PREEK · KERKELIJK JAAR

Kudde weiden gelijk een herder - Jesaja 40

Advent - 18 december 2016

Jesaja 40:11: Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammekens in Zijn armen vergaderen en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtkens leiden.

INLEIDING

Deze adventspreek over Jesaja 40:9-11 verkondigt de goede boodschap voor de ballingen: 'Zie hier is uw God!' Die boodschap is vol drang – klim op, roep het uit; vol majesteit – Hij komt als overwinnende Koning met Zijn loon bij Zich; en vol zorg – Hij weidt Zijn kudde als een Herder, draagt de lammeren in Zijn armen. Voor gebrokenen van hart is dit troost: geen weg terug in eigenlijke kracht, maar Hij komt en draagt.

THEMA

De goede boodschap van het Evangelie

KERNPUNTEN

  1. De goede boodschap van het Evangelie is vol van drang
  2. De goede boodschap van het Evangelie is vol van majesteit
  3. De goede boodschap van het Evangelie is vol van zorg

JESAJA 40:10-15

10 Zie, de Heere HEERE zal komen tegen den sterke en Zijn arm zal heersen; zie, Zijn loon is bij Hem en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht.
11 Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammekens in Zijn armen vergaderen en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtkens leiden.
12 Wie heeft de wateren met zijn vuist gemeten, en van de hemelen met de span de maat genomen, en heeft met een drieling het stof der aarde begrepen, en de bergen gewogen in een waag en de heuvelen in een weegschaal?
13 Wie heeft den Geest des HEEREN bestierd, en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen?
14 Met wien heeft Hij raad gehouden, die Hem verstand zou geven en Hem zou leren van het pad des rechts, en Hem wetenschap zou leren en Hem zou bekendmaken den weg des veelvoudigen verstands?
15 Zie, de volken zijn geacht als een druppel van een emmer, en als een stofje van de weegschaal; zie, Hij werpt de eilanden heen als dun stof.

VOLLEDIGE TEKST

Kudde weiden gelijk een herder - Jesaja 40

ds. J. IJsselstein - Jesaja 40:11

THEMA

De goede boodschap van het Evangelie

Gemeente, de tekst voor de preek op deze eerste adventzondag kunt u vinden in Jesaja 40, daarvan de verzen 9 tot en met 11. We overdenken vanmorgen Jesaja 40:9-11, waar we het Woord van God als volgt lezen: O Sion, gij verkondigster van goede boodschap, klim op een hoge berg; o Jeruzalem, gij verkondigster van goede boodschap, hef uw stem op met macht, hef ze op, vrees niet, zeg de steden van Juda: Zie hier is uw God! Ziet, de Heere HEERE zal komen tegen de sterke, en Zijn arm zal heersen; ziet, Zijn loon is bij Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht. Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen, en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden.

Het thema voor de preek van vanmorgen is: De goede boodschap van het Evangelie. We letten op drie aandachtspunten. Die goede boodschap van het Evangelie is in de eerste plaats vol van drang, dat ziet u in vers 9: O Sion, gij verkondigster van goede boodschap, klim op een hoge berg; o Jeruzalem, gij verkondigster van goede boodschap, hef uw stem op met macht, hef ze op, vrees niet, zeg de steden van Juda: Zie hier is uw God! Ze is in de tweede plaats vol van majesteit, zoals staat in vers 10: Ziet, de Heere HEERE zal komen tegen de sterke, en Zijn arm zal heersen; ziet, Zijn loon is bij Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht En ze is in de derde plaats vol van zorg, zoals staat in vers 11: Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen, en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden.

