25 januari 2015
Johannes 1:26-27: Johannes antwoordde hun, zeggende: Ik doop met water, maar Hij staat midden onder ulieden, Dien gij niet kent; Dezelve is het Die na mij komt, Welke vóór mij geworden is, Wien ik niet waardig ben dat ik Zijn schoenriem zou ontbinden.
INLEIDING
Johannes de Doper wijst niet naar zichzelf, maar naar de onbekende Christus die "midden onder u" staat. Op de vraag "wie bent u?" antwoordt hij steeds korter: geen Christus, geen Elia, geen profeet, maar "de stem des roependen", die plaats maakt voor de Messias. Velen kennen Hem niet – uit onverschilligheid, verkeerd zoeken, of onwil om over zonde te horen. Wie zichzelf onwaardig weet, zoals Johannes ("niet waardig Zijn schoenriem te ontbinden"), leert juist zo de waarde van Christus kennen: het Lam Gods, eeuwig God en waarachtig mens, gekomen voor onwaardigen.
De vriend van de Bruidegom.
JOHANNES 1:23-27
23 Hij zeide: Ik ben de stem des roependen in de woestijn: Maakt den weg des Heeren recht; gelijk Jesaja, de profeet, gesproken heeft.
24 En de afgezondenen waren uit de farizeeën.
25 En zij vraagden hem en spraken tot hem: Waarom doopt gij dan, zo gij de Christus niet zijt, noch Elía, noch de Profeet?
26 Johannes antwoordde hun, zeggende: Ik doop met water, maar Hij staat midden onder ulieden, Dien gij niet kent;
27 Dezelve is het Die na mij komt, Welke vóór mij geworden is, Wien ik niet waardig ben dat ik Zijn schoenriem zou ontbinden.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Johannes 1:26-27
THEMA
De vriend van de Bruidegom.
Gemeente, wij overdenken vanmorgen het Bijbelgedeelte dat u voorgelezen is Johannes 1 vanaf vers 19 tot en met vers 28. Ik lees daarvan nog twee verzen opnieuw voor u voor, de verzen 26 en 27: Johannes antwoordde hun, zeggende: ik doop met water, maar Hij staat midden onder u, Die u niet kent; Dezelve is het, Die na mij komt, Welke voor mij geworden is, Wien ik niet waardig ben, dat ik Zijn schoenriem zou ontbinden.
Het thema voor vanmorgen is: De vriend van de Bruidegom. Jongens en meisjes, de vriend van de Bruidegom, dat is Johannes de Doper. Er zijn twee aandachtspunten, twee vragen eigenlijk: 1. Wie is hij? 2. Wat zegt hij? Dus als eerste:
Het is een drukte van belang in Beth-abara. Er is wat discussie over de vraag waar dat plaatsje precies lag. Het lag waarschijnlijk ergens aan de Jordaan, ten noorden van de Dode Zee, in de richting van Galilea. En daar is het een drukte van belang. De mensen komen van heinde en ver. Markus schrijft: En al het Joodse land ging tot hem uit en die van Jeruzalem; en werden allen door hem (door Johannes de Doper) gedoopt in de rivier de Jordaan, belijdende hun zonden (Markus 1:5En al het Joodse land ging tot hem uit, en die van Jeruzalem; en werden allen van hem gedoopt in de rivier de Jordaan, belijdende hun zonden.). Mensen belijden hun zonden en worden gedoopt.
Maar dat valt niet helemaal goed bij het Sanhedrin, bij de farizeeën en overpriesters. Deze man preekt, maar hij voegt zich niet bij hen. Hij roept nota bene ons, vrome en godsdienstige Joden, ook op tot bekering. En dat steekt!
Dat is vandaag nog zo. Wie moeten bekeerd worden? Atheïsten? Agnosten? Mensen buiten de kerk? Afgedwaalden? Kerkverlaters? Mensen van de D66, van de PVV? Nee, zegt Johannes. Kerkmensen, bekeert u! U! Hij zeide dan tot de scharen, die uitkwamen, om van hem gedoopt te worden:
Gij adderengebroedsels, wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomende toorn? Brengt dan vruchten voort der bekering waardig; en begint niet te zeggen bij uzelf: Wij hebben Abraham tot een vader (wij zijn van de kerk, van de gereformeerde gemeenten), want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken. En de bijl ligt ook alrede aan den wortel der bomen; alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen, en in het vuur geworpen. En de scharen vraagden hem, zeggende: Wat zullen wij dan doen? (Lukas 3:7-10Hij zeide dan tot de scharen, die uitkwamen, om van hem gedoopt te worden: Gij adderengebroedsels, wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn? Brengt dan vruchten voort der bekering waardig; en begint niet te zeggen bij uzelven: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken. En de bijl ligt ook alrede aan den wortel der bomen; alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen, en in het vuur geworpen. En de scharen vraagden hem, zeggende: Wat zullen wij dan doen?) En wat is het antwoord? Bekeer u!
