Voetwassing, zelfvernederende liefde – Johannes 13 – voorbereiding (II)

Voetwassing, zelfvernederende liefde

Preek Johannes 13:1-17: Hij dan kwam tot Simon Petrus, en die zeide tot Hem: Heere, zult Gij mij de voeten wassen? Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat Ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan.

Deze preek is vervolg op voorbereidingspreek over Johannes 13:1
Zie ook een eerder gehouden preek in GG Kampen via deze link: leespreek voetenwassing.

Een voorbeeld van zelfvernederende liefde
ds. J. IJsselstein – Johannes 13:2-17 – voorbereiding (II)
 
Liturgie:
Psalm 25:2
Lezen Johannes 13:1-17
Psalm 25:4
Psalm 25:7
Psalm 84:1
 
Gemeente, we hebben afgelopen zondag iets gezien van de bijzondere liefde van de Heere Jezus tot Zijn discipelen, tot de Zijnen.
Binnen vierentwintig uur zal Hij het zwaarste van Zijn lijden naar ziel en lichaam moeten doorstaan. Nog deze avond zal Zijn zweet worden als grote druppels bloed, die op de aarde vallen. Maar Zijn hart is niet vervuld met zorg om Hemzelf. Zijn hart is vervuld met zorg en liefde voor Zijn discipelen.
 
Johannes 13 begint in vers 1 met: En vóór het feest van het pascha (op de donderdagavond voor Goede Vrijdag), Jezus wetende dat Zijn ure gekomen was, dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot den Vader, alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde.
      
Dat is de inleiding op wat nu volgt. Je zou kunnen zeggen: deze liefde van de Zaligmaker is het raamwerk, waarbinnen dat wat nu volgt, gelezen moet worden.
 
De preek gaat over Johannes 13:2-17. We hebben dat Schriftgedeelte samen met elkaar gelezen.
Het thema voor de preek is:
Een voorbeeld van zelfvernederende liefde
 
Denkend aan vers 15: Want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gelijkerwijs Ik u                                         gedaan heb, gijlieden ook… doet(!).
Waarmee tegelijkertijd is aangegeven dat liefde meer is dan gevoel alleen.
Liefde is ook doen: opdat gelijkerwijs Ik u gedaan heb, gijlieden ook doet.
 
Een voorbeeld van zelfvernederende liefde.   
Die zelfverloochenende liefde wordt:
1. door Judas geweigerd (in vers 2)
2. door Jezus voor ogen geschilderd (in vers 3-5)
3. door Petrus niet begrepen (in vers 6-11)
4. voor ons tot voorbeeld gesteld (in vers 12-17)

Als eerste dus:
 
1. Zelfvernederende liefde, door Judas geweigerd
Want vers 2 zegt: En als het avondmaal gedaan was (toen nu de duivel in het hart van Judas, Simons zoon, Iskáriot, gegeven had dat hij Hem verraden zou…)
Terwijl men samen de afscheidsmaaltijd gebruikt, werkt de duivel in het hart van Judas.
Is dat een excuus voor Judas? Is dat reden om te denken: ‘Zie je wel, wat kan hij eraan doen? Als God je wil, komt het goed. Maar als God je laat, gaat het fout?’
 
Nee. Want zeg nu eerlijk: Moest Judas Jezus verkopen voor een slavenprijs?
Hoe vaak had Jezus hem niet genodigd?
Hoe vaak had Hij hem niet gewezen op Zijn liefde, op Zijn komende lijden?
Hoe vaak had Judas niet geluisterd naar Zijn preken, naar Zijn gebeden, naar Zijn onderwijs?
Het was Judas zelf, die voor het geld ging.
 
Het is niet eerlijk, onbekeerde vrienden, om God verwijten te maken.
Als je zelf kiest voor de dingen van nu, voor de glans van de wereld, voor het plezier van deze tijd, voor de jacht op het grote geld.
Als je zelf kiest voor de korte termijn, voor even, en vergeet wat blijft voor altijd.
 
