PREEK · ZENDINGSPREKEN

Gaat dan heen! – Mattheüs 28

25 mei 2025

Mattheus 28:19: Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb.

INLEIDING

Kort voor Zijn hemelvaart geeft de verhoogde Koning Zijn discipelen in Mattheüs 28 de grote zendingsopdracht mee: Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes. Deze leespreek wijst op de macht waarmee Christus dit bevel geeft en op de troostvolle belofte die Hij daaraan verbindt voor wie in Zijn dienst uitgaan.

THEMA

Het begin van een nieuwe tijd

KERNPUNTEN

  1. De grote aanspraak
  2. De grote opdracht
  3. De grote troost

MATTHEUS 28:16-20

16 En de elf discipelen zijn heengegaan naar Galiléa, naar den berg waar Jezus hen bescheiden had.
17 En als zij Hem zagen, baden zij Hem aan; doch sommigen twijfelden.
18 En Jezus bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.
19 Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb.
20 En zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen.

VOLLEDIGE TEKST

Gaat dan heen! – Mattheüs 28

ds. J. IJsselstein - Mattheus 28:19

THEMA

Het begin van een nieuwe tijd

Het is waarschijnlijk kort voor de hemelvaart van de Heere Jezus Christus. Vers 16 zegt: En de elf discipelen zijn heengegaan naar Galiléa. De elf discipelen… Dat herinnert er aan, dat er één niet meer is. Judas heeft Zijn Meester verraden, en zichzelf van het leven beroofd. De elf discipelen… Dat herinnert ook aan het eerdere lijden van de Heere Jezus. De Herder is geslagen, de schapen zijn verstrooid. Maar Hij is doorgegaan met Zijn werk. En daarom zijn zijn ze nu weer bij elkaar.

Op weg naar de omgeving waar het destijds allemaal begon: in het Galilea der heidenen. Waar ook zij ooit in duisternis wandelden, in het land van de schaduw van de dood. Totdat ook zij dat grote Licht zagen. En door de Heere Zelf zijn overgebracht uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht.

Daar in Galilea (ze komen uit Jeruzalem), daar in Galilea liggen zoveel herinneringen. Daar sprak Heere Jezus vanaf de berg, de Bergrede (Matt. 5:1). Daar bad Hij op de berg (Matt. 14:23). Daar leerde Hij op de berg (Matt. 15:29). Wellicht gaat het om dezelfde berg, maar hoe dan ook: Ze gaan naar (zegt vers 16) de berg waar Jezus hen bescheiden had.

De elf discipelen. Maar ook heel veel andere volgelingen van de Heere Jezus uit Galilea. Dit wordt nog niet het moment van de hemelvaart. Dat is waarschijnlijk korte tijd hierna. De hemelvaart vindt ook plaats vanaf de Olijfberg, bij Jeruzalem. Dit vindt plaats in het noorden van Israël, in Galilea.

En als ze dan komen bij de plaats, waar ze heen moesten gaan, dan… dan zien ze Hem! Ze zien Hem, in Zijn verheerlijkte lichaam. In glorie en heerlijkheid. Niet meer in de verschijning van een dienstknecht. Maar nu als de verhoogde Koning.

Hij komt en ze zien Hem. En de elf discipelen, ze herkennen Hem direct: dit is de Heere! Maar (zegt vers 17): sommigen twijfelen.

Totdat de Heere Zelf tot hen komt. Kijk maar naar vers 18: En Jezus bij hen komende, sprak tot hen, zeggende… Hij komt naar hen toe, spreekt en zegt: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.

Nieuw is het niet…, maar wel anders. Eerder had de Heere Jezus immers ook al gezegd in Mattheüs 11:27: Alle dingen zijn Mij overgegeven van Mijn Vader. En eerder bad Hij ook al in Johannes 17:2: Gelijkerwijs U Hem macht gegeven hebt over alle vlees, opdat al wat U Hem gegeven hebt, Hij hun het eeuwige leven geve. Nieuw is het niet…, maar wel anders. Want tot nu toe was die macht altijd nog wat verhuld gebleven. Maar nu onthult Hij Zich meer dan ooit…, als Degene aan Wie alle macht gegeven is!

