hebben helemaal niets in Jezus gezien. Sterker nog: ze hebben Hem aan het kruis gespijkerd. De meeste mensen zijn druk met andere dingen, met hun godsdienst, met het zich klaarmaken voor het komende pinksterfeest. En ondertussen beseffen ze niet wat ze gedaan hebben: dat ze de Zaligmaker gekruisigd hebben.
Bent u één van hen, van die discipelen? Of één van al die anderen? Druk met de feestdagen, druk met de komende pinksterdagen? Zonder dat u er erg in hebt, dat u een verrader en moordenaar van de Zaligmaker bent?
U die zo druk bezig bent met uzelf, met uw godsdienst… U die zo onverschillig bent, en geen interesse hebt in Jezus… Kijk naar uw handen! Kijk toch naar wat u gedaan hebt en naar wat u doet! Uw handen hebben gegrepen naar de troon van God. Uw handen hebben de Zaligmaker verworpen. En ze doen dat tot op de dag van vandaag, iedere dag weer. Vouw uw handen toch! En bid om genade!
We gaan verder met ons tweede aandachtspunt:
Vers 51 zegt: En werd opgenomen in de hemel. En wolk neemt Hem weg van hun ogen. Wat daar achter gebeurt, zien ze niet. Het is de Vader Die Hem opneemt in de hemel. Het was de Vader Die Hem zond. Het is de Vader Die Hem opneemt.
Hij kwam in deze wereld om de schuld van Zijn Kerk te dragen, om hun zonden te verzoenen. Hij vernederde zich tot de dood van het kruis. En toen alles volbracht was, heeft de Vader Hem opgewekt. En nu wordt Hij door de Vader thuisgehaald! Want alles, alles is voldaan. Er hoeft helemaal niets meer bij. Was er tekort geweest aan Zijn werk, dan was de hemel gesloten gebleven. Maar de hemel gaat open. En de Vader neemt Hem op.
Legioenen engelen zingen Gods lof bij Zijn intocht in de hemel, vol triomf en luister. Zoals de dichter zingt in Psalm 24:7: Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga! Zoals de dichter zingt in Psalm 68:9: Gij voert ten hemel op, vol eer, de kerker werd Uw buit, o HEER! Gij zaagt Uw strijd bekronen met gaven, tot der mensen troost, Opdat zelfs 't wederhorig kroost altijd bij U zou wonen.
Opdat zelfs het wederhorige kroost…! Dat is de boodschap van Hemelvaart. Wederhorige, ongehoorzame mensen kunnen nu weer wonen bij God. Want alles is voldaan. Christus nadert als eerste voor hen (voor zulke wederhorigen) tot de troon van de vlekkeloos heilige God. Met Zijn offer, met wat Hij verdiend heeft. Zoals de hogepriester op de Grote Verzoendag het heiligdom binnenging, met bloed en met een vat vol reukwerk. Zo gaat Christus vol heerlijkheid en triomf de hemel binnen met Zijn verdiensten.
Wij hebben ons, kinderen van God, weggezondigd bij de Heere vandaan. Maar nu brengt Hij ons terug. Tot Zijn Vader. En tot onze Vader. Daarom is deze dag een blijde dag. Christus komt met Zijn volbrachte werk voor het aangezicht van Zijn hemelse Vader. En Hij wordt met gejuich begroet.
En als er in hemel al blijdschap is over één zondaar die zich bekeert, wat moet het dan geweest zijn, toen Christus de hemel binnenkwam met Zijn bloed, bestemd voor miljoenen zondaars, voor een menigte die niemand tellen kan?
Die zegenende handen van de Heere Jezus, dat was Zijn laatste afscheidsgroet. En toen? En nu? Jongens en meisjes, is de Heere Jezus nu… weg? Er staat (in Handelingen 1:9): En een wolk nam Hem weg van hun ogen.
En dan zien ze Hem niet meer. En dan? Dan gaan de discipelen huilend naar huis?
Nee. Dat is bijzonder. In vers 52 staat: En zij aanbaden Hem (ze vallen op hun knieën voor Hem neer), en (zij) keerden weder naar Jeruzalem met grote blijdschap. Met grote blijdschap! Ze zijn blij, heel erg blij! Waarom? Dat gaan we samen zien in ons derde aandachtspunt:
Wat hebben zij daaraan? En waarom zijn ze zo blij? En, kinderen van God, wat hebben wij daaraan? En waarom zijn wij zo blij?
Ik ga u zeven punten noemen, als nut van de hemelvaart en als reden van hun en onze blijdschap.
