Preek Zondag 12 · Christus en de christen

Preek Zondag 12: Christus en de christen

LEESPREEK | VRAGEN

De zalving tot drie ambten
Ds. J. IJsselstein – Heidelbergse Catechismus Zondag 12

Gemeente, Zondag 12 van de Heidelbergse Catechismus gaat over de zalving van de Heere Jezus tot drie ambten. Er zijn twee vragen en antwoorden, die ik eerst samen met u lees.

Zondag 12, Vraag 31: Waarom is Hij Christus, dat is een Gezalfde, genaamd?
Antwoord: Omdat Hij van God de Vader verordineerd is en met de Heiligen Geest gezalfd, tot onze hoogste Profeet en Leraar (dat is het eerste ambt) Die ons de verborgen raad en wil Gods van onze verlossing volkomen geopenbaard heeft, en tot onze enige Hogepriester (dat is het tweede ambt) Die ons met de enige offerande van Zijn lichaam verlost heeft en voor ons met Zijn voorbidding steeds tussen treedt bij de Vader, en tot onzen eeuwige Koning (dat is het derde ambt), Die ons met Zijn Woord en Geest regeert, en ons bij de verworven verlossing beschut en behoudt.

Zondag 12, Vraag 32: Maar waarom wordt u een christen genoemd?
Antwoord: Omdat ik door het geloof een lidmaat (een deel van het lichaam) van Christus en alzo Zijn zalving deelachtig ben, opdat ik Zijn Naam belijde (dat is het eerste ambt) en mijzelf tot een levend dankoffer Hem offere (dat is het tweede ambt) en met een vrije en goede consciëntie in dit leven tegen de zonde en de duivel strijde, en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regere (dat is het derde ambt).

De preek over Zondag 12 van de Catechismus gaat over (dat is het thema van de preek):

De zalving tot drie ambten

Namelijk tot het ambt van profeet, priester en koning.
We letten op twee aandachtspunten:

1. De zalving van de Christus (dat ziet u in Zondag 12, vraag en antwoord 31)
2. De zalving van de christen (dat ziet u in Zondag 12, vraag en antwoord 32)
Als eerste dus:

1. De zalving van de Christus

Vroeger, jongens en meisjes, werden er mensen gezalfd. Tegenwoordig doen we dat eigenlijk niet meer zo, maar vroeger wel. Dan goot iemand olie, heerlijk ruikende zalfolie, over het hoofd van de persoon die gezalfd werd.

Bijvoorbeeld over het hoofd van iemand die koning zou worden. Zo is koning David gezalfd door de profeet Samuël. Heerlijk ruikende zalfolie werd op zijn hoofd uitgegoten. Olie werd ook gegoten op het hoofd van iemand die hogepriester werd. Zoals staat in Psalm 133. Mozes goot heerlijk ruikende zalfolie uit over het hoofd van Aäron en dat liep zo naar beneden tot op zijn onderste kleding toe.
En datzelfde werd ook gedaan bij iemand die profeet werd. De profeet Elisa werd bijvoorbeeld gezalfd door zijn voorganger, de profeet Elia.

Wat was eigenlijk de bedoeling van de Heere met dat zalven, met dat gieten van zalfolie op het hoofd van iemand?
Dat was een teken van de Heere, waarmee Hij zei: ‘Ik heb deze persoon (die nu gezalfd wordt) uitgekozen, aangewezen, aangesteld om profeet of hogepriester of koning te zijn.
Dat is Mijn wil.’

Dat was de eerste betekenis. Maar er was ook een tweede betekenis. Met dat gieten van heilige zalfolie over het hoofd van iemand wilde de Heere zeggen: ‘Ik zal er Zelf voor zorgen, dat deze persoon die nu gezalfd wordt tot profeet, priester of koning dat werk zal kunnen doen. Ik zal hem helpen. Ik zal zorgen dat hij zijn werk zal kunnen doen.’
De Heere beloofde met die zalving hem, zo zeggen we met een moeilijk woord, bekwaam te zullen maken om zijn werk, om zijn taak te doen.

