Begeerd te ziften als de tarwe · Lukas 22

Satan heeft u zeer begeerd om te ziften als de tarwe
Preek Lukas 22:31-32: En de Heere zeide: Simon, Simon, ziet, de satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe; maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude; en gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders.

PDF · Audio

YouTube player

Thema preek Lukas 22: Begeerd te ziften als de tarwe

  1. De begeerte van satan
  2. De voorbede van Christus
  3. De opdracht aan Petrus

Preek Lukas 22: Begeerd te ziften als de tarwe

Gemeente, het Woord van de Heere dat wij met Gods hulp samen gaan overdenken, kunt u vinden in Lukas 22:31–32. Daar lezen we Gods Woord als volgt:
En de Heere zeide: Simon, Simon, ziet, de satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe;
Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude; en gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders.

Het thema voor de preek van vanmorgen is:
In gevaar en toch veilig

We letten samen op drie aandachtspunten.
In de eerste plaats op: de begeerte van satan. Denkend aan de woorden: En de Heere zeide: Simon, Simon, ziet, de satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe.
We letten in de tweede plaats op: de voorbede van Christus. Denkend aan de woorden: Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude.
En we letten in de derde plaats op: de opdracht aan Petrus. Denkend aan de woorden:
En gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders.

Dus: In gevaar en toch veilig.
1. De begeerte van satan
2. De voorbede van Christus
3. De opdracht aan Petrus
Als eerste dus:

1. De begeerte van satan

Het is avond. De dag is gedaald. Ze hebben samen Pascha gehouden. Dat was de wens, de hartelijke wens van de Heere Jezus, zoals staat in vers 15: En Hij zeide tot hen: Ik heb grotelijks begeerd, dit pascha met u te eten, eer dat Ik lijde.
Het Pascha is gehouden. Het sacrament van het Heilig Avondmaal is ingesteld. Voor de eerste keer hebben ze samen gegeten van het brood en gedronken van de drinkbeker: Dat is Mijn lichaam, hetwelk voor u gegeven wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis. Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed, hetwelk voor u vergoten wordt.

Maar, wat is het toch, jongens en meisjes? Wat gebeurt er toch?
En hoe komt het toch, dat er dan ineens in vers 24 staat: En er werd ook twisting onder hen, wie van hen scheen de meeste te zijn.
Ineens! Het ging toch om het lijden en sterven van de Heere Jezus? Het ging toch om: Ik voor u, Ik in uw plaats?
Ineens is er gekibbel aan tafel, geruzie: ‘Wie van ons is de beste? Wie van ons is de belangrijkste?’

Zoals het misschien thuis ook wel eens gebeurt, ineens voor of na het Bijbellezen, voor of na het bidden. Dat er gekibbel, dat er geruzie is: ‘Hij deed het!’ ‘Nee, jij deed het!’

Hoe komt dat toch? Dat dat juist op zo’n moment gebeurt?
Natuurlijk, dat komt door ons. Door ons zondige hart.
Maar er is meer. Er is iemand die je niet ziet, maar die er wel is: de duivel.
Die meeluistert met het Bijbellezen. Die meeluistert, nu met de preek.
En die het prima vindt dat je gewoon luistert. Zeker als je ondertussen ook een beetje zit te dromen en aan andere dingen zit te denken.
Maar niet als je echt luistert, en de woorden van de Heere je hart misschien wel raken.
Dat ziet hij, dat merkt hij. En dan grijpt hij in.
Ineens ben je afgeleid. Je irriteert je aan je broertje. Een schop onder de tafel. En duw van een ellenboog. Een knipoog van een bekende in de kerk. Een snoepje van opzij.
En je bent de draad kwijt. En je krijgt een knipoog van de duivel toe.

De duivel is actief. Hij gaat, zegt Petrus later, rond. Hij gaat rusteloos rond, altijd op zoek naar mensen, zoals jij en ik (1 Petr. 5:8).
Meestal hebben we het niet in de gaten. Hij gaat stilletjes naast ons zitten, als was hij onze vriend.
En zo is het eigenlijk ook. Tenzij God ons een nieuw hart gegeven heeft.