Het gaat vanmorgen dus over: De goede boodschap van het Evangelie. Die boodschap is 1. Vol van drang 2. Vol van majesteit 3. Vol van zorg Als eerste dus:

1. De goede boodschap van het Evangelie is vol van drang.

Want we lezen in vers 9: O Sion, gij verkondigster van goede boodschap, klim op een hoge berg; o Jeruzalem, gij verkondigster van goede boodschap, hef uw stem op met macht, hef ze op, vrees niet, zeg de steden van Juda: Zie hier is uw God! Zie hier! Zo had de prediking van het Evangelie eeuwenlang geklonken: ‘hier is uw God, o Israël!’ Zo klonk het in de dienst van de tabernakel en in de dienst van de latere tempel, waarheen de stammen opgingen: ‘hier, o Israël, woont uw God’. Hoe vrolijk gaan de stammen op naar Sions God gewijde top. Kom gaan met ons en doe als wij: kom en zie, want deze God is onze God! Zo was het in tijden van voorspoed en vrede. Zo was het ook in tijden van oorlog. Ook al was er geen gelegenheid om op te gaan naar het huis des Heeren, dan was er toch het hartelijke verlangen bij de ware Israëliet: mijn ziel bezwijkt van sterk verlangen. Ik zal Hem toch loven (Psalm 42). Was er geen weg naar Jeruzalem, dan hief men zijn ogen op naar de bergen, naar Jeruzalems bergen, met heimwee denkend aan de woorden van Psalm 48: Schoon van gelegenheid, een vreugde der ganse aarde is de berg Sion, aan de zijden van het noorden; de stad des groten Konings. God is in haar paleizen (daar is God!); Hij is er bekend voor een Hoog Vertrek (vers 1-3). Gelijk Uw Naam is, o God! alzo is Uw roem tot aan de einden der aarde; Uw rechterhand is vol van gerechtigheid (vers 10). Want deze God is onze God eeuwiglijk en altoos; Hij zal ons geleiden tot de dood toe (vers 14).

Hoe anders is het bij de ballingen in Babel, die Jesaja nu profetisch voor zich ziet. Opgaan naar Jeruzalem, naar de tempel, dat zit er niet meer in, dat lijkt uitgesloten, want de tempel is verwoest en het volk is weggevoerd in ballingschap. Daar in Babel klinken andere woorden, daar klinken de woorden uit Psalm 137: Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden wij, als wij gedachten aan Sion. Wij hebben onze harpen gehangen aan de wilgen, die daarin zijn. Als zij, die ons aldaar gevangen hielden, de woorden eens lieds van ons begeerden, en zij, die ons overhoop geworpen hadden, vreugd, zeggende: Zingt ons een van de liederen Sions; Wij zeiden: Hoe zouden wij een lied des HEEREN zingen in een vreemd land? Indien ik u vergeet, o Jeruzalem! zo vergete mijn rechterhand zichzelve (Psalm 137:1-5)!

Maar dan, midden in die troosteloze toestand, midden in die uitzichtloze omstandigheden, klinken er opeens woorden van troost. Het zijn woorden die al lang voor de ballingschap gesproken zijn. De Heere heeft ze als het ware lang geleden al klaar gelegd voor deze bedroefde ballingen, die weten: wij zitten hier in Babel om eigen schuld.

Plotseling klinkende woorden van troost, zoals ook nu vanmorgen plotseling woorden van troost kunnen klinken voor een in zichzelf schuldig volk: Troost, troost Mijn volk (vers 1). O Sion, gij verkondigster van goede boodschap, klim op een hoge berg; o Jeruzalem, gij verkondigster van goede boodschap, hef uw stem op met macht, hef ze op, vrees niet, zeg den stede van Juda: Zie hier is uw God!

Het zijn woorden van troost, gericht aan degenen die achtergebleven zijn in Juda (armen, onaanzienlijken, landbouwers en wijngaardeniers) en vooral gericht aan de ballingen in Babel. Jeruzalem, Sion, verkondig het met kracht, hef uw stem op, vrees niet, zegt de steden van Juda… Wat? Dit: Hij zal komen (vers 10), de Heere HEERE! Woorden vol adventsverwachting. Hij zal komen: de Messias van het eeuwige verbond, de Almachtige. Ja, sterker nog, in profetische blik, in profetische werkelijkheid: Hij is er! Uw God! Dat wil zeggen: vertrouw niet op uzelf. De Heere Zelf zal alles doen. Wie? Uw God! De komende, de gekomen Messias, Jezus Christus.