Want (en dat heb je ondertussen begrepen) iemand werd gezalfd voor een bepaalde taak, voor een bepaalde opdracht, voor een bepaald ambt. Om profeet, priester of koning te zijn.
Vanaf het moment dat iemand gezalfd was, heette bijvoorbeeld Elisa niet meer alleen
‘Elisa’, maar vanaf dat moment heette hij ‘de profeet Elisa’. En vanaf het moment dat Aäron gezalfd was, heette hij ‘de hogepriester Aäron’. En vanaf het moment dat David gezalfd was, heette hij ´koning David´. Dus vanaf het moment van zalving hadden die mensen eigenlijk twee namen.

Als je Elisa tegenkwam op straat mocht je zeggen: ‘Dag meneer Elisa’. Maar je mocht ook zeggen: ‘Dag profeet.’
Net als tegenwoordig. Als je de burgemeester tegenkomt op straat mag je zeggen: ‘Dag meneer [achternaam]’, maar je mag ook zeggen: ‘dag burgemeester’.
Die eerste naam is (zo noemen we dat) zijn roepnaam. Zoals wij allemaal ook een roepnaam hebben. Maar zijn tweede naam wijst naar zijn werk, zijn taak, zijn ambt.
Die naam is zijn ambtsnaam.

Zo heeft de Heere Jezus Christus ook twee Namen.
Zijn eerste Naam, Zijn roepnaam (en daar ging het de vorige keer over) is Jezus. De engel had tegen Jozef gezegd in de droom: ‘U moet Hem noemen: Jezus, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden’ (Mattheüs 1:21).
Maar de Heere Jezus heeft niet alleen een roepnaam, Hij heeft ook een ambtsnaam.
Zijn ambtsnaam is Christus. Wat letterlijk betekent: de Gezalfde, Hij is gezalfd.

En dan mag je denken aan dat zalven met olie. Want de Catechismus zegt over Christus: Omdat Hij door God de Vader is verordineerd (dat wil zeggen: aangewezen, aangesteld) en gezalfd is (en dan staat er iets anders, niet met zalfolie, maar…) met de Heilige Geest.
Dan mag je terugdenken aan het moment dat de Heere Jezus werd gedoopt en de Heilige Geest in de gedaante (in de vorm) van een duif op Hem kwam. Hij is gezalfd met de Heilige Geest, zoals Jesaja vroeger al profeteerde: De Geest des Heeren HEEREN is op (Hem), omdat de Heere (Hem) gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen de zachtmoedigen (61:1).

Niet gezalfd dus met olie, maar met de Heilige Geest.
En dan niet voor één ambt, maar voor drie: de Heere Christus is gezalfd tot Profeet, Priester en Koning.

Dat je dat met je verstand, met je gedachten weet, begrijpt en leert, dat is goed en heel fijn. Maar je voelt (en dat voel je steeds bij de Catechismus) dat het niet alleen gaat om de dingen die je weet met je hoofd, maar dat het er ook en vooral om gaat, dat je ze gelooft met je hart.

Er is meer nodig, dan alleen naar de kerk gaan. Het is goed en fijn dat je hier bent, maar dat alleen is niet genoeg. Je hebt meer nodig, dan goed luisteren alleen. Het is fijn dat jullie zo goed luisteren, maar dat alleen is niet genoeg. Er is meer nodig, dan dat je alles weet met je hoofd. Het moet, zeggen we, ook kennis van je hart zijn. Het moet ook de ervaring van je hart zijn, bevinding, bevindelijke kennis van je hart.

