PREEK · KERKELIJK JAAR

Doch sommigen twijfelden - Mattheüs 28

Pasen - 4 mei 2025

Mattheüs 28:17: En als zij Hem zagen, baden zij Hem aan; doch sommigen twijfelden.

INLEIDING

Op de berg in Galilea, die Christus Zelf had aangewezen, ontmoeten meer dan vijfhonderd volgelingen de opgestane Heere. Ze zijn gegaan in gehoorzaamheid aan Zijn beloftewoord. Als zij Hem zien, aanbidden zij Hem — doch sommigen twijfelen, geslingerd tussen geloof en ongeloof. Maar Jezus komt Zelf naar hen toe en spreekt: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Zo geneest Hij de twijfel niet door eigen inspanning, maar door Zijn genadige nabijheid en onfeilbare Woord.

THEMA

De verschijning op de berg

KERNPUNTEN

  1. Gegaan in de weg die hen gewezen is
  2. Getwijfeld aan de Heere die hen verschenen is
  3. Genezen door de kracht Zijn genade

MATTHEÜS 28:16-20

16 En de elf discipelen zijn heengegaan naar Galiléa, naar den berg waar Jezus hen bescheiden had.
17 En als zij Hem zagen, baden zij Hem aan; doch sommigen twijfelden.
18 En Jezus bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.
19 Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb.
20 En zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen.

VOLLEDIGE TEKST

Doch sommigen twijfelden - Mattheüs 28

ds. J. IJsselstein - Mattheüs 28:17

THEMA

De verschijning op de berg

Gemeente, we overdenken vanmorgen met Gods hulp ons gelezen Schriftgedeelte. Mattheüs 28:16-18, met bijzondere aandacht voor het 17e vers: En als zij Hem zagen, baden zij Hem aan; doch sommigen twijfelden.

Het thema voor de preek is: De verschijning op de berg

Er zijn drie aandachtspunten: 1. Gegaan in de weg die hen gewezen is 2. Getwijfeld aan de Heere die hen verschenen is 3. Genezen door de kracht Zijn genade Gegaan, getwijfeld en genezen.

Als eerste dus:

1. Gegaan in de weg die hen gewezen is

Vers 16 zegt: En de elf discipelen zijn heengegaan naar Galiléa, naar de berg waar Jezus hen bescheiden had.

Ze zijn gegaan in de weg die de Heere hen gewezen heeft. Naar de berg in Galilea die de Heere hen had aangewezen. De elf discipelen. Maar uit het verband blijkt, dat er nog meer mannen bij geweest zijn. Want vers 17 zegt: sommigen twijfelden. De elf discipelen hebben niet meer getwijfeld aan de opstanding van hun Meester. De Heere heeft hen al meerdere keren opgezocht en ontmoet. Hij heeft Zich aan hen met vele gewisse kentekenen levend vertoond, veertig dagen lang, zijnde van hen gezien, en sprekende van de dingen die het Koninkrijk Gods aangaan (zegt Lukas in Hand. 1:3).

Hier zijn (zo wordt algemeen aangenomen) niet alleen de elf discipelen, maar ook heel veel andere volgelingen van de Heere Jezus uit Galilea. Hier vindt plaats, dat waar Paulus over schrijft in 1 Korinthe 15:6: Daarna is Hij gezien van meer dan vijfhonderd broederen op eenmaal (op deze berg in Galilea), van welke het meerderdeel nog overig is, en sommigen ook zijn ontslapen.

Op een berg in Galilea. Ooit was het in die landstreek van Galilea duister. Het werd het ‘Galilea der heidenen’ genoemd. Daar, zo profeteerde Jesaja ooit, zat een volk in duisternis. Maar daar in Galilea zou ook een groot licht opgaan. Jesaja profeteerde het in Jesaja 9:1: Het volk dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien; degenen die wonen in het land van de schaduw des doods, over dezelve zal een licht schijnen. Wat gebeurde, toen de Heere Jezus kwam preken in dat verachte Galilea. Toen zijn velen Hem gevolgd. Hij opende hun blinde ogen. Hij overtuigde ze door de kracht van Zijn woorden, en door het werk van de Heilige Geest in hun harten. Toen de Heere Jezus kwam, om aan armen het Evangelie te verkondigen. Om te genezen die gebroken zijn van hart.

