Waarschuwing Petrus – Johannes 13 – nabetrachting

Een liefdevolle waarschuwing Petrus voor hoogmoed

Preek Johannes 13:36-38: Petrus zeide tot Hem: Heere, waarom kan ik U nu niet volgen? Ik zal mijn leven voor U zetten. Jezus antwoordde hem: Zult gij uw leven voor Mij zetten? Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De haan zal niet kraaien, totdat gij Mij driemaal verloochend zult hebben.

LEESPREEK

Een liefdevolle waarschuwing voor een overmoedige discipel
ds. J. IJsselstein – Johannes 13:36-38 – nabetrachting
 
Liturgie:
Psalm 26:2
Psalm 26:7
Lezen Johannes 13:31 – 14:1
Psalm 139:1,2,10
Psalm 89:8
Psalm 139:14
 
Gemeente, ik preek u vanmiddag met Gods hulp in deze dienst van nabetrachting na het gehouden Heilig Avondmaal over wat staat in Johannes 13:36-38. Laten we die verzen samen lezen; Johannes 13:36-38:  
Simon Petrus zeide tot Hem: Heere, waar gaat Gij heen? Jezus antwoordde hem: Waar Ik heen ga, kunt gij Mij nu niet volgen, maar gij zult Mij namaals volgen.

Petrus zeide tot Hem: Heere, waarom kan ik U nu niet volgen? Ik zal mijn leven voor U zetten.
Jezus antwoordde hem: Zult gij uw leven voor Mij zetten? Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De haan zal niet kraaien, totdat gij Mij driemaal verloochend zult hebben.
 
Het thema voor de preek van vanmiddag is:
Een Liefdevolle waarschuwing voor een overmoedige discipel
 
Deze Bijbelverzen wil ik vanmiddag graag met u vers-voor-vers overdenken.
Op zoek naar de betekenis ervan.
Op zoek ook naar de waarschuwingen erin voor ons. In het bijzonder voor ons die aanzaten aan de bediening van het Heilig Avondmaal. Want er dreigen geestelijke gevaren…
 
We beginnen bij vers 36: Simon Petrus zeide tot Hem: Heere, waar gaat Gij heen? Jezus antwoordde hem: Waar Ik heen ga, kunt gij Mij nu niet volgen, maar gij zult Mij namaals volgen.
 
a. Het eerste wat opvalt is, dat Petrus dat wat hiervoor gezegd is, volledig negeert.
Ik bedoel dat, waar het in vers 34 en 35 over gaat: Een nieuw gebod geef Ik u, dat u elkaar liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat ook u elkaar liefhebt. Hieraan zullen zij allen bekennen, dat u Mijn discipelen bent, zo u liefde hebt onder elkaar.

Petrus en de andere discipelen hebben daar kennelijk geen oren naar. En dat is gevaarlijk.
Want zometeen, na de instelling van en na hun aanzitten aan het Heilig Avondmaal, twisten ze weer met elkaar over de vraag wie van hen de meeste is (Luk. 22:24).
 
Laten we waakzaam zijn voor dat gevaar, persoonlijk en ook als gemeente.
Laten we èn persoonlijk èn samen dit niet negeren; niet doen alsof wij dit niet nodig hebben. Want we zijn èn persoonlijk èn als gemeente niet beter dan zij.

b. Het tweede wat opvalt is, dat Petrus een beetje verstoord lijkt door wat de Heere Jezus gezegd heeft in vers 33: Kinderkens, nog een kleinen tijd ben Ik bij u. U zult Mij zoeken, en gelijk Ik de Joden gezegd heb: Waar Ik heen ga, kunt u niet komen; alzo zeg Ik ulieden nu ook.
 
Petrus wil dat zijn Meester blijft. En zo niet, dan wil hij op zijn minst met Hem mee.
En dus vraagt hij: ‘Waar gaat U dan heen?’
 
Jezus antwoordde hem (vers 36): Waar Ik heen ga, kunt u Mij nu niet volgen, maar u zult Mij namaals volgen.
Ik ga heen tot Mijn Vader. En, Petrus, overschat jezelf niet, daar ben je geestelijk nog niet klaar voor. Er ligt voor jou nog een woestijn tussen de Rode Zee en het land Kanaän.

