PREEK · ZENDINGSPREKEN

Morenland zal zich haasten - Psalm 68

5 juni 2016

Psalm 68:32: Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte; Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken.

INLEIDING

Filippus verlaat de gemeente van Samaria om, op de weg naar Gaza, één verloren mens te zoeken: de Moorman uit Morenland. Daarin vervult zich de belofte van Psalm 68: Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken. Die uitgestrekte handen tonen doorleefde ellende, want van nature liggen wij, als verloren Moren, onder de vloek. Ze tonen begeerde verlossing: door Woord en Geest gedreven zoeken schuldverslagen zondaars hun toevlucht bij Christus' doorboorde handen, en ten slotte ootmoedige dank.

THEMA

Uitgestrekte handen aan het einde van de aarde.

KERNPUNTEN

  1. Uitgestrekte handen als teken van doorleefde ellende.
  2. Uitgestrekte handen als teken van begeerde verlossing.
  3. Uitgestrekte handen als teken van ootmoedige dank

PSALM 68:30-36

30 Om Uws tempels wil te Jeruzalem, zullen U de koningen geschenk toebrengen.
31 Scheld het wild gedierte des riets, de vergadering der stieren met de kalveren der volken, en dien die zich onderwerpt met stukken zilver; Hij heeft de volken verstrooid, die lust hebben in oorlogen.
32 Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte; Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken.
33 Gij koninkrijken der aarde, zingt Gode; psalmzingt den Heere, Sela;
34 Dien Die daar rijdt in den hemel der hemelen, die vanouds is; zie, Hij geeft Zijn stem, een stem der sterkte.
35 Geeft Gode sterkte; Zijn hoogheid is over Israël, en Zijn sterkte in de bovenste wolken.
36 O God, Gij zijt vreselijk uit Uw heiligdommen; de God Israëls, Die geeft den volke sterkte en krachten. Geloofd zij God.

VOLLEDIGE TEKST

Morenland zal zich haasten - Psalm 68

ds. J. IJsselstein - Psalm 68:32

THEMA

Uitgestrekte handen aan het einde van de aarde.

Steeds verder wordt de boodschap van het Evangelie verspreid. Eerst in Jeruzalem, maar nu is het ook al in Samaria. Filippus preekt in Samaria het Evangelie van de opgestane Heere Jezus Christus. Er staat in Handelingen 8:5: En Filippus kwam af in de stad van Samaria, en predikte hun Christus. Filippus preekt Christus. En het Woord doet kracht en draagt vrucht. De mensen in Samaria horen zijn preken, ze zien de tekenen die hij doet, die zijn woorden als het ware onderstrepen, en er komt grote blijdschap in de stad (Handelingen 8:6-8).

Maar dan gebeurt er iets opvallends… Misschien hebben veel mensen het wel niet begrepen. Het gaat zo goed, en de loop van het Evangelie is zo voorspoedig! Ze verwachten ongetwijfeld op deze eerstelingen een rijke oogst van voorspoed…

Maar dan ineens lezen we in vers 26: En een engel des Heeren sprak tot Filippus, zeggende: Sta op, en ga heen tegen het zuiden, op de weg, die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, welke woest is. ‘Filippus, je moet vertrekken…’ ‘Waarom, Heere?’ ‘Dat vertel Ik je nu nog niet, maar Ik wijs je alleen de weg waar je heen moet gaan. De weg die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, de woeste woestijnweg.’ Veel is er nog onduidelijk, maar één ding is wel duidelijk. Het is dat, wat de Heere Jezus heeft gezegd in Johannes 10: Ik heb… (Ik heb ze, ze zijn Mijn eigendom!), Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn, deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijn stem horen en het zal worden een kudde, en een Herder (Johannes 10:16).

Er zal ongetwijfeld veel door zijn hoofd gegaan zijn. Er is hier in Samaria nog zoveel werk te doen, er is hier nog zoveel onderwijs nodig. En er is nog steeds dat blijvende gevaar van de invloed van Simon de tovenaar… Maar Filippus verlaat gehoorzaam de (misschien inmiddels wel groter geworden) gemeente van Samaria. Op zoek naar, zo blijkt straks, op zoek naar: één mens. Een verloren, een verkoren enkeling. Zo is God. Mijn raad zal bestaan en Ik zal al Mijn welbehagen doen (Jesaja 46:10). Mijn gedachten zijn hoger dan uw gedachten, Mijn wegen zijn hoger dan uw wegen (Jesaja 55:9).

