14 december 2025
Johannes 10:27-28: Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij; En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken.
INLEIDING
In deze nabetrachtingsdienst legt de Heere Jezus uit wat een schaap van Hem tot een schaap maakt: het horen van Zijn stem en het volgen van Hem, beide werk van de Heilige Geest, niet iets van onszelf. Hij kent Zijn schapen door en door en geeft hun eeuwig leven, nu al, als onderpand van de volle zaligheid. Ondanks aanvallen van de duivel, de wereld en het eigen hart, houdt Christus Zijn schapen vast in Zijn hand, en de Vader in Zijn hand: niemand kan hen daaruit rukken. Deze zekerheid rust niet op onszelf, maar op Gods trouwe belofte.
De blijvende zorg van de Herder voor Zijn schapen.
JOHANNES 10:22-30
22 En het was het feest der vernieuwing des tempels te Jeruzalem, en het was winter.
23 En Jezus wandelde in den tempel, in het voorhof van Sálomo.
24 De Joden dan omringden Hem, en zeiden tot Hem: Hoelang houdt Gij onze ziel op? Indien Gij de Christus zijt, zeg het ons vrijuit.
25 Jezus antwoordde hun: Ik heb het u gezegd en gij gelooft het niet. De werken, die Ik doe in den Naam Mijns Vaders, die getuigen van Mij.
26 Maar gijlieden gelooft niet, want gij zijt niet van Mijn schapen, gelijk Ik u gezegd heb.
27 Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij;
28 En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken.
29 Mjn Vader, Die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen, en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders.
30 Ik en de Vader zijn één.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Johannes 10:27-28
THEMA
De blijvende zorg van de Herder voor Zijn schapen.
Gemeente, de tekst voor de preek in deze dienst van nabetrachting na de bediening van het sacrament van het Heilig Avondmaal kunt u vinden in Johannes 10, daarvan de verzen 27 tot en met 30. We lezen Gods Woord en onze tekst in Johannes 10:27-30, waar staat: Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij. En Ik geef hun het eeuwige leven, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken. Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders. Ik en de Vader zijn een.
Het thema voor de preek van vanmiddag is: De blijvende zorg van de Herder voor Zijn schapen. We letten op een drietal aandachtspunten: 1. Het karakter van de schapen: Mijn schapen horen Mijn stem en zij volgen Mij. 2. De gift aan de schapen: en Ik ken dezelve en Ik geef hun het eeuwige leven en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid 3. De zekerheid voor de schapen: en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken. Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders. Ik en de Vader zijn een.
Dus: de blijvende zorg van de Herder voor Zijn schapen: het karakter van de schapen, de gift aan de schapen en de zekerheid voor de schapen. Als eerste dus:
Gemeente, soms lijkt het erop dat wij het verschil kunnen maken: tussen schapen en bokken, tussen gelovigen en ongelovigen. Immers (zo zeggen wij) dat kan je zien. Aan…? Aan de buitenkant? Aan wat je ziet met je ogen? Aan iemands avondmaalgang?
De Heere Jezus zegt het anders. Hij zegt: Het gaat in de eerste plaats om de binnenkant, om het hart. Want, wat maakt een schaap tot een schaap?
Dit (en dat is een vraag voor zelfonderzoek na het gehouden Heilig Avondmaal), dit maakt een schaap tot een schaap, twee dingen:
a. Zij horen Mijn stem. Ze horen. Voorheen was het anders. Voorheen waren ze ziende blind en horende doof (Luk. 8:10En Hij zeide: U is het gegeven, de verborgenheden van het Koninkrijk Gods te verstaan; maar tot de anderen spreek Ik in gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien, en horende niet verstaan.). Sterker nog: voorheen waren ze verloren. Voorheen waren ze blind, doof, kreupel, ja… geestelijk dood door de misdaden en de zonden (Ef. 2:1).