Verkondig het met kracht, met een stem die niet bedriegt. Zelfs niet nu u weggevoerd bent. Zelfs niet, al verdort het volk als gras (vers 7). Zelfs niet al wordt het herbouwde Jeruzalem straks weer overheerst, door de Romeinse vijand. Zelfs niet al wordt de Zoon van David gekruisigd, al wordt Jeruzalem uiteindelijk zelfs verwoest. Dan nog is en blijft er troost, waard om uitgeroepen te worden aan alle volken: De heerlijkheid des Heeren zal geopenbaard worden (vers 5). Zie, hier is Hij, uw God!

Hier is het begin van die troostvolle prediking. En straks met Pinksteren is er de volle vervulling van de verkondiging van dit Evangelie. Dan baant Gods wegen, dan opent Hij deuren (Jesaja 49:11). Dan klimt de Kerk, het geestelijk Jeruzalem, op een hoge berg. Dan verheft ze haar stem met macht, dan verkondigt ze (zonder vrees en vervuld met de Heilige Geest) aan alle volken de grote werken Gods (Handelingen 2:11). Het is de opdracht aan de kerk, het is de opdracht aan ons gegeven, in het bijzonder aan al Gods kinderen, om met alle vermogen, om met alle drang, om met alle liefdedrang die in ons is, met hartelijke bewogenheid voor onsterfelijke zielen dit alom te verkondigen: Zie hier is uw God! Al gij einden van de aarde, zie hier is uw God! Wend u naar Hem toe en word behouden (Jesaja 45:22). En dan zullen ze komen, zo profeteert Jesaja in hoofdstuk 49: Zie, dezen zullen van verre komen; en zie, die van het noorden en van het westen en genen uit het land van Sinim (Jesaja 49:12). Zij zullen komen.

Zie hier is uw God! Dat is ook de boodschap die vanmorgen aan u gericht is. Van nature zit niemand op die boodschap te wachten. Niemand vraagt naar God, niemand zoekt Hem (Jesaja 65:1). En dus (zondag aan zondag zit u in de kerk, maar toch…) waait de boodschap zomaar langs u heen. Tenzij God Zelf ingrijpt en naar Zijn vrijmachtige welbehagen uw harde hart verandert, vermurwt en verbreekt. Dan zit u anders in de kerk. Dan zit u hier met een hart vervuld met droefheid naar God, verbroken, omdat u tegen God gezondigd hebt. Dan zit u hier met een verslagen geest. Bij uzelf ziet u geen weg meer. U zucht: hoe kom ik toch ooit met God verzoend? Moedeloos, hopeloos, uitzichtloos. Net zoals de ballingen in Babel zaten. Ze hadden hun harpen aan de wilgen gehangen, terwijl ze wisten en moesten erkennen: dat zitten hier, ver bij de God van Israël vandaan, dat is echt onze eigen schuld. Dat is om onze zonden. Zou het ooit nog goed kunnen komen? Hoe moet het toch verder? Is er nog een weg terug?

Groeit er dan (dan!) geen hoop in uw hart? Komt er dan geen sprankje moed in uw ver- slagen hart, als u hoort: wij verkondigen u (u hoort het goed: u!) een goede boodschap? Zoals de engel zei tegen de herders in de velden van Efratha: Vreest niet, want, ziet, ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal, namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus, de Heere, in de stad Davids (Lukas 2:10-11). Zie hier is uw God! De Messias der Schriften, de Zaligmaker van verloren zondaars. Uw God! Is dat bedoeld als gemakkelijke troost: ‘Mensen, denk na, u bent gedoopt, u bent kind van het verbond, nu dan, geloof dat dan, het zit goed met u?’ Nee. Dit wijst moedeloze harten op de Bron, op de enige Bron waar alle heil en troost vandaan komt. Het zegt: Mensen, er is hoop, omdat het bij God vandaan komt! U ziet geen weg terug. Maar uw God is machtig en bereid om u te redden en terug te brengen uit de ballingschap.