Maar vlak voor Zijn lijden, is de Heere vertrokken uit dat noordelijke Galilea. Op weg naar Jeruzalem, om daar te lijden en sterven (Matt. 16:21). En natuurlijk is dat ondertussen hier in Galilea ook doorgedrongen. Het gerucht dat Jezus van Nazareth overgeleverd, gekruisigd, gestorven en begraven is. Wat moet dat de volgelingen van de Heere Jezus in Galilea verward hebben. Net als de vrouwen die Hem gevolgd waren, en de discipelen. Hij was hun Hoop. Hij was hun Leven geworden. Hij was toch Degene, Die Israël verlossen zou? Maar nu zijn ze Hem kwijt...

Maar ondertussen is er ook een ander gerucht tot hen doorgedrongen. De boodschap van de discipelen en van de vrouwen: Dat Hij opgestaan is. Dat Hij leeft. En dat Hij verschenen is aan Maria Magdalena, aan Petrus, en aan de Emmaüsgangers. En zelfs ook bij hen in de buurt, aan de discipelen, die daar een nacht gevist en niets gevangen hadden. Totdat Hij op de oever van het Meer van Galilea verscheen.

Wat heeft het hen geraakt. Tot in het diepst van hun hart. Hoewel ze het misschien wel niet begrepen hebben. Maar één ding is wel gebeurd, in het hart van al die volgelingen van de Heere Jezus, van al deze kinderen van God. Ze hebben de belofte gekregen. De belofte van Hem, Die zij na Zijn lijden, sterven en opstanding nog niet ontmoet hebben.

De opgestane Heere heeft gezegd (ook tegen hen, die zo ver weg wonen, die zo van verre staan) door de mond van de vrouwen (in vers 10): Boodschapt Mijn broederen dat zij heengaan naar Galiléa, en aldaar zullen zij Mij zien. Zoals de Heere ook eerder tegen Zijn discipelen zei: Nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galiléa (Matt. 26:32).

Woorden die hun, midden in de duisternis van hun hart, moed gegeven hebben. Zoals dat ook in deze tijd zo kan zijn: Woorden van de Heere, die het hart van Zijn kinderen raken. Midden in hun duisternis, terwijl er zoveel vragen zijn in hun ziel. Maar woorden, die met kracht tot hen spreken. En die hen dringen om de weg te gaan die de Heere aan hen wijst.

De weg van biddend verwachten. De weg van de middelen. Van het komen onder de prediking van het Woord, daar waar de Heere spreken wil. De weg van zoeken in de Schriften. De weg van verborgen gebed om de vervulling van het beloftewoord. Ze hebben het woord van de belofte niet alleen met verwondering en blijdschap gehoord. Maar ze zijn ook werkzaam gemaakt met die belofte. Zijn niet gaan rusten, niet gaan afwachten. Maar ze zijn met verwachting naar Galilea gegaan.

Naar de berg waar Jezus hen bescheiden had. Naar de plaats die hun Meester hun had aangewezen. De plaats waar Heere zal verschijnen, staat vast. Ook nu! Niet overal en nergens. Maar in stilte op berg die aangewezen is. Zoals ook in de stilte van deze plaats, die de Heere aangewezen heeft. Omdat Hij hier onder de prediking van Zijn Woord wil verschijnen, wil spreken en harte-vragen wil oplossen. Want (zo zegt Paulus in 1 Korinthe 1) nademaal in de wijsheid Gods de wereld God niet heeft gekend door de wijsheid, zo heeft het Gode behaagd, door de dwaasheid der prediking zalig te maken die geloven (1 Kor. 1:21). Hier, onder de prediking van het Woord, wil de Heere verbinden de gebrokenen van hart, gevangenen vrijheid uitroepen, en de gebondenen opening der gevangenis (Jes. 61:1).

Ze gaan naar Galilea. In gehoorzaamheid. En wachtend op de vervulling van de belofte. Die zeker komen zal. Dat weten ze. Want God heeft het beloofd. En God is geen God, Die liegen zou, of een mensenkind, dat het Hem berouwen zou.

