Kerst - 25 december 2022
Johannes 3:16: Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
INLEIDING
Op deze eerste Kerstdag mogen ook de kinderen luisteren naar het wonder van Gods gave, verwoord in Johannes 3:16: Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Deze eenvoudige kerstpreek laat zien wie dit geschenk geeft, aan wie, en wat de bedoeling ervan is.
Het allergrootste geschenk, het allermooiste cadeau.
JOHANNES 3:10-19
10 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zijt gij een leraar Israëls, en weet gij deze dingen niet?
11 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Wij spreken wat Wij weten, en getuigen wat Wij gezien hebben; en gijlieden neemt Onze getuigenis niet aan.
12 Indien Ik ulieden de aardse dingen gezegd heb en gij niet gelooft, hoe zult gij geloven indien Ik ulieden de hemelse zou zeggen?
13 En niemand is opgevaren in den hemel, dan Die uit den hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon des mensen, Die in den hemel is.
14 En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden,
15 Opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe
16 Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
17 Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden.
18 Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam van den eniggeboren Zone Gods.
19 En dit is het oordeel, dat het Licht in de wereld gekomen is en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Johannes 3:16
THEMA
Het allergrootste geschenk, het allermooiste cadeau.
AANDACHTSPUNTEN
LITURGIE
Lofzang van Maria: 1,3
Lezen Johannes 3:1-17
Lofzang van Zacharias: 1,3,5
Jongens en meisjes, vandaag is het kerst. De dag dat we terugdenken aan de geboorte van de Heere Jezus. Hijzelf wilde naar deze wereld komen. En Zijn hemelse Vader heeft Hem gegeven. Dat staat in de tekst voor de preek van vanmorgen: Johannes 3 vers 16. Daar lezen we Gods Woord als volgt: Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
Het thema van de preek is: Het allergrootste geschenk, het allermooiste cadeau. We letten samen op vier vragen: De eerste vraag is: Wie geeft dat cadeau? Eigenlijk heb ik dat al gezegd. De tweede vraag is: Aan wie wordt dat cadeau gegeven? De derde vraag is: Wat is dat allergrootste en allermooiste cadeau? En de vierde vraag is: Wat is de bedoeling daarvan?
Dus: Het allergrootste geschenk, het allermooiste cadeau 1. Wie geeft het? 2. Aan wie? 3. Wat is het? 4. Wat is de bedoeling ervan? We beginnen met de eerste vraag:
Jongens en meisjes, als jullie een mooi cadeau krijgen, van wie krijg je dat dan? Je zegt: van papa of mama, of van opa en oma. Maar waarom noem je zoiets eigenlijk ‘een cadeau’? Nou, dat betekent eigenlijk: iemand geeft het aan je. Niet omdat je daarvoor gewerkt hebt, niet omdat je daar iets voor hebt gedaan, maar je krijgt het gewoon.
Papa of mama werken om geld te verdienen. Zij krijgen loon van hun baas. Dat verdienen ze.
Maar een cadeau krijg je niet omdat je het verdient, of omdat je ervoor gewerkt hebt. Een cadeau krijg je omdat diegene, die het aan je geeft, van je houdt. Omdat hij of zij je liefheeft. De Bijbel noemt dat genade. Genade is een onverdiende gift, een onverdiend geschenk, een onverdiend cadeau. Genade is, ‘krijgen wat je niet verdiend hebt’. Probeer dat goed onthouden: genade is, ‘krijgen wat je niet verdiend hebt’.
En nu gaat het vanmorgen in de preek op deze eerste kerstdag over het allergrootste geschenk, over het allermooiste cadeau. Luister nog maar een keer naar de tekst: Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
Dus wie heeft dat allergrootste geschenk, dat allermooiste cadeau gegeven? Dat heeft God gegeven. Hij heeft Zijn eniggeboren Zoon gegeven, de Heere Jezus Christus. Toen Hij geboren werd in Bethlehem, toen Hij gelegd werd in de kribbe.