Want in Adam hebben we door de zonde vriendschap gesloten met de duivel. Daarom, om ons ellendige hart, trekt hij ons hart zo gemakkelijk af van het Woord van de Heere.
Maar dat geldt ook Gods kinderen. Ook als God onze vriendschap met de duivel veranderd heeft in vijandschap (Gen. 3:15), ook dan, juist dan komt de duivel. Om de vriendschap met ons oude hart te herstellen. Om ons weg te trekken van de Heere, om ons weer in zijn greep te krijgen.
Meestal komt hij stilletjes. We merken het niet. We hebben het niet in de gaten.
Meestal komt hij na gekregen zegen. Zoals hier, na de bediening van het Heilig Avondmaal.
Petrus heeft er, in al zijn zelfvertrouwen en trots, niets van gemerkt.

‘Simon!’
Hij heet toch Petrus? Sterke rots?
Nee, ‘Simon!’
‘Simon, let op, zonder Mij ben je niet sterk. Je vertrouwt op jezelf.’ Zoals staat in vers 33, waar Simon zegt: ‘Ik ben bereid met U in de gevangenis te gaan en met U te sterven.’
‘Maar zonder Mij, Simon, kan je geen ogenblik staande blijven!’
‘Simon, Simon!’
Twee keer, heel indringend: je bent in gevaar!

‘Simon, Simon, ziet!’
Je ziet het niet, maar kijk uit! Let op!
Zoals papa of mama tegen je zegt, als je op straat fietst: ‘Pas op, kijk uit, rechts rijden. Zo meteen komt er een auto langs. Je ziet nog niks, maar het is gevaarlijk!’

Lieve mensen, we zijn in gevaar. Juist als we denken dat dat niet zo is. Juist als we er niet aan denken.
In gevaar dat de duivel ons hart meetrekt. Vooral nu, onder de preek.
Zeker als je nog een vriend, een willoze slaaf van de duivel bent. Dan laat je je zomaar meenemen. Bid dan toch nu: ‘o Heere, verlos ons van de boze!’
Maar ook als kinderen van God, zijn we altijd in gevaar. Vooral als we niet opletten, als we niet waken in de gebeden. Als we denken wel staande te kunnen blijven in eigen kracht.

‘Simon, Simon, ziet, de satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe.’
Satan, de grote tegenstander. Die altijd precies anders wil dan de Heere.
Wat de Heere niet wil, dat wil de satan wel.
Dat de Heere wel wil, dat wil de satan bederven.

Simon, Simon, let op! Die satan heeft iets gevraagd.
Sterker nog: zeer begeerd. Hij vroeg, hij eiste jullie, discipelen, terug!
Je bent al een beetje met hem meegegaan, in dat geruzie, in dat getwist. En nu wil hij jullie weer helemaal terug hebben.
De duivel heeft waarschijnlijk, net als bij Job, tegen de Heere iets gezegd in de trant van: ‘Ze zijn niet oprecht! Kijk maar, naar hun leven. Kijk maar, naar hoe ze doen, naar hoe ze zijn. Dit zijn geen echte kinderen van U. Laat mij maar aantonen dat ze kaf zijn, en geen koren. En laat mij als ze wel koren zijn, maar laten zien dat er geen leven in zit.’

Satan heeft zeer begeerd, brutaal geëist, om jullie, discipelen, allemaal te ziften als de tarwe.
Zoals een boer of boerin tarwe in een grote zeef legt. Maar er zit nog van alles bij wat geen tarwe is. Vliesjes van de tarwekorrels (kaf, dat weg moet), maar ook zand, steentjes en strootjes.
Hij of zij pakt die grote zeef, schudt hem heen en weer, gooit de inhoud op en neer, van de ene naar de andere kant. In de hoop dat alles wat geen tarwe is eruit vliegt of door de wind wordt meegenomen.

De discipelen worden op de zeef gelegd, geschud, geslingerd, heen en weer gegooid. Door wie? Door de duivel. Hij heeft toestemming gevraagd aan de Heere om dat te doen.
Troostvolle gedachte. Zonder Gods toestemming kan de duivel niets.
Hij heeft toestemming gevraagd en toestemming gekregen.