Het is nodig (als het hierover gaat) dat je door het werk van de Heilige Geest de Heere
Jezus Christus met je hart leert kennen als… wat was Zijn eerste taak?
Als Profeet. Zoals staat in de Catechismus: Als onze hoogste Profeet en Leraar, Die ons de verborgen raad en wil van God van onze verlossing volkomen geopenbaard heeft.
Hij heeft die ons laten zien en verteld.

Veel dingen van Gods raad, van Gods plan zijn verborgen. Over dingen die de Heere expres voor ons geheim gehouden heeft, daarover hoef je niet na te denken, daar moet je ook zeker niet nieuwsgierig over gaan denken en praten. Die zijn verborgen. Maar als het gaat over onze verlossing, over het kwijtraken van onze zonden en de vergeving van onze schuld, dan is, zegt de Catechismus, de raad van God, het plan van God, de wil van God, de manier waarop Hij dat uitvoert, volkomen aan ons geopenbaard, helemaal aan ons verteld.
Met andere woorden: de weg om zalig te worden, hoe je een nieuw hart kan krijgen, dat is klip-en-klaar!

Dit is de weg: God heeft Zijn Zoon in deze verloren wereld gezonden om zondaars, hele slechte mensen, zalig te maken.
De Heere Jezus zei het van Zichzelf, toen Hij op aarde was: De Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden, om…? (wat is Zijn werk als Profeet en Leraar?), om de armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen, die gebroken zijn van hart (Lukas 4:18). Deze Christus, deze hoogste Profeet en Leraar, is naar deze wereld gestuurd om armen het Evangelie te verkondigen en gebrokenen van hart te genezen.

De Catechismus zegt dat Hij de hoogste Profeet en Leraar is. Al die andere profeten en leraars zijn beperkt. Ze kunnen wel preken over God, en ze spreken ook namens God, maar hun inzicht is beperkt, hun woorden zijn onvolmaakt, en ze kunnen nooit de harten van de mensen veranderen, en ze zijn ook nooit in staat om hartevragen op te lossen. Maar de hoogste Profeet, de Heere Jezus Christus, doet dat werk volkomen. En Hij voert Zijn ambt uit met Goddelijke macht en kracht.

En leert. Hij is een Leraar. Wat leert Hij?
Hij leert wat zonde is. Als Hij je, terwijl je van Hem wegvlucht, terugroept uit je verborgen plekje, als Hij je voor Hem zet, als Hij de spiegel van Zijn wet voor je houdt, en tegen je zegt wat je allemaal gedaan hebt, dat breekt je hart.
Als je net als de Samaritaanse vrouw moet zeggen: ‘Hij heeft me gezegd alles wat ik gedaan heb’ (Johannes 4:29), dan breekt je hart.

Maar het werk van die hoogste Profeet en Leraar gaat ook verder. Want Hij wil toch leren (dat zei Hij toch van Zichzelf?) wat er nodig is om zalig te worden, om de zonde kwijt te raken?
Nou, dat doet Hij ook. Hij leert dat er maar één weg is voor zo’n gebroken hart om genezen te worden. Hij leert gebroken harten dat Hij Zelf de Weg is om zalig te worden. Hij leert die twee dingen, die ook in het Avondmaalsformulier staan. Namelijk dat wij midden in de dood liggen, maar dat de zaligheid buiten ons (in Hem) ligt.

Hoe leert Hij dat? Hoe geeft Hij die les?
Hij leert ons als de hoogste Profeet en Leraar door de Schriften, vanuit de Bijbel, vanuit het Woord van God. Daarin vinden we de weg van de zaligheid.
Die vind je niet in verhalen over ervaringen, over bevindingen en meningen van mensen, maar in het Woord van God, en nergens anders.
Christus, de hoogste Profeet en Leraar, leert ons de weg van de zaligheid door het Woord, door de Bijbel, door de Heilige Schrift.