Er is er één onder de twaalf discipelen… Het dringt in deze week van voorbereiding tot eerlijk zelfonderzoek.
Er is er één onder de twaalf discipelen…
Die niet gewassen is. Die niet rein is.
Die ten diepste niet hoort bij de Zijnen, die de Zaligmaker liefheeft.
Die de liefde van Christus weigert. Het dringt om met de andere discipelen even later te zeggen: ‘Ik toch niet, Heere?’ (Matth. 26:22).
 
De liefde van Christus, door Judas geweigerd.
Die liefde die nu voor hun ogen uitgebeeld gaat worden. We zien het in ons tweede punt:
 
2. Zelfverloochenende liefde, door Jezus voor ogen geschilderd
Het is donderdagavond, de avond dat de paasmaaltijd gegeten zal worden.
Iedereen ziet er netjes uit. Iedereen heeft zich gewassen, zoals het hoort.
En nu liggen ze tafel.
 
In de tijd van de Heere Jezus hebben de Joden de Romeinse gewoonte overgenomen:
van het aanliggen aan tafel.
Ze liggen hun linkerzij, steunend op linkerellenboog, en eten met hun rechterhand.
Zo liggen ze naast elkaar, een beetje verschoven, zodat het hoofd van de tweede persoon kwam tot de borst van de eerste. En alle benen steken een beetje naar buiten.
 
Toen ze binnen kwamen, was het wel even wat ongemakkelijk geweest.
Want…, er was geen slaaf om hun voeten te wassen.
‘Ja, maar ik heb vieze voeten. Vies van het zweet, vies van het stof van de weg. Zo kan ik niet aan tafel! Kan er niet iemand even mijn voeten wassen…?
Ja, maar wie dan? 
‘Nou, ik in ieder geval niet, ik kijk wel uit!’
Dan maar aan tafel. Met vieze voeten.
En zo ligt iedereen aan tafel met…vieze voeten. Want er is geen slaaf…
 
Vers 4. Toen stond Jezus op. Hij legt Zijn overkleed af (Hij doet Zijn jas uit), neemt een linnen doek (een soort schort), giet water in een kom, en begint de voeten van Zijn discipelen te wassen…
Wie?
Hij, Die uit de hemel kwam, en gereed stond naar de hemel terug te gaan. Zoals staat in vers 2: de ure is gekomen dat Hij uit de wereld zal overgaan tot de Vader.
Hij buigt. Hij gaat slavenwerk doen. Werk wat de Joden te min vonden voor zichzelf. Dat was werk voor buitenlanders.
 
Hoog was Zijn afkomst, diep Zijn vrijwillige vernedering.
Zij wilden het niet. Hij deed het. Voor hen. In hun plaats.
Hoogmoed is de wortel van hun, en van mijn zonde. Dat begon ooit in het paradijs.
Met opstaan tegen God. Met als God willen zijn.
Met boven de ander willen staan. Met niet willen buigen. Voor God, en voor de ander.
 
Maar nu buigt Hij. Hij breekt hun hoogmoed, door Zelf te buigen.
Hij, schrijft Paulus, Die in de gestaltenis Gods zijnde (Hij was God), geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn, maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis van een dienstknecht (van een slaaf) aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden;
En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises (Fil. 2:6-8).
 
Verwonder u, discipelen van de Meester, u die de Heere vreest, om deze buigende liefde Jezus. Dit is de zelfopofferende liefde van de Zoon van God, voor mensen die van zichzelf te beroerd zijn om te buigen. Te trots voor God, te trots voor elkaar.
 
Kan het, kinderen van God, geliefde medechristenen, onze hoogmoed niet breken?
Voor God? En voor mensen?
Indien er dan (voor u) enige vertroosting is in Christus (zo begint Paulus in
Filippenzen 2), indien er enige troost is der liefde, indien er enige gemeenschap is des Geestes, indien er enige innerlijke bewegingen en ontfermingen zijn

Als u nu door genade iets ervaren hebt van die liefde van Christus, als dat, als Hij uw leven geworden is…
Zo vervult mijn blijdschap, dat gij moogt eensgezind zijn, dezelfde liefde hebbende, van één gemoed en van één gevoelen zijnde. Doet geen ding door twisting of ijdele eer, maar door ootmoedigheid achte de een den ander uitnemender dan zichzelven. Een iegelijk zie niet op het zijne, maar een iegelijk zie ook op hetgeen dat der anderen is.

Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was (Fil. 2:1-5).
Die diep boog!
Met andere woorden: buig dan ook maar voor elkaar.
Ook als u deze week nog iets hebt op te lossen met uw medebroeder of -zuster. Zet dan niet je hakken in het zand. Maar lijdt liever schade en ongelijk (1 Kor. 6:7). En zoek de onderlinge vrede.
 
Jezus doet een slavenkleed om en buigt. Hij Die hoog is, buigt diep. Voor Zijn discipelen.
Voor mensen van wie Hij zoveel last gehad heeft.
Voor mensen die Hem zo vaak niet begrepen (en ook nu niet).
Voor mensen die zometeen weer gaan twisten, over wie van hen tot de meeste zou zijn.
Hij buigt
 
Ja, maar dat is toch onterecht! Dit is toch de vernedering, de minachting ten top!
Dat Hij dit werk moet gaan doen?
 
Ja, dat klopt. Maar Hij doet het vrijwillig. Met heel Zijn hart, vernedert Hij Zich.
Hij laat het niet gebeuren (passief), maar Hij buigt vrijwillig (actief).
Laten ook wij, kinderen van God, dan maar buigen. Ook als ons onrecht, ook als ons vernedering ten deel valt.
Het is de Heere Zelf, Die ons wil oefenen in het navolgen van onze Meester. Zoals Paulus schrijft in 1 Korinthe 11:1: Weest mijn navolgers, gelijkerwijs ook ik van Christus.
 
En hebt een goede consciëntie, een goed geweten (zegt Petrus later in 1 Petrus 3), opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij beschaamd mogen worden, die uw goede wandel in Christus lasteren.
Want het is beter dat gij wel doende (indien het de wil Gods wil) lijdt, dan kwaad doende.
Want Christus heeft ook ééns voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen (1 Petr. 3:16-18).
Christus navolgen…, in buigen…

Ons derde aandachtspunt
 
3. Zelfvernederende liefde, door Petrus niet begrepen
We lezen in vers 6, 7 en 8: 6 Hij dan kwam tot Simon Petrus, en die zeide tot Hem: Heere, zult U mij de voeten wassen?
Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat Ik doe, weet u nu niet, maar u zult het na dezen verstaan.
Petrus zeide tot Hem: U zult mijn voeten niet wassen in der eeuwigheid. Jezus antwoordde hem: Indien Ik u niet was, gij hebt geen deel met Mij.
 
Heere, U mij de voeten wassen? Nooit van mijn leven!
De weerstand is tastbaar. Het verzet, de vijandschap hiertegen zit diep in Petrus’ hart. En ook in ons hart. Dit wil Petrus niet. Dit wil ik niet.
En als het dan echt moet, dan wil ik het liever zelf doen. Mezelf wassen, mezelf verbeteren, mezelf reformeren, alles zelf doen.
 
Dat is ook één van de geestelijke gevaren die ons, kinderen van God, in deze week van voorbereiding bedreigen.
In stille overdenking zie je, wat je er de laatste tijd van terecht gebracht hebt.
Net als ik: niets.
En voordat we er erg in hebben, vervallen we weer in onze oude patronen: zelf doen!
Goede voornemens, beterschap beloven, fouten corrigeren. Denken dat ons berouw, dat onze tranen de zaak weer in evenwicht zal brengen
 
Zelf doen. Ook na gekregen genade.
Heere, zult U mij de voeten wassen?
Nee…
 
Ja, en dan dat wonderlijke antwoord van de Heere Jezus in vers 7: Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat Ik doe, weet u nu niet, maar u zult het na dezen verstaan.
Petrus begrijpt het niet, wat de Heere doet.
Zoals ook wij zo vaak, kinderen van God, Gods wegen niet begrijpen.
Daar moet je niet verbaasd over zijn. Daar is de Bijbel vol van. Van wegen die de Heere met Zijn kinderen houdt, die ze niet begrijpen.
 