En ook wat daarop volgt, is niet nieuw, maar toch anders… Eerder had de Heere Jezus immers ook al gebeden in Johannes 17:18: (Vader), gelijkerwijs U Mij gezonden hebt in de wereld, alzo heb Ik hen ook in de wereld gezonden. En eerder, op de avond van de dag van de opstanding (toen Hij aan Zijn discipelen verscheen, toen hun deuren gesloten waren om vrees der Joden (Joh. 20:19)), ook tóen al had de Heere tegen hen gezegd: Vrede zij ulieden; gelijkerwijs Mij de Vader gezonden heeft, zend Ik ook ulieden. Maar nu wordt die zending meer dan ooit duidelijk. Ga heen, Ik zend u de wereld in, tot de volken.

Het herinnert ons eraan, dat de tijd in Gods handen is. En dat de Heere, als Hij mensen roept in Zijn dienst, dat Hij dan vaak spreekt, en nog eens spreekt, en nog eens… totdat het Zijn tijd is. Eerst bad Hij: Vader, Ik heb hen in de wereld gezonden. Toen zei Hij persoonlijk: Gelijkerwijs Mij de Vader gezonden heeft, zend Ik ook ulieden. En nu…, zo helder, zo krachtig: Gaat dan henen!

We zien het vanmorgen in onze tekst, die we me Gods hulp gaan overdenken, in Mattheüs 28:18-20, waar staat: En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld.

Het thema voor de preek van vanmorgen is: Het begin van een nieuwe tijd. Het begin van de nieuwe tijd. We letten samen op drie aandachtspunten. 1. De grote aanspraak 2. De grote opdracht 3. De grote troost

De grote aanspraak: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. De grote opdracht: Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. En de grote troost: En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Als eerste dus:

1. De grote aanspraak

Het begin van een nieuwe tijd. Want het werk van de verzoening is voltooid. Het is volbracht. Het gehoorzaam zijn van de Heere Jezus in alles, Zijn lijden, Zijn sterven aan het kruis, Zijn opstanding, het is allemaal volbracht. Het doel van Zijn komst is bereikt. En nu… begint het grote werk! Het grote werk van de wereldzending. Geen werk om in eigen kracht te doen. En dus gaat er iets vooraf aan dat bevel ‘ga dan heen…’ ‘Discipelen, eerst dit, wacht even, je moet eerst weten hoe en waarom…’

En dus zegt de Heere Jezus in vers 18b eerst dit: Mij (of: aan Mij) is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde. Wie kan, wie durft dat te zeggen? De groten van de aarde hebben heel veel macht. Trump, Poetin, Xi Jinping, ze hebben heel veel macht, maar ze zijn allemaal ook beperkt. Er is er slechts Eén die kan zeggen: Aan Mij is gegeven alle macht.

Ook voor Zijn opstanding had Hij al alle macht. Zei de Heere Jezus niet: Alle dingen zijn Mij overgegeven van Mijn Vader (Mattheüs 11:27)? En had Hij geen macht om zieken te genezen, om doden op te wekken, om duivels te gebieden uit te gaan? Had Hij geen macht om soldaten achterover te laten vallen? Had Hij niet de beschikking over engelen- legioenen, om die op te roepen om Hem te hulp te komen? Alleen die macht was verborgen, die macht was verhuld. De Heere had vrijwillig die macht afgelegd, om er tijdelijk geen gebruik van te maken.

Maar nu breekt er een nieuwe tijd aan! Nu gaat de Heere Jezus die macht, die almacht gebruiken. Zonder enige beperking: alle macht! In de hemel... In het machtige werk van besturing en bewaring van Zijn Kerk, in het grote werk van de voorbidding voor Zijn kinderen… En op de aarde… In het liefdevol onderwerpen van Zijn vijanden op het slagveld van het Evangelie. Hoewel de satan ook nog steeds rondgaat als een briesende leeuw. In het wegnemen ook van alle belemmeringen die mensen in de weg gelegd worden om uit te gaan en te dienen in Zijn Koninkrijk. Zoals de Heere ooit zei tegen Mozes: Ik, de HEERE zal voor u strijden, u zult stil zijn (Ex. 14:14). Want: Ik regeer, en zal Mijn almacht tonen.