Het is nodig, niet dat je alles alleen weet met je hoofd, maar ook dat de Heilige Geest je in je hart de Heere Jezus leert kennen. Als Profeet, maar ook (als tweede) als Priester. Dat is Zijn tweede ambt, want de Catechismus zegt: en tot onze enige Hogepriester, Die ons met de enige offerande van Zijn lichaam verlost heeft en voor ons met Zijn voorbidding steeds tussen treedt bij de Vader.

Je weet nog wel: het gaat over zalving, over de aanstelling tot een bepaalde taak of ambt. Christus is door God de Vader in de hemel ook aangesteld en gezalfd tot Priester, tot Hogepriester. Dat is ons voorgelezen uit Psalm 110: De Heere heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen, (en wat zegt God de Vader dan tegen Zijn Zoon?) U (Christus), bent Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek (110:4).

Wat deed een priester vroeger eigenlijk? Wat deed een hogepriester vroeger?
Offeren. Eindeloos waren die offers. Duizenden, honderdduizenden schapen werden geofferd, maar nooit werd in al die jaren de prijs van de zonde echt betaald.
Totdat de laatste, enige Hogepriester kwam, Die als enige in staat was om echt de prijs van de zonde te betalen.
En die Hogepriester offerde. Wat? Een lam, zoals alle andere priesters deden?
Nee, toch? Die Hogepriester offerde Zichzelf! Hij was Hogepriester en tegelijkertijd Lam. Als een lam werd Hij ter slachting geleid. Als Hogepriester en Lam.
Maar Hij deed het niet voor Zichzelf, maar voor verloren zondaars.

En nu zeg ik weer tegen jullie, jongens en meisjes, dat het heel mooi is dat je dat allemaal over de Heere weet en probeert te onthouden, omdat je in de kerk altijd zo goed luistert en op school zo goed meedoet, maar dat is niet genoeg!
Het is nodig dat je dit ook met je hart leert. Dat wat de Heere Zijn kinderen leert over deze Hogepriester.

De Heere leert Zijn kinderen zeggen: ‘Ik heb schuld bij God. En ik kan niet betalen. Hoe moet dat toch? Er moet (dat hebben we eerder gezien in de Catechismus) betaald worden voor mijn zonden, maar ik heb niets.’
Dat is de taal van een kind van God: ‘Ik heb niets’.
En dus heb ik een Priester nodig, Die voor mij betaalt.
En dus heb ik het Lam nodig, Dat voor mij sterft.

Het is de Heere Zelf, Die zulke mensen die van zichzelf niets meer hebben, door Zijn genadige werk aan de voeten brengt van deze enige Hogepriester.
Daar laat Hij ons voor het eerst en opnieuw zien, dat Hij, Priester en Lam tegelijk, gebonden werd, opdat Hij ons zou ontbinden. Dat Hij ontelbare smaadheden geleden heeft, (zo zegt ons Avondmaalsformulier), opdat wij nimmermeer te schande zouden worden. Omdat Hij de vloek die op ons lag, op Zich geladen heeft, opdat Hij ons met Zijn zegeningen vervullen zou. Aan de voeten van de enige Hogepriester, aan de voet van het kruis, zien we dat Hij door God verlaten is, opdat wij nooit meer door God verlaten zouden worden.

Wat deed de hogepriester nog meer naast het offeren? Bidden en zegenen.
Mijn bidden en jullie bidden, jongens en meisjes, lukt vaak niet. Het is vaak zo zwak, zo kort, zo gemengd met zonde, zo vaak gericht op onszelf (‘mag ik dit’, ‘wilt U dat voor me doen?’).
Weet je wat zo’n wonder, zo bijzonder is? Dat de Heere Zijn kinderen leert dat de enige Hogepriester hun Voorbidder is in de hemel.