Het is eigenlijk (als je die meer dan vijfhonderd mannen in gedachten voor je ziet), het is eigenlijk een heel divers, een heel verschillend gezelschap.

a. Daar zijn de elf discipelen. Die het voorheen ook niet begrepen. Die voorheen ook niet wilden, dat hun Heere zou moeten lijden en sterven. Petrus zei het ook: Dat zal U geenszins geschieden (Matt. 16:22). Ze hadden het tot dan toe niet begrepen. Dat het moest. Omdat aan Gods gerechtigheid genoeg gedaan moest worden (Zondag 5, HC). Omdat er zonder bloedstorting geen vergeving zou zijn (Hebr. 9:22). Vanwege de heiligheid en de rechtvaardigheid van God, Die toornde over de zonde.

Daarom was het in hun leven allemaal zo anders gelopen dan gedacht. Toen de Heere wel ging lijden en sterven. Toen liep het in de ervaring van hun hart helemaal mis. Ze raakten hun Meester kwijt. En dus raakten ze in de ervaring van hart alles kwijt.

Totdat Hij Zelf naar hen toe kwam. En Zich aan hen openbaarde, Zich voor hen onthulde. Hij verscheen in hun leven. Het ging van Hem uit. Hij deed het. Hij opende hun verstand, hun ogen en hun hart. En Hij opende de Schriften. Om hun te leren, dat dit echt moest! Omdat naar Gods welbehagen voldaan moest worden aan Gods rechtvaardige eis.

Hij leerde hun de betekenis van Zijn lijden en sterven, van Zijn dood aan het kruis, en van Zijn opstanding. Van dat: Ik voor u, daar u anders de eeuwige dood had moeten sterven.

Hoewel er ook in de kring van de discipelen verschil bleef, ook tussen die elf kinderen van God. Daar was Thomas, die aanvankelijk niet wilde geloven. Daar waren ook Petrus, Johannes en Jakobus, die meer van de Heere geleerd hadden. Ze mochten met de Heere mee op de berg der verheerlijking, en ze mochten dieper met Hem mee, de hof van Gethsémané in. De elf discipelen zijn er, op die berg in Galilea.

b. Maar ook honderden andere broeders, volgelingen van de Heere Jezus. Gegrepen in hun hart, door de prediking van Jezus van Nazareth. Die aan armen het Evangelie had verkondigd. Zijn liefdevolle woorden hadden hun hart geraakt en gegrepen. De brug naar hun oude, zondige leven was opgehaald. Ze wilden nooit meer terug. Hij was hun Leven geworden.

Maar nu… Ja, hoe is het nu in hun hart? Na al die berichten? Over het sterven en de opstandig van hun Heere? Misschien is wel veel verwarring in de harten van sommigen. Maar het beloftewoord van de Heere dringt hen allemaal naar de plek waar ze nu zijn. De Heere heeft immers gezegd: Ga naar deze berg, daar zal Ik u ontmoeten.

Daarom zit u vanmorgen misschien ook wel hier, in de kerk. Misschien ook wel met een hart vol verwarring, vol twijfel en vragen. ‘t Klopt allemaal niet meer. Zou het allemaal wel waar zijn in uw leven? Zou het wel echt het werk van de Heere geweest zijn? Maar één ding: Er is een woord van de Heere, Die gezegd en beloofd heeft: ‘Hier zal Ik wonen. Hier zal Ik naar Mijn schapen vragen. Ik zal Sions, Ik zal der armen spijs, hier zegenen op de ruimste wijs. Hier zal Ik Mijn nooddruftigen met brood verzadigen. Hier zullen Mijn gunstgenoten zeer juichen (Ps. 132)’. Als Ik naar hun hart spreken zal (Hos. 2:13).

Een heel verschillend gezelschap, daar op die berg, die de Heere had aangewezen. Onbekeerden zijn er niet bij. Aan hen is de Heere na Zijn opstanding niet meer verschenen. Dit zijn allemaal kinderen van God. Maar zo verschillend! Er zijn mensen die de indruk willen wekken, dat al Gods kinderen blijde, gelovige, en verzekerde mensen zijn. Hier blijkt dat anders is.