Wat het doel van de duivel was? Dat het koren door de zeef of naast de zeef op de grond zou vallen. Maar, dat zullen we straks zien, dat gaat niet gebeuren.
Want de Heere had een ander doel. Waarom liet Hij het dan toe?
Waarom laat de Heere het nog steeds toe, dat Zijn kinderen geschud en geslingerd worden, in aanvechting en strijd? Dat we onderuitgaan en onze geestelijke benen breken?

Je dacht bij jezelf, net als de discipelen: ‘Met mij gaat het alleen maar beter. Ik ga vooruit. Wat zitten al die andere mensen, kinderen van God, toch te tobben?’
En dan ineens kom je ook op de zeef! De duivel verleidt je tot zonde. Je slaat meer en meer een blik in je verloren hart. Je ziet meer en meer je vijandschap tegen dat (wat de Heere Jezus zei): ‘Ik voor u.’ En je hart kleeft weer zo aan de dingen van deze wereld.

Waarom laat de Heere dat toe?
a. Om ons zelfvertrouwen te breken. Om ons op de grond te brengen.
‘Ik zal met U in de gevangenis gaan en met U sterven!’
‘O ja, Petrus? Je zult Mij verloochenen.’
Waarom laat de Heere dat toe, dat de duivel ons op de zeef legt?
Om ons zelfvertrouwen te breken.

b. En om ons terug te brengen van het pad van de zonde (2 Sam. 24:1).
Om ons te verootmoedigen, om ons te vernederen, om ons klein te maken voor God. Want we willen zo graag groeien, zo graag (in geestelijke zin) groot worden. Maar daar zingen we de lof van de Heere niet meer. Daar zingen we onze eigen lof.
Gods lof wordt in de diepte gezongen, waar wij klein zijn, waar wij niets zijn. Waar mijn ziel in de nacht, Hem verwacht; en mijn hart zich opheft tot de God mijns levens (Ps. 42).
Waarom laat de Heere dat toe?
Om ons zelfvertrouwen te breken, om ons te verootmoedigen, klein te maken, te vernederen, en…

c. Om ons geloof te oefenen. Want het geloof wordt geoefend in storm, in aanvechting en strijd. Soldaten worden niet geoefend op een gezellig terrasje, maar in harde strijd.
Daar leren we ons houvast vinden, niet meer in onszelf, maar buiten onszelf in God.

In aanvechting en verlating leren we houvast krijgen in God.
In aanvechting en verlating leren we ons vastklemmen aan Christus. Die ons in de hoogste aanvechting heeft vastgehouden, en Die ons liefgehad heeft tot het einde toe.
Aan Hem, Die nooit zal loslaten het werk dat Zijn hand in ons leven begon.
Aan Hem, Die midden in Zijn strijd, aanvechting en verlating riep: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten? Opdat wij, kinderen van God, nimmermeer door God verlaten zouden worden.

Die aanvechting, die strijd en geestelijke verlating zijn enerzijds het gevolg van het woeden van de satan, die ons terug wil hebben, nadat wij hem voor eens en altijd de dienst hebben opgezegd en door God uit zijn klauwen gerukt zijn.
Anderzijds is het Gods goede hand, waarvan Petrus later zegt: Opdat de beproeving uws geloofs, die veel kostelijker is dan van het goud, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus (1 Petr. 1:7).
a. In die weg, waarin wij gesmolten worden in het vuur van de beproeving, in die weg krijgt God de eer.
b. In die weg leren we Christus meer kennen, omdat de Heere Hem in die weg aan ons wil openbaren. Als Zaligmaker, Die het verlorene (eens en steeds weer opnieuw) redt.
En die ontrouwe en dwalende schapen vasthoudt en altijd weer terugbrengt.
In de diepte van de strijd gaat Christus schitteren.
In Zijn kruis: Ik voor u (u wilde niet, maar Ik deed het toch), Ik voor u, daar u anders de eeuwige dood had moeten sterven.
In Zijn kruis, en in Zijn trouw: Hij heeft de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad (dwars door hun ontrouw heen) tot het einde toe.
Zo gaat Christus meer en meer schitteren in Zijn kruis, in Zijn trouw en in Zijn macht:
Hij heeft de satan overwonnen. Hel, dood en graf zijn verslonden tot overwinning.
c. En de diepte van beproeving reinigt ons hart ook meer en meer van de zonde. Als het goud gesmolten wordt, wordt het schuim van de zonde weggehaald.