God, de Heere, Die de wereld gemaakt heeft. Die Adam en Eva in het paradijs geschapen heeft. God hield van Zijn wereld, en vooral van de mensen die Hij gemaakt had. En zij, Adam en Eva, hielden van God. Maar uiteindelijk gingen ze toch weg van de Heere. Ze luisterden niet naar Zijn stem. Ze waren Zijn stem ongehoorzaam. Ze zondigden tegen de Heere. En daarom moesten ze weg uit het paradijs. Daarom moesten zij de dood sterven. Dat, zo zegt de Bijbel, is het loon op de zonde (Rom. 6:23Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heere.). Dat is wat Adam verdiende.
En dat loon heeft hij, Adam, als onze vader meegegeven aan ons. Toen wij geboren werden. En wij doen precies hetzelfde als hij: niet luisteren, ongehoorzaam zijn, onze eigen zin doen. En dus verdienen wij hetzelfde loon als hij, dezelfde straf die hij kreeg. Dat is een heel erge straf. Ook wij moeten sterven. En daarna is er nog een straf die altijd duurt, de eeuwige straf.
Ik denk dat je daarom ook wel eens (of vaker) bang bent om te sterven. Omdat je voelt in je hart: als ik sterf, dan krijg ik het loon, de straf die ik met mijn zonden verdiend heb. En dat is terecht, dat is eerlijk. Want zo had de Heere het gezegd in het paradijs. En zo zegt Hij het nog steeds. De Heere is eerlijk. De Heere is, zo noemt de Bijbel dat, rechtvaardig. Hij wil de zonde niet. De Heere is zo eerlijk, zo rechtvaardig, dat Hij de zonde wel moet straffen.
Die heilige en rechtvaardige Heere, Die zo’n hekel heeft aan onze zonden, Hij heeft (zo zegt onze tekst): Zijn Zoon, de Heere Jezus gegeven. Toen Hij in Bethlehem geboren werd, waar we vandaag aan terug denken.
Waarom gaf de Heere Zijn Zoon, de Heere Jezus Christus? Dat staat erbij: omdat God de wereld lief had.
Dus nu weten we twee eigenschappen van de Heere. Hij is rechtvaardig. Hij wil en moet de zonde straffen. En: Hij heeft lief. Hij houdt van… En die liefde van de Heere is zo groot, ‘zo lief heeft God de wereld gehad’, dat… Hij iets gegeven heeft, wat wij absoluut niet verdienden.
Wat dan? Dat cadeau! Dat allermooiste geschenk, dat allerbelangrijkste cadeau. We zullen straks zien wat dat cadeau is. Maar eerst even de tweede vraag:
Nog een keertje luisteren naar de tekst: Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft. Dus, God heeft dat allermooiste geschenk, dat allergrootste cadeau (waar we vanmorgen over nadenken) gegeven aan de wereld.
Wat is dat? Wie zijn dat? De wereld, dat zijn niet de bomen en de planten, of de dieren en vogels. De wereld, dat is ook niet het kwade, de zonde van de mensen. Want God wil de zonde niet. Die heeft Hij niet lief. De wereld, dat zijn de mensen. Die ongehoorzame mensen, die tegen God gezondigd hebben. En die daarom ook weggestuurd zijn uit het paradijs. Die mensen, die de dood verdiend hebben. Maar ze leven nog. En dus hebben ze redding nodig. Kijk maar in je Bijbeltje naar vers 17. Daar staat: die wereld moet door Hem behouden, die moet door Hem gered worden.
Want, die wereld is verloren. Die is God kwijt. Die is eindeloos ver weg van God. En dat doet de Heere, om zo te zeggen, heel veel verdriet. Want de wereld was zo mooi geschapen. En die eerste mensen, Adam en Eva, zij waren het mooiste van wat God had gemaakt. Maar zij en wij hebben het allemaal stuk gemaakt. En sindsdien is de wereld slecht. De wereld is verloren.
De wereld, dat waren zij. De wereld, dat zijn wij… Ons hart is slecht en verloren. Wij zijn vijandig tegenover de Heere. We willen niet naar Hem luisteren. We willen alles zelf doen en alles zelf weten.
De Heere had Adam en Eva lief. Hij hield van ze. Maar zij luisterden niet naar Hem. Zij werden ongehoorzaam en zondigden tegen de Heere.