Hier zien we, net zoals dat nu is onder Gods kinderen, dat er in de kring van de discipelen van de Heere verschillen zijn. Er zijn kinderen van God, die veel van de Heere geleerd hebben. Vaak door moeilijke wegen van ontdekking. Van diepere ontdekking aan hun van zichzelf verloren bestaan, aan hun blijvend zondige hart. Vaak door moeilijke wegen van duisternis, van geestelijke verlating, van aanvechting en strijd. Moeilijke wegen, waarin de Heere hun geleerd heeft om niet te rusten op hun gevoel of

op hun ervaring. Maar om vastheid te zoeken en te vinden buiten henzelf. In (wat ons avondmaalsformulier noemt): de gewisse belofte van God.

Maar er zijn ook kinderen van God, die nog maar net op de weg van de genade zijn. Die nog maar pas bekeerd zijn. Die misschien aanvankelijk wel dachten: het gaat goed, het gaat vooruit. Zo in beslag genomen, zo gegrepen door ‘t goede van de dienst van de Heere. Zo levend van hun gevoel. Zo bezig met hun eigen goede werken. Zoals de vrouwen op die Paasmorgen met hun specerijen op weg gingen, om iets te doen voor hun Heere. Zonder te zien dat alles volbracht was, Voor hen, door Christus. Waar ze (net als sommigen hier op berg) toen nog maar zo weinig zicht op hadden. Waar ook zij nog zo blind voor zijn…

Een grote groep, allemaal kinderen van God, maar heel verschillend. Maar wel samen op de plaats waar de Heere wil dat ze zijn. Heel verschillend. Maar in sommige opzichten zijn ze toch ook weer gelijk: ze verwachten de Heere! Zit u vanmorgen hier ook zo in de kerk? Verwacht u de Heere? In al uw klachten, hopend op Zijn onfeilbaar Woord?

Zij verwachten de Heere op grond van Zijn woord, op grond van Zijn belofte. De één vast zekerder dan de ander, maar toch! Dat is wat de Kerk (met een hoofdletter), dat is wat Gods kinderen samenbindt. Wat artikel 27 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt: Die kerk is een heilige vergadering van ware Christ-gelovigen, al hun zaligheid verwachtende(!) in Jezus Christus. En die zo de Heere verwachten, in al hun klachten, die zullen nooit beschaamd worden. Zoals Psalm 9 ook zegt: En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat U, HEERE, niet hebt verlaten degenen die U zoeken (Ps. 9:11).

Laten we daar biddend om zingen met Psalm 69:3: Beschaam door mij de stille hope niet Van hen, die U, o HEER der legerscharen, Verwachten; laat geen schande wedervaren Aan hen, die U steeds zoeken in verdriet. Met mij verging hun hoop, o Isrels God, Daar ik mijn smaad om Uwentwil moet dragen. Mijn aanschijn is bedekt met schand' en spot; Helaas, wat heb ik stof tot bitter klagen!

We gaan verder met ons tweede aandachtspunt:

2. Getwijfeld aan de Heere die hen verschenen is

Want, als ze daar zijn, die meer dan vijfhonderd broeders, in de stilte van de eenzaamheid, op de berg die de Heere aangewezen heeft, dan blijkt opnieuw: de Heere houdt Zijn woord! Hij verschijnt!

En, zegt vers 17: En als zij Hem zagen, baden zij Hem aan; doch sommigen twijfelden. Ze zien Hem, in Zijn verheerlijkte lichaam. In glorie en heerlijkheid. Niet meer in de verschijning van een dienstknecht, maar nu als de verhoogde Koning. Een hemelse verschijning van de verhoogde Heere Jezus Christus, in Zijn menselijke natuur. Voorheen Man van smarten, maar nu met heerlijkheid en eer gekroond.

Hij komt! En ze zien Hem! En ze buigen diep voor Hem. Ze aanbidden Hem. Ze geven Hem Goddelijk eer. En buigen zich op het allerdiepst voor Hem neer. Vol van Hem! Zij zien Hem. Zijn zien niemand anders dan Jezus alleen. In Zijn heerlijkheid. Hun zo gewillige Zaligmaker. Die Zijn leven voor hen gaf! Overgeleverd om hun zonden, opgewekt om hun rechtvaardigmaking (Rom. 4:25). Wat een liefde. Wat een eenzijdige liefde. Wat een vernedering. Wat een verhoging. Van Hem, Die zegt: Vrede zij ulieden. Ik ben uw Heil alleen.

