PREEK · KERKELIJK JAAR

Het Woord is vlees geworden – Johannes 1

Advent, Kerst - 31 december 2023

Johannes 1:14: En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid.

INLEIDING

Het eeuwige Woord daalde af en werd vlees: zwak, sterfelijk mens, hoewel zonder zonde. Hij sloeg Zijn tent op te midden van vijanden die Hem niet aannamen – ook wij niet, van nature. Toch woont Hij nog onder ons, in Zijn Woord, vol van genade en waarheid. Wie zijn eigen vleselijke onmacht en schuld erkent, gaat Hem zoeken en mag soms iets van Zijn heerlijkheid aanschouwen: God met ons, tot de volmaakte aanschouwing hiernamaals.

THEMA

Het vleesgeworden Woord

KERNPUNTEN

  1. Zijn komst
  2. Zijn huis
  3. Zijn volheid

JOHANNES 1:9-14

9 Dit was het waarachtige Licht, Hetwelk verlicht een iegelijk mens, komende in de wereld.
10 Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt; en de wereld heeft Hem niet gekend.
11 Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.
12 Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven;
13 Welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleses, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn.
14 En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid.

VOLLEDIGE TEKST

Het Woord is vlees geworden – Johannes 1

ds. J. IJsselstein - Johannes 1:14

THEMA

Het vleesgeworden Woord

Gemeente, wie begint te lezen in Johannes 1, is als iemand die binnenstapt in een grote kathedraal. Een kathedraal, jongens en meisjes, dat is zo’n enorm grote, oude kerk. Je doet de deur open. In die grote deur, zit vaak een klein deurtje, waardoor je naar binnen kunt. En het eerste wat gebeurt als je die kathedraal bent binnengestapt, is dat die machtige gewelven je blik, je ogen omhoog trekken. Je kijkt met open mond omhoog… Geweldig, indrukwekkend…

Je loopt wat verder naar binnen, je schuifelt wat rond, je kijkt wat rond, en terwijl je die kerk verder binnenloopt, gaat langzaam je blik ook naar beneden. En met een lichte huiver van binnen realiseer je je: ik loop hier eigenlijk op graven. Hier, in deze eeuwenoude kerk zijn vroeger mensen begraven. Best een eng idee, dat je daar op loopt. Maar zo is het wel. En zo loop je daar rond. Je kijkt naar boven, je kijkt naar beneden. Dan wordt je blik naar boven getrokken… en dan weer naar beneden…

Dat is ook het gevoel dat je hebt als je leest in Johannes 1. Het Woord (je blik gaat omhoog), is vlees geworden (en je kijkt naar beneden). En Hij (je kijkt naar boven) heeft onder ons gewoond (en dan kijk je naar beneden). En wij (van beneden) hebben Zijn heerlijkheid gezien (en dan denk je aan de hemelse heerlijkheid hierboven). Probeert dat voorbeeld maar even in gedachten te houden.

De tekst voor de preek van vanmorgen/-middag, gemeente, kunt u vinden in Johannes 1, daarvan het veertiende vers. Daar lezen we het Woord van God als volgt: En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid.

Het thema voor de preek is: Het vleesgeworden Woord Er zijn drie aandachtspunten. We letten op 1. Zijn komst (het Woord is vlees geworden) 2. Zijn huis (Hij heeft onder ons gewoond, en we hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd) 3. Zijn volheid (vol van genade en waarheid).

Als eerste dus:

1. Zijn komst.

Het Woord. Dat is de Heere Jezus. Het Woord is vlees geworden, dat wil zeggen: is mens geworden. Het Woord dat in den beginne al was. Bij de schepping was Hij er al. Want Hij was God. De Heere Jezus is God. Oneindig hoog (denk maar even terug aan die kathedraal), volmaakt in de glorie en heerlijkheid.

Dat Woord is vlees geworden. Hij kwam naar beneden. Hij kwam naar de doden. Denk maar aan die kathedraal, aan de doden die daar begraven zijn. Hij werd vlees. Een man van vlees en bloed: een mens, zoals jij, zoals ik. Een baby, zoals een gewone baby, die in de wieg ligt. Zwak als wij. Zonder eten en drinken zou Hij sterven.