Ze waren van zichzelf niet in staat om tot Christus te komen. Wat iemand ook tegen ons zei, we hoorden het niet. We konden niet horen, we wilden niet horen! Er was iets bovennatuurlijks nodig, waar we zelfs niet om gevraagd hebben (Jesaja 65:1Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; tot het volk, dat naar Mijn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik.). Er was een wonder nodig, dit wonder, dat gebeurde op het moment van Gods welbehagen (zoals de Heere Jezus zegt in Johannes 5): De ure komt, en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven (5:25). Wonderlijk! Doden horen een stem… En nu ze die gehoord hebben, gaan ze leven…
Welke stem horen die doden dan? De stem van de Zoon van God, de stem van Christus. Heel veel mensen in de kerk horen, en reageren daarop… Ze horen de stem van de dominee, en ze reageren daarop... Maar er zijn ook mensen, die horen dwars door al die andere stemmen heen: de stem van Christus!
En dan? Wat gebeurt er dan? De Heere Jezus zei het Zelf tegen de discipelen van Johannes de Doper (toen die in de gevangenis zat): ‘Zeg maar tegen Johannes, wat Mijn stem doet: blinden zien, kreupelen wandelen, melaatsen worden gereinigd, en… doven horen(!), doden worden opgewekt en aan armen wordt het Evangelie verkondigd’ (zie Lukas 7:22En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Gaat heen, en boodschapt Johannes weder de dingen, die gij gezien en gehoord hebt, namelijk dat de blinden ziende worden, de kreupelen wandelen, de melaatsen gereinigd worden, de doven horen, de doden opgewekt worden, den armen het Evangelie verkondigd wordt.).
Want zij horen Mijn stem! Waarom? Omdat zij beter zijn dan anderen? Omdat zij beter luisteren of anders luisteren dan anderen? Nee, maar omdat Mijn stem (zegt de Heere) hen leven gegeven heeft, nieuwe oren om te horen, nieuwe ogen om te zien en een nieuw hart om op te merken.
En sindsdien horen wij, kinderen van God, de stem van de Herder. We kennen die stem (zegt vers 4). We kennen die stem uit duizend andere stemmen. En zeggen met de bruid uit het Hooglied, als Hij spreekt: Dat is de stem mijns Liefsten, ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen! (2:8). En wat geeft dat horen van Zijn stem, ons innerlijk blijdschap, vreugde en vrede.
Dát we zijn stem horen, dat komt van Hem. Daar heeft Hij voor gezorgd en daar zal Hij voor zorgen. Kijk maar naar wat staat in vers 16: Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen(!) Mijn stem horen! Zij zullen Mijn stem horen, met andere woorden: daar zal Ik Zelf voor zorgen.
Dat was toch onze troost vanmorgen, kinderen van God, aan de bediening van het Heilig Avondmaal? Dat we in het bijzonder daar, aan Zijn tafel, Zijn stem mochten horen? Deze stem: Komt gijlieden in een woeste plaats hier alleen, en rust een weinig. Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven. Neemt, eet, dat is Mijn lichaam. Dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt (Mark. 6:31En Hij zeide tot hen: Komt gijlieden in een woeste plaats hier alleen, en rust een weinig; want er waren velen, die kwamen en die gingen, en zij hadden zelfs geen gelegen tijd om te eten., Matt. 11:28Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven., Mark. 14:22En als zij aten, nam Jezus brood, en als Hij gezegend had, brak Hij het, en gaf het hun, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam.,24)
Is het niet het horen van die stem, die ons in ons hart iets gaf en geeft van een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde? Als we naar die stem luisteren en aan die stem denken, dan zingen we toch met de dichter van Psalm 73: Wien heb ik nevens U omhoog? Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog, op aarde nevens U toch lusten? Niets is er, waar ik in kan rusten.
‘Zat u vanmorgen aan de bediening van het Heilig Avondmaal?’ Nee, dat is eigenlijk geen goede vraag. Dit is een betere, dit is een meer Bijbelse vraag: ‘Hoorde u Zijn stem?’ Of at u, zonder Zijn stem te kennen? Of at u niet, terwijl u Zijn stem wel hoorde? Dank de Heere, als u mocht eten, als een schaap dat weidt in grazige weiden, al luisterend naar de vriendelijke en bemoedigende woorden van de goede Herder.