Als je de Heere zo mag ontmoeten, als je Hem zo mag zien met een oog van geloof, dan kan het niet anders, dan buig je diep met je gezicht op de grond. Kent u zulke persoonlijke ontmoetingen met de Heere? Wie de Heere ontmoet, in deze tijd door de prediking van Zijn Woord, Wie Zijn stem hoort, die kan niet anders dan diep voor Hem buigen.

De elf discipelen herkennen Hem direct: Dit is de Heere! En ze buigen diep. Ze aanbidden Hem. Doch…, maar… sommigen twijfelden. Het is hier op aarde de volmaaktheid niet. En dus is er een ‘maar’. Sommigen zagen Hem wel, maar… twijfelden. De omstandigheden zij hetzelfde. Het zijn allemaal kinderen van God. Ze verwachten allemaal de verschijning van hun Heere. Maar... hun hart. Daar zit het verschil!

Sommigen twijfelen. Nee, niet met het stellige ‘nee’ van Thomas destijds. Maar aarzelend, twijfelend, zoals (zegt Matthew Henry) een balans of een weegschaal, dan eens naar de ene, en dan weer naar de andere kant helt… Is Hij het echt? Dit is toch niet de Jezus, Die ze tot nu toe voor ogen hadden? Zou Hij geen Koning worden van een aards Koninkrijk? Zou het geen verbeelding zijn, wat we zien?

Zoals je ook nu in deze tijd, als de Heere in je leven is gaan werken, zo aarzelen, zo twijfelen kan: Zou het wel echt zijn? Is het niet iets van mezelf? Is het niet allemaal m’n opvoeding? Is het niet gewoon verbeelding? Het Woord van de Heere deed kracht in je ziel. Daarom zijn zij hier ook op de berg. Je kan niet ontkennen dat de woorden van de Heere je hart geraakt hebben. Woorden, die je nooit zult vergeten. Maar…, was het wel echt?

En zou dat wel kunnen met… zo’n hart als ik heb? Dat zo hard is? Waar nog zoveel zonde woont? Zoveel zonden, zoveel schuld, zoveel ongeloof? Kan dat wel? Dat ik een kind van God ben? Zo’n grote zondaar?

Zij zien Jezus ook… Zoals het zwakke geloof van Gods kinderen dat soms ook nu doet: Jezus zien. In Zijn kostbaarheid, in Zijn noodzakelijkheid, in Zijn beminnelijkheid. In de prediking van het Woord. In de tekenen van de heilige sacramenten. De Heere zien. Ja, maar nog zo omgeven door aarzeling en twijfel: Is het wel echt, wat ik zie? Hun gezicht is nog zo in nevels gehuld. Het begint (net als op de dag van de opstanding) te lichten. Maar het licht wil maar niet doorbreken.

U hebt gehoord op Goede Vrijdag: van de gewilligheid van de Heere Jezus, van Zijn weergaloze liefde tot zondaars. U hebt gehoord op Pasen: dat Hij de dood en de macht van de hel overwonnen heeft. Maar het stokt… Het lukt u niet die twijfel van u af te werpen. Het blijft maar hangen in uw hart: Zou het wel waar zijn? Zou het wel waar zijn… voor mij?

Het geloof van degenen die oprecht geloven, kan nog zo zwak zijn, zo wankelend, zo aarzelend… Onverstandig en traag van hart om te geloven…

Kan je daarin berusten? Ja…? Dan hebt u het over iets anders.

Want wie zo aarzelt, twijfelt en geslingerd wordt tussen geloof en twijfel, die kan niet rusten! Die twijfel is mijn nood. En die twijfel, dat weet ik, dat voel ik, is mijn schuld. Wie zo aarzelt, twijfelt en geslingerd wordt tussen geloof en twijfel, die kan niet rusten! Die roept met de vader van de maanzieke knaap: Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp (Mark. 9:24)! Want in mij is geen kracht om te geloven. Zegt U het tot mijn ziel: ‘Ik ben uw heil alleen. Dan zal ik geloven!’ Dan kan je niet rusten in je twijfel en ongeloof. Dan roep je uit de diepten van al je onvermogen: O Heere, wil bijstand zenden! Haast U tot mijn hulp en red!