En dat, gemeente, is nog steeds de boodschap die klinkt: Kerkmensen, leden van de gereformeerde gemeente van [plaatsnaam], jong en oud: Bekeer u! U zegt: ‘God moet dat doen! Ik moet bekeerd worden’. Ik weet zeker, gemeente, als Johannes de Doper hier zou zitten, hij zou opstaan en zeggen: ‘Addergebroed, wie heeft u toch het recht gegeven om het Woord van God te verdraaien en uzelf daarachter te verschuilen? Bekeer u! Dat is de opdracht!’
Nou, dat gaat niet goed. Zulke diep vernederende preken... Nee, dit is géén activistische preek van Johannes de Doper. Maar dit woord botst met de eigen vroomheid van godsdienstige mensen, dit woord botst met de uiterlijke godsdienstigheid van het Sanhedrin en dáárom pruimen ze het niet! En dan ook nog: zoveel mensen, die op hem afkomen… Straks gaan ze nog denken dat hij de Messias is…
Daar moet maar eens goed onderzoek naar gedaan worden. En dus sturen de farizeeën en de Schriftgeleerden een soort van onderzoekscommissie (wij zouden zeggen: een classicale commissie): gaan jullie maar eens op onderzoek uit. Twee vragen krijg ze mee, twee onderzoeksvragen. 1: Wie is hij precies, die man, die Doper? En 2: Wat doet hij? Wat zegt hij? Leest u maar in 19: En dit is de getuigenis van Johannes, toen de Joden enige priesters en Levieten afzonden van Jeruzalem, opdat zij hem zouden vragen: (dat is de onderzoeksvraag) Wie bent u? Wie bent u eigenlijk?
En hij beleed en loochende het niet; en beleed: Ik ben de Christus niet. Hij komt er direct openlijk voor uit: Ik ben de Christus niet!
Ze vragen verder: Wie bent u dan? Bent u Elia? Die was hier vroeger ook, in deze streek van de Jordaan. We weten dat hij naar de hemel gevaren is, maar, bent u soms de teruggekeerde Elia? Want, zien we hier niet de geest en de kracht van Elia? Nee, ook niet. Letterlijk zegt Johannes, en we merken dat zijn antwoorden korter worden: niet ik!
Bent u dan Mozes, bent u dan de profeet? En hij antwoordde: Nee. Bent u soms een nieuwe leider, iemand die Israël verlossen zal van de overheersing door de Romeinen? Nog korter is het antwoord van Johannes: Nee! Het valt op dat de antwoorden van Johannes de Doper steeds korter worden. Hij lijkt zich te irriteren aan die vragen. Hij wordt een beetje kribbig. Zijn antwoorden worden steeds korter. Eerst zegt hij: Ik ben de Christus niet! Dan zegt hij: Niet ik! En dan kortweg: Nee! Gemeente, in die antwoorden van Johannes ligt een dubbele les.
a. Als eerste een les voor ambtsdragers, voor mij, voor de broeders van de kerkenraad. Matthew Henry zegt: ‘De dienaren van Christus moeten er goed aan denken, dat zij de Christus Zelf niet zijn! En ze moeten zich daarom zelf ook niet Zijn macht en Zijn kroonrechten aanmatigen, noch zich de lof van Christus toe-eigenen’. Wie zich als dienaar op een voetstuk zet, schaadt de eer van Christus! Dat is de boodschap hierin voor ons.
b. En de tweede les, is een boodschap voor u, gemeente. Deze boodschap: Stop toch met het vereren van dominees! De één zegt: ‘Ik ben van Apollos’, de ander: ‘Ik ben van Paulus’. ‘Ik houd van die stroming, ik hoor bij die richting’. Wie een dienaar van Christus op een voetstuk plaatst, wie het ook is, die schaadt de eer van de Bruidegom, van Christus.