Wat is dat eigenlijk: zondigen tegen de Heere? Zonde doen tegen God is eigenlijk op Gods liefde en liefhebbende hart trappen. Stel je voor: je hebt een heel lieve vader en moeder. Ze zijn altijd lief voor je. Maar als jij ineens heel lelijke dingen tegen ze gaat zeggen, dan worden ze toch boos. Want? Waarom? Ze worden boos omdat je hun liefde knakt. Je trapt op hun lieve en liefhebbende hart.
Zo trappen we met onze zonden op Gods liefhebbende hart. Want God is niet alleen liefde. Maar Hij is ook eerlijk. En Hij is ook heilig. Dat wil zeggen: God wil de zonde niet. Zonde botst met Wie God is. Hij wil er absoluut niets mee te maken hebben. Dus wie zonde doet, die wijst de liefde van de Heere af en trapt Hem op Zijn liefhebbende hart. En maakt dat de Heere, zoals de Bijbel dat noemt, toornig wordt.
Maar tegelijkertijd heeft de Heere (dat zien we in onze tekst) met mensen die zonden gedaan hebben en doen, zoals jij en ik, diep medelijden. De Heere heeft diep medelijden in Zijn hart met Zijn wereld. En dus ook met ons. En dus ook jou.
Dat zegt de Heere ook door middel van de profeet Ezechiël: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in de dood van de goddelozen! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zou u sterven, o huis van Israël? (Ezech. 33:11Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls?). Met andere woorden: Ik vind het niet fijn, als zondaars sterven. Ik vind het niet fijn dat zij zelf het loon op hun zonden uitbetaald krijgen. Dat verdienen ze wel. Ze zijn er zelf wel de schuld van. Maar, ach, wilden ze nu toch maar naar Mij terugkomen! Zondaars, zondige mensen, zondige kinderen, kom toch terug naar Mij! Bekeer je tot Mij!
Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft. Sommige mensen denken, dat het in deze tekst bij het woord ‘wereld’ gaat over bekeerde mensen of over mensen die nog bekeerd zullen worden. Over mensen die door de Heere uitverkorenen zijn. Dat snap ik. En dat bedoelen ze ook goed. Maar nergens in de Bijbel wordt voor zulke mensen het woordje ‘wereld’ gebruikt. ‘Wereld’ is in de Bijbel: de zondige wereld. En iedereen van ons is bewoner van die zondige wereld. En alle mensen die de boodschap van de Bijbel horen, zijn van die zondige wereld. De Heere God had en heeft intens medelijden met Zijn wereld.
Met de mensen die door Hem gemaakt zijn. Met papa en mama, met opa en oma, met je broers en zussen, met je vriendjes en vriendinnetjes, met jou… Omdat je leventje zo ellendig en naar is. Zonder God. En ver bij de Heere vandaan. Met heel veel zonden. Met heel veel verkeerde dingen, die je tegen de Heere en tegen de mensen gedaan hebt.
Maar God zoekt je. Hij roept je terug. En zegt: Mijn zoon, M’n jongen, Mijn dochter, M’n meisje, geef Mij je hart. Geef dat zondige en vuile hart van je toch aan Mij (Spr. 23:26Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.)!
Want Ik heb de oplossing voor al je ellende. De enige oplossing. Zo groot, zo onbegrijpelijk groot was Mijn liefde tot Mijn wereld, dat ik Mijn Zoon gegeven heb. Eerst aan de Israëlieten, maar daarna ook aan alle andere volken van deze wereld. Ik heb Hem gegeven voor iedereen. Dat wil zeggen: Iedereen mag van Mijn gift, die Ik gegeven heb, gebruik maken. Van? Van wat? Van Wie? Want Wie of wat is die grote gift, dat allergrootste geschenk, dat allermooiste cadeau? We zien het in het derde punt van de preek, maar we gaan eerst zingen, Psalm 81:12.
Opent uwen mond; Eist van Mij vrijmoedig, Op mijn trouwverbond; Al wat u ontbreekt, Schenk Ik, zo gij 't smeekt, Mild en overvloedig.