Later, in Handelingen 9:31, zien we gelukkig, dat de Heere ondanks het vertrek van Filippus doorgegaan is met Zijn eigen werk in Samaria.

Zijn werk hangt ook niet af van een mens. Er staat in Handelingen 9:31: De Gemeenten dan, door geheel Judea, en Galilea, en Samaria, hadden vrede, en werden gesticht; en wandelende in de vreze des Heeren, en de vertroosting des Heiligen Geestes, werden vermenigvuldigd.

Filippus pakt zijn spullen en gaat op pad. Hij neemt (dat heeft de Heere hem opgedragen) midden op de dag de woeste weg, de woestijnweg van Jeruzalem naar Gaza. En daar ontmoet hij een man uit het zuiden, uit Morenland. Lees maar even mee in vers 26, 27 en 28: En een engel des Heeren sprak tot Filippus, zeggende: Sta op, en ga heen tegen het zuiden, op de weg, die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, welke woest is. En hij stond op en ging heen; en ziet, een Moorman, een kamerling, en een machtig heer van Candace, de koningin der Moren, die over al haar schat was, welke was gekomen om aan te bidden te Jeruzalem. En hij keerde wederom, en zat op zijn wagen, en las de profeet Jesaja. Daar, op die eenzame weg naar het zuiden rijdt een man, een kamerling, een Moorman. Bedoeld wordt een man uit het zuidelijke stroomgebied van de rivier de Nijl, het gebied dat wij tegenwoordig Sudan en Ethiopië noemen.

En dan wordt de belofte vervuld (en daar gaat de preek vanmorgen/vanmiddag over), dan wordt de belofte vervuld uit Psalm 68 vers 32. We overdenken vanmorgen, (in deze tijd na Pinksteren), met elkaar een oudtestamen- tische belofte, die de Heere vervuld heeft en nog verder vervullen zal, de belofte uit Psalm 68:32, daarvan het tweede gedeelte, waar staat: Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte, en (onze tekst): Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken.

Het thema voor de preek van vanmorgen/vanmiddag is: Uitgestrekte handen aan het einde van de aarde. Uitgestrekte handen aan het einde van de aarde. Die uitgestrekte handen zijn in de eerste plaats een teken van doorleefde ellende. In de tweede plaats zijn die uitgestrekte handen een teken van begeerde verlossing. En in de derde plaats zijn ze teken en bewijs van ootmoedige dank.

Drie aandachtspunten dus: 1. Doorleefde ellende 2. Begeerde verlossing 3. Ootmoedige dank Als eerste dus:

1. Uitgestrekte handen als teken van doorleefde ellende.

Morenland zal zich haasten. Wie waren dat, die mensen uit Morenland? En: waar woonden die mensen destijds eigenlijk precies?

Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte. Wat dat betekent, dat is duidelijk. Voorname mensen, prinselijke gezanten, ambassadeurs zullen uit Egypte komen. Uit het grote buurland ten zuidwesten van Israël. Uit dat land waar heerlijke beloften voor zijn, als we denken aan de belofte van Jesaja in Jesaja 19: Te dien dage zal de HEERE een altaar hebben in het midden van Egypteland, en een opgericht teken aan haar landpalen voor de HEERE. En het zal zijn tot een teken, en tot een getuigenis den HEERE der heirscharen in Egypteland, want zij zullen tot de HEERE roepen vanwege de verdrukkers (ze zijn in ellende en voelen hun nood!) En Hij zal hun een Heiland en Meester zenden, Die zal hen verlossen (ellende, verlossing en…?). En de HEERE zal de Egyptenaren bekend worden, en de Egyptenaars zullen de HEERE kennen te dien dage; en zij zullen Hem dienen met slachtoffer, en spijsoffer, en zij zullen de HEERE een gelofte beloven en betalen (uit dankbaarheid) (Jesaja 19:19-21). Egypte, dat zijn de buren in het zuidwesten.