Daar neemt Hij alle onvolmaakte en met zonde besmette gebeden van Zijn kinderen aan. Hij wast ze schoon en geeft ze daarna in de handen van de Vader. Hij bidt voor ons.
Hij komt ons ook in onze zwakheden te hulp en Hij houdt ons in onze verzoeking, aanvechting en strijd staande. Johannes schrijft later in zijn eerste brief: Indien iemand gezondigd heeft, we hebben een Voorspraak (een Bidder) bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige (1 Johannes 2:1).
Wat is het toch een gelukkig leven, als je de Heere dienen mag!

Het is nodig, jongens en meisjes (en dat geldt ons natuurlijk allemaal), dat je door het werk van de Heilige Geest in je hart, de Heere Jezus leert kennen als Profeet, als Priester, maar ook als Koning!
Want wat zegt de Catechismus? Hij is gezalfd tot onze eeuwige Koning, Die ons met Zijn Woord en Geest regeert, en ons bij de verworven (verdiende) verlossing beschut (beschermt) en behoudt (bewaart).

De Heere Jezus is door God de Vader in de hemel ook gezalfd, ook aangewezen tot Koning.
Ik toch (zegt God in de hemel) heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg van Mijn heiligheid (Psalm 2:6).
De Heere Jezus is Koning. Maar Hij regeert niet zoals heel veel andere koningen met geweld. Met liefde en macht overwint Hij vijanden, Hij trekt ze naar Zich toe en ontrooft ze zo uit het machtsgebied en de invloedssfeer van satan.

Hij regeert ons, zegt de Catechismus, door Zijn macht en genade.
Hij ondersteunt ons in moeite, strijd, donkerheid en twijfel. En door Zijn Woord en Geest brengt Hij onze oude natuur (die zelf koning wil zijn) ten onder. En Hij beschermt en bewaart ons altijd. Heel het leven van een kind van God, het ligt (ondanks ons) vast in de handen van de almachtige Koning. Daarom is dat leven ook zo’n gelukkig leven! We dienen de beste Koning die er is. We dienen de beste Meester die er is in heel de wereld.

En ik zeg u, dat Hij meer eer krijgt, wanneer Hij meer onderdanen heeft, als er meer mensen komen, die voor Hem gaan buigen.

Is het voor u, voor jou niet de hoogste tijd om ook voor deze Koning Jezus te buigen?
Is het niet een diepe belediging voor de hemelse majesteit, voor God de Vader in de hemel Die Hem tot Koning gekroond heeft, als je zegt: ‘Alles goed en wel, maar ik wil niet dat Hij Koning over mij zal zijn’?

De Heere Jezus Christus is door de Vader gezalfd, aangesteld, bekwaam gemaakt en van Zichzelf was Hij bereid, vrijwillig bereid, om Zijn werk te doen.
Zo was Hij volmaakt geschikt voor Zijn drievoudige ambt als hoogste Profeet, enige Hogepriester en eeuwige Koning. Een driemaal geschikte Zaligmaker voor een driedubbel verloren mens.
Een Profeet voor onze onkunde. Is dat niet wat u nodig hebt?
Een Priester voor onze schuld. Is dat niet wat u nodig hebt?
Een Koning voor onze opstand. Is Hij niet Wie u nodig hebt?

We gaan naar de volgende vraag, en daarmee ook naar het tweede punt van de preek:

2. De zalving van de christen

Zondag 12, Vraag 32 vraagt: Maar waarom wordt u een christen genoemd?
Het antwoord zegt: Omdat ik door het geloof een lidmaat (een ledemaat) van Christus en alzo Zijn zalving deelachtig ben, opdat ik Zijn Naam belijde (dat is het eerste ambt, als Profeet) en mijzelf tot een levend dankoffer Hem offere (dat is het tweede ambt, als Priester) en met een vrij en goed geweten in dit leven tegen de zonde en de duivel strijde, en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regere (dat is het derde ambt, als Koning).