Wat maakt een schaap tot een schaap? In vers 27 zegt de Heere Jezus: Zij horen Mijn stem En, dat is het tweede wat de Heere Jezus daaraan toevoegt:
b. Zij volgen Mij. Dus de schapen van Christus hebben een dubbel kenmerk, ze zijn aan twee dingen te herkennen. Ze hebben één kenmerk aan hun oor (of zo u wilt: aan hun hart), en ze hebben één kenmerk aan hun voet. Want ze horen niet alleen, ze volgen ook. Ze lopen achter de Herder aan.
a. Ze gaan gewillig achter de Herder aan (in de eerste plaats) in het doen van Zijn geboden. Zoals de Heere Jezus zegt in Johannes 14: Indien u Mij liefhebt, zo bewaart Mijn geboden (14:15).
b. Ze wandelen (in de tweede plaats) in beginsel ook in een leven zoals Hij geleefd heeft: nederig en ootmoedig, gericht op hun hemelse Vader en op de hemel zelf. Barmhartig en liefdevol, op zoek naar het verlorene. Daar immers had Hij ook alles voor over. En in dat voetspoor volgen Hem de schapen.
c. Ze zoeken (in de derde plaats) hier geen rust. Ze zoeken niet de luxe van de materie hier, die uiteindelijk zal vergaan. Maar ze volgen de Herder in Zijn gerichtheid op de dingen die boven zijn.
d. Ze volgen hun Herder (in de vierde plaats) ook in het spoor van Zijn lijden. Ze weten dat hun Meester gezegd heeft: In de wereld zult u verdrukking hebben; maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen. (Joh. 16:33Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt. In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen.). Ze volgen hun Meester, de grote Kruisdrager. Wetend dat ze achter Hem ook zelf hun kruis moeten dragen. Zoals ons Doopformulier zegt: we moeten en mogen ons kruis, Hem dagelijks navolgende, vrolijk dragen, Hem aanhangende met waarachtig geloof, vaste hoop en vurige liefde.
e. De schapen volgen de stem van de Herder (in de vijfde en laatste plaats) ook als Hij hen roept tot Zijn dienst. En zo volgen ze de Herder: in de aanwijzingen van Zijn Woord en voorzienigheid.
Wie geen oren heeft om naar Zijn stem te horen, die heeft zonder twijfel ook geen voeten om Hem te volgen. Maar u die Zijn stem gehoord wel hebt, volgt u Hem ook? Of rust, of zit, of ligt u tevreden in de weide waar u aanvankelijk door Hem gebracht bent? De Herder is allang vertrokken, maar u vindt het wel best…? Is het niet de opdracht van uw Heere en Meester om Hem na te volgen?
Zei de Heere Jezus niet: Neem het kruis op en volg Mij (Mark. 10:21En Jezus, hem aanziende, beminde hem, en zeide tot hem: Een ding ontbreekt u; ga heen, verkoop alles, wat gij hebt, en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op, en volg Mij.)? Ziet, Ik zend u als schapen in het midden der wolven (Matt. 10:16Ziet, Ik zende u als schapen in het midden der wolven; zijt dan voorzichtig gelijk de slangen, en oprecht gelijk de duiven.). En tot sommigen van u klonk en klinkt heel in het bijzonder: Volgt Mij na, en Ik zal u vissers der mensen maken. Verlaat dan uw netten (uw dagelijkse werk) en volg Hem, waar Hij ook heengaat! (Matth. 4:19-20En Hij zeide tot hen: Volgt Mij na, en Ik zal u vissers der mensen maken. Zij dan, terstond de netten verlatende, zijn Hem nagevolgd.).
Kinderen van God, laten we gewillig Christus volgen, op een weg van kruisdragen, smaad en verachting.
a. De schapen horen de stem van de Herder. Zijn ze van zichzelf zo, kinderen van God? Nee, we hebben gezien: zo zijn ze gemaakt door het werk van de Heilige Geest. b. De schapen horen de stem van de Herder en de schapen volgen de Hem. Zijn wij van onszelf zo, kinderen van God? Nee, zegt de apostel Petrus niet: we waren voorheen als dwalende schapen? Maar nu, zo zegt hij, bekeerd tot de Herder en Opziener van uw zielen (1 Petrus 2:25Want gij waart als dwalende schapen; maar gij zijt nu bekeerd tot den Herder en Opziener uwer zielen.).