‘Nee’, zegt Johannes, ‘ik ben de Christus niet!’ Het is waar: wij zijn als het goed is vrienden van de Bruidegom. Maar als u naar ons wijst, dan zeggen we resoluut: ‘Nee!’ ‘Dominee, u had zo’n mooie preek. We hebben zo goed kunnen luisteren.’ Nee! Niet doen dus. ‘Dominee, u had zo’n prachtig voorbeeld. Waar hebt u dat gevonden? Hebt u dat zelf bedacht’? Nee! Niet zeggen dus! De duivel spant zijn strikken om de dienaren van Christus te vangen, zodat ze zich wat gaan voelen, zodat ze zelf met de eer aan de haal gaan. En dat gaat ten koste van de eer van de Bruidegom. ‘Nee!’ zegt Johannes.
Wie hij is? Hij begint te zeggen wie hij niet is: ‘Ik ben de Christus niet. Niet ik. Nee!’ En dan zegt hij in vers 23 wie hij wel is: Ik ben de stem des roependen in de woestijn: Maakt de weg des Heeren recht, gelijk Jesaja, de profeet, gesproken heeft (in Jes. 40:3Een stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des HEEREN, maakt recht in de wildernis een baan voor onzen God!).
Ik ben de stem…. Ik ben de dominee? Ik ben de ouderling? Ik ben de docent? Ik ben de vader? Ik ben gekozen tot…? Ik ben geroepen als…?’ Neen! Ik ben de stem….
Jongens en meisjes, kan je een stem zien? Kan je een stem pakken? Kan je een stem aanraken? Nee, een stem, dat is bijna niets, dat is lucht. Lucht, die een boodschap verplaatst, adem die een boodschap overbrengt.
Ik ben de stem van de roepende in de woestijn. Ik verkondig het openlijk en vrijmoedig en ik roep! Want woorden die op de lippen bevriezen, zullen koude harten niet verbreken en zullen de woestijn niet laten bloeien als een roos.
De stem des roependen in de woestijn. Ik roep midden in een woestijn, vol van dorheid en droogte, vol ongelovige en vijandige en weerbarstige mensen. Ik roep: Maak de weg recht! Verhoog de dalen, verneder de heuvels en de bergen. Wat krom is, moet recht en wat hobbelachtig is, moet tot een vallei gemaakt worden. Want: De Messias komt! Maar er is nog geen plaats voor Hem! Dus: Maak plaats voor de Messias! Maak plaats voor Hem!
Een prediking die oproept tot bekering, is geen prediking die oproept tot een soort van eigen activisme. Een prediking die oproept tot bekering, is een prediking die plaats wil maken voor de Messias, voor Christus. Bekeer u en doe uw zonden weg, ook uw verborgen zonden. Zie toch wie u bent! Zie uw verlorenheid, uw opstand in Adam, uw vijandschap, uw geestelijke dood. En kijk toch naar uw zondige leven. En zie toch uw zondige gedachten, uw zondige verlangens, uw zondige fantasieën en zondige woorden. En zie toch uw verborgen zonden. Niemand ziet ze, maar God wel. Wat je stiekem kijkt, wat je stiekem doet, wat je stiekem zegt. En wat je virtueel doet, digitaal op je computer, op je mobiel. En zie toch je openbare zonden. Zie toch en erken toch: uw leven is vol van zonde. En…, breek ermee! Bekeer u!
Keer u om en keer terug tot God en belijd uw zonden voor Hem! Dat zegt de stem, die de weg wil banen naar de Messias. Het is, zoals dominee Erskine ooit zei: de naald van de wet, die de draad trekt van het Evangelie. De wet die de zonde aanwijst, wil de weg banen naar de Messias, naar Christus. En dus roept de stem van Johannes: Kijk toch, in de spiegel van de wet, en zie toch dat u (ondanks uw godsdienstige uiterlijk) een zondaar, een groot zondaar bent voor God!
Bekeer u! Een stem als een klaroenstoot die (door de kracht van Gods Geest) alle rust in het hart verstoort en omverwerpt. Een stem als een bazuin, die door de kracht van de Geest het hart verbreekt. Want in geruste en zelfingenomen en zelfverzekerde harten is geen plaats voor de Messias.
Het Woord, gedragen door de stem van de roepende in de woestijn, het Woord maakt plaats! Het is ten diepste het vlees geworden Woord, Christus Zelf, die plaats maakt voor Zichzelf. Die blinde ogen opent. Zodat we gaan zien wie we zijn en wat we gedaan hebben. Die hongerig maakt. Zodat gaan hongerigen hun handen gaan uitstrekken naar het Brood des levens. Hij is het Zelf, die harten raakt door de stem van Zijn Woord. En maakt dat verslagenen gaan roepen: Genees mij, red mijn leven! Christus is het Zelf, die harten breekt met de stem van Zijn Woord. En maakt dat gebrokenen van harte gaan klagen: Heere, ontferm U over mij.