Maar waar wonen de Moren? De Moren dat zijn mensen die (op de kaart gezien) daaronder wonen, in het verre zuiden. Eigenlijk verder dan dat je destijds kon kijken. Destijds had men nog niet zoveel zicht op de wereld, men had nog niet de wereldbol die wij hebben en de kaarten waarop wij kijken. Morenland was ‘het einde van de wereld’. Wij zeggen nu: Morenland dat is het gebied van Sudan en Ethiopië. Maar zover reikte het zicht toen nog niet. Morenland is hier, in de eerste plaats, symbolisch voor het onbereikte ‘einde van de aarde’.

Maar, in de tweede plaats, Morenland is in de Bijbel ook vaak een beeld. De Moren zijn in de Bijbel beeld van mensen die leven zonder God en zonder hoop. Een beeld van mensen die zonder God leven, van mensen vol van kwaad, beladen met zonde en schuld. Onmachtig en onbekwaam tot enig geestelijk goed en geneigd tot alle kwaad. Liggend onder de vloek. Om met één zin te zeggen: de Moren zijn verloren.

De Moren zijn in de derde plaats in de Bijbel beeld van mensen die hun handen niet uitgestrekt hebben naar God, maar van mensen die hun handen uitgestrekt hebben tegen God. Verloren mensen, omdat ze tegen God zijn opgestaan. De Moren zijn, zo zegt Jesaja, een volk, dat vreselijk is van dat het was en voortaan (Jesaja 18:2), een heerszuchtig volk, een volk dat anderen vertrapt. Ze zijn trots, ze houden geen rekening met God en met hun naasten. Nee, de Bijbel discrimineert hier geen mensen op basis van hun huidskleur. Dat is hier en nergens in de Bijbel bedoeld. Dit is ook niet het zogenaamde vervloekte volk van Kanaän, de zoon van Cham. Nee, deze verder voor ons nauwelijks bekende volken zijn beeld van de totale volkenwereld (waar wij Nederlanders ook bij horen), die verloren is, vol van kwaad, afgoden dienend, heerszuchtig en…

De Moren, de einden van de aarde, zijn in de vierde plaats in de Bijbel ook het beeld van zorgeloosheid. De profeet Ezechiël zegt letterlijk: Morenland is zorgeloos en zal verschrikt worden (Ezechiël 30:9).

En, in de vijfde plaats, Morenland is (ik zei het al) ver weg. Ver, eindeloos ver weg van de God van Israël. Gescheiden van Zijn dienst, van de plaats waar de weg van de verzoening wordt aangewezen. Geen oog voor God, de Schepper en Maker van het heelal. De volkeren, en daar horen wij ook bij, wij zijn ons van nature niet bewust van wie ze zijn en van wat ze missen. Zich niet bewust van het gevaar van hun leven. Kortom: de einden van de aarde (en daar horen wij bij), de Moren zijn verloren!

Want Morenland is in de zesde plaats in de Bijbel vooral ook beeld van hoe ik en u van nature zijn. Voordat u denkt aan de wereldwijde nood van miljoenen mensen, die leven zonder God en zonder hoop, denk, beste vrienden, aan de nood van uw eigen hart. Zie die toch onder ogen! U bent, onbekeerden onder ons, net als ik van nature, verloren, vol van kwaad, liggend onder de vloek, trots en opstandig. U hebt uw handen uitgestrekt tegen God, u bent zorgeloos en uzelf niet bewust van het grote gevaar dat uw ziel bedreigt, op weg naar de eindeloze eeuwigheid. Deze Moren, dat zijn mensen zoals wij zijn... Hebt u ooit, geliefde gemeente, iets gezien van die ellendige toestand van uw eigen hart, van dat gevaar van uw eigen leven?

Dat Morenland, zal zijn handen uitstrekken. Die Moren, die verloren zijn, die mensen die geestelijk dood zijn en onbekwaam tot enig geestelijk goed (net als wij: mensen die van nature niet naar God vragen en de Heere niet zoeken…), God zegt: daar zal iets mee gaan gebeuren… en dat zal Ik doen! Dat zal Ik doen naar Mijn vrije, eeuwige, verkiezende welbehagen. Dat komt niet uit hen. Dat komt uit Mij! Ik zal gevonden worden van degenen die Mij nooit gezocht hebben, en door degenen die naar Mij nooit gevraagd hebben (naar Jesaja 65:1). Ik zal het doen!