Abraham dreigt Izak, kind van de belofte, zijn hoop(!), kwijt te raken als hij van de Heere het bevel krijgt om hem te offeren.
Jakob raakt Jozef kwijt. En Jozef zelf wordt verkocht naar Egypte.
De Sunamitische vrouw verliest haar kind. Job verliest alles.
En Asaf zucht in Psalm 77: Heeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten?
Wie kan Gods wijs beleid doorgronden?
 
Zoals het nu bij u misschien ook wel is, in deze week van voorbereiding.
Het is voorheen zo anders geweest.
Net als bij Petrus: U bent de Christus, de Zoon van de levende God.
En op de berg der verheerlijking: Heere, laat ons drie tabernakelen
Maar nu? Is alles anders.
 
Heere, dit begrijp ik niet. Waarom, Heere?
Waarom is het nu zo donker? Waarom is mijn hart nu zo vol van twijfel?
Is het dan allemaal wel waar geweest? Zou ik me dan toch bedrogen hebben?
Hebt U het dan toch vanwege al mijn zonden van me afgenomen?
Omdat ik Uw liefde verzondigd heb?
 
Wat kan de weg van de Heere donker en onbegrepen zijn. Als de belofte van Jeremia vervuld wordt, waar de Heere zegt: Zie, wat Ik gebouwd heb, breek Ik af, en wat Ik geplant heb, ruk Ik uit (Jer. 45:4).
 
Waarom doet de Heere dingen, die wij niet begrijpen?
Om ons te laten zien, om ons te laten weten dat Hij God is. Denk maar aan Psalm 46: Laat af (wees stil), en weet dat Ik God ben
 
Waarom doet de Heere dingen, die wij niet begrijpen?
Om ons aan Hem te binden. Door donkere en onbegrepen wegen verandert de Heere onze betweterigheid in ‘vragen’. En zo bindt Hij ons biddend, op onze knieën aan Zijn genadetroon.
 
Waarom doet de Heere dingen, die wij niet begrijpen?
Om Zijn grote Naam te verheerlijken.
Waarom staat Israël voor een gesloten Rode Zee? Omdat farao ze alsnog gaat verslaan?
Nee, opdat ze zometeen met verwondering zullen gaan zingen: God (de Heere, en Hij alleen) baande door de woeste baren en brede stromen ons een pad.
 
Waarom doet de Heere dingen, die wij niet begrijpen?
Om ons te laten zien, wat er leeft in ons hart. Om ons te leren, wie we zijn en blijven.
Zoals bij Petrus hier: ‘Nee, Heere!’
Wat moet dat later, terugdenkend, pijn gedaan hebben in het hart van Petrus.
Maar wat zal hij later ook verwonderd geweest zijn over de genade en de wijsheid van Zijn Meester.
 
Als de Heere ons dingen gaat leren, die we eerst nog niet begrepen, gaan we dan niet veel meer het wonder inzien van dat, wat de Heere ons leert en geeft?
Door die weg verdwijnt alle vanzelfsprekendheid. En komt er plaats voor het wonder, bij de Heere vandaan!
 
Als de Heere je gebracht heeft op weg van het leven, kinderen van God (en ik zeg dat in het bijzonder tegen u, tegen jullie, die nog niet zo lang op die weg zijn), dan moet je er niet verbaasd over zijn, als de Heere dingen gaat doen, die je niet begrijpt.
En dat bedoel ik niet alleen wat betreft het tijdelijke leven, maar ook en vooral wat betreft het geestelijke leven.
De Bijbel is er vol van. En al Gods kinderen weten ervan.
Ook deze Petrus: Wat Ik doe, weet u nu niet, maar u zult het na dezen verstaan.
Laat af en weet dat Ik God ben…
 
Waarom doet de Heere dat?
Om je aan Hem te verbinden.
Om je zondige zelfvertrouwen (dat: ik weet het allemaal zelf wel) te breken.
Om je afhankelijkheid te leren. Om je klein maken. Om je te vernederen. Om je trots te breken.
En om je Hem alleen de eer te laten geven!
 