Heeft de stem van het levende Woord u ooit zo geraakt? Toen deze stem tot u gericht werd: Bekeer u? Zoals de mensen op de Pinksterdag, van wie staat: toen ze dat hoorden (wat Petrus zei, die hen messcherp wees op hun zonden), toen ze dat hoorden, werden ze verslagen, ze werden geprikt, ze werden doorpriemd in hun hart. Bent u, zeg het eens eerlijk tegen de Heere, zo wel eens geraakt door het Woord van God?
Dan zeg je niet met een licht gevoel van trots en tevredenheid: ‘het was die dominee, het was preek van die ouderling, die heeft mijn hart toen zo kostelijk geraakt’. Nee, dan zeg je, met het schaamrood op je wangen: ‘toen ging God spreken in mijn leven. En toen was het over, toen was het uit met mij. Toen kwam ik op de grond terecht’.
Het is het ontdekkende werk van Christus, het is Gods soevereine genade als de Geest van God met kracht, met onoverwinnelijke kracht het verzet breekt van tegenstanders, van vijanden, van vrome vijanden, van goddeloze vijanden, van opstandelingen. Als Hij het leven gaat wekken in mijn dood. Als Hij mijn blinde ogen open, en met Zijn licht gaat schijnen in mijn duisternis. Dan zie ik: wie ik ben…
‘Wie bent u?’ Dat is ons eerste punt… ‘Wie bent u?’, opdat ook ik mijn Zender antwoord geven zou. U zegt: ‘Ik? Ik ben verloren. Ik heb tegen God gezondigd. Is er nog een weg om zalig te worden? Heere, Uw eis is zo oneindig hoog en ik heb tegen U gezondigd.’
Ben je er dan? Ben je er, als je je kwaal gezien hebt? Als je ontdekt bent aan je verlorenheid? Ben je er, als de dokter de diagnose gesteld heeft? Als de dokter je heeft laten zien, dat je een dodelijke ziekte hebt? Ben je er, als je in de poort van Sodom staat, op het punt de stad te verlaten? Is het dan tijd om te rusten?
Nee! Niet gaan rusten! Het is alleen de weg (zoals staat in vers 23) die door de stem van het Woord wordt klaargemaakt, die wordt bereid, om tot Christus te brengen. Bij Hem moet u terechtkomen!
Want dat zegt Jesaja, in Jesaja 40: Een stem des roependen in woestijn: Bereidt de weg des HEEREN, maakt recht in de wildernis een baan voor onze God! Alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en wat krom is, dat zal recht, en wat hobbelachtig is, dat zal tot vallei gemaakt worden. Alles wat in de weg staat wordt opgeruimd door de stem van het Woord, door de bezem van de wet: zonde, maar ook hoogmoed, eigen werk, tevredenheid, zelfvertrouwen, alles! En dan(!)…, dan zal de Heerlijkheid des Heeren, dan zal de Messias, dan zal de Christus geopenbaard worden, zegt Jesaja.
We gaan samen zingen, gemeente, voordat we verder gaan met onze tweede gedachte, uit Psalm 32:3Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag.. Daar hoort u zo’n bukkende, buigende zondaar zingen:
'k Bekend', o HEER, aan U oprecht mijn zonden; 'k Verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden; Maar ik beleed na ernstig overleg, Mijn boze daân; Gij naamt die gunstig weg. Dies zal tot U een ieder van de vromen, In vindenstijd, met ootmoed smekend, komen; Een zee van ramp moog' met haar golven slaan, Hoe hoog zij ga, zij raakt hem zelfs niet aan.
De vriend van de Bruidegom: Johannes de Doper. Wie Hij is: de stem van de roepende in de woestijn. En nu als tweede:
En zij vraagden hem (vers 25) en spraken tot hem: Waarom doopt u dan, zo u de Christus niet bent, noch Elia, noch de profeet? Wat doet u hier eigenlijk? Zeg, broeder Johannes, waar haalt u het recht vandaan om hier bij Beth-abara te dopen? U kunt niet zomaar een particuliere dooppraktijk hier beginnen! Wie geeft u het recht, om hier op persoonlijke titel te dopen?