Hem is gegeven alle macht. Zelfs over de machten van de hel. En dus is Hij bij machte om de sterke, om de duivel, zijn onderdanen te ontrukken (Mark. 3:27), om mensen te trekken uit de macht van de duisternis en over te brengen tot Zijn wonderbare licht (Hand. 26:18).

Alle macht in de hemel en op de aarde is aan Hem gegeven als een bijzonder loon van Zijn Vader voor Zijn werk als Middelaar, dat Hij voor Zijn Kerk heeft gedaan. En vanwege dat werk heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem een Naam gegeven boven alle naam, opdat een ieder voor Hem zal buigen, opdat iedereen Hem zal gehoorzaam zijn (Ef. 1:22, Fil. 2:9).

Dus, van Wie krijgen de discipelen hun opdracht? Niet van mensen. Maar van Hem, Die in de hemel en op de aarde alle macht heeft. Van Hem, Die leeft en regeert tot in eeuwigheid. Van Hem, Die niet alleen roept, maar ook met Zijn almacht wegen zal banen, al moet het dwars door de onmogelijkheid heen.

Ons tweede aandachtspunt:

2. De grote opdracht

Naar de grote opdracht, die staat in vers 19: Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.

Toen Spurgeon ooit preekte over deze tekst, toen begon hij ongeveer zo (ik zeg het soms een beetje met m’n eigen woorden): ‘Ik wou dat ik deze morgen zou kunnen preken, maar hoe ernstiger ik me voel, hoe kariger mijn woorden zijn om mijn emoties te uiten. Ik heb gebeden dat uit deze kerk(!) vele zendelingen zullen uitgaan. Ik zal nooit tevreden zijn met de kerk (meer algemeen) die mensen heeft uitgezonden. We moeten zendelingen uit onze eigen gemeente(!) hebben. En als God mensen stuurt, zal het geloof de middelen wel vinden.’ Maar (nee, ik zeg dit niet om verdrietige harten pijnlijk te treffen, harten van mensen of gezinnen die willen en wilden uitgaan, maar voor wie de weg tot nu toe niet geopend is), maar de werkelijkheid is wel, dat er uit onze gemeente, die bestaat uit (aantal) leden, slechts (aantal personen/gezinnen, of: niemand) is uitgegaan.

Vandaar vanmorgen de ernstige oproep aan u, in het bijzonder aan jonge mannen, aan jonge vrouwen, aan jonge gezinnen, aan gezonde volwassenen en gepensioneerden, met van de Heere gekregen talenten, om te luisteren en gehoorzaam te zijn aan dit bevel. Aan dit bevel van de heengegane Zaligmaker. Die, kinderen van God, Zijn leven voor u overhad. Dit is geen optie, dit is geen vrijwilligerswerk voor hobbyisten of avonturiers. Dit is het bevel van Christus aan Zijn kerk!

Ga heen! En zeg nu niet bij uzelf ‘dit is niet voor een zondagse preek, want dit gaat niet over

bekering, dit gaat niet over ons hart…’ Want dit gaat wèl over ons hart. Dit gaat over het hart van de kerk. Dit gaat over het leven voor Gods aangezicht. Dit gaat over leven in het perspectief van de komende eeuwigheid. Want een kerk, een gemeente waar dit niet leeft, die leeft ver van haar plaats. Wie de laatste opdracht van een heengegane geliefde negeert en veronachtzaamt, heeft in het beste geval de eerste liefde verlaten.

Dit staat er… Het is de grote opdracht aan… de kerk in Nederland? Nee, het is de grote opdracht aan ons, aan de gemeente van (plaatsnaam). In het bijzonder aan een ieder de de Heere riep tot Zijn dienst.