De drie ambten van Christus, de drie ambten van een christen.
U voelt, gemeente, als u deze Zondag leest, dat de Heidelbergse Catechismus er geen twijfel over laat bestaan. Deze horen echt bij elkaar: de Christus en de christen. Die twee mag je nooit, maar dan ook nooit van elkaar losmaken. De Heere Jezus zegt in Johannes 15: Ik ben de Wijnstok en u de ranken, die in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht. Want zonder Mij kunt u niets doen (15:5).
De christen is één geworden, als een wijnrank met de wijnstok. Die twee horen bij elkaar, die zitten vast aan elkaar: de Christus en de christen.

Wat is het kenmerk van een christen?
Dat je lid bent van een christelijke kerk? Dat is mooi, maar dat is niet het belangrijkste kenmerk.
Dat je naar een christelijke basisschool gaat? Dat is heel mooi, dat is een zegen van de Heere, maar dat is niet het eerste kenmerk van een christen.

Dat je komt uit een christelijk gezin dan? Het is heel fijn, dat je van jongs af aan uit de Bijbel hoort lezen en er zelf uit mag lezen, maar dat is niet het kenmerk van een christen. Dat je iets kan vertellen vanuit je eigen leven, van de kennis van je zonde, en van hoe je je best doet om die te laten? Ook dat is niet het kenmerk van een christen.

Nee, dit is het eerste en allerbelangrijkste kenmerk van een christen, zo zegt onze Catechismus: door het geloof ben ik een lidmaat, een ledemaat van Christus.

Een ledemaat. Zoals een hand, een arm, een vinger, zoals een been, een knie of een teen.
Allemaal lichaamsdelen die vast zitten aan het hoofd. Dat hoofd bestuurt alles.
Door je hoofd kan je hand bewegen, kan je knie buigen en kan je been lopen.
En nu zegt de Catechismus, dat een christen, een oprecht kind van God, een ledemaat van Christus is. Hij of zij zit vast aan Hem! En alles wat zo iemand heeft, doet en krijgt, dat komt uit het Hoofd, uit Christus.

Er is een band tussen die twee, bijvoorbeeld tussen het Hoofd en de hand. Zoals ook bij ons lichaam: overal tussen hoofd en hand lopen van die hele kleine zenuwdraadjes, en daardoor doet de hand precies wat het hoofd wil.
Er is een levende verbinding tussen hoofd en ledematen. Er is een verbinding tussen Christus als het Hoofd, en de christen als het lichaamsdeel.
En die verbinding (dat zenuwdraadje), zegt de Catechismus, is het geloof.

Het geloof doet, zo zegt de Bijbel, verschillende dingen en heeft verschillende werkzaamheden.
Het geloof is de band waarmee de christen hongert en dorst naar Christus.
Het geloof is de band waarmee de christen verlangt en uitziet naar Christus.
Het geloof is de band waarmee de christen tot Christus komt.
Het geloof is de band waarmee de christen tot Hem vlucht met de nood van het hart, waarmee het Hem aanneemt en van harte omhelst.

Dat geloof, in welke werkzaamheid dan ook, die band, die verbinding met Christus maakt een mens tot een christen.
Is Hij voor u persoonlijk de hoogste Profeet, de enige Hogepriester, de eeuwige Koning?
Bent u met levende zenuwdraadjes van geloof door Hem aan Hem vastgemaakt?
Bent u een christen van de Christus?

Maakt u gebruik van dit Hoofd, van deze Christus?
Maakt u van Hem gebruik als Profeet? Omdat u voor uzelf gelooft, weet en ziet dat u blind en dwaas bent, en de weg niet weet?
Maakt u van Hem gebruik als Priester? Omdat u aan de weet bent gekomen, dat u een hemelhoge schuld hebt, die u niet kunt betalen? Is het antwoord van uw geloof een roep uit de diepte naar Hem toe: Zone Davids, ontferm U over mij! (Markus 10:48)?