Johannes, hij aarzelt niet. Hij zet direct zijn doop in het juiste en ook heel beperkte perspectief. Hij zegt: Ik doop met water. Dit is geen reiniging volgens de wetten van Mozes. Dit is ook geen afwassing van de zonden. Dit is maar een teken. Maar de be-teken-de zaak, dat wat be-teken-d wordt, dat is Gods werk, dat is het werk van de Heilige Geest, namelijk: de afwassing van de zonden. Ik ben maar een stem. En ik doop slechts met water, maar…, en dan komen we bij de kern van onze tekst in vers 26: Hij staat midden onder u Die u niet kent. Daar moet je eens even goed over nadenken: Hij staat midden onder u Die u niet kent…
Jongens en meisjes, de burgemeester zit in de kerk! Kijk maar. Kijk maar even. Jullie letten goed op en je kijkt hierheen, maar nu mag je even opzij kijken, naar links, naar rechts. Want, de burgemeester zit in de kerk. Je zegt: ‘Ik zie hem niet’.
Maar als ik nu zeg: ‘Ik zie hem wel’, en jij zegt: ‘Ik zie hem niet’, dan hebben we een probleem.’ Maar hoe komt dat dan? Wat is dan de oplossing? Het kan zijn (dat hoop ik natuurlijk niet) maar het kan zijn, dat je blind bent en helemaal niets ziet. Dan begrijp ik dat je zegt: ‘Ik zie hem niet’. Maar het kan ook zijn, als ik zeg dat de burgemeester in de kerk zit en jij zegt dat je hem niet ziet, omdat je hem of haar eigenlijk niet zo goed kent. Je zegt: Ik weet niet zo goed hoe de burgermeester eruit ziet. Dus, ik kijk wel, ik kijk om me heen en ik zoek een man…, maar ja, misschien blijkt later wel dat een vrouw is. Of, je zoekt iemand met grijs haar…, en later blijkt dat hij zwarte krullen heeft. Of je zoekt een oude meneer…, en later blijkt dat het een jonge man is. Je kijkt, je zoekt, maar je ziet de burgemeester niet omdat je hem niet kent. En als je de burgemeester niet kent, dan hérken je hem ook niet. Maar dan zeg ik: ‘ja, ik snap dat je hem niet ziet, maar hij is er wel! Echt waar! Maar je ziet hem niet, omdat je hem niet kent…’
Kijk in gedachten even mee, jongens en meisjes: daar bij de Jordaan, daar staat Johannes de Doper. Er zijn heel veel mensen. En er zijn er, en dat is heel bijzonder, die eerlijk hun zonden belijden en gedoopt worden. Er zijn ook andere mensen (dat is altijd zo geweest en dat is nu nog steeds zo), mensen die mopperen en met elkaar discussiëren over de preek van Johannes. Mensen die zeggen: ‘Johannes moest eens wat anders preken!’ En dan zijn er ook nog die onderzoekers van het sanhedrin, die zich hardop afvragen: ‘Kan dit nu wel, wat Johannes doet? Mag dit nu wel, wat Johannes hier allemaal doet en zegt?’
En dan ineens zegt die Johannes (die net zei: ik ben de Christus niet!), dan ineens zegt hij: ‘Ik zie Hem! Hij staat midden onder u, die u niet kent! Hij staat tussen u. U ziet Hem niet, want u kent Hem niet! Maar Hij is heel dichtbij u: Ik zie Hem staan, tussen u in! U kijkt wel, maar u ziet Hem niet. Want u kent hem niet…
En, dat is vanmorgen nog zo. Hier in de kerk. De stem van een mens, vele malen minder dan Johannes de Doper, herhaalt vanmorgen de roep in uw midden: ‘Hij staat midden onder u!’ Maar van de meesten van u geldt, net als bij de burgemeester: u kijkt, u ziet Hem, maar u herkent Hem niet... Want als u eerlijk bent moet u zeggen: ‘Ik ken Hem niet…’
U verwachtte misschien een koning, die geluk en vrede en voorspoed zou brengen en die u een goede plaats zou toebedelen. Of u verwachtte een Messias, met wie u wat kon samenwerken. Aan een betere wereld, aan een betere kerk, aan een beter ik. En daarom zag u en ziet u tot nu toe niets!
Waarom, gemeente, zien zoveel mensen (ook zoekende zondaars) Hem, Christus niet?