Want, het is God en God alleen, gemeente, die verandering kan aanbrengen in die meest ellendige, levensgevaarlijke toestand van uw onbekeerde hart. Het is Zijn werk, het is het werk van Hem alleen. Dat zeg ik niet, en dat staat hier niet, om u hopeloos en moedeloos te maken. Maar juist omdat het Zijn werk is, daarom is er een weg voor u om zalig te worden! Anders was het hopeloos. Maar nu, omdat Christus (en over Hem gaat deze psalm juist) als de grote Overwinnaar, ‘Verwinnaar in de strijd’, de machten van de dood en de hel overwonnen heeft, daarom is er nu een weg, voor verloren Moren.

God zal het doen. Het is Zijn werk. En, als Hij Zijn werk dan doet, wat gebeurt er dan? Dan gaan verloren Moren (hun ogen worden geopend) zien: Ik ben verloren, ik ben door eigen schuld verloren. Ik ben tegen God opgestaan. Mijn handen heb ik uitgestrekt tegen God. Wat komt er dan een nood in het hart. Als ik zie: ik heb tegen God gezondigd. Niet één, maar al Zijn heilige geboden overtreden, gedaan wat kwaad is in Zijn oog. Dan belijd ik: ‘Heere, ik kan voor Uw aangezicht niet bestaan. Ik ben Uw gramschap dubbel waard. Maar… zonder U kan ik ook niet verder…’

Zeker, u kan aan het werk gaan om uzelf te verbeteren. Maar dat is onbegonnen werk. Zei Jeremia niet: Zal ook een Moorman zijn huid veranderen? Of een luipaard zijn vlekken? Zo zult u ook kunnen goed doen, die geleerd bent kwaad te doen (Jeremia 13:23). Misschien probeert u het wel, maar het is onbegonnen werk. Misschien hebt u het geprobeerd, maar het bleek een onmogelijk werk.

Bedroefd naar God (dat wordt de richting van het hart: naar God!), bedroefd naar God, uitgewerkt gaan ze, die verloren Moren, in hopeloosheid hun handen uitstrekken. Als een bedelaar, als iemand die niets meer heeft. Als een klein kind, dat niets kan, en dat zegt tegen vader of moeder: helpt u me toch? Het trotse, het hoogmoedige hart is gebogen. En de roep klinkt vanuit het hart omhoog: Ik roep, Heere, in angst tot U gevloden, ai, haast U tot mijn hulp en red? (Psalm 141:1, ber.) Als een nooddruftige die roept, als een ellendige die geen helper heeft (Psalm 72:12).

Het is een angstig geroep. Want, zo staat er: Morenland zal zich haasten. Want er is nood, er is gevaar. Want er is grote nood, er is groot gevaar. Uw onbekeerde ziel is in levensgevaar…! Dus strekken de Moren, als de Heere met Zijn Heilige Geest werkt in hun hart, hun handen uit: hun verloren handen, hun zondige handen, hun vuile handen, hun met bloed bevlekten handen...

Beste vrienden, kent u daar iets van in uw eigen leven? Voordat de doorboorde handen van Christus waarde voor ons krijgen, voordat de doorboorde handen van Christus van onschatbare waarde voor ons worden, leert de Heere ons iets zien en kennen van ons eigen verloren hart, van onze vuile handen, niet gericht naar God, maar tegen God... Kent u daar persoonlijk iets van?

Dat te kennen, gemeente, hebben niet alleen wij nodig, maar ook de volken van deze aarde. Miljoenen mensen op deze wereld zijn nog steeds onbereikt. Ze hebben nog nooit het woord van het Evangelie gehoord. Ze zijn verloren, zonder God en zonder hoop, levend als vijanden in opstand tegen God, zorgeloos en in groot gevaar. In levensgevaar! Miljoenen mensen op weg naar de eeuwigheid sterven weg, zonder dat het woord van het Evangelie ooit hebben gehoord… Bid toch, dat de Heere van de oogst arbeiders zal uitstoten in Zijn wijngaard. Jonge mannen, jonge gezinnen, vraag u ernstig af of de Heere u niet roept om te gaan. Gaat dan heen, onderwijst al de volken. En red degenen die ter dood gegrepen zijn (Mattheüs 28:19; Spreuken 24:11).