Petrus, u zult het na dezen verstaan.
Wanneer? Op Gods tijd.
 
In tijdelijke beproeving, in geestelijke duisternis… Na dezen… Later…
Later, dan zul je zingen: God baande door woeste baren en brede stromen ons een pad.
Loutere goedheid, liefdekoorden, waren Uw weg, o Heere.
Het is goed voor mij verdrukt te zijn geweest.
Want in die tijd leerde ik zingen: d’ Ogen houdt mijn stil gemoed opwaarts, om op God te letten. Hij, Die trouw is, zal mijn voet voeren uit der bozen netten.
 
Vers 8, 9 en 10: Petrus zeide tot Hem: U zult mijn voeten niet wassen in der eeuwigheid.
Jezus antwoordde hem: Indien Ik u niet was, gij hebt geen deel met Mij.
Simon Petrus zeide tot Hem: Heere, niet alleen mijn voeten, maar ook de handen en het hoofd.
Jezus zeide tot hem: Die gewassen is, heeft niet van node dan de voeten te wassen, maar is geheel rein. En gijlieden zijt rein, doch niet allen.
 
Petrus, discipelen, u bent rein.
Dat wil zeggen: u bent gewassen, door Mij. En dan in geestelijke zin. 
Zoals Johannes later schrijft in Openbaring 1:5: Christus heeft ons liefgehad en van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed
U bent rein. Hoewel, niet allemaal: gijlieden zijt rein, doch niet allen.
Vers 11: Want Hij wist wie Hem verraden zou; daarom zeide Hij: Gij zijt niet allen rein.
 
Doorzoekt uzelven nauw (zegt Zefanja), ja, doorzoekt nauw, gij volk dat met geen lust       bevangen wordt (u die niet innig verlangt naar verzoening met God) (Zef. 2:1).
Wee de gerusten in Sion (zegt Amos), de zekeren op berg Samaria (Amos 6:1).
U bent niet allen rein. God zoekt naar waarheid in binnenste.
 
Maar u, Mijn discipelen, bent rein. Dus hoeft u niet helemaal gewassen te worden.
Maar wel uw voeten. Met andere woorden: U hebt wel dagelijks verzoening nodig voor uw dagelijkse zonden.
Dagelijks berouw, dagelijks vragen om vergeving. Denkend aan wat Johannes later schrijft in 1 Johannes 1:8,9: Indien wij zeggen dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij onszelven, en de waarheid is in ons niet. Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid.
 
Er is, kinderen van God, in dit leven geen volkomen heiligheid.
En dus is er geen reden tot trots op gekregen genade of op een vernieuwd leven.
Indien wij zeggen dat wij niet gezondigd hebben, zo maken wij Hem (God) tot een leugenaar, en Zijn Woord is niet in ons (1 Joh. 1:10).
 
Er is reden tot schaamte, terugkijkend naar de afgelopen tijd, terugkijken naar gisteren, terugkijkend naar vandaag.
Er is reden om te bidden: Heere, was mijn voeten dagelijks, reinig mij dagelijks van mijn verborgen zonden. En was mij ook nu in het bijzonder, voor ik nader tot U, voor ik aanga aan de bediening van het Heilig Avondmaal.
 
Ons vierde en laatste punt:
 
4. Zelfvernederende liefde, voor ons tot voorbeeld gesteld
Vers 14: Indien dan Ik, de Heere en de Meester, uw voeten gewassen heb, zo zijt gij ook schuldig, elkanders voeten te wassen. Want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat, gelijkerwijs Ik u gedaan heb, gijlieden ook doet…
En vers 17: Zalig zijt gij, zo gij dezelve doet.
   