Kan het geloof ook zonder aanvechting zijn? Zonder strijd, moeite en tranen?
Wat denkt u? Zou de satan ons zomaar laten gaan? Zou de Heere denken (is dat geen zelfvertrouwen ten top?) dat dat ziften in ons geval niet nodig is? Dat we het schuim van de zonde vanzelf wel kwijt zullen raken, zonder het vuur van de beproeving?
Nee, het is Gods gewone weg om Zijn kinderen in menigerlei verzoekingen te brengen
(1 Petr. 1: 6), en dat wij door veel verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk der hemelen (Hand. 14:22)
Maar altijd trouw bewaard aan Zijn goddelijke hand en gedragen in de voorbede van Christus.

Het blijkt al direct in deze waarschuwing.
De satan heeft u zeer begeerd. Dat was hiervoor. Dat is al verleden tijd.
De Heere gaf toestemming, maar niet zoals de duivel wilde. Hij mocht gaan tot een bepaalde grens.
En zegt de Heere Jezus: ‘Ik heb daar iets tegenover gezet.’
We gaan het zien in ons tweede aandachtspunt, maar zingen eerst uit Psalm 94, daarvan het zesde vers. Psalm 94:6:
Neen, dwaas, de HEERE weet uw gedachten,
Dat ze ijdel Zijn bestuur verachten.
Welzalig is de man, o HEERE,
Die door Uw tucht en hemelleer
Het nut der onderdrukking weet,
En voordeel trekt zelfs uit het leed.

Ons tweede aandachtspunt:

2. De voorbede van Christus

Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude.
Je voelt de tegenstelling: Simon, Simon, pas op voor de satan!
Maar Ik! Ik ben er ook nog. Heel ons leven, kinderen van God hangt aan dit: Maar Ik!

Jij, Simon, ziet de satan niet. Je doorziet hem niet. Maar Ik wel. Ik weet wat hij wil doen. Ik doorzie zijn plannen.
Ik weet hoe sluw hij is. Hoe sluw hij was in het paradijs. Hoe sluw hij was toen hij Mij verzocht in de woestijn.
Ik weet hoe gevaarlijk hij voor je is. Want Ik ken ook jouw eigen hart.
Simon, je hebt twee vijanden: de duivel en je zondige hart.

Maar Ik!
Gemeente, dit is Evangelie: Maar Ik!
Onbekeerde vrienden, vrienden van de duivel, in al onze verlorenheid, ellende en zondeschuld, zegt Christus: Maar Ik!
Ik ben bereid om u te laten zien wie u dient, en hoe dat zal aflopen.
Ik ben bereid om u te laten zien, dat u daar zelf voor gekozen hebt. Dat u vrijwillig God verlaten en vriendschap met de duivel gesloten hebt.
Maar Ik!
Ik ben bereid om u te verlossen uit de dienst van de satan.
Ik ben bereid om de machtige zijn vaten, zijn bezit, te ontroven.
Luister, lieve mensen, als je nog steeds slaaf van de duivel bent, als je nog steeds onbekeerd bent, buig dan je knieën en zegt: ‘Heere, verlos me toch van de boze. En verlos me toch van mijn verloren hart!’

Maar ook na ontvangen genade klinkt dit, midden in alle dreiging, als Evangelie!
Simon, je blaast hoog van de toren, je vertrouwt op jezelf, de duivel ligt op de loer en gaat je aanvallen… Maar Ik!
Ik heb voor u gebeden.
Ik, Die weet wat verzoeking betekent. Want de satan heeft ook Mij verzocht.
En in hetgeen Ik Zelf verzocht ben, kom Ik u te hulp (Hebr. 2:18).
Biddend, want dat is het sterkste wapen in verzoeking en strijd, het gebed.