Soms was Hij ziek. Dan weer was hij moe of verdrietig, dan huilde Hij. Toen Hij groter geworden was, heeft de Heere Jezus tranen gehuild, omdat de mensen Hem niet geloofden. Het staat in vers 11: Hij is gekomen tot het Zijne. De wereld was van Hem. De mensen waren van Hem. Wij, ik en jij. Maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Ze hebben de deur niet opengedaan. Ze hebben Hem niet geaccepteerd en verwelkomd, Hem niet omhelsd en in huis genomen.

Je zegt: ‘Dat is erg, dat is verschrikkelijk!’ Ja, dat is waar. En dat begon al in het paradijs. En dat is doorgegaan tot de tijd toe dat de Heere Jezus op de aarde was. En het is nog steeds zo. Hij kwam. Maar zij zeiden: ‘Nee, wij willen U niet!’ De mensen hebben Hem zelfs gekruisigd en geroepen: ‘Weg met Hem!’ Hij wist dat van tevoren. Maar toch kwam Hij. Het is duidelijk, dat de liefde van één kant kwam, van Zijn kant.

En het is nog steeds zo, tot de dag van vandaag toe. Wij mensen zeggen: ‘Nee!’ Ook de mensen van de kerk, ook ik en jij, wij zeggen: ‘Nee!’ ‘U mijn Koning? Nee, ik wil zelf uitmaken wat ik goed en fout vind. Ik wil eigen baas zijn, eigen baas blijven. ‘U mijn Redder? Nee, ik ga zelf mijn leven wel beteren.’ ‘Nee!’ Dat was en is het antwoord van ons mensen op de komst van het Woord.

En toch… (wat is het een wonder): het Woord is toch vlees geworden. Het hield Hem niet tegen om te komen. Hij is toch gekomen. Hij verliet de hemelse glorie, de heerlijkheid van het hemelhof, de liefde en de toegenegenheid van Zijn Vader, en daalde af. Hij werd een zwak, sterfelijk en stervend mens. Als gras dat verdort, als een bloem die verwelkt. Het steeltje knakt en het is voorbij…

Hij werd mens, maar wel een bijzonder mens. Hij bleef wat Hij was: de eeuwige God. En werd mens. Maar anders dan wij. Hij had geen zonde. De apostel zegt: Buiten alle twijfel, de verborgenheid der godzaligheid is groot: God is geopenbaard in het vlees. Diep, diep daalde Hij af. Vanuit de hemelse heerlijkheid, tot in het land van de dood. Onbegrijpelijk wonder. Onze vijandschap weerhield de Zoon van God niet om ons kleed aan te trekken.

Hij is vlees, Hij is mens geworden. Hoewel zonder zonde. Wat kan je daar trouwens mee worstelen. Met dat vlees. Met dat (van ons) zondige vlees. Als je ziet met Paulus: Ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde (Rom. 7:14). Zonde, dat ben ik. Ook ik heb Hem niet aangenomen. En ook ik voel het in mij. Ook mijn vlees is onwillig, onmachtig en vijandig. En dat is mijn schuld. Ook ik ben onmachtig om Hem aan te nemen, om Hem te ontvangen. Hoe moet het toch? En als ik dan in vers 12 lees over mensen die Hem aangenomen hebben, dan vraag ik mezelf af: ‘Hoe komt het met mij ooit zover? Dat ook ik Hem zal aannemen? Dat ook ik alles zal loslaten en Hem zal omhelzen en Zijn kind heten mag?’

Hebt u ook zo’n last van dat vlees? Van dat zondige, onwillige, vijandige, machteloze vlees? Waarvan Paulus zegt in Romeinen 8: En die in het vlees zijn kunnen Gode niet behagen. Hebt u ook zo’n last van dat zondige vlees?

Wat een troost is het dan, dat hier staat: Hij is vlees geworden. Hij is gekomen in onze zwakheid, in ons vlees (hoewel zonder zonde), om met Zijn kracht onze machteloosheid, zonde en vijandschap te overwinnen. Hij werd vlees, sterfelijk vlees. En Hij bleef vlees. Hij bleef mens. Hij ging er zelfs mee de dood in. Maar niet om te verliezen, maar om te overwinnen. Door een weg van lijden en sterven, door een weg van begraven worden en opstaan uit de dood, heeft Hij de dood overwonnen en de duivel zijn kop vermorzeld.