Volgen is dus geen kwestie van zelf doen en zelf presteren. Ook daar is genade voor nodig. Want zo volgzaam zijn de schapen van zichzelf niet. Ze zijn en blijven geneigd tot dwalen en verdwalen. Dat ontlokt de dichter van Psalm 119 de zucht: Gelijk een schaap heb ik gedwaald in 't rond, dat, onbedacht, zijn herder heeft verloren. Ai, zoek Uw knecht, schoon hij Uw wetten schond, want hij volhardt naar Uw geboôn te horen. Voorheen dwalend en verdwalend, maar helaas ook na ontvangen genade nog zo geneigd om al dwalend, onbedacht de Herder uit het oog te verliezen. Totdat Hij ons weer opzoekt en vindt en terechtbrengt.
En dus vraagt alles in ons, niet alleen eenmalig, maar steeds weer en blijvend om het werk van God de Heilige Geest. Die niet alleen levend maakt en doet horen. Maar Die ook voeten geeft om de Herder te volgen.
Bent u niet straatarm en doodongelukkig, u die de stem van de Herder niet kent? En Hem dus ook niet volgt? U bent nog steeds verloren. Niets houdt u weg van het eeuwige oordeel en van de eeuwige ondergang dan Gods geduld alleen. O, hoor toch, luister toch naar Zijn stem. Verhard u niet langer, maar laat u leiden.
We gaan verder met ons tweede aandachtspunt:
Want, zegt de Heere Jezus: Ik ken dezelve (…) en Ik geef hun het eeuwige leven. Ik ken ze. Let vanmiddag, kinderen van God, op de troost die de Heere aan u meegeeft voor de tijd die voor u ligt. Ik ken ze… Ik ken, Mijn schapen. Mijn kinderen, Ik ken u…
Luister, zo zegt de Heere: Heft uw ogen op omhoog, en ziet, Wie deze dingen geschapen heeft, Die in getal hun heir voortbrengt (die ontelbare menigte van sterren); Die ze alle bij name roept, vanwege de grootheid Zijner krachten, en omdat Hij sterk van vermogen is; er wordt er niet een gemist. Waarom zegt u dan, o Jakob! en spreekt, o Israël! mijn weg is voor de HEERE verborgen, en mijn recht gaat van mijn God voorbij? (Jes. 40:26-27Heft uw ogen op omhoog, en ziet, Wie deze dingen geschapen heeft; Die in getal hun heir voortbrengt; Die ze alle bij name roept, vanwege de grootheid Zijner krachten, en omdat Hij sterk van vermogen is; er wordt er niet een gemist. Waarom zegt gij dan, o Jakob! en spreekt, o Israël! mijn weg is voor den HEERE verborgen, en mijn recht gaat van mijn God voorbij?). Ik ken u, zegt de Herder. Mijn oog rust op u (Ps. 32:8Ik zal u onderwijzen, en u leren van den weg, dien gij gaan zult; ik zal raad geven, mijn oog zal op u zijn.).
Christus kent Zijn schapen, door en door. Kinderen van God, Hij kent onze zwakheid, Hij weet wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde dat wij stof zijn (Ps. 103:14Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn.). Hij kent onze neiging tot struikelen, vallen en verdwalen.
Hij kent Zijn schapen al van eeuwigheid af. Paulus zegt in Romeinen 8: God heeft ons tevoren gekend. En die Hij gekend en verordineerd heeft, die heeft Hij ook geroepen. Hij heeft ons geroepen, en wij hebben Zijn stem gehoord (zie Rom. 8:29-30).
En zou Hij die ons van eeuwigheid af gekend heeft, ons niet liefgehad hebben? Ja, zegt de Heere: Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid (Jer. 31:3De HEERE is mij verschenen van verre tijden! Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.). Hij heeft ons getrokken, en wij zijn Hem gevolgd.