Zoals Ik, uw Heere, kortgeleden bad:
Ik kom tot U, heilige Vader, bewaar ze in Uw Naam (Joh. 17:11).
Ik heb vaak, Simon, in het verborgen voor je gebeden.
Ik zal voor je bidden in Gethsémané, als jij slaapt.
Ik zal voor je bidden, als je Mij verloochenen zult in de zaal van Kajafas.
Ik zal bidden aan het kruis: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.
En Ik zal blijvend voor je bidden, als Voorbidder, straks aan de rechterhand van Mijn Vader. En daarom zal niemand je ooit uit Mijn handen of uit de handen van mijn Vader kunnen rukken (Joh. 10:28-29).
Ik heb voor u gebeden.
Wat heeft de Heere precies gebeden? Dat de satan u met rust zou laten?
Nee, want dat zou niet nuttig voor u zijn. Uw trots en uw zelfvertrouwen zouden alleen maar meer groeien. En u zou geen biddend en afhankelijk mens worden, die in alles, alle dingen van Mij zou verwachten.
Nee, zegt de Heere Jezus, Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude.

Wat een troostvolle gedachte, geliefde medechristenen. De liefde van Christus schittert juist in onze aanvechting.
De puriteinse dominee Thomas Manton zegt: De liefde van Christus is nooit meer aan het werk, dan wanneer wij in verzoeking zijn.
Dan bidt Hij.
Dan houden Zijn liefdevolle armen ons vast.
Dan roept Hij uit (zoals bij de hogepriester Jozua in Zacharias 3, waar de satan hem beschuldigt): De HEERE schelde u, gij satan, ja, de HEERE schelde u, Die Jeruzalem verkiest; is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt? (Zach. 3:2)
De satan beschuldigt Jozua, maar de Heere snoert hem de mond. En zegt, juist dan, in de diepte van de strijd tegen Jozua, terwijl Hij zijn vuile kleed vol zonde wegdoet: Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen en Ik zal u wisselklederen aandoen.
Wat geeft de Heere vaak genade en troost, juist in wegen van strijd en aanvechting.

Juist daar waar wij buigen, waar wij met Petrus straks bitter huilen om onze zonden, juist daar waar donkere wolken van strijd, verzoeking en zonde-ontdekking ons benauwen, juist daar gaat de kracht van Gods genade, bewaring en redding schitteren.
Juist daar verheerlijkt God Zijn genade.
Juist daar openbaart Christus Zich in Zijn weergaloze liefde: vasthoudend, reddend, bewarend, verzoenend, terugbrengend, vrede makend.

Het is zo anders, als dat wij graag zouden zien.
Het kan zijn dat de Heere in je leven gekomen is, dat je gebracht bent op de weg van Zijn genade. En dat je denkt: ‘Zijn kracht wordt volbracht in mijn kracht.’ Net als Petrus: ‘Ik zal voor U strijden. Ik zal voor U in de gevangenis gaan, ik zal voor U de dood in gaan.’
Wordt dan niet ontmoedigd, beste vrienden, als de Heere je kracht breekt. Want zo maakt de Heere meer plaats voor Zichzelf. Zo leert de Heere ons dieper buigen. Zo wordt Zijn lof vergroot.
Want de Heere wil geen grote kinderen. Hij wil geen zelfverzekerd volk.
Hij wil blijvend armen uit genade, Zijn hulp ter verlossing tonen. Hij zal Zich, zegt Zefanja, doen overblijven een ellendig en arm volk, die zullen op de Naam des HEEREN betrouwen (Zef. 3:12).

Simon, zwak in jezelf: Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude.
De weg die voor je ligt, is een weg van lijden.
Je hoeft, je kan niet voor Mij lijden. Ik zal voor jou, Simon, de dood ingaan.
Ik zal de last van je zonden, schuld en ontrouw dragen aan het vloekhout van het kruis.
Mijn liefde is sterk als de dood, Mijn ijver hard als het graf (Hoogl. 8:6).
Maar, Ik roep je ook op, Simon, om Mij hierin te volgen. Later schrijft Petrus: Want hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij Zijn voetstappen zoudt navolgen (1Petr. 2:21).