Verbrokenen van hart en verslagen en van geest, vrees niet, Hij zal het doen. Uzelf bent niet in staat om terug te keren, maar Hij zal u brengen. Want Hij heeft een arm met macht en Zijn hand heeft groot vermogen. Dat gaan we zien in onze tweede gedachte:

2. De goede boodschap van het Evangelie is vol van majesteit.

Die adventsboodschap van de komende nieuwe tijd, die schetst de profeet Jesaja met twee beelden. Het eerste beeld is het beeld van een overwinnende Held, van een machtige Koning. Kijkt u maar in vers 10: Ziet, de Heere HEERE zal komen tegen de sterke, en Zijn arm zal heersen; ziet, Zijn loon is bij Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht. Het is een beeld dat herinnert aan de uittocht uit Egypte, waar het volk Israël uitgeleid is door een sterke hand en door een uitgestrekte arm (Deuteronomium 4:34, 5:15, 7:19, 26:8). De komende Verlosser, de komende Messias zal komen als een machtige Held, als een overwinnende Koning.

Zouden we ooit verlost worden, zo is de zucht van de ballingen in Jesaja 49, zouden we ooit verlost worden uit Babel? Zouden we ooit verlost worden uit de banden van zonde en schuld? Zou ook een machtige de vangst ontnomen worden, of zouden de gevangenen eens rechtvaardigen ontkomen? Maar alzo zegt de HEERE: Ja, de gevangenen des machtigen zullen hem ontnomen worden, en de vangst des tirans zal ontkomen; want met uw twisters zal Ik twisten, en uw kinderen zal Ik verlossen (Jesaja 49:24-25). Er komt een machtige Held, die de ballingen zal verlossen. Er komt een overwinnende Koning, die arme zondaars zal verlossen van zonde en schuld. Hij is het, Jezus Christus, die gekomen is om verloren mensen te rukken uit de klauwen van satan, om hen los te maken uit de ketenen van de duivel, die hen gevangen houdt in zijn kerker. Later schrijft de apostel Johannes: Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou (1 Johannes 3:8). Hij zal komen tegen de sterke. Hij zal de satan overwinnen, hem zijn vangst ontnemen, zijn gevangenen bevrijden. Dat zal Hij doen. Ze zullen niet ontsnappen in eigen kracht, maar ze zullen verlost worden door Zijn kracht.

En Zijn arm zal heersen. Zoals de dichter zingt in Psalm 72: En Hij zal heersen van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde. De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor Zijn aangezicht knielen en Zijn vijanden zullen het stof lekken. De koningen van Tharsis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen; de koningen van Scheba en Seba zullen vereringen toevoeren. Ja, alle koningen zullen zich voor Hem nederbuigen, alle heidenen zullen Hem dienen (Psalm 72:8-11). Hij zal groot zijn. Hij zal heerlijk zijn. Zijn Naam zal heerlijk zijn op de ganse aarde (Psalm 8:1).

Zijn loon is bij Hem en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht. Hij komt, met Zijn oordeel tegen de sterke. Zie Hem en beef… Maar zo niet, Hij zal het u vergelden. Hij zal u uw loon uitbetalen. Hij komt, met Zijn vloek tegen de zonde. Zie Hem en belijd uw misdaden… Maar zo niet, Hij zal u uw misdaden vergelden. Hij zal u uw loon uitbetalen. Hij komt met Zijn verlossende genade. Zie Hem en kom... Maar zo niet, Zijn loon is bij Hem. Als u Zijn genade vertrapt, blijft er niets anders over dan een schrikkelijke verwachting des oordeels, en hitte des vuurs, dat de tegenstanders zal verslinden (Hebreeën 10:27). Hij komt met Zijn vergevende genade. Zie Hem en geloof… Maar zo niet, het zal Tyrus en Sidon verdraaglijker zijn in de dag des oordeels dan u. Want zij zullen komen van het oosten en het westen, van het noorden en het zuiden, terwijl de kinderen des Koninkrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis.

Hij komt en Zijn loon is bij Hem en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht. Vergeldend, straffend, vernielend en verwoestend, voor allen die dit Evangelie des vredes veracht en vertrapt hebben, voor allen die de liefelijke voeten geminacht hebben, die goede boodschap van vrede brachten, zeggende: uw God is Koning (Jesaja 52:7). Lieve mensen, kom toch tot inkeer. De Heere zal niet altijd met u twisten. Hoe snel kan de mond van de boodschappers van vrede verstommen, hoe snel kan uw eigen levensadem afgesneden worden. En hoe moet het dan met u? Hoe moet het dan met u, als u op zo grote zaligheid geen acht gegeven hebt? Zult u de toorn van het Lam, die als Koning heersen zal, kunnen verdragen?