En daarom is er een weg. Omdat Hij met Zijn kracht kwam in de zwakte van ons vlees. Hijzelf is de Weg, voor zondaars die de weg niet meer weten, voor mensen die staan voor een muur van machteloosheid, zonde, onwil en vijandschap.

Johannes is inmiddels een oude man als hij dit Evangelie schrijft. En hij begint (denk nog maar even terug aan die kathedraal) in de hemel. Het is alsof hij omhoog kijkt, als hij schrijft: het Woord dat in den beginne al was, het was bij God, het was God. Hij was de Schepper van hemel en aarde, het Leven en het Licht van de mensen. En het Licht schijnt (en je ziet langzaam zijn blik naar beneden gaan) in de duisternis, maar de duisternis heeft het niet begrepen.

Johannes de Doper heeft van Hem getuigd. Hij, de Zaligmaker, was in de wereld. Maar de wereld die door Hem gemaakt was, heeft Hem niet gekend. Hij is gekomen tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. En dan gaat, al schrijvend, de blik van Johannes weer omhoog. Het is alsof hij zegt: nu komen de feiten! Namelijk dat onbegrijpelijke heilsfeit: het eeuwige Woord (hij kijkt omhoog) is vlees geworden (en zijn blik gaat weer naar beneden). Zoals hij later ook zegt in zijn eerste brief (1 Joh. 1:1-2): Het Woord des levens, het Leven is geopenbaard. Het kwam op aarde, het heeft Zich hier onthuld, het is zichtbaar geworden voor ons mensen. Hij trad naar voren, Hij kwam naar ons toe. Hij kwam van boven, naar beneden.

Wonder van Gods genade. Ongevraagd en ongewenst. Maar toch kwam Hij. Naar ons toe. Verwonder u hierover, u hemel, en wees verbaasd, u inwoners van de aarde. Dat de Zoon van de allerhoogste God kwam in zulk een diepe vernedering. Hij werd vlees. Het Woord is vlees geworden.

Het is Kerst geweest. Het Woord is vlees geworden. Vlees. Het tekent direct wie wij, inwoners van deze aarde, zijn. Kwetsbaar vlees: sterfelijk, stervende, levende dood. Maar we zijn vooral ook zondig vlees: machteloos, onwillig en vijandig. Die in het vlees zijn kunnen God niet behagen.

En als je daaraan denkt, dan voel je direct dat de komst van het Woord, dat de komst van de Heere Jezus Christus, dat het wonder van Kerst de mens volledig uitschakelt. De komst van het Woord, kerst, tekent ons het wonder van Gods eenzijdige genade. En het confronteert ons tegelijkertijd ook met onze verschrikkelijke toestand: Vlees en bloed kunnen het koninkrijk van God niet beërven. Van onze kant is het hopeloos. En dat is onze schuld. Maar Hij! En dat is een wonder van Gods genade: Hij kwam. Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. En dat brengt ons bij onze tweede gedachte:

2. Zijn huis

Johannes schrijft: Hij heeft onder ons gewoond. Hij spreidde (zo staat er letterlijk) Zijn tent onder ons. En we hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van des Eniggeborenen van de Vader. Hij nam zijn intrek niet bij engelen. Hij ging wonen, Hij sloeg zijn tent op, Hij spreidde Zijn tent bij vijanden.

Hij ging wonen in een tent. Hij kwam niet in de luxe van de wereld, maar was als een vreemdeling, als een voorbijganger op deze aarde. En daarmee is Hij een voorbeeld voor al Gods kinderen. Als het goed is, is het zoals de dichter zingt: Ik ben, o Heere, een vreemdeling hier beneden (Ps. 119:10, ber.).

Hij ging wonen in een tent. Niet in een groot paleis met een hek eromheen. Want Hij wilde mens zijn met de mensen. Als jij je tent in mijn tuin zet, dan wil je ook graag mijn toilet gebruiken en aan mijn tafel mee-eten. God wilde met ons zijn. Daarom werd Hij vlees, daarom werd Hij mens. Hij zette Zijn tent op in onze achtertuin. Om met ons te onderhandelen over vrede. Om Zichzelf voor ons te geven.