Je moet nog veel leren. En je moet ook nog veel afleren. En er ligt ook nog een belangrijke, maar moeilijke taak op je te wachten.
 
Maar namaals, in de toekomst, zul je Mij volgen.
Niet als een tweede Lam Gods, maar wel (net als Mij) door lijden tot heerlijkheid.

Zoals de Heere later tegen Petrus zegt in Johannes 21:18-19: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Toen u jonger was, gordde u uzelf, en wandelde alwaar u wilde; maar wanneer gij u zult oud geworden zijn, zo zult u uw handen uitstrekken, en een ander zal u gorden, en brengen waar u niet wilt. En dit zeide Hij, betekenende met hoedanigen dood hij God verheerlijken zou. 

U zult uw handen uitstrekken… Dat is een uitdrukking die duidt op kruisiging.
Dus, Petrus, u zult ook de kruisdood sterven.
 
Kinderen van God, er ligt een weg voor ons. We moeten verder, door deze aardse woestijn, op onze weg naar Immanuëlsland.
Een moeilijke reis, vol tegenslag en gevaar. Een weg misschien wel van lijden.
Maar de wil van de Heere geschiedde.
 
We zullen onze Meester namaals volgen. Ook in Zijn heengaan tot de Vader.
Maar nu nog niet.
Laat ons hart in de hemel zijn. Maar laten we ook met geduld de loopbaan lopen, die ons voorgesteld is.

Zoals de apostel zegt in Hebreeën 12:1: Laat ons afleggen allen last en de zonde die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan die ons voorgesteld is; Ziende op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke voor de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van den troon Gods.

Onze reis gaat verder. Ziende op Jezus…
 
Vers 37. Petrus zeide tot Hem: Heere, waarom kan ik U nu niet volgen? Ik zal mijn leven voor U zetten.
Bij eerste, vluchtige blik vallen drie dingen op:
 
Als eerste zijn liefde voor en zijn toewijding aan Zijn Meester: Hij wil zijn, waar Jezus is.
Als tweede zijn ongeduld: dat wil hij nu, direct!
En als derde zijn zelfvertrouwen: Hij denkt dat hij er klaar voor is, om Jezus te volgen.
 
Misschien herken je dat wel, jonge broeders en zusters in de Heere.
De Heere is in je leven gekomen. Je ogen gingen open voor het gevaar van je leven, voor de ernst van je zonde tegen God. Je kreeg de Zaligmaker nodig. Je hart kreeg honger en dorst naar Hem.

De Heere heeft je ook door Zijn genade iets geleerd van de noodzaak van Zijn lijden en sterven in jouw plaats. En vanmorgen mocht je, tot je verwondering, voor het eerst of opnieuw aanzitten aan het Heilig Avondmaal.
 
Of? Ja, misschien ging je wel aan, maar (vraag je je nu achteraf af): ‘Wat kreeg ik er nu eigenlijk van mee?’
Misschien viel het wel een beetje tegen. Je voelde zo weinig…
 
Weet hoe dat misschien wel komt? Kijk eens eerlijk naar je hart…
Omdat echt zien op Jezus, omdat in geloof zien op Hem, alleen maar kan als je afziet van jezelf. Terwijl je ook na gekregen genade (of je nu korter of langer op de weg met de Heere bent), nog zo veel van jezelf kan verwachten.

Van jezelf, vol van liefde tot Jezus. Gedreven, vol van vuur en ongeduld. Vol van zelfvertrouwen: Nu ga ik(!) Jezus volgen!
 
Zoals Petrus: Heere, waarom kan ik… U nu niet volgen? Ik… zal mijn leven voor U zetten.
Zoals jij misschien ook wel aanging aan het Heilig Avondmaal: Heere, hier ben ik.
Ik… zal U belijden. Ik… heb U hartelijk lief.
 
Is het onoprecht? Nee.
Maar wel onbedachtzaam… En dwaas…
Want gaat het Heilig Avondmaal nu over jouw liefde, of over de liefde van Christus?
 