Dat moet u, Mijn discipelen, vanaf nu ook gaan doen. Dit, wat Ik voordeed, was bedoeld als een voorbeeld.
Het woord heeft iets in zich van een kopie, van een fotokopie.
 
Discipelen, u bent schuldig, u bent verplicht om vanaf nu elkaar de voeten te wassen.
Niet meer zo hoogmoedig, niet meer zo bang om vieze handen krijgen, niet meer zo beroerd om te buigen. Maar word een fotokopie van Mij, word Mijn beeld gelijkvormig.
 
Dat heet heiligmaking. Heilig gemaakt worden.
Je maakt jezelf niet heilig, maar je wordt het gemaakt.
Je wast jezelf niet, maar je wordt gewassen. Dagelijks. Van je dagelijkse zonden.
 
Door? Door te kijken naar het Voorbeeld. Door te zien op die Jezus, Die voor mij boog.
Als je dat ziet, dan breekt je hoogmoed.
Als je dat ziet, dan ga je buigen voor God, iedere dag.
Als je dat ziet, dan ga je buigen, ook voor elkaar.
En dan geef je alle onrecht in Gods handen.
 
U noemt Mij Heere (koning, eigenaar, bezitter) en Meester (schoolmeester, leraar)?
Doet u dan maar na, wat Ik u voordeed.
Zoals Petrus later schrijft: Want hiertoe bent u geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat u Zijn voetstappen zou navolgen
(1 Petr. 2:21).  
Jezus zegt: Ik heb u een voorbeeld gegeven (15). U mag er kopie van worden.
Door te zien op Mij!
 
U zegt: Dat is genade, dat moet God doen. Dat is waar. Maar wat hier staat, is dit:
Als u bij Zijnen hoort, bent u schuldig dit te doen. En het kan ook, door genade, door te zien op Hem.
Als ik in geloof zie, hoe diep Hij boog, dan buig ik vanzelf mee. Dan kan het. Dan zeg ik: ‘Ik kon het van mezelf niet, maar door Zijn genade ging het.’
 
Zeker, daar moet veel verzet voor gebroken worden. En het blijft maar een klein begin.
Maar als ik in geloof zie op een dienende Meester, dan groeit er ook bereidheid in mijn hart om ook anderen te dienen.
Dan vind ik het niet te min om het werk van een buitenlander of laaggeschoolde te doen. En dan kijk ik zeker niet op ze neer.
Dan wil ik de ander dienen.

Dan blijf ik niet hameren op mijn eigen gelijk. Dan wil ik leren bereid te zijn om anderen te vergeven. Ook mensen die me benadelen, die me dwars zitten, die over me kletsen, die over me roddelen, die me buitensluiten.
Dan vraag in vergeving aan de Heere, om het tekort en de zonden van anderen: Vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen.
Dan zoek ik, de eer en het welzijn van iedereen, en niet alleen dat van mezelf.
 
Dan ben ik dienend, in de kerk, in mijn huwelijk, in mijn gezin.
Zonder dat dit hartelijke voornemen dekmantel gaat zijn voor onrecht en grof geweld, op het werk, in huwelijk en gezin, en ook (helaas) binnen de kerk.
 
Kinderen van God, geliefde medechristenen.
Hiertoe bent u geroepen, dewijl ook Christus voor U geleden heeft (1 Petr. 2:21).
Weest bekleed met ootmoedigheid, met een slavenrok (1 Petr. 5:5).
Zijt daders des woords, en niet alleen hoorders (Jak. 1:22).
Wast de voeten der heiligen (1 Tim. 5:10).
 
En indien ook een mens overvallen ware door enige misdaad, gij die geestelijk zijt, brengt den zodanige terecht met den geest der zachtmoedigheid; ziende op uzelven, opdat ook gij niet verzocht wordt (Gal. 6:1).

Geliefde gemeente, heb liefde en vrede onder elkaar. Laten we elkaar in vrede dienen, door de liefde. Naar het voorbeeld van onze Meester.
Dat gevoelen zij in ons, hetwelk ook in Christus Jezus was.
 
Amen.