We gaan verder met het derde aandachtspunt van de preek over het allergrootste geschenk, het allermooiste cadeau. Wie gaf en geeft dat allermooiste geschenk? God. Aan wie? Aan de wereld.
Luister nog een keer goed naar de tekst: Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon (de Heere Jezus) gegeven heeft.
Dat is eerlijk gezegd een gift, een geschenk uit de hemel, waar niemand van deze wereld ooit om gevraagd heeft. Maar God de Vader in de hemel heeft Hem wel gegeven. Als een genadige gift. In de eeuwigheid had de Heere het al besloten, om die gift te zullen geven.
Adam hoorde er voor het eerst in het paradijs van, toen de Heere de moeder van alle beloftes gaf: Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, tussen uw zaad en tussen haar Zaad. Dat zal u de kop vermorzelen en u zult het de verzenen vermorzelen (Genesis 3:15En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen.). En God deed wat Hij beloofde. Hij gaf Zijn eniggeboren Zoon. Hij werd geboren in Bethlehem. Gelegd in een kribbe. En God gaf Zijn Zoon vooral ook op Golgotha. Daar werd Hij gekruisigd. Gehangen aan een kruis. Om voor de zonde te betalen
Want het woord ‘geven’ in de tekst, wijst niet alleen op het liefdevol geven van een mooi cadeau, maar het wijst vooral ook op het geven van een offer. Op het geven van een offer, dat geslacht moest worden. Voor de zonde. Zo heeft de Heere Zijn liefste Zoon als een offer gegeven. Om…? Om geboren te worden in Bethlehem. Om te sterven aan het kruis. Later zegt Paulus: God heeft Zijn Zoon niet gespaard, maar Hij heeft Hem overgegeven (Rom. 8:32Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?). God gaf Hem over, de Heere gaf Hem uit handen. Als een offer. Om te lijden en te sterven aan het kruis voor de zonden van al Zijn kinderen.
Wat een geweldige gift! Wat een geweldig cadeau! Wat een onverdiende genade! Zonder dit, kon er niemand van ons zalig worden. Want: de wereld deed niets. De mensen deden niets. En konden niets doen. Niemand vroeg naar God. En niemand vroeg om een Zaligmaker. Maar God had in de eeuwigheid een plan gemaakt. En Hij deed wat Hij had besloten. Hij gaf Zijn liefste Zoon.
Over dat laatste, moet je even rustig nadenken. Over: hoe bijzonder dat is. Je zoon geven, en dan nog wel je enige zoon, je allerliefste zoon... Wie van de vaders hier wil zijn zoon kwijt? Wil je pappa jou kwijt? Nee toch? Jouw pappa of mamma zouden misschien wel voor jou willen sterven. Maar, zouden ze jou willen laten sterven? En dan nog niet eens voor een vriend of vriendin, maar voor een heel slecht mens? Zouden papa en mama jou geven om diep vernederd worden? Om te slapen in een kribbe? Om te hangen aan een kruis? Om naakt, een vervloekte dood te sterven?
Zie je hoe groot de liefde van de Heere God is? Hij gaf niet een mens van de duizenden mensen van deze wereld. Hij gaf niet een engel van de miljoenen engelen in de hemel. Maar gaf het liefste wat Hij had: Zijn enige, Zijn eniggeboren Zoon. Om Hem te laten leggen in een kribbe. Om Hem te laten sterven aan een kruis.
God gaf het liefste wat Hij had, voor een vijandige wereld. Die Hem haatte en die alles deed wat God niet wilde. Want zo lief, zo heel erg lief, zo onbegrijpelijk lief, heeft God deze verloren wereld gehad, dat Hij Zijn lieve Zoon gegeven heeft. De Heere gaf Zijn Zoon als Zaligmaker van deze wereld (Joh. 4:42En zeiden tot de vrouw: Wij geloven niet meer om uws zeggens wil; want wij zelven hebben Hem gehoord, en weten, dat Deze waarlijk is de Christus, de Zaligmaker der wereld., 1 Joh. 4:14En wij hebben het aanschouwd, en getuigen, dat de Vader Zijn Zoon gezonden heeft tot een Zaligmaker der wereld.). Zo wordt de Heere Jezus in de Bijbel genoemd: de Zaligmaker van de wereld.