In vers 14 zegt de Heere Jezus: Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen, en worde van de Mijnen gekend. Ik ken ze. Ik ken u, o Mijn schapen. En daarom kent u Mij ook!
Jongelui, je allerliefste vriend of vriendin zegt: ‘ik ken je, ik ken je door en door’. Onze Heere en Zaligmaker zegt, tegen al Zijn kinderen, tegen Zijn liefste, tegen Zijn bruid: ‘Ik ken u’. U bent zwak van moed en klein van kracht. Ik weet het, want Ik ken u. U struikelt, u valt, u durft niet, u bent bang. Ik weet het, want Ik ken u. Ik ken u, Ik heb u lief. En Ik weet, dat u Mij ook kent, en dat u Mij liefhebt. Om Wie Ik ben. Om wat Ik deed voor u. Want (vers 15) Ik heb Mijn leven gesteld voor de schapen. Ik heb Mijn leven gegeven voor u!
Ik heb u gekend, liefgehad, getrokken, geroepen, en Ik heb u ook… voor altijd veilig gesteld. Want, zo zegt de Heere in vers 28: Ik geef hun het eeuwige leven en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid. Ik heb u leven gegeven, waardoor uw dorre doodsbeenderen tot leven kwamen. En Ik geef u leven, zoals staat in vers 10b: Ik ben gekomen, opdat zij het leven hebben, en overvloed hebben. Wie van ons wil er nu niet leven? Dat hoort bij onze natuur, om te willen leven! En nu (dit is het geluk van Gods schapen!), nu zegt de Heere: Ik geef hun het eeuwige leven.
Ik geef het u. Het is een gift. Niet een gift die u in de toekomst tegemoet kunt zien, maar Ik geef het u nu. Als het onderpand en de voorsmaak, als de knop en de kiem van het leven in de eeuwige heerlijkheid en zaligheid straks.
Is dat niet wat de Heere ons gaf, is dat niet waar we iets van proefden aan de bediening van het Heilig Avondmaal? ‘Hier, Mijn kind, proef en smaak, en geloof: Ik geef u het eeuwige leven! U moest de eeuwige dood sterven, maar door Mij, door Mijn dood en door Mijn leven, geef Ik u: eeuwig leven en eeuwige gelukzaligheid!’
U zult niet verloren gaan in der eeuwigheid. U zult misschien wel veel verliezen moet lijden: gezondheid, werk, vrienden, reputatie, bezit… En Ik zeg u ook niet, dat uw schip geen schipbreuk zal leiden. Maar u zult wel veilig aankomen op de stranden van de eeuwigheid. En Ik zeg u ook niet dat uw huis niet zal afbranden. Maar u zelf zult naar ziel en lichaam voor eeuwig veilig thuiskomen. En u zult niet verloren gaan. Eenmaal in de ark, zult u er nooit meer uitgezet worden. Want Ik, Immanuël, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld (Matth. 28:20En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen.).
Woorden, die een scherpe lijn trekken, dwars door ons als gemeente heen. Wij trekken graag de lijn rond het sacrament. De een zegt: ‘wie aangaat is gered, maar wie blijft zitten is verloren’. De ander zegt: ‘u, dominee, moet zeggen dat de lijn dwars door de tafel zelf heen loopt’.
Maar ik spreek alleen mijn Zender na. En vraag u om ernstig te luisteren naar Zijn stem. Zo zegt de Heere: Wie gekend is… Wie als een dode Zijn stem gehoord heeft en daardoor opgewekt is uit geestelijke dood en vijandschap… Wie als een verlorene door Hem gevonden is… En wie sindsdien naar Zijn stem luistert en Hem volgt, klein en machteloos in zichzelf, gebroken van hart, maar geliefd, opgetild en gedragen door Hem, die zal niet verloren gaan!
Maar de anderen wel! Zij die zichzelf weiden... Zij die zeggen, dat ze zelf wel konden horen... Zij die zeggen, dat ze besloten hebben om Jezus uit te nodigen in hun hart, om Hem het voorstel te doen van hun goede keus… Zij die rusten in dode rechtzinnigheid en vormendienst, tevreden met hun geestelijke dood en met een hart vol van ongerechtigheid. Ja, u allemaal, die niet in Christus bent, en Zijn stem nog nooit hebt gehoord. O, zie het toch, u bent verloren! En u gaat verloren!