Laat u niet weerhouden door uw toekomstkansen hier. Alsof de toekomst van een christen hier op aarde zou liggen! Laat u niet weerhouden door verlies van bezit, van huis, geld, auto, baan of familiecontacten. Leeft u dan echt alleen maar voor nu, voor de dingen van deze wereld? Is het gewicht van de kostelijke ziel van één medemens, van een mede- Moor, u niet meer waard dan alles van deze wereld?

Zegt u vanmorgen/vanmiddag, terwijl u verder kijkt dan uw eigen nood, ziende op de nood van de miljoenen onbereikten in deze wereld, verloren Moren, levend zonder God, lettend op de grote nood van de miljoenen die wegsterven zonder God en zonder hoop, zegt u ziende op die nood niet, als antwoord op de hemelse vraag: ‘Wie zal Ik zenden en wie zal voor Ons heengaan?’ ‘Zie, hier ben ik, Heere, zend mij’ (Jesaja 6:8)? Mijn hart, o Hemelmajesteit, is tot Uw dienst en lof bereid? Laten we dat nu eerst samen zingen uit Psalm 108:1.

Mijn hart, o Hemelmajesteit, Is tot Uw dienst en lof bereid. 'k Zal zingen voor den Opperheer; 'k Zal psalmen zingen tot Zijn eer. Gij, zachte harp, gij schelle luit, Waakt op; dat niets uw klanken stuit'; 'k Zal in den dageraad ontwaken, En met gezang mijn God genaken.

Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken. We hebben gelet op uitgestrekte handen als teken van doorleefde ellende, we letten nu in de tweede plaats op

2. Uitgestrekte handen als teken van begeerde verlossing.

Je handen uitstrekken, je handen uitsteken, dat doe je als je vraagt om hulp: ‘help, ik ben in nood!’ ‘Heere, help me! Ik kan mezelf niet redden. Heere, helpt U mij?’ Er is nood, er is grote nood, er is levensgevaar! Maar dat verwonde, dat doorploegde hart, dat doorprikt is door de Heilige Geest, dat wordt (en dat zien we juist rond de pinksterdag) dat wordt niet hopeloos, dat wordt niet wanhopig. Want het is bedroefd naar God. En God die helpt in nood! Wel dodelijk verontrust door zonde en schuld, wel vermoeid door eigen pogen…, maar als God werkt, blijft het daar niet bij. Jesaja zegt: De heidenen zullen gaan vragen naar de wortel van Isaï, die staan zal tot een Banier der volken (zij zullen hun rust in Hem, in Christus gaan zoeken), en Zijn rust zal heerlijk zijn (Jesaja 11:10).

Wat wordt, als de Heere werkt in het hart, Christus begeerlijk in de ogen van verloren Moren, in de ogen van schuldverslagen zondaars. Hij is zo totaal anders dan dat ik ben. Hij is zonder zonde. Hij is altijd gehoorzaam geweest. Tegenover mijn heerszucht en neiging anderen te vertrappen, staat Zijn liefdevolle hart. Immers: Hij zal het gekrookte riet niet verbreken, Hij zal de rokende vlaswiek niet uitblussen (Jesaja 42:3) Tegenover mijn vuile en met bloed bevlekte handen staan Zijn handen: heilig, rein, ze hebben altijd goed gedaan, maar uiteindelijk zijn ze door mijn schuld aan het kruis genageld.

Als Petrus het de mannen op de pinksterdag toeroept: ‘Kijk naar uw handen! U hebt Hem (dat kwam uit uw hart, dat deden uw handen), u hebt Hem aan het kruis gehecht en gedood’, dan wordt de profetie van Zacharia vervuld: dan kermen ze bitter, als over het verlies van een eniggeboren zoon (Zacharia 12:10). Dan strekken ze meer dan ooit hun handen uit tot God: ‘Heere, genâ, o God, genâ hoor mijn gebed. Wees mij zondaar toch genadig! Wees mij toch genadig Heere, want ik kom tot U gevloden! Ik strek mijn handen uit tot U!’