Ik zal de woorden spellen, met de wens dat die in ons binnenste zullen binnendringen. Met de hoop dat ze niet aan ons zullen voorbijgaan. Met het gebed dat we ze nooit zullen vergeten. Leef niet, jongelui, voor carrière, voor geld en toekomst! Leef niet, ouderen, voor vermogen en kapitaal. Leef niet, gezinnen, voor jezelf, voor gezelligheid en huiselijkheid. Maar leef in het perspectief van de komende eeuwigheid, denkend aan zoveel zielen die verloren gaan. En, zoals de grote zendeling William Carey ooit zei: ‘Verwacht grote dingen van God. En onderneem grote dingen voor God’. Zalig bent u, als u de woorden van Christus hoort en doet. Deze woorden. Ik zal ze spellen, één voor één:

a. Gaat dan heen! Ga op reis. Voorheen was de opdracht: U zult niet heengaan op de weg der heidenen, en u zult niet ingaan in enige stad der Samaritanen (Matth. 10:5). Maar nu is de tijd aangebroken om voorbereidingen te treffen voor de grote opdracht. Voor deze opdracht: U zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde (Hand. 1:8).

Ga heen! Het is ook een opdracht die geldt voor onze gemeente. Richt je niet met al je aandacht, met al je kracht en vermogen, richt je niet met je gebed alleen op jezelf. En laten we ons niet alleen richten op het samen kerk zijn in (plaatsnaam), maar ga ook naar de wereld!

U zegt: Ja, maar we doen toch aan evangelisatie en aan buurtwerk? Ja, dat is waar. Maar dat is volgens de opdracht om een zoutend zout en een lichtend licht te zijn (Matth. 5:13-14). Maar dit is een andere opdracht. En van de huidige leden van de gemeente is er tot nu toe maar (aantal personen/gezinnen, of: niemand) gegaan, in gehoorzaamheid aan deze opdracht ‘ga heen’. Beide zaken, evangelisatie en zending, zijn wezenlijk voor de kerk, zijn een teken van gehoorzaamheid aan het Hoofd van de kerk. Die dit woord hoort en niet doet, die is dwaas (Matth. 7:26)!

Ga dan heen… Omdat Ik u die opdracht gegeven heb. Omdat Mijn Naam het waard is om wereldwijd genoemd en geroemd te worden. Omdat Ik nog andere schapen (heb), die van dezen stal niet zijn. Deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijn stem horen, en het zal worden één kudde en één Herder (Joh. 10:16). Ga dan heen… Omdat Ik tot uw troost en bemoediging gezegd heb: Mij is gegeven alle macht. En straks beloof Ik u: Ik ben en blijf met u, al de dagen.

b. Ga dan heen, onderwijst… Onderwijst. Letterlijk staat er: maak ze tot discipelen, maak ze tot leerlingen. Doe dat eenvoudig door Mijn woorden aan hen te vertellen, door die woorden hen uit te leggen, door die woorden aan hun hart te leggen. Onderwijs ze. Zoek hun hart, hun bekering, hun eeuwige heil. En leer ze ook wandelen in een nieuw leven, in nieuwe gehoorzaamheid. Want niet alleen hun gedachten moeten veranderd worden, maar ook hun leven (Joh. 8:31b).

c. Onderwijst alle volken Alle bevolkingsgroepen, alle etnische groepen, waar ze dan ook in de wereld zijn. Wereldwijd zijn er 16.000 van deze etnische groepen. Daarvan zijn er nog meer dan 7.000 onbereikt. Meer dan 6.000… meer dan drie miljard mensen zonder God en zonder hoop in de wereld… Red degenen, die ter dood gegrepen zijn; want zij wankelen ter doding, zo gij u onthoudt (Spr. 24:11)

Kan de nood van deze honderden miljoenen mensen niemand onder u bewegen om (woonplaats), vader en moeder, familie en vrienden, volwassen kinderen en kleinkinderen te verlaten? Zoals onze Meester dat ook deed… Die alles wat Hij had (de hemelse glorie, de vreugde van het hemelleven, de liefde Zijn Vader) verliet, om het verlorene te zoeken.