Dus begrijp me niet verkeerd, vat het niet verkeerd op, als ik je zeg, dat we zonder Jezus niets kunnen doen. Niets!
Ook niet met zegen Avondmaal houden. Waar het niet gaat om ons, maar om Hem.
 
Overschat jezelf niet. Van onszelf zijn we zwak van moed en klein van krachten.
En we kunnen van onszelf geen ogenblik staande blijven in eigen kracht.
We zijn en blijven persoonlijk: arme zondaars.
En we zijn en blijven als gemeente, een gemeente van arme zondaars.
 
En dus moeten we ons (met Petrus) diep schamen voor zulke grote woorden en zulke hoge gedachten. Zo hoogmoedig, zo trots, zo dwaas…
Pas op. Waak en bid. Er dreigen gevaren. Juist voor hen die met Jezus geweest zijn.
 
Laten we eens wat beter gaan kijken naar wat Petrus zegt. Drie dingen vallen op.
 
1. Het eerste: IkIk zal anders, ik zal beter, ikzal moediger zijn dan al de andere discipelen!
In Markus 14:29 staat: En Petrus zeide tot Hem: Of zij ook allen geërgerd werden, zo zal ik(!) toch niet geërgerd worden. Al raakte iedereen verstrikt, al zou iedereen vallen, ik niet…
 
2. Het tweede: IkIk zal U ook niet verloochenen!
Markus schrijft in Markus 14:31: Maar hij zeide nog des te meer: Al moest ik met U sterven, zo zal ik(!) U geenszins verloochenen. En insgelijks zeiden zij ook allen.
 
3. En het derde: Ik… Ik zal tot het uiterste gaan voor Uw bestwil: Ik zal mijn leven voor U zetten!
 
Ik… ik… ik…
Het is voelbaar (misschien voel je het ook wel in je hart), Petrus is niet blij met wat Jezus tegen hem zegt. Er zit iets van felheid in zijn antwoord.
Zoals jij en u en ik, vaak ook onvrede voelen in ons hart, als de Heere ons waarschuwt voor onze overmoed.
 
Waardoor trouwens zelfs het antwoord van de Heere Jezus op deze eigendunk door Petrus niet opgepikt wordt. Want na de waarschuwende woorden Heere Jezus (zo staat in Mattheüs 26:33-35) zegt Petrus weer hetzelfde.

Luister maar: Doch Petrus antwoordende zeide tot Hem: Al werden zij ook allen aan U geërgerd, ik zal nimmermeer geërgerd worden.
Jezus zeide tot hem: Voorwaar Ik zeg u, dat u in dezen zelven nacht, eer de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen.
 
En dan? Is dat het einde van zijn overmoed en opschepperij? Nee!
Petrus zeide tot Hem: Al moest ik ook met U sterven, zo zal ik U geenszins(!) verloochenen. Desgelijks zeiden ook al de discipelen… En, zo voegt Markus eraan toe: Maar hij zeide nog des te meer: Al moest ik met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen.
 
En insgelijks zeiden zij ook allen… Niet overheen lezen…
Dus wat gebeurt er? Die trots van Petrus, dat vertrouwen op zijn eigen krachten, die hoogmoed, die blijkt ook nog besmettelijk te zijn ook! De rest van de discipelen neemt het van hem over.
Omdat? Omdat de wortel ervan leeft in het hart van al die mannen
 
Het wijst tegelijkertijd op een gevaar, wat ook onder ons dreigt, gemeente.
De één is overmoedig en gebruikt grote woorden over zijn of haar liefde tot Jezus, over wandelen in het licht, over de heiligheid van zijn of haar leven.

En ja, moet je dan voor die ander onderdoen?
En zo springt het vuurtje over. Niet de vlam van gezond geestelijk leven, maar het vuur van hoogmoed, van zelfvertrouwen en van opschepperij.
 
Het vuur van: zelf groot willen zijn.
Het vuur van: wat doen wij voor Jezus? 
Zonder het diepe besef in ons hart: we zijn en blijven persoonlijk: arme zondaars.
En ook als gemeente: een gemeente van arme zondaars.
 