Waarom schrikt u daar niet van? Waarom raakt u dat niet? Waarom blijft u zo rustig zitten? Is uw hart dan zo verhard geraakt? De schapen van Christus zullen niet verloren gaan, maar u, als u zo doorgaat, wel!
Schrik toch wakker! Zie toch uw gevaar! De toorn van God rust op u, maar u voelt het niet. U hangt met één been boven uw eeuwige rampzaligheid, maar u ziet het niet. En de liefdevolle stem van Christus komt tot u, maar u hoort het niet.
Beken toch wat tot uw vrede dient. Bekeer u en heb berouw. Belijd uw zonden en geloof het Evangelie!
Laten we, voordat we verder gaan met ons derde aandachtspunt, eerst zingen uit Psalm 95, daarvan het vierde vers: Psalm 95:4. Want Hij is onze God, en wij Zijn 't volk van Zijne heerschappij, De schapen, die Zijn hand wil weiden; Zo gij Zijn stem dan heden hoort, Gelooft Zijn heil- en troostrijk woord; Verhardt u niet, maar laat u leiden.
Ons derde aandachtspunt:
Want de Heere Jezus zegt: En niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken. Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders. Ik en de Vader zijn een.
Jongens en meisjes, denk eens even mee. Wanneer ben je het meest veilig? Als je op het randje van het perron staat, op het station, vlak bij de rails waar zo meteen een trein overheen komt razen… Wanneer ben je het meest veilig? Als jij zegt: ‘papa mag ik uw hand vasthouden?’ Of als papa zegt: ‘ik pak jouw hand, ik zal je stevig vasthouden?’ Als jij zegt, dat jij papa vasthoudt? Of als papa zegt, dat papa jou zal vasthouden?
Ik weet het zeker: je voelt je het meest veilig en je bent het meest veilig, als de grote hand van papa stevig jouw kleine handen vastpakt en omklemt (zo helemaal eromheen).
Maar, zo zeg je: ‘een kind van God, een schaap van de goede Herder, hoeft toch niet bang te zijn?’ Jij toch ook niet? Maar soms ben je het wel. Zo is het ook met Gods kinderen. We kunnen bang zijn. Dat is de reden, waarom de Heere Jezus zo vaak tegen Zijn discipelen zei: ‘vrees niet!’ Met andere woorden: wees niet bang!
Waar zijn we dan bang voor? a. We zijn bang voor wat de duivel doet. Die maakt zo vaak onrust, die probeert ons te pakken en te grijpen, door ons bang te maken, door twijfel te zaaien in ons hart en door ons heel vriendelijk te verleiden tot zonde. Je voelt dat duivelse in wat de Heere zegt in vers 12: de wolf grijpt ze en verstrooit de schapen. De duivel is net een boze wolf.
Maar wij houden de hand van de Heere? Nee, de Heere houdt onze handen vast.
b. We zijn bang voor wat de duivel doet, maar we zijn ook bang voor de wereld. Want aan de ene kant lokt de wereld ons met alle mooie dingen van nu, die zo glinsteren. De wereld probeert ons het gevoel te geven, dat het hier op de aarde ook best leuk en gezellig is, terwijl ons nieuwe hart ons trekt naar de dingen van de Heere, ons trekt naar de hemel zelf. En aan de andere kant maakt de wereld ons het leven moeilijk. Zoals de Heere dat van tevoren ook tegen ons gezegd had: In de wereld zult u verdrukking hebben (Joh. 16:33). De wereld, de zondige mensen van de wereld, die geen schapen zijn van de goede Herder, zij maken ons het leven moeilijk. Ze minachten ons, ze vallen ons lastig. Maar wij houden de hand van de Heere? Nee, de Heere houdt onze handen vast.
c. We zijn bang voor de duivel, en voor de wereld, maar we zijn vooral bang voor onszelf. De mensen die geen kind van God zijn, die geen schaap zijn van de goede Herder, zij zijn vaak tevreden met zichzelf, zij zijn vaak trots op zichzelf. Maar Gods kinderen, Zijn schapen, wij zijn bang voor zichzelf. We zijn bang om te verdwalen. We zijn bang om te struikelen. We zijn bang om in de zonde te vallen. We zijn bang om hoogmoedig te worden en te denken dat we het allemaal zelf wel kunnen. Want zo zijn wij! En daar zijn we bang voor. Voor onszelf.