Wat is de oplossing? Wat moet er gebeuren? Moet je het zelf doen? Moet je het zelf proberen! Lukt dat? Wat er gebeuren moet? Dat zien we in ons derde punt:

3. Genezen door de kracht Zijn genade

Kijk maar in vers 18: En Jezus bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Er is er maar Eén, Die uw nood kan oplossen. Als u zo verstrikt zit in de twijfel, kinderen van God. En dat is de opgestane Heere Jezus Zelf.

U moet naar Hem toe gaan? Ja, dat is op zich geen on-Bijbelse gedachte. Dat is ook wat de vader van de maanzieke knaap doet. Hij komt, hij gaat met zijn twijfel en ongeloof naar de Heere Jezus toe. Maar wat hier staat, geeft u vanmorgen misschien nog wel meer troost.

Ja, want hoe zouden ik en u met dit hart, met dit verloren leven, met dit ongeloof naar Hem toe gaan? Kan dat wel? Mag dat wel? Durf ik dat wel? Dan zie ik zoveel blokkades. Dan heb ik zoveel bezwaren.

Maar gelukkig voor u. Er staat iets anders: En Jezus bij hen komende. In de heerlijkheid van Zijn verhoging, had Hij op verre afstand kunnen blijven. ‘Geloof je Mij niet? Jammer!’ Maar Hij komt hun tegemoet. In onbegrijpelijke goedheid komt Hij naar hen toe. Want Hij kent hun hart. Weet wat leeft in hun hart. Hun aarzeling. Hun twijfel. Hun liefde. Hun verlangen, hun hoop, hun uitzien, hun honger en dorst. Maar dat ze maar niet durven geloven.

En dus komt Hij naar hen toe! Zoals we vanmorgen bidden, dat Hij ook naar u toe zal komen. Naar u, die zoveel begeerlijks in Hem ziet. Maar… kon u maar geloven, dat het ook voor u was. Als Hij komt (en hier ziet u, dat Hij komen wil en zal), dan brengt Hij alles mee. Wat u mist.

Bij hen komende… Bij hen, die net als wij allemaal, ooit bij God weggegaan zijn in het paradijs. Bij hen, die na ontvangen genade, de hoop niet op Hem gesteld hebben, zoals ze die moesten stellen. En dus zijn ook zij in geestelijke zin weglopers. Ze hebben Hem allemaal verlaten.

Maar in Zijn neerbuigende goedheid weerhoudt het Hem niet, om naar hen toe te komen. Al zijn ze allemaal ontrouw. Hij blijft getrouw. Al durven zij niet te geloven. Hij komt. Bestraffend? Nee. Maar om hen te troosten in al hun twijfel en gemis.

Wat wordt het een wonder, als de Heere zo komt en terugkomt in het leven van degenen die Hem liefhebben. Maar die, net als de vrouwen en de discipelen op de opstandingsdag, Hem kwijt zijn. Die moedeloos zijn, die Hem op de verkeerde plek zoeken. Ze zouden wel willen geloven, maar ze kunnen het niet.

Want een wonder wordt het voor ons, als de Heere Jezus Zelf ons opzoekt. Wat brengt die onverdiende zegen tot verootmoediging, tot verbazing, tot verwondering. Hier verdwijnt ook alle vanzelfsprekendheid! Dit is genade. Dit is wat zij, dit is wat wij niet verdiend hebben. Hier ontsluit zich de diepte van eenzijdige en onverdiende genade en goedheid voor (zoals Psalm 68 ze noemt) wederhorigen, kleingelovigen en tragen van hart.

Hun hart wordt geplaagd door vragen en twijfel. Maar Hij gaat hun vragen genadig oplossen. En de Heere geve ons, dat dat vanmorgen ook bij ons zo zal zijn. Door het werk van Zijn Heilige Geest. Zodat het zal worden, zoals Paulus schrijft in Galaten 1:15: Het heeft God behaagd Zijn Zoon in mij te openbaren. Hoe? Door de drie dingen, die hier in onze tekst opvallen.

a. En Jezus bij hen komende. Hij komt naar hen toe. Hij komt dichterbij.

b. En (dat is het tweede wat opvalt) Hij sprak tot hen. En dan zien ze het. Met hun geopende ogen, met ogen van geloof. En dan horen ze het. Zoals de Heere Zelf ooit zei: Mijn schapen horen Mijn stem. En ze kennen Mijn stem, de stem van de Herder (Joh. 10:4).

c. Hij komt bij hen (dat is het eerste). Hij spreekt tot hen (dat is het tweede). En Hij zegt: Mij is gegeven alle macht in hemel en op de aarde.