Pas op, gemeente. Wees waakzaam.
Sluit je oren niet voor de waarschuwende woorden die de Heere in liefde tegen je zegt. Overschat jezelf niet. Wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle.

Laat de waarschuwingen van de Heere, gericht tot je hart, tot je doordringen.
Want er dreigen gevaren. De duivel ligt op de loer. En je hoogmoedige hart bedriegt je.
 
Dit wil ons leren, hoe groot onze onkunde is, als het gaat om ons eigen hart.
Want niemand van ons, niemand(!) kent zijn of haar eigen hart. Dat arglistig is, meer dan enig ding, dodelijk bedrieglijk (Jer. 17:9).

Jakobus waarschuwt ervoor in Jakobus 1:14-16, als hij schrijft: Maar een iegelijk wordt verzocht als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt. Daarna de begeerlijkheid, ontvangen hebbende, baart zonde; en de zonde voleindigd zijnde, baart den dood. Dwaalt niet, mijn geliefde broeders.
 
Door eigen begeerlijkheid afgetrokken…
Door onze innerlijke drang om meer te zijn, dan we in werkelijkheid zijn.
Niemand van de discipelen kende zijn eigen hart.

Markus 14:27 zegt: En Jezus zeide tot hen: U zult in dezen nacht allen(!) aan Mij geërgerd worden;
En in Mattheüs 26:35 staat: Petrus zeide tot Hem: Al moest ik ook met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen. Desgelijks zeiden ook al(!) de discipelen.

En in Mattheüs 26:56: Toen vluchtten (daar loopt onze zelfoverschatting vroeg of laat op uit), toen vluchten al(!) de discipelen, Hem verlatende.
 
Allemaal geërgerd. Allemaal even blind. En uiteindelijk: allemaal gevlucht.   
En zijn wij beter? Nee, zo zijn wij ook.
Maar, Gode zij dank, staat er vijf hoofdstukken verder in Johannes 18:9: Uit degenen die U (Vader) Mij gegeven hebt, heb Ik niemand verloren.
 
De Heere houdt de Zijnen (die Hij tot het einde liefgehad heeft) vast! In Zijn onwankelbare trouw. Hij, Die ondanks ons, ondanks onze hoogmoed, ondanks onze blindheid, ondanks onze onkunde en ondanks onze dwaasheid nooit laat varen het werk van Zijn handen.
 
En deze waarschuwende woorden willen ons, kinderen van God, daarop wijzen.
Niet op onze trouw. Maar op Zijn trouw. Niet op onze verdienste. Maar op Zijn verdienste. Niet op ons vooroplopen. Maar op Zijn voorgaan.

Opdat we zouden leren, een leven lang: Het is door U, door U alleen, om het eeuwige welbehagen. U bent ons Schild, in het strijdperk van dit leven.
En zonder U, ben ik, zijn wij… niets.       
Persoonlijk: niets dan arme zondaars. En ook als gemeente: niets dan een gemeente van arme zondaars.
 
Maar! Maar onze Koning! Het ligt buiten ons!
Onze Koning is van Israëls God gegeven. En Hij, Hij alleen is onze Hoop.
 
Gemeente, we gaan verder met verder 38: Jezus antwoordde hem: Zult u uw leven voor Mij zetten? Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De haan zal niet kraaien, totdat u Mij driemaal verloochend zult hebben.
 
Zult u…, uw leven… voor Mij… zetten?
Jezus wist natuurlijk, dat binnen een paar uur precies het tegenovergestelde zou gaan gebeuren. Niet Petrus zou zijn leven voor Hem geven, maar Hij Zijn leven voor Petrus.
En Petrus zou zijn leven niet voor Hem geven, maar zou Hem verloochenen.
 
Zult u…, uw leven… voor Mij… geven?
Het is net zo goed een vraag aan ons. Bij al onze beloften aan Heere.