Hoor de adventsdreiging in de woorden van de gekroonde en verhoogde Koning, die op Zijn tijd zal komen op de wolken des hemels, zoals de apostel Johannes die schrijft in Openbaring 22: En zie, Ik kom haastiglijk en Mijn loon is met Mij, om een iegelijk te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn (Openbaring 22:12). O, minacht de Christus niet. Verwerpt Zijn liefde niet. Vertrapt Zijn genade niet. Uw loon zal zonder twijfel, en nu en in de dag der eeuwigheid, uitbetaald worden. Want Zijn loon is bij Hem en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht. Kust Hem, die u Zijn vrede biedt. Zoals we dat nu ook samen gaan zingen uit Psalm 2:6.

Vreest 's HEEREN macht en dient Zijn Majesteit; Juicht, bevend op 't gezicht van Zijn vermogen, En kust den Zoon, van ouds u toegezeid, Eer u Zijn toorn verdelg' voor aller o - gen;

U op uw' weg tot stof doe wederkeren, Wanneer Zijn wraak, getergd door uw gedrag, U, onverhoeds, zou door haar gloed verteren, Tot staving van Zijn lang gehoond gezag.

Zijn loon is bij Hem en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht. Hij komt met oordeel en wraak tegen Zijn vijanden. Maar Hij komt ook en vooral met een boodschap van gerechtigheid en zegen voor Zijn vrienden. Hij komt (dat is adventsverwachting!) vooral met Zijn genadeloon, voor Zijn zuchtende en strijdende volk. En tot u wordt in het bijzonder deze boodschap van troost gebracht: Troost, troost Mijn volk (vers 1). Deze boodschap is vooral tot u gericht, gebrokenen van hart (verbroken vanwege uw zonden tegen God), deze boodschap is vooral voor u bestemd, verslagenen van geest (verslagen omdat u aan de weet gekomen bent, dat uw zonden scheiding gemaakt hebben tussen u en tussen uw God). En dat heeft uw hart vervuld met droefheid naar God, met een onuitsprekelijke heimwee naar Hem met Wie u gebroken hebt. Maar tegelijkertijd ervaart u in uw hart: er is uit u geen weg terug naar God toe. U zucht: Is er nog een weg, om die welverdiende straf te ontgaan en wederom tot genade te komen? Hoe moet het toch, want er moet aan Gods gerechtigheid genoeg gedaan worden?

Maar nu klinkt, midden in die troosteloze en uitzichtloze toestand van uw hart, tot u… Tot u klinkt deze stem, van Gods boodschappers: Zie Hem, zie hier is uw God. Zie Hem, de komende Messias, de gekomen Heere Jezus Christus, en laat u troosten. Want Hij is niet alleen de sterke en overwinnende Koning, die de macht van de boze gebroken heeft, en die zijn gevangenen uit de boeien bevrijdt en die al Zijn vijanden zal verslaan (het zijn allemaal tekenen van grote macht en majesteit), maar Hij is tegelijkertijd (en dat is het tweede beeld dat Jesaja in onze tekst gebruikt), Hij is tegelijkertijd een liefdevolle Herder. Hij is Verwinnaar in de strijd tegen de satan. En, Hij is de goede Herder van Zijn schapen. Dat brengt ons bij het derde aandachtspunt van de preek:

3. De goede boodschap van het Evangelie is vol van zorg.

Die Herder, die Zijn leven stellen zal en aan het kruis gesteld heeft voor Zijn schapen, die (zegt Jesaja), zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen, en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden.