Ik zal u een aantal redenen noemen:
a. Er zijn mensen die onbetrokken zijn: geen zin, geen tijd, geen interesse. Het is nu net als in de tijd van de Johannes de Doper en van de Heere Jezus. Toen waren er ook mensen die kwamen, maar eigenlijk geen interesse hadden. Ze luisterden, maar eigenlijk ook niet. Ze ergerden zich en uiteindelijk liepen ze weg. Ik zou vanmorgen tegen u kunnen zeggen: ‘U ziet Hem niet, want u bent blind. Het licht schijnt in de duisternis, maar u ziet niets.’ En dat is gevaarlijk. Dat is levensgevaarlijk. Want als u zegt: ‘Ik ken Hem niet, en ik heb geen interesse, dan zegt Hij straks tegen u: Ik ken u ook niet, ga weg van Mij!’
b. Er zijn ook mensen die wel betrokken zijn, die wel interesse hebben. U zegt: ‘Ik zou de Heere Jezus wel willen leren kennen’. En toch, u ziet Hem niet. Het is net als in de tijd van de Johannes de Doper en van de Heere Jezus. Toen waren er ook mensen die de Heere Jezus zochten. Zelfs Herodes, die later Johannes liet onthoofden, zocht Hem te zien. Waarom? Om een wonder te zien! Prachtig toch! Spectaculair! Een wonderlijke genezing, of om brood te eten, dat door een wonder was vermenigvuldigd. Maar ze zochten en kenden Hem niet, zoals Hij werkelijk was: gekomen om verloren zondaren zalig te maken! Ik zou vanmorgen tegen u kunnen zeggen: ‘U ziet Hem niet, omdat u iets anders zoekt’. En dat, levensgevaarlijk. Vooral als u denkt: Ik zie Hem niet, jammer, laat dan maar gaan.
c. En zijn ook mensen die zeggen dat ze Hem zien en kennen. Die zeggen dat ze voor Hem gekozen hebben. Maar als het over zonden en schuld gaat, dan willen ze daar eigenlijk niet over horen. En dat is vreemd. Want Hij is toch gekomen als een Zaligmaker van zondaars? Om zondaars te verlossen van het grootste kwaad en te brengen tot het hoogste goed? Tegen u zeg ik: Als u niets van uw zonden wilt weten, dat ziet u volgens mij iemand anders. Die misschien wel op Hem lijkt, maar de echte Jezus is het niet. Want Hij is een Zaligmaker van zondaars.
d. Er zijn ook mensen (misschien hoort u bij die groep?) die Hem zoeken. Omdat het in hun leven nood geworden is. Ze zouden Hem zo graag zien, ze zouden Hem zo graag leren kennen. Het zijn mensen die roepen, die bidden in het verborgen (en nu misschien wel in uw hart, terwijl u in de kerk zit): ‘Heere, ik ben zo blind. Ik ken u niet. Laat U toch aan mij zien! Ik ga gebukt onder de last van mijn zonden. O, openbaar U toch aan mij als de Middelaar!’ Ook die zoekende mensen zien Christus zo vaak niet. En terwijl Hij zo dichtbij komt en zegt (ook vanmorgen): ‘Ik sta onder u, in uw midden!’ Maar toch zien ze Hem niet.
Hoe komt dat? Het staat in vers 26: Ze kenden Hem niet. Dat was trouwens ook met Johannes de Doper eerst ook zo. Hij zegt in vers 31: ‘Ik kende Hem eerst ook niet’.
En later, in Johannes 9, zegt de blindgeborene (nota bene ziende gemaakt door Jezus!): Wie is Hij, de Zoon van God, dat ik in Hem geloven zou? Als het goed is, is dat de belijdenis van ieder kind van God en iedere knecht van God. Ooit was er een tijd (ik zeg het maar eerlijk), ooit was er een tijd dat dit voor mij ook gold: Ik kende Hem niet.
En daarom is er nooit één enkele reden om de borst vooruit te steken. Het past een dienstknecht van God (zoals Johannes de Doper) en iedereen die God vreest, om eerlijk, écht eerlijk te zeggen: ‘maar ik kende Hem ook niet!’
Maar, vers 33, God heeft Hem voor mij aangewezen, zegt Johannes. Ik kende Hem niet; maar Die mij gezonden heeft, (God) om te dopen met water, Die had tot mij gezegd: op Wie u de Geest zult zien nederdalen, en op Hem blijven, Deze is het Die met de Heiligen Geest doopt. Hij is God Zelf, die Hem aanwijst aan Johannes de Doper en aan al Zijn kinderen. Dat was toen zo en dat is nog steeds zo: Zie, het Lam Gods, de Christus. Hij is het!