Dat betekent dat eigenlijk precies? Nou, denk bijvoorbeeld maar aan een dokter. Als we in ons dorp een dokter hebben, dan is die dokter de dokter van het hele dorp. Dat wil zeggen: iedereen die ziek is, mag naar hem toe gaan. Iedere zieke is welkom in de praktijk van de dokter. De deur van de praktijk staat open voor iedereen. Hij wil iedereen helpen. Hij stuurt niemand weg.
Zo hebben ook wij een hemelse Dokter gekregen, als het allergrootste geschenk, als de allermooiste gift uit de hemel. Om…? Om naar Hem toe te gaan. Dat is de bedoeling van de Heere met het geven van Zijn Zoon. Dat zien als laatste nog in het vierde punt van de preek.
Wat is de bedoeling van dat geven van de Heere Jezus aan de wereld? Waarom wordt Hij aan de wereld gegeven? Aan zondige mensen? Waarom wordt Hij ook nu, als je naar de preek luistert, als een gift aan jou, aan ons aangeboden? Want dat is, wat de dominee al prekend, namens de Heere zegt: Hier is de Zaligmaker! Die je zonden wil vergeven en Die je wil en kan redden van de dood!
Wat is de bedoeling van de Heere daarmee? Wat wil de Heere daarmee? Luister nog een keer naar de tekst: Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Het doel van de Heere is dus: dat iedereen die in Hem, in de Heere Jezus gelooft, niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben.
Trouwens, dat de Heere dat zo moet zeggen, is eigenlijk heel erg. Dat betekent namelijk, dat Hij Zijn Zoon aan de wereld en aan ons gegeven heeft, en nu ook persoonlijk aan jou en aan ons wil geven, maar dat het blijkbaar niet zo is, dat iedereen ook echt in Hem gelooft. Dat wil zeggen: Niet iedereen wil deze gift hebben! Er zijn heel veel mensen die dat geschenk afslaan en zeggen: ‘Nee, dank U wel! Ik heb genoeg. Ik heb Hem helemaal niet nodig. Houd Hem maar voor Uzelf! Ik wil… niets met U te maken hebben!’
De Bijbel zegt het zo: Het licht is in de wereld gekomen, het licht is aan de wereld gegeven, maar de mensen wilden dat licht niet. Ze hebben het donker, de duisternis van hun zonden, liever gehad dan het licht van de Heere Jezus (Joh. 3:19). Toen de Heere Jezus geboren moest worden, was voor Hem geen plaats in een herberg. En toen Hij groot geworden was, hebben de mensen Hem verworpen. Dat wil zeggen: ze hebben Hem weggegooid. Toen ze riepen: Kruis Hem. Letterlijk: Weg met Hem (Joh. 19:15Maar zij riepen: Neem weg, neem weg, kruis Hem! Pilatus zeide tot hen: Zal ik uw Koning kruisigen? De overpriesters antwoordden: Wij hebben geen koning, dan den keizer.)! Voor Hem was geen plaats meer in herberg of huis. Zijn wieg was een kribbe, Zijn troon was een kruis.
En zo is het nog steeds. Ook hier en nu in de kerk. Er zijn heel veel mensen, ook heel veel kinderen, die de Heere Jezus niet willen hebben. Die Hem weigeren. Ze zeggen: ‘Nee, ik wil Hem niet.’ ‘Die genade, die gift, dat allergrootste geschenk, dat allermooiste cadeau? Dat is goed voor anderen, maar niet voor mij!’
Want…? Waarom zeggen ze dat eigenlijk? Ze zeggen dat, omdat ze denken: Als ik deze gift, als ik dit geschenk van de Heere aanpak, dan zeg ik daarmee eigenlijk, dat ik ook bij de wereld hoor. Dat mijn hart ook zo slecht is. En wij zijn van onszelf veel te trots om dat toe te geven.
Je zegt: Maar, kan ik dan de Heere Jezus zo maar aanpakken, en zeggen: ‘Fijn, omdat God de Vader in de hemel Hem aan de wereld gegeven heeft, daarom is Hij nu, vanaf vandaag, ook van mij?’