Zo komt de Heere nog steeds. Op Zijn tijd. Op de plaats die Hij daarvoor heeft aangewezen. Komend. Sprekend. Persoonlijk en met kracht. Met de kracht van Zijn Heilige Geest. Want Zijn Woord is daad! Als Hij alle twijfel uit ons hart verdrijft. Als Hij ons verstand verlicht, onze ogen en ons hart opent. Als Hij de Schriften opent.

En de duisternis van onze twijfel klaart op. Als ons licht voortbreekt als de dageraad (Jes. 58:8). Als het werkelijkheid wordt: In Uw licht, zien wij het Licht (Ps. 36:10). Als we zien mogen door het geloof: Christus is te Zijner tijd voor de goddelozen is gestorven (Rom. 5:6). Ook voor deze goddeloze.

Woorden die de Heere door Zijn Heilige Geest niet alleen laat horen met onze oren, maar ook laat omhelzen, ook laat aannemen met heel ons hart. Wij riepen in de nood van onze twijfel tot Hem: Vertroost mijn ziel in haar geween! En Hij komt tot ons en zegt tot ons: Ziet hier ben Ik. Vrede zij ulieden. Ik ben uw Heil alleen.

Hij sprak tot hen: Mij is gegeven alle macht. Wezenlijk, als Zoon van de Vader, had Hij alle macht. Maar nu ook als kroon op Zijn werk als Middelaar: Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde.

Mij is macht gegeven in de hemel. Over al de engelen. Ze zijn Mijn nederige dienstknechten (Ef. 1:20-21). Mij is macht gegeven ook als Voorspraak voor u, voor het aangezicht van Mijn Vader. Waar Ik tussentreed voor u. Ik pleit voor uw zaak.

Mij is ook alle macht gegeven op de aarde. Om uw schuld te verzoenen. Om uw harten te vernieuwen. Om u aan Mijn beeld gelijkvormig te maken. Om u vast te houden en te bewaren in alle strijd en aanvechting.

Mij is ook alle macht gegeven op de aarde. Zodat alle knie Zich voor Mij buigen zal. Zoals hier. Ze aanbidden Hem. Of, als u niet wilt, uiteindelijk straks. Want alle tong zal Hem belijden. En alle knie zal Zich voor Hem buigen (Rom. 14:11).

Mij is gegeven alle macht de hemel en op de aarde. Dat is bemoedigend voor de taak, die op de discipelen wacht: Heengaan, in de gehele wereld, om het Evangelie van genade voor zondaars te verkondigen. Dat is troostvol voor al deze broeders, voor hun persoonlijke leven. Als twijfel en ongeloof hen in de stormen van het leven opnieuw zouden overvallen. Dan mogen ze dit Woord vertrouwen. Ook al zien ze, al voelen ze het niet. Dit woord dat vast is: Ik ben met ulieden. En Mij is gegeven alle macht.

Er ligt een moeilijk leven voor hen, vol tegenspoed, vol tegenwerking. Ze dragen een blijvend moeilijk hart met zich mee, overal waar ze heengaan. Maar deze belofte, dit beloftewoord zal nooit meer ongeldig verklaard worden. Hun Meester gaat binnenkort naar de hemel. Maar Zijn beloftewoord blijft. En daar kan zelfs de grootste twijfelaar onder Gods kinderen mee verder.

En ziet, Ik…! Van u is niets meer te verwachten. Niets van u geeft houvast. Maar: Ik! Ik ben met ulieden, al de dagen tot de voleindig der wereld. Ik zal geen van Mijn woorden op de aarde laten vallen. Ik houd getrouw Mijn Woord.

Twijfelaars, gebukt gaand onder uw twijfel… Het donker wil maar niet opklaren…? Houd moed! De Heere zal komen op Zijn tijd. Zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven (Hab. 2:3). En Hij zal nooit laten varen, Hij zal nooit loslaten wat Zijn hand begon.

Verwacht Hem dan. Op de goede plaats. Hopend, biddend en pleitend op Zijn onfeilbaar Woord. Zeggend met David: Doe gelijk als Gij gesproken hebt (2 Sam. 7:25).

Amen.