Trouwens, God woonde onder Israël ook in een tent. In de tabernakel. Tussen de cherubim (tussen de engelen), boven het verzoendeksel, daar straalde het licht van Gods aanwezigheid. God woonde bij Israël in een tent. Zo woonde God in Christus onder Israël in de tijd dat het Woord vlees geworden was.

En zo woont God nog steeds onder ons. In Christus woont God onder ons. Hij woont nog steeds op de aarde. Hoe? Niet als mens, maar als het Woord. U zegt: Waar is Hij dan? Hier, in het Woord. Daarin is Christus, zo dichtbij, dat je Hem aan kunt raken.

Je zegt: maar, ik zie Hem niet! Ja, maar dat ligt niet aan Hem. Hij schijnt als de zon. Maar als je de zon niet ziet, dan ligt dat niet aan de zon. Hij fonkelt als een diamant. Maar als u Hem niet ziet, dan ligt dat niet aan Hem. Dan ligt dat aan u. U bent blind. Denk maar aan wat Johannes zegt in vers 26: Hij staat midden onder u, die u niet kent. Want, u bent blind. U ziet Hem niet en kent Hem niet. Maar dat ligt niet aan God. Dat ligt aan u, dat ligt aan jou...

U zegt: Wat moet ik dan doen? Om Hem wel te zien. Om Hem wel te kennen? Vragen om ogen, om te kunnen zien. Vragen om licht, om beter te kunnen zien. Vragen om kennis, om Hem voor het eerst of opnieuw te zien en te herkennen. Vragen om wat staat in vers 12: dat u opnieuw geboren zou worden, dat u een nieuw hart en nieuwe ogen zou krijgen. Dat is Gods werk. Daar staan wij als mens, als vleselijke, zondige mensen, helemaal buiten.

Dus, daar kan ik helemaal niets aan doen? Ja, maar die reactie is wel erg goedkoop. Zo gaat u ook niet om met uw zaken in het dagelijkse leven. Het gaat om uw leven, om eeuwig leven of eeuwige dood! Het gaat om hemel of hel! Wat u doen moet? Vluchten tot God, vluchten tot Christus, en zeggen: ‘O, Heere, geef me toch een nieuw hart, genees toch mijn blinde ogen en geef me toch ogenzalf om te zien!’ Wat u moet doen? Uw Rechter om genade bidden!

Het kan ook zijn dat u de Heere, dat u Christus zoekt, maar dat u toch moet zeggen: ‘Ik zie Hem niet.’ Misschien is het wel de nood van uw hart. Ik heb zoveel zonde en schuld, maar Hem zie ik niet. En nu lees ik in vers 12 van mensen, die Hem aangenomen hebben en kinderen van God geworden zijn, maar ik mis daar zo de troost van. Dat is nu het verdriet van mijn hart: ik mis Hem, zag ik Hem maar, kon ik Hem maar omhelzen…

Weet u, gemeente, daaraan kent u, daaraan herkent u een kind van God. Want liefde is geen huichelaar. Als we Christus zien, als we Hem in het oog hebben, dan kunnen we onze blijdschap niet verbergen. Maar als we Hem niet zien, en niet weten hoe we Hem kunnen vinden, dan kunnen we ook onze tranen niet verbergen. De bruiloftskinderen treuren, huilen tranen in hun hart, als ze de Bruidegom niet zien. Ze zien Hem niet, maar ze kunnen Hem ook niet vergeten. Want Hij is alles voor hen...

Johannes schrijft: Hij heeft onder ons gewoond, en… wij hebben Zijn heerlijkheid gezien. U zegt: was dat maar zo bij mij. Ik verlang ernaar om Hem te zien, maar ik zie Hem zo vaak niet. Hij is in het Woord, dat weet ik, maar dat Woord is zo vaak gesloten voor me.

Het is waar: Christus woont onder ons. Maar we zien Hem zo vaak niet. Waarom is dat zo? Omdat in ons geen kracht en licht is, om Hem te zien en in Hem te geloven. Omdat we vaak nog zoveel van onszelf hebben, waar we op vertrouwen. Maar Christus wil niet delen. Een halve Christus zult nooit zien. Het kan zijn om onze zonden, die we aan de hand houden. Het kan ook zijn, dat Heere Hem voor ons oog verbergt om, kinderen van God, ons geloof te beproeven, te zuiveren. Of om onze liefde en ons verlangen naar Hem op te wekken.