Uitgestrekte zondaarshanden. Uitgestrekt in nood, maar niet wanhopig. Waarom niet? Omdat God zulke schuldverslagen zondaars ook altijd iets laat zien van de uitgestrekte handen van Christus. Het zijn ten diepste Zijn uitgestrekte handen, die verloren Moren tot Zich trekken. Want nooit komt een zondaar tot God, ware het niet dat de Heere Zelf hem of haar trok. Niemand kan (en zal) tot Mij komen (zei Christus), tenzij dat de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke (Johannes 6:44). Het zijn de uitgestrekte handen van God en Christus die verloren zondaars nodigen, het zijn Zijn koorden van liefde die verloren zondaars trekken, en zeggen: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven (Mattheüs 11:28). Want, zo zingt David in Psalm 72, want Hij (het komt bij God vandaan!), Hij zal de nooddruftige redden, die daar roept, mitsgaders de ellendige en die geen helper heeft. Hij (Hij!) zal de arme en nooddruftige verschonen, en de zielen der nooddruftigen verlossen (Psalm 72:12-13). Daarom! Omdat God, om Christus’ wil zo handelt met verloren Moren, daarom zullen zich de koningen voor Hem buigen, daarom zullen de heidenen Hem dienen.

Het zijn die uitgestrekte handen van Christus die, ook vanmorgen in de prediking van het Evangelie, roepen naar de einden van de aarde, dus ook nu, naar u: Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! want Ik ben God, en niemand meer (Jesaja 45:22). Want niet alleen verslagen zondaars worden geroepen, maar alle zondaars worden geroepen door de boodschap van het Evangelie. Wie u ook bent, het woord der zaligheid is en wordt tot u gezonden (Handelingen 13:26). De liefdevolle klop van de hand van de Heere is ook vanmorgen op de deur van uw hart: ‘Doe mij open, waarom zou u sterven en verloren gaan? Verloren gaan, omdat u verloren was? Maar ook omdat u Mijn aanbod van genade hebt geweigerd?’ Want: De gehele dag (zegt God) heb Ik Mijn handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk (Romeinen 10:21).

Morenland heeft het gerucht van deze Koning gehoord. Vroeger heel beperkt. Het gerucht van Salomo drong door in de landen van het zuiden. Ik roep u in herinnering de waarschuwende woorden van de Heere Jezus uit Mattheus 12: De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en hetzelve veroordelen; want zij is gekomen van het einde der aarde, om te horen de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier! (Mattheüs 12:42) Later was er de Moorman (zo zagen we in het begin), de kamerling uit het zuiden.

En wat vertelt Filippus tegen die man, als hij bij hem op zijn wagen zit, terwijl ze de woestijnweg rijden van Jeruzalem naar Gaza? Dat een Lam ter slachting geleid is, stemmeloos voor dien die het scheert (Handelingen 8:32). Het Lam, door God gezonden, als het grote Offer voor de zonden van verloren Moren... En door Gods genade gelooft de Moorman het woord van Filippus en wordt hij gedoopt (Jesaja 53:7, Handelingen 8:38). Dat Woord van God deed, door de Heilige Geest, kracht.

Dat Woord, gemeente is onmisbaar. Dat is het middel waardoor de Heere werkt. Door de kracht van Woord en Geest gaan verloren Moren hun handen uitstrekken naar God! Daarom, gemeente, zoek uw zaligheid in het Woord. De Heere Jezus heeft gezegd: Onderzoekt de Schriften; want u meent in dezelve het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen (Johannes 5:39).

Maar, laten we dat Woord niet alleen voor onszelf houden. We moeten dat Woord ook, net als Filippus, verder brengen. Het Evangelie van genade moet ook gebracht worden aan andere, verloren mensen. Want, zo schrijft Paulus in Romeinen 10: Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welken zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt? (Romeinen 10:14) Daarom, gemeente, is het zo nodig dat er meer mensen uitgaan in dienst van de zending. Er zijn zoveel verloren Moren, zoveel verloren zielen op de wereld. En ze moeten het Woord horen! Maar hoe moet het, als er geen mensen zijn die dat Woord brengen? Ik roep u dringend op, jonge broeders vooral! Bent u het niet, tegen wie de Heere zegt: Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle creaturen (Markus 16:15)?