Vol van liefde, zeker. Vol van gedrevenheid en vuur, zeker. Maar ook vol van dwaasheid en van gebrek aan zelfkennis. Immers, nog maar even later moet de Heere Jezus tegen Zijn discipelen zeggen: Kunt u dan niet één uur met Mij waken? (Matth. 26:40).
En wie weet, zegt Heere dat vanavond ook wel tegen mij of u…
 
Het uur van de verzoeking dreigt. Maar Petrus ziet het niet, en de andere discipelen zien het ook niet, en wij zien het ook niet. Ons bedrieglijke hart is geneigd om onze ogen te verblinden voor dreigende gevaren. Zelfs door ons in te fluisteren, dat we er best wel alert op zijn!

Kijk maar naar Petrus. Die man is niet onnozel. Hij weet, dat er gevaren dreigen!
Hij heeft het drommelsgoed gehoord, dat Thomas zei: Laat ons met Hem gaan, opdat we met Hem sterven (Joh. 11:16).
En hij draagt ook zeker niet voor niets een zwaard bij zich!
 
Hij weet dat er gevaren dreigen. Maar hij verwacht ze niet van binnenuit. Hij overschat zijn eigen hart.
Kinderen van God, geliefde medebroeders en -zusters, laten we gewaarschuwd zijn.

De gevaren komen uit de hoek, waar we ze niet uit verwachten.
Vooral uit ons overmoedige hart.
Laten we niet denken: ‘Ik ken mezelf wel.’ Want we kennen onszelf niet.
 
Bisschop Ryle zegt in dit verband: Wij verbeelden ons soms, zoals Petrus, dat er dingen zijn, die wij(!) onmogelijk zouden kunnen doen.
Wij zien met medelijden neer op anderen, die in zekere zonden vallen, en
verheugen ons in de gedachte, dat wij(!) dat in ieder geval niet zouden gedaan hebben.

Wij weten in het geheel niets. De zaden van iedere zonde zijn verborgen in ons hart,
zelfs wanneer wij vernieuwd zijn, en zij hebben alleen maar de gelegenheid nodig, of zorgeloosheid, of het terugtrekken van Gods genade voor een tijd, om een overvloedige oogst voort te brengen.
 
Wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle (l Kor. 10:12). Wat we nodig hebben, is een gevoel van onze zwakheid. En dat, kinderen van God, is iets wat botst met onze eigen natuur, met ons oude hart.
We willen sterk zijn. En we denken ook dat we sterk zijn. We begrijpen van onszelf de apostel Paulus niet, als hij zegt: Als ik zwak ben, dan ben ik machtig (2 Kor. 12:10).
 
Want dat besef dat wij zwak zijn in onszelf, maakt ons uiteindelijk afhankelijk van de sterke God. Het dringt ons om onze hoop op Hem stellen. En het dringt ons tot dagelijks gebed om bewaring.
 
Vers 38. Jezus antwoordde hem: Zult gij uw leven voor Mij zetten? Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De haan zal niet kraaien, totdat gij Mij driemaal verloochend zult hebben.

Het hanengekraai, dat is de tijdsaanduiding. Iedere nacht kende vier perioden, vier nachtwaken (Matth. 13:35). De avond, van zes tot negen uur. Middernacht, van negen tot twaalf uur. Het haan-kraaien, van twaalf tot drie uur. En de morgen, van drie tot zes uur.
 
En dus zegt de Heere Jezus: ‘Petrus, voor drie uur vannacht, zul je Mij driemaal verloochend hebben.’
Petrus was het waard geweest, al Zijn discipelen, wij allemaal, kinderen van God, als de Heere Jezus hier een stap terug zou doen. Als hij afscheid zou nemen van hem, van hen en van ons.
Maar, zo begon Johannes 13 in vers 1: Hij heeft de Zijnen liefgehad tot het einde.
 
En dus treedt Hij hier vooruit, als:
a. In de eerste plaats als de grote Profeet. Voor Petrus, voor al de discipelen, voor ons, voor mensen die hun eigen hart niet kennen. Maar Hij kent het wel. En Hij openbaart het ook: Petrus, dit ben je! Je zegt overmoedig dat je voor Mij sterven wilt, maar Ik zeg je, dat je Mij gaat verloochenen.
 
Ontdekkende woorden, ook vanmiddag. Van Hem, Die harten en nieren proeft.
Tot in de details: als haan kraait, heb je me al driemaal verloochend.
Het mag ons vanmiddag wel dringen tot gebed (om ons behoud!): Doorgrond en ken ook mijn hart, Heere. Bewaar me. Houd U me vast. Laat me niet hulpeloos dwalen.
 