Ja, want je kunt als kind van God denken dat je heel wat bent: ‘Ik ben aardig op weg.’ Maar als dat aanvankelijke licht verbleekt, als het dan donker wordt…?

Waarom doet de Heere dat? Opdat wij meer en meer zouden inzien en leren: ik ben… vlees. Ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde. Want het vleesgeworden Woord gaat zoveel meer waarde krijgen, als ik zie dat ik vlees ben. Ik ben vlees, en die in het vlees zijn kunnen God niet behagen. Als ik mijn eigen onvermogen, onwil en vijandschap zie, als ik zie dat ik niets heb, en dat het van mij uit hopeloos is, dan, dan pas krijgt dit woord zoveel waarde: dat het Woord vlees geworden is.

Waarom zien we niet altijd de glans van het Woord, hoewel Hij onder ons woont? Hierom: we kennen Zijn huis, en we weten het: Hij ontvangt daar zondaars en eet met hen. Maar we gaan liever naar ons eigen huis of naar het huis van de buren.

Want: we voelen ons beter dan vlees, dan zondig, vijandig vlees, beter dan zondaars. En zolang dat zo is, hebben wij het vleesgeworden Woord niet nodig. Zolang dat zo is, zien en zoeken wij Hem niet.

Waarom zien we niet altijd de glans van het Woord, hoewel Hij onder ons woont? Omdat, als we Hem altijd zouden zien, Zijn waarde voor ons zo snel zou verbleken. Want dit zondige vlees van mij, dat maakt dat het zo snel gewoon wordt, dat Hij zo snel mijn bezit wordt, dat ik er zo snel rijk mee wordt. En daarom moeten wij steeds weer arm gemaakt worden.

Want wie zich meer acht, wie zich meer waard vindt dan vlees (dan zondig, vijandig, onmachtig, onwillig en verloren vlees), die zal Christus niet zien, niet ontmoeten, niet omhelzen, niet aannemen. Maar wie uitroept: Ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde, die gaat met haast naar het huis van het vleesgeworden Woord, die komt met haast naar de kribbe van Bethlehem, om daar als een verloren zondaar aan Zijn voeten te bukken. En wie zo tot Hem komt, zal Hij zeker niet uitwerpen.

En als we dan zo tot Hem vluchten, dan zegt Johannes, dan zien we iets in Hem van Zijn heerlijkheid, van de heerlijkheid als van de Eniggeboren Zoon van de Vader. Johannes heeft het gezien. Hij is ooggetuige geweest. Hij heeft de heerlijkheid van Christus gezien. In?

Hij heeft Zijn heerlijkheid gezien in Zijn vernedering als Lam van God, door God Zelf gegeven. Dat is de heerlijkheid van Christus: Zijn diepe vernedering. Hij heet Immanuël. God met ons. Denk nog maar even aan die kathedraal: van boven naar beneden: God met ons. Het eeuwige Woord is vlees geworden.

Johannes zegt: Wij, alle ooggetuigen, hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd. Letterlijk zegt hij: we hebben heel bewust, heel goed gekeken. Daar hebben we moeite voor gedaan. En we hebben die heerlijkheid met verwondering gezien en overdacht. Zijn heerlijkheid.

De heerlijkheid van het Woord, dat bij God was, dat God was. Dus, bedoelt Johannes te zeggen: We zagen in Jezus de heerlijkheid van God Zelf! Denk maar aan vers 18: Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard. De in Zichzelf onzichtbare God onthulde Zich, zichtbaar in Zijn Zoon Jezus. Die Zijn tent opzette, onder ons. Die hier is, in Zijn Woord.

Johannes zegt: Wij, alle ooggetuigen, hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd. En dat is nog zo. Als je als een arme zondaar bij Hem gebracht wordt. Als er iets van Zijn licht doorbreekt in de donkerheid van je ziel. Als je ogen krijgt om Hem te zien. Dan zie je vol verwondering in Hem: iets van Gods heerlijkheid.