Wees niet bezorgd voor het verlies van je familie. Wees niet zo gehecht aan voor bijgaand bezit. Wees niet zo bang voor dreigend gevaar. Ooit zei een oudere broeder tegen John Paton, een bekende zendeling van de Nieuwe Hebriden-eilanden in de Stille Oceaan, denkend aan de koppensnellers, aan de menseneters daar: ‘Straks eten ze je met huid en haar op’. Hij zei: ‘ik ben onsterfelijk, totdat mijn taak is volbracht. Als uw lichaam straks (die broeder was al oud), als uw lichaam straks door de wormen gegeten wordt, laat het mijne dan maar door de mensen opgegeten worden. Ik ga!’

Wees niet bezorgd. Laten de onbereikte miljoenen van deze wereld voor u zijn als een Macedonische man. Wees niet bezorgd, denkend aan wat u achter moet laten.

Heeft de Heere Jezus niet gezegd: Zo wie zal verlaten hebben, huizen, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om Mijns Naams wil, die zal honderdvoud ontvangen, en het eeuwige leven beërven (Matth. 19:29)? Mensen leef toch in het perspectief, niet van deze tijd, maar van de eeuwigheid. En denk aan al die zielen, die verloren dreigen te gaan.

d. Onderwijst al de volken, (en dan): dezelve dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. Wie Mijn woorden zal ontvangen… Wie door God getrokken wordt uit de macht van de duisternis, gebracht tot Mijn wonderlijke licht… Wie zich bekeert van het dienen van de afgoden tot het dienen van de levende God… Laat die gedoopt worden. Laat die het teken en zegel ontvangen van Christus’ gerechtigheid, die door het geloof ontvangen wordt. Als een teken en zegel dat hij of zij door de Vader tot kind is aangenomen, door de Zoon is gewassen met Zijn bloed, en door de Heilige Geest vernieuwd zal worden. U voelt, dit gaat over de doop van volwassen mensen, die door bekering overgaan uit het heidendom tot het geloof in God en Christus.

Leer hen onderhouden, alles wat Ik u geboden heb. Alles wat Ik u geleerd heb, leert u het hen ook. Dat Ik moest lijden en sterven. Dat Ik moest opstaan. Voor de schuld van de Mijnen. Leer ze, wat dat betekent. Leer ze om als christenen te leven, zoals Ik jullie dat ook geleerd heb. Leer ze om (zodra het Evangelie bij hen gekomen is, zoals het ook hier gekomen is) niet te rusten. Maar laten zij ook weer verdergaan om de boodschap ervan te verspreiden.

Naar de meer dan drie miljard mensen in de wereld die nog steeds onbereikt zijn. Ga heen, onderwijs ze… Wie gaat de nood van deze miljoenen mensen aan het hart? Wie? God! God Zelf in de eerste plaats. Het was de Heere Zelf Die sprak door mond van Ezechiël: Mijn schapen dolen op alle bergen en op allen hogen heuvel, ja, Mijn schapen zijn verstrooid op den gansen aardbodem; en er is niemand die ernaar vraagt en niemand die ze zoekt (Ezech. 34:6).

Wie van ons gaat deze nood aan? Zijn er onder onze (aantal) leden niet meer (of: geen) mensen, zijn er niet twee, drie of vier mannen, vrouwen of gezinnen… Zich, net als Jesaja, diep bewust van de heiligheid van de Heere? Zich diep bewust van eigen onbekwaamheid? Hij, Jesaja, riep uit: Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden van een volk dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben den Koning, den HEERE der heirscharen, gezien.

Maar één van serafs nam een gloeiende kool van het altaar, roerde zijn mond ermee aan en zei: Zie, deze heeft uw lippen aangeroerd; alzo is uw misdaad van u geweken en uw zonde is verzoend.