1. Ze zijn blij, omdat ze het voor hun ogen zien: de vervulling van de Schriften die Jezus eerder voor hen geopend heeft. De profetie van het Oude Testament, van Psalm 47 wordt vervuld: God vaart op met gejuich, de HEERE met geklank der bazuin (Ps. 47:6). De profetie van Johannes 16 wordt vervuld: Ik ben van den Vader uitgegaan, en ben in de wereld gekomen; wederom verlaat Ik de wereld en ga heen tot den Vader (Joh. 16:28). De profetie van Lukas 24 wordt vervuld: Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan (Luk 24:26)?
En nu zien ze met eigen ogen hoe al deze profetieën vervuld worden. En hoe de wens van hun Meester vervuld wordt. En dat vult hun hart met ongekende blijdschap.
Zij zijn blij omdat de wens van hun Meester vervuld wordt, terugdenkend aan Zijn gebed: En nu verheerlijk Mij, U Vader, bij Uzelf met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was (Joh. 17:5En nu verheerlijk Mij, Gij Vader, bij Uzelven, met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was.). Ze weten van Zijn verlangen naar het huis van Zijn Vader. En nu, dat weten ze, nu Hij naar de hemel gaat, nu wordt Zijn blijdschap vervuld (Joh. 15:11Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat Mijn blijdschap in u blijve, en uw blijdschap vervuld worde.).
Zij zijn blij en aanbidden Hem, omdat de wens van hun Heere en Zaligmaker vervuld is. En dat is ook onze blijdschap en aanbidding op deze dag!
2. Ze zijn in de tweede plaats ook blij, omdat ze weten en geloven, dat hun Heere niet weg is. Ze kunnen Zijn lichamelijke afwezigheid wel ervaren als een gemis, maar vanaf nu is Hij met Zijn almachtige zegen overal. Ze begrijpen nu, dat Hij dichter bij hen zal blijven, dan Hij op aarde bij hen leek te zijn. Nu Hij Zijn tijdelijke verblijf op aarde gaat verwisselen voor een blijvend in hen wonen door Zijn Geest.
Zoals Hij hen had gezegd in Johannes 16: Het is u nut, dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden (Joh. 16:7). Want: Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid (Joh. 14:16En Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid;). Zij zijn blij en aanbidden Hem, omdat ze geloven dat ze Hem niet kwijt zijn. En dat is ook onze blijdschap en aanbidding op deze dag. Naar Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest zal Hij nimmermeer van ons wijken (Zondag 18).
3. Ze zijn in de derde plaats blij, als ze denken aan wat er achter die wolk gebeurt, als ze denken aan Zijn ingaan in de hemel. Aan Zijn glorie en heerlijkheid. Aan de halleluja’s en het gezang van de gezaligden. Aan de ruisende harpen van miljoenen engelen. Aan dat Hem nu een Naam gegeven is, boven alle naam. Aan dat Hij nu als Koning heerst in alle eeuwigheid. Dit is de dag van Zijn kroning! En als de Koning gekroond wordt, dan zijn Zijn onderdanen blij!
Nu Hij alle macht gaat uitoefenen in de hemel en op de aarde. Nu zal Hij voor hen alle dingen ten beste keren. En dus hoeven ze in alle strijd die wacht, ook niet te vrezen. Want Hij heeft alle macht. En de satan is overwonnen.
Zij zijn blij en aanbidden Hem, omdat Hij als Koning-Overwinnaar de hemel binnengaat. En dat is ook onze blijdschap en aanbidding op deze dag.
4. Ze zijn in de vierde plaats blij, omdat ze weten en geloven dat Hij voor hèn de hemel binnengaat, met Zijn offer. Zoals de apostel schrijft: Daar de Voorloper voor ons(!) is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening van Melchizedek, een Hogepriester geworden zijnde in der eeuwigheid (Hebr. 6:20Daar de Voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening van Melchizedek, een Hogepriester geworden zijnde in der eeuwigheid.). Dat is de zekerheid, de garantie van de betaling van onze schuld. Dat Hij opstijgt naar de hemel, en dat de hemel Hem ontvangt. En ons met Hem. Voor ons, in onze plaats. En zo ontvangt de Vader in de hemel niet alleen Hem, maar ook heel Zijn Kerk. Hij heeft (zegt Paulus in Efeze 2) ons (niet alleen) medeopgewekt uit de dood, maar heeft ons (ook) mede gezet in de hemel in Christus Jezus (Ef. 2:6).
O gelukkige dag, waarop Jezus voor ons de hemel is ingegaan met Zijn werk. En zo heeft Hij die gesloten hemel geopend voor iedereen die in Hem is. Zij zijn blij en aanbidden Hem, want Zijn hemel is hun hemel. En dat is ook onze blijdschap en aanbidding op deze dag.