Als de Heere uw eigen ziel gered heeft, toen u uw hulpeloze handen naar God uitstrekte, is er dan sindsdien niet iets gekomen in uw hart van: ‘Heere, mag ik nu ook het middel worden om anderen te grijpen, die ter dood toe wankelen? Anderen: mijn man, mijn vrouw, m’n kinderen, m’n kleinkinderen, medegemeenteleden dichtbij, maar misschien ook wel van de miljoenen onbereikten in deze wereld? Zegt u dan niet, als antwoord op de hemelse vraag: ‘Wie zal Ik zenden, en wie zal voor Ons heengaan?’ ‘Zie, hier ben ik, zend mij henen’ (Jesaja 6:8).

Als u voor uw eigen hart en leven iets hebt ervaren van de liefde van Christus, vergevend en verzoenend, dan gaat dat hart toch ook branden van liefde voor anderen? Ouderen, om in het verborgen te worstelen om de bekering van zoveel onbereikte mensen, dichtbij en ver weg? Jongeren, om je leven te besteden in de dienst van de Heere, dichtbij of ver weg?

Het kan niet anders. Als uw hart brandt van wederliefde, omdat de Heere uw ziel gered heeft en uw tranen gedroogd heeft, omdat Hij uw lege handen vervuld heeft met iets en meer van Zijn genade, het kan niet anders(!), dan worden die handen opnieuw uitgestrekt, in de derde plaats, ook als teken en bewijs van ootmoedige dank.

Dat is tot slot onze derde gedachte:

3. Uitgestrekte handen als teken van ootmoedige dank

Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken. Ook als teken en bewijs van dank en aanbidding. De profeet Zefanja heeft er ook van geprofeteerd: Gewisselijk, dan zal Ik tot de volken een reine spraak wenden; opdat zij allen de Naam des HEEREN aanroepen, opdat zij Hem dienen met een eenparige schouder. Van de zijden der rivieren der Moren zullen Mijn ernstige aanbidders, met de dochter Mijner verstrooiden, Mijn offeranden brengen (Zefanja 3:9-10) Zij zullen komen: ernstige aanbidders… Want, dankbaarheid is geen losse emotie, dankbaarheid is geen op zichzelf staand sentiment. Dankbaarheid is dieper dan ooit buigen voor God, omdat Hij mij uit zo grote nood en dood verlost heeft. Dankbaarheid maakt ootmoedig en klein. Ze zullen komen, ernstige aanbidders: ja, elk der vorsten zal zich buigen en (nog dieper buigend!) vallen voor Hem neer. Ze zullen, zegt God, Mijn offeranden brengen. De koningen van Tharsis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen; de koningen van Scheba en Seba zullen vereringen toevoeren (Psalm 72:10).

Dat zal gebeuren. Waarom? Omdat God het zegt. Omdat God het Zelf zal doen. Dus ligt de uitkomst vast. Dus ligt de toekomst vast, en hier in (naam gemeente), en ook wat betreft de einden van de aarde. Het ligt vast in het eeuwige plan van Gods verkiezende welbehagen. Niet één zal er straks ontbreken. God zoekt verloren Moren. God zoekt ook de verkoren enkelingen, zoals de Moorman op de terugweg van Jeruzalem naar zijn eigen land. Al wat de Vader Hem gegeven heeft, zal tot (Hem) komen (Johannes 6:37). Ze moeten toegebracht worden. Ik heb nog anderen schapen, die van deze stal niet zijn, zei de Heere Jezus. Ik heb ze. Ze zijn Mij gegeven door Mijn Vader. En daarom zullen ze toegebracht worden. Het ligt vast. Het ligt vast in Gods eeuwige welbehagen. Het ligt vast in de verdienste van Christus. En het ligt ook vast in het werk van de Heilige Geest, want als Hij werkt, wie zal dan keren? Gods raad zal bestaan, God zal al Zijn welbehagen doen (Jesaja 46:10). Ernstige aanbidders zullen komen, buigend voor Zijn voetbank neer, vol van ootmoedige verwondering en dank, en… tot Zijn lof en dienst bereid.