Daarna hoorde (hij) de stem des Heeren, dewelke zeide: Wien zal Ik zenden en wie zal voor Ons heen gaan? Toen zei hij: Zie, hier ben ik, zend mij heen (Jes. 6). Zegt u, zeg jij dat ook? Mijn hart o Hemelmajesteit, is tot Uw dienst en lof bereid? Ik zal, o Heere, Uw wonderdaân, Uw roem de volken doen verstaan?

We gaan het samen zingen uit Psalm 108:1,2: Mijn hart, o Hemelmajesteit, Is tot Uw dienst en lof bereid. 'k Zal zingen voor den Opperheer; 'k Zal psalmen zingen tot Zijn eer. Gij, zachte harp, gij schelle luit, Waakt op; dat niets uw klanken stuit'; 'k Zal in den dageraad ontwaken, En met gezang mijn God genaken.

Ik zal, o HEER’, Uw wonderdaân, Uw roem den volken doen verstaan; Want Uwe goedertierenheid Is tot de heem'len uitgebreid; Uw waarheid heeft noch paal noch perk, Maar streeft tot aan het hoogste zwerk. Verhef U boven 's hemels kringen, En leer al d' aard' Uw grootheid zingen.

-- --- --

Ga je, als je gehoorzaam de roepstem van de Heere volgt, geen moeilijke toekomst tegemoet? Zwervend over de wereld? Jazeker. De Heere heeft ook nooit gezegd: ‘ga heen, en u zult een gemakkelijk en gerust leven hebben’. Hij heeft wel wat anders gezegd: ‘het kan zijn dat je vader, moeder of kinderen moet achterlaten, maar je zult nooit alleen zijn’.

Want er is, voordat de discipelen aan de nieuwe tijd, aan de grote opdracht gaan beginnen, een bijzondere troost, een bijzondere belofte, die we tot slot zullen zien in onze derde gedachte:

3. De grote troost

Deze troost, die staat in vers 20: En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Ziet! Verlies het niet uit het oog! Ook al zie je Mij niet. Ook al lopen wegen dood. Ook al sluiten zich deuren. Ook al is er veel tegenslag, moeite en verdriet. Ik ben er. Ik zal u onderwijzen, en u leren van de weg, die u gaan zult. Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn (Ps. 32:8).

Ik ben met u. Wie is die Ik? Dat is Christus Zelf. Zo begon het Mattheüsevangelie, helemaal in het begin. Met Immanuël: God met ons. En zo eindigt het ook: Ik ben met u.

Ik ben met u, discipelen. Wat zijn dat voor mensen? Wat voor soort mensen roept Heere in Zijn dienst? Mensen die wij niet uitgezocht zouden hebben. Maar Heere wel! Petrus, die zei: ‘ik ken de Mens niet’. Petrus, Ik ben met u. Thomas, die zei: ‘ik zal geenszins geloven’. Thomas, Ik ben met u. Mensen die twijfelden. Totdat Jezus Zelf bij hen kwam. De mensen zouden jullie afgeschreven hebben. Maar Ik ga met jullie verder! Want als Ik straks júllie werk ga zegenen, dan is alle eer voor Mij! Ik zal u niet begeven, Ik zal u niet verlaten. Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd (Joz. 1:5; Jes. 49:16).

Ik ben met u al de dagen. Al de dagen. Ook in moeilijke dagen. Ook in dagen van tegenslag en tegenspoed. In dagen van tranen en verdriet. Ik ben met u. Al gaat u door het water, Ik zal bij u zijn, en door rivieren, zij zullen u niet overstromen (Jes. 43:2). Want Ik ben met u.

O, wat is de dienst van de Heere toch een gelukkige dienst. Met de Heere heb je alles, ook al heb je verder niets. Zonder de Heere heb je niets, ook al heb je verder (zo lijkt het tenminste voor het oog) alles. Jongelui, kom, geef je talenten, je kracht, je leven niet aan een carrière voor nu. Maar meldt je aan voor de dienst van de Heere.