Hoe dat komt? Dat komt (enerzijds) omdat we weten hoe ons hart is. We kennen een klein beetje ons eigen hart. Ons hart, dat ons zo vaak bedriegt (Jer. 17:9Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen?). Het komt (anderzijds) ook omdat we weten dat het zo goed is, dat het het allerbeste is om klein en afhankelijk van de Heere te zijn. Dan immers worden we gedragen in Zijn armen (Jes. 40:11). Daarom zegt de apostel Paulus: als ik zwak ben, dan ben ik machtig (2 Kor. 12:10Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus' wil; want als ik zwak ben, dan ben ik machtig.).
Dus zijn wij, kinderen van de Heere, net zo bang als jij aan de rand van het spoor op het station. Maar (en daar zijn we echt heel blij mee en dat geeft ons heel veel troost), maar wij steken onze handen uit naar de Heere? Ja, soms ook. Maar daarmee is het gevaar niet weg. Want als we dat vergeten of een keer niet doen, dan… Nee, maar het is anders: de Heere steekt Zijn handen naar ons uit. De Heere houdt ons vast.
En niemand kan ons uit Zijn handen rukken. De Heere houdt Zijn schapen vast in Zijn handen. Zo vast als jij je geld vasthoudt in je handen. Je doet je hand helemaal dicht. En niemand is in staat om dat geld uit je handen weg te grissen. Zo houd Ik, zegt de Heere Jezus, Mijn schapen vast in Mijn handen.
Want, wie Ik gekregen heb van Mijn Vader -in de eeuwigheid al-, wie Ik gekocht heb met de prijs van Mijn kostbare bloed -op Golgotha-, Mijn schapen, niemand zal ze ooit van Mij kunnen afpakken.
In de handen van Christus, kinderen van God, zijn we veilig. Ook op de onbekende weg die voor ons ligt. Wat er ook gebeurt, wat de duivel ook doet, hoe de wereld ook aan ons trekt, hoe ons eigen hart ook dwaalt en verdwaalt... Ons leven en ons hart liggen in de handen van Christus. Gekoesterd door Hem: ‘Deze heb Ik gekregen en gekocht. Ik heb ze vast in Mijn handen, als waren ze aan de binnenkant van Mijn handpalmen geschreven’. Zoals de Heere zegt (door de mond van Jesaja): Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd, uw muren zijn steeds voor Mij (Jes. 49:16Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd; uw muren zijn steeds voor Mij.).
Maar er is nog meer. Er zijn niet twee handen, maar er zijn vier handen die ons vasthouden. Want, zegt de Heere Jezus (in vers 27-30): Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij. En Ik geef hun het eeuwige leven, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken. Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen (dat zegt de Heere Jezus in de zwakheid van Zijn menselijke natuur); en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders. Ik en de Vader zijn een. Eén in wezen, maar vooral ook (in dit verband) één in wijsheid, kracht en werk.
Van Christus als Middelaar geldt: Aan Hem is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde. Van de Vader geldt: Hij is de Schepper van de einden van de aarde. Zijn macht is groot, Zijn trouw zal nooit vergaan. Hij is zo getrouw als sterk (Ps. 93, 138). Want, zo zegt de Heere in Jesaja 54: Want bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen; maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de HEERE, uw Ontfermer (Jes. 54:10).
Vier eeuwige, machtige en liefhebbende handen houden Zijn kinderen vast. Zelfs het meest onhandelbare kind… Zou iemand van ons, een kind wat onhandelbaar is, op straat zetten? Geen van Gods onhandelbare schapen wordt ooit door Hem opzijgezet. Wie in de ark is, wordt er nooit meer uitgezet. Hij laat nooit varen, Hij laat nooit los, de werken van Zijn handen.