Maakt u van Hem gebruik als Koning? Omdat u zelf geen koning meer wilt zijn, omdat u daar van harte mee breken wilt? Omdat u diep voor Hem buigen en Hem van harte dienen wilt?
Dan ben u, zegt de Catechismus, een ledemaat van Jezus Christus.
Daar blijkt dat uit! Uit dat je het in alles niet meer bij jezelf zoekt. Omdat je weet dat je het daar niet zult vinden. Daarom zoek je alles in Hem. Christus is je dierbaar, kostbaar, ja alles geworden, als de door God gezonden en gezalfde Zaligmaker van zondaren. Daarom zegt de apostel: U dan, die gelooft, is Hij (Christus) dierbaar (1 Petrus 2:7).

En, zegt de Catechismus, het blijkt ook uit de vruchten. Want als je een christen bent, dan krijg je ook deel aan, dan krijg je een deel van de zalving van de Heere Jezus Christus.
Met andere woorden: je krijgt ook een ambt, een taak, een opdracht.
De Heere Jezus is door God de Vader aangesteld en bekwaam gemaakt (weet je nog?) als Profeet, Priester en Koning.
En als je één met Hem wordt, dan wordt je dus ook aangesteld en bekwaam gemaakt als profeet, priester en koning. Dan krijg je dus ook drie ambten.
U zegt: ‘Dat klinkt wel een beetje moeilijk en zwaar: drie ambten, een driedubbele opdracht.’

Een kind van de Heere is aangesteld tot profeet.
Opdat ik, zegt de Catechismus, Zijn Naam belijd. Dat wil zeggen: de Naam van de Heere God belijden, door de dingen die je doet en de dingen die je niet doet. Door te laten zien, aan iedereen, dat Hij alles voor je is. Door goede dingen te vertellen over de Heere God. Niet over jezelf, over wat je allemaal ervaart, voelt en meegemaakt hebt, maar over God! Over Wie Hij wil zijn voor zo’n slecht mens als ik. Want het gaat niet om het belijden van jezelf, maar Zijn Naam belijden!

Maar we zijn niet alleen aangesteld tot profeet, want bij zalven hoort gelukkig ook bekwaam maken. De Heere zorgt er Zelf voor dat we die taak als profeet ook kunnen uitvoeren. Zonder Hem kunnen we niets doen. Maar Hij leert het ons, stap voor stap. Om Zijn Naam te belijden.

Als je een kind van God bent, krijg je een taak als profeet, maar ook als priester.
Dat staat in de Catechismus: En mijzelf tot een levend dankoffer Hem offere. Goed lezen. Er staat niet mijzelf offeren als een levend brandoffer of als een levend zondoffer. De zonde is betaald door de Heere Jezus. Maar: als levend dankoffer! En dat vrijwillig, met heel de liefde van je hart. ‘Heere, hier is mijn leven voor U. Uit dank voor alles wat U voor mij gedaan hebt, zeg ik nu tegen U: mijn leven is voor U! Zegt U maar wat ik doen moet. Ik zal in dankbaarheid gehoorzaam zijn.

Moet ik dingen opgeven, die ik nooit meer mag doen? Van harte. Ik doe het.
Moet ik een andere taak op me nemen? Ik doe het van harte.
Moet ik een bepaalde studie gaan doen, voor U? Ik zal het van harte voor U doen.
Hier ben ik, als een levend dankoffer voor U.
Mijn leven, mijn hart, o, Hemelmajesteit, is tot Uw dienst en lof bereid!’
Maar we zijn niet alleen aangesteld tot priester, want bij zalven hoort gelukkig ook bekwaam maken. We kunnen het niet in eigen kracht, maar dat hoeft ook niet. De enige Hogepriester Zelf leert ons om Zijn voetstappen te volgen.