U zegt: ‘Ik zoek Hem met heel mijn hart. Het is echt de nood van mijn leven. Maar ik zie Hem niet. Wat moet ik toch doen?’ a. In de eerste plaats vragen of de Heere Zelf Hem, de Christus, aan u wil laten zien. Vragen of de Heere Zelf alle belemmeringen wil wegnemen, alle blokkades wil afbreken. Vragen of de Heere Zelf uw blinde ogen wil openen, licht wil geven over Zijn werk en de lichtbundel wil richten op Zijn Christus. b. En leg, in de tweede plaats, die levensnood maar bij Hem neer. Zoals de blindgeborene dat deed. Zeg maar heel eenvoudig: Wie is Hij, Heere, opdat ik in Hem geloven zou? Zeg het maar heel eenvoudig met de Samaritaanse vrouw: Ik weet, dat de Messias komt. Met andere woorden: Heere, wie is Hij toch? En dan zal Hij op Zijn tijd tegen u zeggen: en u hebt Hem gezien (maar toen kende u Hem nog niet), en Die met u spreekt, Dezelve is het. Ik ben het. Zie hier ben Ik.
En dan gaat die man, die zijn irritatie nauwelijks kon bedwingen, toen men hem aanzag voor zijn Zender, ineens de lof van de Bruidegom bezingen! En is zijn stem niet juist ook een door God gegeven middel (ook nu) om uw oog te richten? Opdat u, die Hem zoekt maar niet kent, Hem zou zien en Hem zou kennen? Een stem, die met woorden wijst, en zegt: Zie toch op Hem! U die Hem zoekt, u die niet weet hoe u Hem vinden, hoe u Hem kennen zult: Zie! Zie op Hem!
En dan zegt Johannes twee dingen van Hem. Het eerste staat in vers 27: Dezelve is het, Die na mij komt, Welke voor mij geworden is, Wien ik niet waardig ben, dat ik Zijn schoenriem zou ontbinden. Hij was eerder dan ik. Hij was er al in den beginne, bij de schepping: het Eeuwige Woord. Hij was en is God!
En Hij (goed lezen!) draagt schoenen. Want Hij heeft schoenriemen, dat wil zeggen: Hij is ook mens! Het Woord is vlees geworden. Kom toch en zie, een Mens, die waarachtig en eeuwig God is. Hem hebt u nodig. Hij alleen, zoekende zondaars in ons midden, kan en wil u verlossen van uw hemelhoge schuld. Hij is machtig en bereid om uw zonden af te wassen. Om u te verlossen van het grootste kwaad en te brengen tot het hoogste goed. Dat is het eerste wat Johannes van hen zegt.
Het tweede wat hij zegt (en dan is het een dag later) is (vers 29): Zie het Lam Gods. Dan wijst hij niet alleen met woorden, maar dan wijst hij ook met zijn vinger: Zie het Lam Gods. Het is alsof Johannes zegt: Zoek het toch nergens anders. Zoek het niet bij uzelf, zoek het niet in andere dingen, maar: zie op Hem. Want alles van u zelf (wat het ook is) is niet genoeg. U kunt de prijs van uw ziel zelf niet betalen. En daarom hebt u een lam nodig. Daar staat Hij: het Lam Gods. Hij staat voor u, Hij staat midden onder u. Zie Hem toch vanmorgen! Staande als geslacht: het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.
Gemeente, moeten wij niet eerlijk zeggen, dat het vaak zo is, dat wij (ook wij, die Hem zoeken) Hem toch niet kennen, omdat…, ja, waarom is dat zo? Omdat we diep in ons hart (kijk maar in de schuilhoeken van uw hart) toch ons heil nog ergens anders zoeken? En vooral bij onszelf! Omdat dit zo vernederend voor ons is: Hij in mijn plaats… ‘Hij staat voor u, Hij die bereid is om u vrij te kopen voor € 50.000!’ En ik zeg: Ja! ‘Hij staat voor u, Hij die bereid is om u vrij te kopen met Zijn bloed, als van een geslacht Lam!’ En ik zeg: Nee!