5. Zij zijn in de vijfde plaats blij, want ze weten dat Hij naar de hemel gaat, om daar blijvend voor hen te bidden. Nu hebben zij een biddende Hogepriester in de hemel, die (zegt de apostel) altijd leeft om voor hen te bidden (Hebr. 7:25Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.). Zoals Paulus zegt: Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt (Rom. 8:34Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt.). Ze hebben nu (zoals ds. McCheyne Hem ooit noemde) een Vriend aan het Hof. Die hun zaak bepleit, Die voor hen bidt. En dus mogen zij en ook wij nu: met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden om geholpen te worden te bekwamer tijd (Hebr. 4:16Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.). Zij zijn blij en aanbidden Hem, omdat ze geloven dat Hij altijd voor hen zal blijven bidden. En dat is ook onze blijdschap en aanbidding op deze dag.
6. Ze zijn in de zesde plaats blij, omdat Hij nu naar de hemel gaat (dat heeft Hij gezegd) om voor hen plaats te bereiden. De hemel wordt nu voor hen klaargemaakt. En wie zou niet blij zijn, met de wetenschap dat voor hem of haar een zeldzame plaats wordt voorbereid? Een plaats in het Vaderhuis? Waar het goed is. Want het is goed nabij God te zijn (Ps. 73:28Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op den Heere HEERE, om al Uw werken te vertellen.). En met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste (Fil. 1:23).
Als we dan dat vooruitzicht mogen hebben, kinderen van God, als we dan mogen weten dat ook voor ons in de hemel een plaats wordt klaargemaakt, dan kan het toch niet anders, dan moet ons leven op aarde in geestelijke zin toch ook een leven zijn gericht op de hemel? Dan moet het toch zijn zoals Paulus zegt in Filippenzen 3: Onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heere Jezus Christus (Fil. 3:20). Dan zoeken we (zegt de catechismus in Zondag 18) door de kracht van de Heilige Geest: wat daar boven is, waar Christus (nu) is, zittende ter rechterhand Gods, en niet wat op de aarde is. Dan zijn we, zoals staat in Hebreeën 11: begerig naar een beter, dat is naar het hemelse vaderland (Hebr. 11:16).
Zij zijn blij en aanbidden Hem, omdat Hij voor hen uit reist. Maar hoofd en lichaam zullen nooit gescheiden blijven. En dus wacht hen straks, op Gods tijd, een blijde toekomst van vereniging met Hem. En dat is ook onze blijdschap en aanbidding op deze dag.
7. En het zevende, het laatste vloeit daaruit voort. Ze zijn blij, want ze weten en geloven, wat Hij eerder gezegd heeft: Ik zal u geen wezen laten; Ik kom weder tot u (Joh 14.18). Zij zijn blij, want zij weten: Onze Heere komt terug, om ons straks ook tot Zich op te nemen in Zijn heerlijkheid.
Afscheid nemen is niet zo erg, als je weet dat je elkaar weer terug zult zien. Ze zullen Hem een poosje niet meer zien. Maar ze hebben de laatste tijd geleerd om ‘Hem niet te zien, maar toch lief te hebben’. Om terwijl ze Hem niet zien, zich toch in Hem te verheugen met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde (1 Petr. 1:8Denwelken gij niet gezien hebt, en nochtans liefhebt, in Denwelken gij nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde;).
En tot die tijd, dat Hij terug zal komen, zal Hij hen blijven zegenen. Zoals de dichter zingt in Psalm 29: Hij zal Zijn volk zegenen met vrede. Zij zijn blij en aanbidden Hem, omdat ze geloven dat Hij op Zijn tijd terug zal komen. En dat is ook onze blijdschap en aanbidding op deze dag.
Tot slot is er ook nog deze laatste troost en zegen in de hemelvaart van Christus. Vanaf Zijn troon in de hemel ziet Hij niet alleen toe op de redding van enkelingen, maar ook op de overwinning van het Evangelie over de hele wereld. Zijn zegenende handen breiden zich steeds verder uit. Tot waar men ooit de wildste volken vond, zal God zal ontvangen, aanbidding, eer en dankb’re lofgezangen. Dat wordt straks na Pinksteren óók de blijdschap van deze discipelen. Als ze heengaan en de boodschap gaan preken van bekering en vergeving der zonden onder alle volken, beginnende van Jeruzalem (Luk. 24:47). En dat is ook onze blijdschap en aanbidding op deze dag.
Medediscipelen in Woerden, onze lieve Heere is heengegaan. Maar Hij blijft bij ons. En Hij bidt voor ons. En Zijn zegenende handen zijn nog steeds en blijven over ons uitgebreid. En straks komt Hij terug om ons tot Zich te nemen. En dus, laten ook wij naar huis gaan met grote blijdschap. Met het oog gericht op Hem, Die ons beloofd heeft: En zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld.
Amen (Matth. 28:20En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen.).
Slotzang Psalm 29:6:
Looft den HEER’, Die wond'ren werkt; Israël, Zijn volk, versterkt; Hem, Die Jacobs heilig kroost Zeeg'nen zal met vreed' en troost.
Andere preken over Lukas
Andere preken voor Hemelvaart
Andere gerelateerde preken