Hij draagt (teer en met liefde) zorg voor de schapen, die de Vader Hem gegeven heeft. Hij geeft ze te eten. Hij voedt hun geestelijke honger. Zijn Woord is hun spijs, hun eten. De tekenen en zegels van Zijn liefde en genade in de sacramenten versterken hun zwakke geloof. Hij Zelf is voor hen het Brood des levens. Het brengt ze terug als ze afdwalen. Hij helpt ze overeind als ze vallen. Hij brengt ze bij elkaar als ze verstrooid zijn. En Hij zal ze tot het einde toe bewaren. Niemand zal ze uit Zijn hand rukken. Het zwakke, dat wat zichzelf niet helpen kan, de lammetjes, die draagt Hij in Zijn armen, gedrukt aan Zijn hart.

De zogenden, schapen die lammetjes hebben, dat wil zeggen de kwetsbaren, die draagt Hij in Zijn schoot, gedrukt aan Zijn borst.

Troosteloze, moedeloze kinderen van God, de Heere draagt zorg voor het zwakke, voor het ellendige, voor degenen die het niet meer weten, voor hen die zichzelf zo tegenvallen, voor hen die zo zuchten onder hun zondige hart. Hij draagt zorg voor de kleintjes, voor de pas bekeerden, voor de zwakgelovigen, voor de bezwaarden van geest. Hij zorgt voor u.

Deze, toen nog komende, maar inmiddels gekomen machtige Koning en geslagen Herder heeft van Zijn Vader de bijzondere opdracht gekregen om Zijn schapen te zoeken en bijeen te brengen. Hij heeft Zelf gezegd: Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijn stem horen (Johannes 10:16). En zo haalt Hij ze op, naar het eeuwige welbehagen van Zijn Vader, uit alle volken, wereldwijd. En eenmaal opgehaald, is het Zijn bijzondere opdracht (die Hij van de Vader gekregen heeft) om zorg te dragen voor Zijn schapen. De Schrift is er vol van!

Gelooft, Zijn arme schapen, Zijn heil- en troostrijk woord, zoals dit woord dat Jesaja 57: Want alzo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij die, die van een verbrijzelde en nederige geest is, opdat Ik levend make den geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden (Jesaja 57:15). Gelooft, Zijn arme schapen, Zijn heil- en troostrijk woord, zoals dit woord dat Jesaja 63: In al hun benauwdheid was Hij benauwd, en de Engel Zijns aangezichts heeft hen behouden; door Zijn liefde en door Zijn genade heeft Hij hen verlost; en Hij nam hen op, en Hij droeg hen al de dagen van ouds (Jesaja 63:9). Hij draagt Zijn schapen! Gelooft, Zijn arme schapen, Zijn heil- en troostrijk woord, zoals dit woord uit de Hebreeënbrief: Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde. Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden te bekwamer tijd (Hebreeën 4:15-16).

Er is een bijzondere verhouding, er is een bijzondere band, er is een band van eeuwige liefde tussen de grote hemelse Heelmeester, de Herder der schapen en gebrokenen van hart. U durft het, gebrokenen van hart niet geloven, maar Ezechiël schrijft erover in Ezechiël 34: Ik zal Mijn schapen weiden, en Ik zal ze legeren, spreekt de Heere HEERE. Het verlorene zal Ik zoeken, en het weggedrevene zal Ik wederbrengen, en het gebrokene zal Ik verbinden, en het kranke zal Ik sterken; maar het vette en het sterke zal Ik verdelgen, Ik zal ze weiden met oordeel (Ezechiël 34:15-16).

Is dat uw verlangen? Gedragen worden? Genade vinden aan Gods genadetroon? Verlevendigd, vertroost te worden? Als het verlorene gezocht te worden? Als het verdwaalde teruggebracht te worden? Gedragen te worden als het kleine en het kwetsbare?

Hier is Gods belofte, juist voor zulke mensen: Ziet Hem, Hij komt! Zie hier is uw God! U moet met al uw zonde en schuld, met uw zwakheid en onvermogen, met uw blindheid en gebrek, met uw geesteloosheid en biddeloosheid tot Hem komen. Nee, sterker nog: Hij komt tot u! Hij, die het gekrookte riet niet verbreekt en de rokende vlaswiek niet uitblust (Jesaja 42:3). Een van onze oudvaders zegt: ‘Uw verdriet, uw wenen en treuren, zal niet ophouden, tenzij Jezus u als een lammetje in Zijn armen neemt en in Zijn schoot draagt.’ Weet tot uw troost: u hebt het doen met een medelijdende Jezus, die teer van hart en groot van liefde is.