Van de heerlijkheid van God Zelf, Die Zijn eniggeliefde Zoon gaf, voor mij, in mijn plaats…

Daar ligt nu, jongelui, het geluk van de dienst van de Heere. Dat we soms, dat het niet vaker zo is, dat ligt aan ons), dat we soms hier op aarde iets mogen zien (straks helemaal, straks volmaakt in hemel) van de heerlijkheid van onze God, door te zien op Jezus. De aan ons gegeven Middelaar. Het Lam, het Lam van God, tussen de heilige God en ons zondige hart.

Ik kijk naar beneden. En zie vlees: zondig, verloren, opstandig, onwillig, onmachtig vlees. En ik kijk naar boven. En zie Hem, niet welkom, maar toch gekomen. Hij, Die het Liefste van Zijn Vader was. Zijn Eeuwige Zoon. Door Wie al de liefde van de Vader Zelf heen schittert. De Heere, vol van glorie, heerlijkheid en majesteit. Die Zich in al Zijn liefde dood geliefd heeft. Als het Lam van God, als Immanuël. Voor mij!

En nu zegt de Heere vanmorgen, juist tegen die mensen, die zo gebukt gaan, die zo zuchten onder de last van zondige vlees: Kijk nu toch goed! Aanschouw het toch! Kijk, onderzoek, bemediteer, Mijn heerlijkheid! Welke? Dat Ik Mijn Zoon gaf voor u. Dat deed Ik voor u! En dat Hij vlees geworden is. Dat deed Hij voor u! En God de Heilige Geest wil uw oog en uw hart daarop richten. Op de zichtbare Christus, Die bij u kwam wonen. En op de onzichtbare God, Die u in Hem aanbidden mag.

Kan je begrijpen, jongens en meisjes, dat soms, als het hier Heilig Avondmaal is, dat je dan soms mensen ziet huilen? Van geluk, van blijdschap! God gaf Zijn Zoon voor mij! Voor mij! Ik ben zo slecht. Ik ben vlees, ik ben zonde. Maar nu zegt de Heere (het Hij laat het zien, in de tekenen van brood en wijn): Mijn Zoon is vlees, Mijn Zoon is mens geworden voor u. Dat is leven met de Heere, hier op aarde. De rest, alle narigheid leven komt door mezelf. Dit is van Hem. Van onze goede God. Dit is Zijn goede dienst.

Als we dat kwijtraken, als we dat niet meer zien, dan zijn we verdrietig. Als we Hem kwijtraken, dan zijn we verdrietig. Dan tobben we. Daar moet je ook niet verbaasd over zijn. Als je Liefste weg is, dan kan je niet blij zijn. Het bewijst hoe groot de liefde is van onze Bruidegom. Als we Hem missen, dan zijn we alles kwijt.

Dat is nu het dienen van de Heere. Dat we door geloof Hem zien: Jezus Christus, het Lam van God. En in Hem, zien we Wie God Zelf is. Denk je nu niet dat je veel mist, als dit niet hebt? Als Hem niet kent, als je nooit iets gezien hebt Zijn heerlijkheid? Kom dan toch vanmorgen aan Zijn voeten, en bid: O, God, open toch mijn ogen? Dat ik ziende mag worden?

Nog kort ons derde aandachtspunt:

3. Zijn volheid

Onze tekst in vers 14 zegt: En het Woord (Johannes keek omhoog) is vlees geworden (en zijn blik ging naar beneden) en heeft onder ons gewoond. En nu gaat zijn blik weer omhoog: vol van genade en waarheid.

Vol van genade. De kanttekening van de Statenvertaling zegt: Namelijk van de verlossing van de vloek van de wet Vol van waarheid. De kanttekening van de Statenvertaling zegt: Dat is de vervulling, zowel van de beloften, als van de ceremoniën en voorbeelden (uit het Oude Testament).

Jezus is vol van genade en waarheid. Niet vol van genade en waarheid om je hoofd met de verstandelijke kennis ervan te vullen. Maar vol van genade en waarheid om die te geven. Zodat wij die zouden ontvangen en ervaren: Hij verlost ook mij uit genade van schuld. En Hij vervult ook voor mij de waarheid van Zijn beloftewoord.