Wie buiten Gods handen is, zal vallen in de handen van Zijn geduchte wraak. Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God (Hebr. 10:31Vreselijk is het te vallen in de handen des levenden Gods.). Maar wie in Zijn handen is, is voor eeuwig veilig en geborgen.
Deze zekere troost (zo zegt onze belijdenis) komt niet voort uit enige bijzondere openbaring, zonder of buiten het Woord, maar uit het geloof aan deze belofte van God. En uit het getuigenis van de Heilige Geest, die met onze geest getuigt dat wij kinderen en erfgenamen van God zijn (Rom. 8:16,17). En ook uit de ernstige en heilige oefening van een goed geweten en van goede werken, zeggen onze Dordtse Leerregels (DL, V, 10). Dus, ook het volgen van de Herder, ook het gaan in het spoor van Gods geboden, geeft Gods kinderen meer vastheid en meer zekerheid.
Ik sluit af met wat het laatste artikel uit het laatste hoofdstuk van onze Dordtse Leerregels hierover zegt. Dat hoofdstuk gaat over de volharding van de heiligen. Deze leer van de volharding van de ware gelovigen en heiligen en van de verzekerdheid dezer volharding, die God, tot eer van Zijn Naam en tot troost van godvruchtige zielen, in Zijn Woord zeer overvloedig geopenbaard heeft en in de harten der gelovigen indrukt, wordt wel door het vlees niet begrepen, door de satan gehaat, door de wereld bespot en door hypocrieten en dwaallichten misbruikt en bestreden, maar de bruid van Christus heeft haar altijd, als een schat van onwaardeerbare prijs, zeer teer bemind, en standvastig verdedigd (DL V, 15).
Want, zo zegt Heere: Des HEEREN deel is Zijn volk, Jakob is het snoer Zijner erve. Hij vond hem in een land der woestijn, en in een woeste, huilende wildernis; Hij voerde hem rondom, Hij onderwees hem, Hij bewaarde(!) hem als Zijn oogappel (Deut. 32:9Want des HEEREN deel is Zijn volk, Jakob is het snoer Zijner erve.,10). Want de Heere zal Zijn gunstgenoten niet verlaten; in eeuwigheid worden zij bewaard(!), maar het zaad der goddelozen wordt uitgeroeid (Ps. 37:28Want de HEERE heeft het recht lief, en zal Zijn gunstgenoten niet verlaten; in eeuwigheid worden zij bewaard; maar het zaad der goddelozen wordt uitgeroeid.). Want de HEERE is onze Bewaarder (Ps. 121:5De HEERE is uw Bewaarder, de HEERE is uw Schaduw, aan uw rechterhand.). Hij is onze menigvuldige verlossing, Hij is onze God.
Dat is onze enige troost, dat is ons gelukkige leven! Dat we met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, eigendom geworden zijn onze trouwe Zaligmaker Jezus Christus (vastgehouden aan Zijn hand!), Die met Zijn dierbaar bloed voor al onze zonden volkomen betaald en ons uit alle heerschappij des duivels verlost heeft, en alzo bewaart(!), dat zonder de wil van onze hemelse Vader (vastgehouden ook door Zijn handen!) geen haar van ons hoofd vallen kan. Zo moet alles in dit moeilijke leven tot onze zaligheid dienen. Waarom de Heere ons ook door Zijn Heiligen Geest van het eeuwige leven verzekert. En voor Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt.
De enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, zij daarvoor eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. (DL. V, 15)
Amen.
Slotzang Psalm 138:4:
Als ik, omringd door tegenspoed, Bezwijken moet, Schenkt Gij mij leven; Is 't, dat mijns vijands gramschap brandt, Uw rechterhand Zal redding geven. De HEER is zo getrouw, als sterk; Hij zal Zijn werk Voor mij volenden, Verlaat niet wat Uw hand begon, O Levensbron, Wil bijstand zenden.
Andere preken over Johannes
Andere preken voor Nabetrachting