Mij volgen, voetstappen drukkend in wegen van verzoeking, strijd en lijden.
Omdat je als Mijn gekochte onderdaan, blijvend de duivel op je hals hebt gehaald.
Strijd de goede strijd van het geloof, ziende op de overste Leidsman en Voleinder van het geloof. Maar vooral, volg Mij na in Mijn bidden, Simon.

Wees nuchter, en waakt (in het gebed), want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wien hij zou mogen verslinden (1 Petr. 5:8).
Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar (juist daarom: bidt) het vlees is zwak (Mark. 14:38).

Wat is het grootste gevaar, gemeente, dat ons bedreigt?
a. Als we onbekeerd zijn?
Dat we niet bidden.
Dan ben je in gevaar. Dan ben je niet veilig.
Alstublieft, ga een ding doen: Ga bidden. Heel eenvoudig: Heere, wees mij zondaar genadig.
Weet toch dat de Heere dat hoort. Zulk bidden klinkt als muziek in de hemel!
b. Wat het grootste gevaar is, dat ons bedreigt? Ook als we door genade de Heere mogen dienen en liefhebben?
Dat we het van onszelf verwachten, zoals Petrus, en niet bidden.
Dan zijn we in gevaar, en niet veilig.
Want dat biddeloze leven, laat ons van God afdwalen, laat ons onze eerste liefde verlaten en als Petrus vallen in de zonde.

Laten we de voetstappen van de biddende Christus navolgen en zelf ook bidden.
Altijd bidden en niet vertragen. Bid zonder ophouden (1 Thess. 5:17).
Dan zijn we wel blijvend in gevaar, maar toch veilig.

Tot slot ons laatste aandachtspunt:

3. De opdracht aan Petrus

En gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders.
Als u bekeerd zult zijn.
Maar, jongens en meisjes, Petrus is toch bekeerd? Hij is toch door de Heere geroepen? Hij kent de Heere toch? Hij is toch Zijn discipel?
Ja, maar in het hart van Simon zit nog zoveel zonde. Hij dwaalt nog zo in zijn trots, in zijn zelfvertrouwen. En zijn geloof is nog zo klein, zo zwak, zo wankel.
Want als je op jezelf vertrouwt, dan vertrouw je niet op de Heere.
Simon dwaalt nu en straks als een verloren schaap.
Hij moet terugkeren, hij moet omkeren, hij moet weer bekeerd worden. Hij loopt van de Heere af, ook al is hij een kind van God. Maar de Heere houdt hem gelukkig wel vast. En straks (dat zullen we later zien) brengt de Heere hem weer tot bekering.

Weer zo’n aanwijzing, dat als de Heere in ons leven gekomen is, we niet zo hoog van de toren moeten blazen. Paulus zegt in Romeinen 11: U staat door het geloof. Wees niet hoog gevoelend, maar vrees (11:20). Want u bent geen partij tegen de duivel, tegen de zonde en tegen de krachten van uw oude hart.

Als u eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders.
Het is een laatste opmerking in de tekst (‘zo versterk uw broeders’), die ons een aantal dingen wil leren.
a. Als eerste dit: als de Heere ons genade gegeven heeft, is het niet de bedoeling om die genade alleen voor onszelf te houden. Het mag en moet ook tot nut zijn voor anderen.
Om broeders en zusters te dienen, met liefde en genade.
b. En dat geldt vooral, als tweede, als ons leven getekend is door beproeving en verzoeking. Paulus zegt in 2 Korinthe 1:3-4: Geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, de Vader der barmhartigheden en de God aller vertroosting; Die ons vertroost in al onze verdrukking, opdat wij(!) zouden kunnen vertroosten degenen die in allerlei verdrukking zijn, door de vertroosting met welke wij zelf van God vertroost worden.
De troost die u in moeite en verdrukking, in strijd en aanvechting van de Heere hebt gekregen, is bedoeld om ook anderen daarmee te troosten.
Ontferm u over anderen, zoals de Heere Zich over u ontfermd heeft (Matth. 18:33-35).