Wat past deze Jezus, gemeente, volmaakt bij arme zondaars. Hij heeft alles voor mensen die alles kwijt zijn. Hij heeft alles voor mensen die alleen maar schuld hebben. Hij heeft alles voor mensen die niet meer hopen op zichzelf, maar alleen op Zijn onfeilbare Woord. Christus en een arme, failliete zondaar, dat past. Weeg dan toch geen geld en moeite meer uit, voor wat geen brood is, maar kom tot het Brood des Levens.

Dit is het enige fundament, waarop u kunt leven en sterven. Christus wil niets van u. Maar Hij is bereid u alles te geven. Genade tot vergeving van uw zonden. Genade om uw schuld weg te nemen, om uw geweten schoon te maken. Genade om u te helpen, om u kracht te geven voor elke dag. En om u te vullen met hoop en vreugde en vrede. Is dat niet waarom Hij Zijn tent onder ons heeft opgeslagen?

Kinderen van God, geliefde medechristenen, tot slot. Vergeet niet: Christus wil ons zo graag Zijn volheid en Zijn heerlijkheid tonen. De heerlijkheid van een volkomen Zaligmaker. Die alles wil zijn voor onverbeterlijke zondaars.

Daarom verbergt Hij soms de glans van Zijn liefde. Want liefde wordt verdiept in gemis. Verlangen wordt hevig in uitzien, in niets hebben.

Laten we dan niet mopperen, in donkerheid. Het is de liefdehand van Christus die ons bewerkt. We zijn als stenen die pasklaar gemaakt worden: gebikt en gebeiteld. Totdat we steeds meer al het overtollige kwijt raken. Dan is het goed.

Dan zeggen we: Bij mij was het verloren, bij mij was het buiten hoop. Ik was vleselijk, verkocht onder de zonde. Maat toen de Heilige Geest mijn blik richtte op Christus, toen zag ik Hem: schoner dan wie dan ook van de mensen: vol van genade, overvloeiende voor de grootste van de zondaren.

Tijden van vreugde in ons leven en tijden van verdriet wisselen elkaar af. Tijden dat we Hem door het geloof mogen zien, tijden dat we Hem door het geloof mogen aanschouwen, Hem onderzoekend mogen bemediteren. Tijden dat we zeggen: wat is Hij toch groot, genadig en goed. Wat schittert in Hem toch de volheid van genade en waarheid. Zijn volheid, de volheid van het Woord, de volheid van de Vader, voor mij… Maar er zijn ook tijden we Hem missen. Tijden waarin we ook (misschien wel meer dan ooit) zeggen, juist in gemis: Wat is Hij toch groot. Als Hij Zich opnieuw aan mij zou tonen, als ik Hem opnieuw zou zien, dan zou ik Hem nog veel meer liefhebben.

Zo wisselen licht en donkerheid elkaar af. Tot op de dag, dat de schaduwen vlieden. Dan laten we ons eigen ik, dan laten we onze zonden, dan laten we ons zondige vlees, hier achter. Zalige dag. Dan zal Hij onze druk verwisselen in geluk. Dan gaat ons zien door het geloof over in echt zien, in aanschouwen.

Zoals Paulus zegt in 1 Korinthe 13:12. Hij zegt: Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede. Wat wij nu zien, klopt wel, maar het is nog alsof we Hem alleen maar in een spiegel zien, niet rechtstreeks. Maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht.

We zien nu door een spiegel in een duistere rede. Maar straks is dat voorbij. Onze lichte verdrukking gaat zeer haast voorbij. En dan zullen we de Koning echt zien, echt aanschouwen. Met onuitsprekelijke verwondering, met eeuwige dank en aanbidding. Christus, God met ons, Die voor eeuwig voor ons al de volmaaktheden van de onzienlijke God weerkaatsen zal.

Dan wordt voor altijd waar, wat Johannes schrijft in Openbaring 21: En ik hoorde een grote stem uit den hemel, zeggende: Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen en hun God zijn (21:3) Voor eeuwig en altijd: Immanuël, God met ons!

Amen.

Slotzang Psalm 45:1

Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen Zal 't schoonste lied van enen Koning zingen; Terwijl de Geest mijn gladde tonge drijft; Is z' als de pen van een, die vaardig schrijft. Beminlijk Vorst, uw schoonheid hoog te loven, Gaat al het schoon der mensen ver te boven; Genâ is op uw lippen uitgestort, Dies G' eeuwiglijk van God gezegend wordt.