Want dat laatste vernedert mij! Want dat geslachte Lam laat zien: hoe groot de toorn van God is die op mij rust. Het laat mij zien: de grootheid van mijn kwaad. En dat er geen andere weg is, dan de weg van dat doet bloed. En dat laat dus zien, dat ik een verschrikkelijk goddeloos mens ben! Niet voor niets zegt Johannes, terwijl hij de schoonheid bezingt van zijn Bruidegom: Ik ben niet waardig! Wien ik niet waardig ben, dat ik zijn schoenriem zou ontbinden. Ik heb geen recht. Ik heb zelfs niet het recht om als een slaaf Zijn schoen los te maken, laat staan om Zijn voeten te wassen. Wie ben ik! Dat is de zucht van Johannes. En ligt daar, gemeente, kinderen van God, niet de reden dat we zo weinig zicht hebben op Christus, op Zijn werk en op Zijn verdienste?
Als ik zucht in mijn hart: Wie ben ik, o God, voor U? Als ik erken: Ik ben niet waardig. Ja, wat ik waardig ben is Uw toorn. Heere, ik ben Uw gramschap dubbel waardig! Dan, dan(!) krijgt Hij waarde! Dan zeg ik in mijn hart: Hoe groot bent U!
U bent veel schoner, U blinkt veel meer uit dan wie dan ook van de mensen. Want er is genade op Uw lippen uitgestort, voor zo’n slecht mens als ik ben!
Als ik erken ‘Ik ben niet waardig’, dan gaat de Heilige Geest op Gods tijd mijn onwaardige ogen richten op de waardigheid van Christus. En dan leer ik iets kennen, en dan zie ik iets meer en leer ik iets meer kennen van Zijn oneindige waarde: eeuwige God en volmaakt mens. De eeuwige God, volmaakt in heiligheid, die mens wilde worden. Dan zie ik er iets van, dat Hij dat voor mij geworden is. Hij was de eeuwige God, maar is mens geworden. Hij verliet de woning van Zijn Vader en de heerlijkheid van het hemelhof, en daalde af in deze ellendige wereld. Ik had geen recht. Ik was onwaardig. En toch deed Hij het. En toch kwam Hij. Hij kwam, onbegrijpelijk wonder, ook voor mij. De Koning van de hemel en aarde werd een man die schoenen droeg. Een man die een kruis droeg! In mijn plaats.
Zijn hier vanmorgen van die onwaardigen? ‘Ik ben het niet waard om Zijn schoenriem los te maken, om als een slaaf Zijn voeten te wassen. Ik ben het niet waard dat Hij onder mijn dak zou inkomen. Ik ben het niet waard om Zijn zoon, Zijn dochter genoemd te worden.’
Als we zo in onze onwaarde op Christus mogen zien (en God Zelf richte ons oog op Hem!), dan…? Als we zo in onze onwaarde tot Christus mogen vluchten, dan…? Dan is dit(!) het, wat u te wachten staat, wat staat van de terugkerende verloren zoon: En toe lopende, viel zijn vader hem om zijn hals, en kuste hem.
En de zoon zei tot zijn vader: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel, en voor u, en ik ben niet meer waardig uw zoon genoemd te worden. Ik ben niet waardig. Dat is zo. Dat blijft zo. Niet één keer, maar steeds weer. Ik ben niet meer waardig, om uw zoon genoemd te worden.
Maar de vader zei (en dat blijft óók zo!) tot zijn dienstknechten: Brengt hier voor het beste kleed en doet het hem aan, en geeft hem een ring aan zijn hand, en schoenen aan de voeten. En brengt het gemeste kalf, en slacht het en laat ons eten en vrolijk zijn. Want deze mijn zoon was dood, en is weer levend geworden; en hij was verloren, (‘ja Heere, ik was verloren’) en is gevonden! En ik zeg: ‘Ja, Heere, U hebt mij gevonden’.
En zij begonnen vrolijk te zijn. En zij zongen: U, o Lam Gods, o geslacht Godslam, U bent waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging.
Amen.
Slotzang Psalm 32: 4 en 6:
Gij zijt mij, HEER, ter schuilplaats in gevaren; Gij zult mij voor benauwdheid trouw bewaren; G' Omringt me, daar Gij mij in ruimte stelt, Met blij gezang, dat mijn verlossing meldt. Mijn leer zal u, o mens, naar 't recht doen handelen, En wijzen u den weg dien gij zult wandelen; Ik zal u trouw verzellen met mijn raad, Terwijl mijn oog op u gevestigd staat.
Rechtvaardig volk, verheft uw blijde klanken, Verheugd in God, naar waarde nooit te danken; Zingt vrolijk, roemt Zijn deugden t' allen tijd, Gij, die oprecht van hart en wandel zijt.
Andere preken over Johannes