Wat een troost voor al Gods kinderen: Ik ben met u. Als u in het donker zit, als u Mij niet meer ziet. Dan toch: Ik ben met u. Als u verstrikt zit in allerlei zorg en moeilijkheid. Ik ben met u. Als u roept uit de nood van uw leven en hart. Ik ben met u. Zelfs als u gerust bent, tevreden met uzelf, zo biddeloos, liefdeloos en koud. Dan toch: Ik laat u niet los. Anders was het voor altijd verloren.

Ik ben met u, al de dagen. Tot… de voleinding der wereld. Totdat alles definitief voltooid is, totdat alles definitief volbracht is. Alles! Alles, wat ooit begon in de stille eeuwigheid. In het eeuwige welbehagen van God, in het eeuwige plan van de zaligheid. Waarin alles vastlag en vastligt. Al die schapen, die nog niet toegebracht zijn. Ze zullen toegebracht worden, vanwege Gods eeuwige, verkiezende welbehagen. Ook al gaat er verder niemand van ons… God zal er Zelf voor zorgen. Hem ter eer. Maar in dat geval wel tot onze schade en schaamte. Uiteindelijk zal Christus, Hij die alle macht heeft in de hemel en op de aarde, er Zelf zorg voor dragen dat het werk van de zaligheid voltooid wordt, tot eer en roem van God drie- enig.

Zal Hij in die laatste dag eer en glorie van u ontvangen omdat u de kroon van de overwinning zult werpen aan Zijn voeten? Of… omdat u gedwongen wordt om te buigen en breken zult, omdat u hier niet wilde buigen?

Maar hoe het ook zal zijn, dan zal het einde zijn. Dan zal opnieuw klinken: Het is volbracht! Dan zullen alle volken zijn lof vertellen (Openb. 7:9). Ze zullen komen, mensen van die 16.000 etnische groepen, van alle volken, van de einden van de aarde, en ze zullen aanzitten met Abraham, Izak en Jakob in het koninkrijk van Christus en van God. Zult u daar ook bij zijn, of gaat u horen bij de kinderen des Koninkrijks die buitengeworpen zullen worden, in de plaats waar wening zal zijn en knersing der tanden (Matth. 8:11-12)? Waar u ook bent, dan zal de aarde vol zijn van de kennis des Heeren (Jes. 11:9).

En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. En dan nog het laatste woord: Amen. Dit zal waar en zeker zijn! Want God laat nooit één van Zijn woorden op de aarde vallen. Hij zal nooit herroepen wat Hij eenmaal heeft gesproken. Wat uit Zijn lippen ging, blijft vast en onverbroken.

Geliefde gemeente, ik roep u op (denkend aan deze grote opdracht) tot ernstig gebed om meer arbeiders in de wereldwijde wijngaard uit onze eigen gemeente. Die gehoorzaam aan deze opdracht, alles achter laten, om de voetstappen te volgen van de grote Koning. Predikt het Evangelie aan alle creaturen (Mark.16:15).

Laat ze van harte gaan, gemeente, uw meest kostbare krachten, uw meest geliefde ambtsdragers, in de dienst van de Heere! Wees niet egoïstisch. Er gaan zoveel zielen verloren…

En u, gelovige ouders, laat uw kinderen (van harte, met tranen, maar ook blijmoedig) gaan.

Abraham had zijn enige kind Izak over voor de dienst van de Heere. En Hanna kreeg eindelijk na veel gebed een kind. Samuël noemde ze hem. Want zei ze: ‘Ik heb hem van de Heere gebeden’. En toen, verder? ‘Dank u, Heere, hij is voor mij?’ Nee! ‘Heere, hier is hij, Hij is voor U!’ Ja, God Zelf gaf Zijn eigen Zoon. Zou Hij ook niet met Hem alles aan u geven wat u nodig hebt (Rom. 8:32)? Ook u geldt: Ik ben met u! Als zij gaan, zal Ik met u blijven!

Jongens en meisjes, bid veel of je je leven mag geven in de dienst van de Heere. Hij is het zo waard. En het is zo’n goede dienst! Bid maar veel:

Leer mij, o God van zaligheden, mijn leven in Uw dienst besteden (Ps. 143:10, ber.).

Amen.