Jezus treedt vooruit, als eerste, als de grote Profeet.
b. Maar ook in de tweede plaats als de grote Lijder (geschreven met een lange ij).
Als Degene Die diep lijdt en lijden zal, onder het verdriet wat Zijn discipelen Hem zullen aandoen.

Moet die werkelijkheid ook van ons leven, ons niet de ogen openen? Wat hebben we de Heere veel en vaak verdriet gedaan in ons leven. Is er dan wel reden voor zulke grote woorden, voor zulke overmoedige beloftes, voor zulke grote verwachtingen van onszelf?
 
Nee toch? Dan is er toch alleen maar reden tot ootmoedig vragen?
Heere, behoed ons, wij vergaan. Blijf toch bij ons, houd U ons toch vast. Anders vallen we in de zonde. Anders gaan we U vergeten en verlaten! Want, Heere, we zijn en blijven persoonlijk arme zondaars, en ook als een gemeente, een gemeente van arme zondaars!
 
Jezus treedt vooruit als de grote Profeet, als de grote Lijder.
c. En in de derde plaats ook als de grote Redder. Want waarom is de Heere zo eerlijk tegen Petrus, en tegen mij, en tegen u?
‘U? U gaat uw leven niet voor Mij stellen, u gaat Mij verloochenen?’
Waarom?
 
Om ons tijdig tot inkeer te brengen. Dat beeld, die kraaiende haan in het donker van de nacht…, de Heere wil dat dat vasthaakt in het geweten van Petrus. Zodat die verborgen herinnering in zijn gedachten hem tijdig zal waarschuwen! Voordat de haan nog een keer kraait!
 
Herkenbaar toch?
Eén waarschuwing…, nog een waarschuwing…, nog een… En toch doorgaan.
De Heere zoekt ons behoud. Hij laat ons waarschuwen.
 
Denk niet, gemeente, dat dit niet gaat over ons. Denk niet dat dit alleen maar zou gaan over die ‘slappe Petrus’. Want als Petrus, de erkende leider van de twaalf discipelen in zonde kan vallen, kunnen wij het allemaal!
 
Zoals Paulus zegt in 1 Korinthe 10:13: Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; doch God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt (boven wat u aankunt) maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat u ze kunt verdragen (kunt doorstaan).
 
Iedereen van ons wordt verzocht tot het doen van zonde. Omdat ons zondige hart ons probeert te verleiden.
Dat was zo bij Judas, en zo is het hier ook bij Petrus. en toch is er een groot verschil.
Judas verraadt Zijn Meester. Petrus verloochent Hem. Dat is niet hetzelfde, maar het komt wel in de buurt.
 
En toch is de zonde van Judas anders. Zijn zonde is opzettelijk, doelbewust en heel gepland. Hij leeft in de zonde, en voelt zich er wel bij.
En dat loopt uit op het donker van de nacht, waarin hij omkomt.
 
Herkent u dat, onbekeerde vrienden? Ik heb u de laatste zondagen weinig aangesproken. Maar ik hoop meer dan ooit in mijn hart, dat de Heere ook deze zondagen voor u tot zegen stelt.
Nu u vorige week hoorde, en vanmiddag zag, het geluk van al Gods kinderen. Maar vooral de liefde van onze Zaligmaker.

En ook als ik u nu zomaar iets laat oplichten van het hart van Judas.
Hij mocht terug, maar hij ging door. En de Heere laat hem (na al de eerdere nodigingen en waarschuwingen) gaan. Tot zijn einde, in het donker van de nacht.
 
Lieve vrienden, ga niet door. Je kan nog terug. Bekeer je. Kom terug.
Er is (dat heb je vanmorgen gezien) genade bij God, voor de grootste van de zondaars. Want betere mensen zaten hier niet.
 
De zonde Judas was opzettelijk, doelbewust, heel gepland; hij leefde erin. Maar de zonde van Petrus is anders. Hij valt uit zwakheid in zonde. Omdat hij zijn eigen zwakheid niet ziet, niet kent en nog leren moet.
Omdat hij op zichzelf vertrouwt en niet op Zijn Meester.
 