Want, en dat tot slot, God wil ons mensen daarvoor gebruiken, voor Zijn lof en dienst. Ik kan niet nalaten u nog een keer te wijzen op de grote evangelieopdracht. We leven toch op aarde niet voor onszelf? Is het geen teken van liefdeloosheid en dus van grote geestelijke armoede als er geen drang, geen vurige ijver in het midden van de gemeente is, om het grote goed dat wij (kinderen van God) door genade mochten ontvangen door te geven aan anderen, die ook op weg en reis zijn naar de grote eeuwigheid?

Het is een bijzonder voorrecht, dat de Heere mensen inschakelt in het wereldwijde werk in Zijn koninkrijk. Mensen die van zichzelf ook verloren waren. Dat maakt, als het goed is, blijvend ootmoedig en klein. God gebruikt in Zijn dienst eenvoudige mensen, nederig en ootmoedig. Ook zij, dat is het eerste en allerbelangrijkste, hebben nodig hun handen uit te strekken tot God. Ja, dat Hij Zijn handen uitstrekt tot hen, en hun zielen redt van de dood. Zij hebben blijvend nodig, dat de Heere Zijn handen naar hen uitstrekt, en dat zij hun handen uitstrekken naar Hem, in blijvende afhankelijkheid en hartelijke overgave.

Het is een bijzonder voorrecht dat de Heere mensen inschakelt in de dienst van Zijn wereldwijde Koninkrijk: mensen die Hij Zelf bekwaam maakt om te dienen en die Hij Zelf toerust met gaven. Mensen van wie Hij vraagt om iets van het beeld van Christus te vertonen in het opofferen van zichzelf. ‘Heere, hier ben ik, tot Uw dienst en lof bereid.’

De verhoogde Koning zoekt naar zijn verkiezend welbehagen verloren Moren. Maar waar zijn de Filippussen…? Wie van u is geroepen en bereid om te gaan? De zaak van de Koning heeft haast! Zoek dan rusteloos naar wegen, naar nieuwe wegen om te gaan. En stel uw hoop op God alleen.

Tot slot, zijn er hier in (naam gemeente) vanmorgen van die verloren Moren, die hun handen uitstrekken tot God? Misschien hebt u geen woorden meer om te bidden, het zijn alleen maar zuchten: ‘Heere, help me toch!’ Hij(!) zal de nooddruftige redden, die daar roept, de ellendige en die geen helper heeft (Psalm 72:12).

U moet wel zeggen: ‘Ik ben zwart…’ Maar er is een Bruidegom met doorboorde handen, Die zegt tot een zwarte bruid: ‘Ja, maar u bent liefelijk in Mijn oog’ (Hooglied 1:5). Strek dan uw handen maar uit, in al uw zielsverdriet, en zeg: ‘Ja, U bent mijn Liefste, o Bruidegom. Ik ben zwart. Maar U bent blank en rood, U Die de banier draagt boven tienduizend.’ (Hooglied 5:10).

Amen.

Slotzang Psalm 68: 6 en 15:

De koningen, hoe zeer geducht, Zijn met hun heiren weggevlucht; Zij vloden voor Uw ogen; De buit van 't overwonnen land Viel zelfs den vrouwen in de hand, Schoon niet mee uitgetogen. Al laagt g', o Isrel, als weleer, Gebukt bij tichelstenen neer, Toen gij uw juk moest dragen,

En zwart waart door uw dienstbaarheid, U is een beter lot bereid: Uw heilzon is aan 't dagen.

Scheld met Uw stem het wild gediert', Dat in het riet zo weeld'rig tiert; De stier- en kalverbenden; Het volk, dat stukken zilvers geeft, En dus zich onderworpen heeft, Maar loert op onz' ellenden. Gewis, wij zien hen reeds berooid, En 't oorlogszuchtig volk verstrooid; Gezanten zullen naad'ren; Egypte zal met Morenland, Tot God verheffen hart en hand, Den God van onze vaad'ren.