Als de Heere u door Zijn kracht bewaard, als een dwalende teruggebracht en in verdrukking ondersteund heeft, versterk dan, Simon, uw broeders. En u, als vrouw, uw zusters.

Hoe? Want ook hier dreigen er wel gevaren. Vooral het gevaar, zoals bij de vroegere Petrus, dat je met jezelf op de proppen komt: als de grootste, als de sterkste, als de meeste, als de meest ervarene.

Gelukkig weten we hoe Petrus later, na opnieuw bekeerd te zijn, dat heeft gedaan.
Lees het maar in zijn brieven.
Die gaan niet over Petrus, over zijn ervaringen, of over wat dan ook van hem.
Die gaan over onze God. Als hij schrijft: Geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden (1 Petr. 1:3)
Die gaan over: Wij worden door het geloof (dus niet in eigen kracht, maar door de kracht van Christus), in de kracht Gods bewaard tot de zaligheid (1:5).
Die gaan over het kruis van Christus. Dat Hij ons gekocht heeft, niet met vergankelijke dingen, zilver of goud, maar met Zijn kostbare bloed (1:18-19).
Om wie hij oproept tot een heilig leven: Gelijk Hij, Die u geroepen heeft, heilig is, zo wordt ook gijzelven heilig in al uw wandel (1:15).
Tot een biddend leven: Zijt dan nuchter, en waakt in de gebeden (4:7)
En tot een leven van geloof: namelijk, door onze hoop en geloof op God te stellen (1:21)

Versterk zo uw broeders, versterk zo uw zusters.
Dat wil zeggen: als u zelf weet uit welke nood en dood de Heere u gered heeft!
Kijk dan niet op anderen neer. Ook niet op hen, die in zonde gevallen zijn.
Help dan wie gevallen is weer overeind.
Leer de overtreders Gods weg (Psalm 51:13-15).
Probeer degenen die dwalen weer terug te brengen.
Neem degenen die hun eerste liefde verlaten hebben bij de hand.
En degenen die in strijd en aanvechting zijn, die moedeloos dreigen te worden, versterk ze.

Niet door te zeggen: ‘Kop op, geloven dat kan je zelf, probeer het maar.’
Maar door te wijzen op Gods barmhartigheid. En te zeggen: Hoop op God.
Door te wijzen op het kruis. Op Hem, de Gekruisigde, Die trouw was tot in de dood.
Op Hem, Die Zijn ziel uitgestort heeft in de dood, en met de overtreders is geteld geweest, en (…) veler zonden gedragen heeft, en voor de overtreders gebeden heeft (Jes. 53:12).
Als Hij dat niet had gedaan, dan was alle hoop voor ons verloren.
Maar nu houdt Hij al de Zijnen vast, tot het einde toe.

Onze troost, onze hoop, onze moed ligt alleen in het kruis, in de Gekruisigde Christus.
In Zijn: ‘Maar Ik! Ik heb voor u gebeden. Ik voor u! Ik alles, u niets!’
Onze troost, onze hoop, onze moed ligt alleen in het gebed en de voorbede van Christus: Heilige vader, bewaar ze in Uw Naam (Joh. 17:11).

Gemeente, bid zonder ophouden. Bid ook voor elkaar. En versterk elkaar in strijd en lijden met de woorden en de liefde van Christus.

Als u behouden bent door het bloed van Christus
(zo zegt de bekende dominee McCheyne),
wees dan ook vervuld met de Geest van Christus.

Amen.

Links bij preek over Begeerd te ziften als de tarwe (Lukas 22)
Zacheüs, de tollenaar (Lukas 19)
Tranen dochters Jeruzalem (Lukas 23) – voorbereiding
Begrafenis Jezus door Jozef van Arimathea (Lukas 23)
Verraad van Judas · Lukas 22 · lijdenstijd
Grotelijks begeerd met u te eten · Lukas 22
Lees meer:
– Kanttekeningen bij Lukas 22

TERUG LIJDENSTIJD | LUKAS