En wat doet de Heere met hem?
Dat staat in het volgende vers. Hij stuurt hem niet bij voorbaat weg, en daarna ook niet, maar: Hij troost hem!
En dat is wonderlijk. De Heere verbindt Zijn waarschuwing met troost.
 
Kijk maar in Johannes 14:1: Uw hart (Petrus, discipelen) worde niet ontroerd.
Dat wil zeggen: Laat jullie hart niet onrustig en verward zijn.
Want: Ik zal zorgen. Ik zal raad geven. Mijn oog rust op u (Ps. 32:8).
Want: Ik heb u liefgehad en Ik zal u liefhebben tot het einde. Ik zal u nooit loslaten
 
En straks in vers 27 zegt de Heere het nog keer: Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet gelijkerwijs de wereld hem geeft, geef Ik hem u. Uw hart worde niet ontroerd en zij niet versaagd (dat wil zeggen: bang of moedeloos).
 
Want, je kan bang zijn, kinderen van God, als je vooruit kijkt. Toch?
Ons hart is zo geneigd, om na gekregen zegen in zonde te vallen.
Om verder te gaan op ons oude spoor: Wie is de meeste van ons? Ik wil niet buigen, hoor.
Om verder te gaan op dat oude spoor van: de Heere vergeten, verloochenen en verlaten.

Ons hart kan bang zijn, ontroerd, in verwarring, als we terugdenken aan alle dingen die gebeurd zijn (zoals de discipelen hier ongetwijfeld ook doen).
Misschien ben je aangegaan aan de bediening van het Heilig Avondmaal. Je had gehoopt op veel zegen. Maar het bleef zo stil. Je had gehoopt dat je veel zou voelen. Maar je voelde zo weinig.
 
Wat nu?
Luister, we moeten veel dingen, we moeten alles leren(!) van onze Meester.
Ook avondmaalvieren moet je als kind van God leren. We moeten leren om niet de verkeerde kant op te kijken. We moeten leren op Christus te zien, als op onze enige Hoop.

We moeten leren dat het niet gaat om wat ik doe, maar om wat Hij deed.
We moeten de gewisse belofte van God leren geloven: onze zonden zijn om Hem alleen ons vergeven. Door gelovig te zien op de tekenen! En ook voor hierna moeten we alles leren!
 
We moeten veel kwijt. We moeten alles van onszelf kwijt. Vooral ons zelfvertrouwen tegenover de Heere.
De Heere veroordeelt (net als bij Petrus) onze liefde en ons verlangen om bij Hem te zijn niet. Maar wel onze overmoed. We moeten leren: buiten Mij, zonder Mij, kunt u niets.
Ook geen avondmaal houden. En ook niet verdergaan op de weg die volgt.
 
Maar nu wil onze goede Meester en lieve Heere ons vanmiddag weer verder op weg helpen. Door?
a. Door ons te troosten: ‘Mijn lieve kinderen, uw hart worde niet ontroerd. Geloof in God, geloof ook Mij. Ik zal u raad geven. Mijn oog rust op u.

b. Door ons ons zelfvertrouwen te ontnemen, en door ons te leren vertrouwen op Hem. Door ons te leren om te leunen en te steunen op Hem alleen.

c. En door ons te binden aan Zijn Woord.

d. En door ons met onze gebeden te binden aan Zijn genadetroon.
 
Bid dat u niet in verzoeking komt. Driemaal heeft de Heere dat tegen Petrus gezegd.
Paulus zegt: Bidt zonder ophouden (1 Thes. 5:17).
Maar leun niet op je eigen gebeden. Leun alleen op Hem, Die gezegd heeft:
 
Simon, Simon, ziet, de satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe.
Maar: Ik!

Ik heb alles voor u gedaan. En Ik zal alles voor u doen. Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude
En u, Petrus, en ik en u (laten we al onze overmoed en trots afleggen, want we moeten nog heel veel leren), als u eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders
(Luk. 22:31-32).
 
Amen.