Vader Brakel zegt: Wankelt het geloof, is er geen kracht om de Heere Jezus aan te nemen en volgt op die duistere en flauwe onderhandeling met Hem geen licht, noch vrede, noch verzekering? Denkt u menigmaal: hoe zal ik het toch maken, hoe zal ik zalig worden, zal ik dan nooit waarlijk in Jezus geloven, zal Hij mij dan nooit tot Zich trekken, zal ik dan nooit verzoening vinden? Mijn ziel wordt overstelpt, och dat Hij mij te hulp kwam, och dat ik Hem kon vinden! Zie dan (zegt vader Brakel) op de beloften: Mattheüs 12:20: Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken en het rokende lemmet zal Hij niet uitblussen. Jesaja 40:11, 29: Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden. Hij geeft den moeden kracht en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geen krachten heeft (einde citaat)

Weet in al uw zielsverdriet, armen van geest, u die hongert en dorst naar Christus: Jezus Christus is gezonden tot een enige Herder. Hij is geslagen door het zwaard van Gods recht: Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen den Man, Die Mijn Metgezel is, spreekt de HEERE der heirscharen; sla dien Herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden (Zacharia 13:7). Hij is geslagen, volk van God, om onze overtredingen. Om onze misdaden is de straf op Hem geweest.

En nu zoekt Hij het verlorene, nu draagt Hij het kleine en het kwetsbare, nu ontbindt Hij knopen, nu bevrijdt Hij uit de gevangenis en nu brengt Hij door Zijn Heilige Geest uit de duisternis tot het licht. Laat Hij toch uw verwachting zijn, uw enige adventsverwachting. Zeg toch met de dichter van Psalm 130: ik blijf de Heere verwachten, mijn ziel wacht ongestoord, ik hoop in al mijn klachten op Zijn onfeilbaar woord. Ik wacht op Hem, Zijn hulp zal blijken. En hoor en luister vanmorgen: de verwachting (de Heere geve u dat te mogen zien en te mogen geloven), de verwachting is vervuld: Zie hier is uw God! De Zaligmaker, die God juist gezonden heeft, om het verloren te zoeken!

Weet dat in al uw zielsverdriet. En weet ook in alle tijdelijke zorg, kinderen van God: door Zijn Woord eist de Heere niet meer van u, en door Zijn voorzienigheid legt Hij niets meer op u, dan waartoe Hij u in staat stelt. Niet meer dan een lammetje, niet meer dan een zwak en kwetsbaar schaap kan dragen.

Want Hij weet wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde dat wij stof zijn (Psalm 103:14). En vergeet (tot slot) niet dat u, die door genade gebracht bent tot Sion, van nu af aan geroepen bent om als een inwoner van het geestelijke Jeruzalem ook de trompet van deze goede boodschap aan de mond te zetten, om overal te roepen en bekend te maken de heersende arm van Christus en overal te zoeken en te nodigen tot Hem wat schuldig en ellendig is. En van hier, en van de einden van de aarde. Opdat ze zullen komen, zoals Jesaja geprofeteerd heeft in Jesaja 49: Zie, dezen zullen van verre komen; en zie, die van het noorden en van het westen, en genen uit het land van Sinim (Jesaja 49:12). Het zal worden één kudde en één Herder. Tot roem van Sions eeuwige Koning, de enige Herder van Zijn schapen, Jezus Christus. Hem zij alle eer.

Amen.

Slotzang Psalm 69:14:

Gij, hemel, aard' en zee, vermeldt Gods lof; Laat al wat leeft Zijn trouw en goedheid prijzen; Want God zal aan Zijn Sion hulp bewijzen, En Juda's steên herbouwen uit het stof. Daar zal Zijn volk weer wonen naar Zijn raad, God eeuwig hun Zijn volle gunst betonen; Daar zullen zij, Gods knechten met hun zaad, Zij, die Zijn naam beminnen, erf'lijk wonen.