Priesters offerden, maar (en dat staat niet in de Catechismus, maar het is wel waar) priesters waren ook biddende mensen.
Biddend voor het volk, zoals staat in Psalm 99, als een hemeltolk, om de nood van hier te vertolken, biddend over te brengen naar de hemel, naar de genadetroon van de Heere.
Zo mogen Gods kinderen op aarde, en zeker ook in de gemeente, voorbidders zijn.

Laten we, in het bijzonder kinderen van God in ons midden, voorbidders zijn. Voor degenen onder ons (dat zijn jongeren en dat zijn ouderen) die dreigen af te haken, die de kerk, het geloof de rug dreigen toe te keren. Misschien komen ze al jaren niet meer in de kerk of zijn ze inmiddels vertrokken, tot grote pijn en groot verdriet van ouders en grootouders. Laten we toch veel bidden en worstelen aan Gods genadetroon als voorbidders van de gemeente.

Dat is onze priesterlijke taak, om te bidden om de bekering van zoveel onbekeerden onder ons.
Ook hier past ons het gebed om de kracht en het vermogen om dit priesterlijke werk te kunnen doen. Daarom bidden we met de discipelen: Heere, leert U ons bidden?

Priesters waren trouwens ook, en dat staat ook niet in de Catechismus (maar dat geeft niet), zegenende mensen.
Laten we geen geestelijke hamsteraars zijn (ook niet in de gemeente) die alles naar zichzelf toe graaien en voor zichzelf houden. Kinderen van God mogen en moeten gunnende mensen zijn. Een zegen voor de mensen in hun omgeving, een zegen voor de gemeente.
Het genadebrood wat we zelf mogen eten, mogen we ruimhartig uitdelen aan anderen. Niet in eigen kracht, maar bekwaam, gunnend gemaakt door de Heere Zelf.

Een kind van God krijgt een drievoudige taak. Profeet, priester en nu nog kort: koning. Aangesteld als koning opdat, zegt de Catechismus, ik met een vrij en goed geweten in dit leven tegen de zonde en de duivel strijden zal.
Het leven van een kind van God hier op aarde is een leven van strijd, vechtend tegen de zonde, de duivel en de wereld.

Maar gelukkig, het hoeft niet in eigen kracht. We worstelen biddend onder de macht en heerschappij van de Koning! We worstelen, maar niet alleen. De grote Koning gaat voorop. Hij heeft Zijn onderdanen niet alleen gezalfd, maar oefent ze ook in de strijd en geeft ze geestelijke wapens.
En dat alles mag ik doen, zegt de Catechismus, met een vrij en gerust geweten.

Totdat…
Er komt ook aan die strijd een einde. Totdat de strijd vervuld en voltooid is.
Totdat, zegt de Catechismus, we hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regeren.

Dat is de toekomst van al Gods kinderen. Paulus schrijft aan Timotheüs: Indien wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen (2 Timotheüs 2:12).
Als we hier strijd, verdrukking en lijden verdragen, zullen we straks (daar moeten onze ogen op gericht zijn) met Hem heersen. Dat is ons vooruitzicht.

Het leven met de Heere is het beste leven hier op aarde en je hebt, jongelui, het beste perspectief voor de toekomst. Dit is onze heerlijke toekomst: Alsdan zal de Koning (op de grens van het hiernamaals) zeggen tot degenen die tot Zijn rechterhand zijn: komt, gezegenden van Mijn Vader! Beërf dat Koninkrijk hetwelk u bereid is van voor de grondlegging der wereld (Mattheüs 25:34).
En wij zullen, zegt de apostel, met Hem als koningen regeren tot in alle eeuwigheid

Dan is alles voorbij.
Dan is de strijd voorbij.
Dan is de twijfel voorbij.
Dan is het ongeloof voorbij.
Dan is de zonde voor altijd voorbij.
Dan zullen we eeuwig God dienen, dag en nacht de Koning en het Lam aanbidden in Zijn tempel.
Laat dat blijde vooruitzicht, kinderen van God, uw harten troosten in het strijdperk van dit leven!

Amen.