Als je het hoofdstuk van de preek, Johannes 3, goed leest (je moet het thuis nog maar eens een keer lezen), dan zul je merken dat het in dit hoofdstuk gaat over het gesprek tussen de Heere Jezus en Nicodemus. Hij, Nicodemus, vindt zichzelf ook best wel goed. Hij vindt Jezus goed, maar zichzelf ook. Maar dan zegt de Heere Jezus tegen hem: Nicodemus, alleen als je opnieuw geboren wordt, alleen dan kan je het Koninkrijk van God binnengaan (vers 3). Met andere woorden: Nicodemus, je hart is zo slecht, je hebt een hele nieuwe geboorte, je hebt een heel nieuw hart, een heel nieuw leven nodig. Anders kan je niet en anders wil je niet. Anders weiger je dat geschenk van God. Anders zeg je tegen dat allermooiste geschenk, tegen die allergrootste gift van Mijn Vader, anders zeg je tegen Mij, de Heere Jezus, ook: Nee!
Je zegt: ‘Nou, dan weet ik niet meer zo goed, wat ik moet doen. Er is dus blijkbaar maar één oplossing voor mijn zondige hart. Dat is de gift van Gods genade, de Heere Jezus Christus. Maar mijn hart is zo slecht, dat ik Hem niet wil hebben. Ik wil alles liever zelf oplossen. Ja, en ik geef toe, het is waar: als de Heere zegt, dat ik ook bij de wereld hoor, dan voel ik
in mijn hart dat ik een beetje geïrriteerd raak. Dan denk ik: Huh, ik van de wereld? Nee, ik ben van de kerk.’ Je zegt: ‘Nou, dan moet ik maar wachten tot de Heere iets gaat doen. Misschien nu, misschien later als ik groot ben.’
Nee, dat moet je niet denken. Denk even aan het volgende verhaal. Ergens, ver weg, woont een heel arm jongetje. Een jongetje, dat ook nog gehandicapt is, want hij heeft wel benen, maar geen armen. En (dat is nog erger) hij heeft ook geen vader en moeder meer. Iedere dag moet hij bedelen om geld. Bedelen, dat wil zeggen: je hand ophouden en vragen: ‘Meneer, mevrouw, mag ik wat geld van u?’ Maar ja, dat is moeilijk. Want als je geen gezonde armen hebt, dan kan je ook niet je hand uitsteken om geld te vragen. Maar gelukkig, hij leeft nog wel.
Op een dag komt er een vriendelijke meneer bij hem langs. Hij kijkt naar zijn versleten schoenen en zegt: ‘Jongen, dat gaat zo niet. Jij krijgt nieuwe schoenen van mij.’ Hij gaat naar de winkel en even later is hij terug met een paar nieuwe schoenen. Hij zegt: ‘Hier, trek ze maar aan. Dit is mijn cadeau. Voor jou. Gratis! Niet omdat je iets voor me gedaan hebt, niet omdat je iets verdient. Het is geen loon, maar het is een gift. Het is een cadeau! Pak ze maar aan, doe ze maar aan je voeten.’
Nu kan dat jongetje twee dingen gaan doen. Hij kan gaan huilen en hard weglopen op zijn oude schoenen. Hij kan boos tegen die meneer zeggen: ‘U ziet toch, dat ik zelf mijn schoenen niet kan aantrekken, omdat ik geen handen heb…!’ Maar, als hij dat doet, trapt hij eigenlijk op het vriendelijke hart van die meneer. Hij maakt hem misschien wel boos.
Het andere wat hij kan doen, is dat hij zegt: ‘Meneer, ik vind het heel bijzonder. Niemand heeft nog ooit zulke mooie schoenen als cadeau aan mij gegeven. Maar u ziet, omdat ik geen goede armen heb, kan ik ze zelf niet aanpakken. Ik kan ze zelf niet aantrekken. Wilt u het alstublieft voor me doen…?’
Ik weet het zeker: terwijl hij hem vriendelijk aankijkt, trekt die meneer met zijn eigen handen hem die oude schoenen uit en doet hij voor hem die nieuwe schoenen aan. Zal dat jongetje niet blij zijn? Zeker weten van wel! Hij zal zeggen: ‘Meneer, ik houd van u. Misschien mag ik wel met u mee naar uw huis. Misschien mag ik wel altijd bij u blijven.’
Hier, zegt de Heere God, hier is het mooiste wat Ik je kan en wil geven. Je hebt het niet verdiend. Het is geen loon, maar genade. Het is Mijn Zoon, Mijn enige en allerliefste Zoon. Ik heb Hem gegeven in de kribbe van de stal in Bethlehem. En Ik heb Hem de ergste straf op de zonde laten dragen, aan het kruis op Golgotha.
En, hier, zegt de Heere Jezus, hier ben Ik. Ik ben gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was.
Wat zegt u? Wat zeg jij? Of, zeg je niets? Haal je je schouders op? Zo van: wat heb ik daaraan? Ga je, terwijl de Heere nu het allermooiste en allergrootste geschenk aan je geven wil, straks weer met niets naar huis? Alsjeblieft, doe dat niet! Misschien krijg je dit cadeau nooit meer aangeboden. Misschien was dit de laatste keer...
En een ander cadeau waarmee je kan leven en sterven is er niet. Dit is het enige geschenk, dat het weer goed maakt tussen de Heere in je hart. De Bijbel zegt: dan zal je niet verderven, dan zal je niet omkomen, maar eeuwig leven geeft.
Niet niks zeggen dus! Niet je schouders ophalen dus! En niet te wegrennen dus! En niet weer doorgaan met alsmaar vragen om allerlei andere cadeaus! Maar kijk deze Heere in de hemel en deze Heere Jezus (die nu in de preek weer voor je staat) in gedachten aan. Met verdriet. Schaam je om wat je gedaan hebt.
En zeg biddend in je hart: ‘Heere, U woont in de hemel. U hebt een hart vol liefde. Maar U haat mijn zonden. Die passen niet bij Uw heiligheid. Ik heb gezondigd. Ik ben ongehoorzaam geweest. Die verloren wereld, dat ben ik. Maar nu heb ik vanmorgen gehoord over die allergrootste gift van U, over Uw enig geliefde Zoon. Zoveel liefde en medelijden had U, ook met mij, dat U me niet wilde loslaten. En nu staat u vanmorgen weer voor me, met Uw lieve Zoon. Weer heb ik gehoord, dat U eeuwig leven en zaligheid belooft, als ik in de Heere Jezus geloof.
Ik weet, Heere, dat U dat belooft, niet om me te laten denken dat ik zelf kan geloven. Maar U hebt toch Zelf gezegd: Ik wil erom gebeden worden (Ezech. 36:37)? Daarom, Heere, hier ben ik. Geeft U me alstublieft toch dat geloof in U en in de Heere Jezus Christus. Geeft U me toch alstublieft een nieuw hart, een nieuwe geboorte en een nieuw leven. Ik verdien het niet. Maar ik vraag u om genade. Uit genade, Heere, om de Heere Jezus wil, Die U gegeven hebt: red mijn ziel en vergeef mij al mijn zonden.
Want ik ben verloren en ik ga verloren, als U mij niet redt. Als U mij niet Zelf Uw Zoon in mijn handen drukt en in mijn hart legt. Help me, Heere. Was mijn zonden genadig weg om het bloed van de Heere Jezus, Die U gegeven hebt. Omdat, Heere, mijn zonden vele zijn, maak om Jezus’ wil mij rein.
Onze liefhebbende Heere zal je, als je zo bidt en blijft bidden, zeker al je zonden vergeven. Uit genade. Om Jezus’ wil. Amen.
Slotzang Psalm 138:3:
Dan zingen zij, in God verblijd, Aan Hem gewijd, van 's HEEREN wegen; Want groot is 's HEEREN heerlijkheid, Zijn Majesteit, ten top gestegen; Hij slaat toch, schoon oneindig hoog, Op hen het oog, die nederig knielen; Maar ziet van ver met gramschap aan Den ijdele waan der trotse zielen.
Andere preken over Johannes
Andere preken voor Kerst
Andere gerelateerde preken