Bewaar ze in Uw Naam · Johannes 17

Bewaar ze in Uw Naam
Preek Johannes 17:11: En Ik ben niet meer in de wereld, maar deze zijn in de wereld, en Ik kome tot U, Heilige Vader, bewaar ze in Uw Naam, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, gelijk als Wij.

Thema preek Johannes 17: Bewaar ze in Uw Naam

Hoe de Heere Jezus bidt:
1. Het gevaar dat Hij schetst
2. De eerbied die Hij uitstraalt
3. De vraag die Hij stelt
4. Het argument dat Hij gebruikt
5. Het verlangen dat Hij uitspreekt

PDF LEESPREEK

Preek Johannes 17: Bewaar ze in Uw Naam

Gemeente, jongens en meisjes, we gaan vanmorgen met elkaar luisteren naar een heel bijzonder gebed. Vlak voordat de Heere Jezus gaat lijden, bidt Hij hardop voor Zijn discipelen. Die stil meebidden en meeluisteren. Hij staat vlak voor de moeilijkste tijd van Zijn eigen leven, de tijd van Zijn diepe lijden en sterven, maar toch bidt Hij vooral voor Zijn discipelen. Vind je dat niet bijzonder, jongens en meisjes?
Omdat Hij weet hoe moeilijk zij het zullen krijgen. Hun geloof is zo zwak. En zij weten niet hoe zij bidden moeten. Daarom gaat de Heere Jezus voor hen bidden. Zo kunnen ze horen, wat Hij nu bidt, en wat Hij voor hen blijft bidden. Zo meteen in Zijn lijden aan het kruis, maar vooral ook na Zijn opstanding en in de hemel.
Luister ook maar mee, naar dat wonderlijke gebed van de Heere Jezus. We noemen het het Hogepriesterlijke gebed, waar we als tekst voor de preek nu één regel uitnemen: Johannes 17:11. Daar lezen we:
En Ik ben niet meer in de wereld, maar deze zijn in de wereld, en Ik kome tot U, Heilige Vader, bewaar ze in Uw Naam, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, gelijk als Wij.

Het thema voor de preek is:
Hoe de Heere Jezus bidt

Hij bidt als troost voor Zijn discipelen, en ook om ons te leren hoe wij bidden moeten.
We letten samen op vijf punten:
1. Het gevaar dat Hij schetst:
Ik ben niet meer in de wereld, maar deze zijn in de wereld.
2. De eerbied die Hij uitstraalt:
Ik kom tot U, heilige Vader.
3. De vraag die Hij stelt:
Bewaar ze in Uw Naam.
4. Het argument dat Hij gebruikt:
Die U Mij gegeven hebt.
5. Het verlangen dat Hij uitspreekt:
Opdat zij één zijn, gelijk als Wij.
Als eerste dus:

1. Het gevaar dat Hij schetst

Ik ben niet meer in de wereld.
Zo zeker is de uitkomst van de weg die de Heere zal gaan, om te betalen voor de zonden van Zijn kinderen, dat Hij bidt alsof Gethsémané en Golgotha al voorbij zijn. Alsof Hij al in de hemel is.

Maar deze zijn (nog wel) in de wereld.
En, ze zijn in gevaar. Ik ga naar de hemel. Dat gevaar kan Mij niet volgen.
Maar zij blijven hier. In de verleiding van de zonde, een vijand die altijd dicht bij hen is. De wereld zal ze haten (vers 14), omdat zij van deze wereld niet zijn. En ze zullen vervolgd worden, want ze hebben Mij vervolgd, dus zullen ze ook Mijn discipelen vervolgen (Joh. 15:20).
Ze zijn in gevaar. Petrus bijvoorbeeld, die straks zijn Meester gaat verloochenen. Maar Ik bid voor hem en voor de anderen, dat hun geloof niet zal ophouden (Lukas 22:32).

Wat een troost voor de discipelen, en voor iedereen die de Heere vreest. De Heere weet waar we zijn, daar waar de troon van de satan is (Openb. 2:13). We hebben een biddende Hogepriester in de hemel, Die precies onze omstandigheden kent. Maar vooral: Die ook al de gevaren ziet, die wij niet zien. Wij zijn er vaak zo blind voor, maar Hij weet en ziet alles. En Zijn oog rust in liefde op ons.

Jongelui, als je bidt, op de plaats die je daarvoor thuis hebt, en al je ingewikkelde vragen aan de Heere probeert voor te leggen, dan is het niet zo dat de Heere je niet snapt. Zelfs al kan je het zelf niet goed onder woorden brengen. Hij kent je hart, Hij weet dat je in de wereld bent en Hij kent die wereld ook. Hij begrijpt wat je bedoelt.

Dit schetst trouwens ook het totale gebrek aan houvast van iedereen die niet bidt. U bent overgeleverd aan uzelf. U bidt zelf niet, en hebt niemand die voor u bidt.
Alstublieft, ga thuis zo’n plek zoeken, een (zoals de Bijbel dat noemt) binnenkamer, en ga bidden! Met diepe eerbied voor God.
Want let op de eerbied, zelfs in de woorden van de Heere Jezus.
We zien het in ons tweede punt.

2. De eerbied die Hij uitstraalt

Als Hij zegt: ‘Ik kom tot U, heilige Vader.’
Ik kom tot U. Zo mag je je gebed ook beginnen: ‘Heere, ik kom tot U!’
Want dat is bidden: komen tot de Heere. Die heilig is. De Heere is groot, de Heere is hoog, de Heere is de Allerhoogste.
U voelt het contrast met het vorige: de wereld staat tegenover de Heilige. Bidden is je terugtrekken van de wereld, je vouwt je handen en doet je ogen dicht, en je staat voor de heilige God.
De Heere Jezus zegt: ‘Heere, heilige Vader, Ik kom tot U.’

Denk eens na, gemeente, wat zegt dat precies? Een paar dingen.
a. Als eerste dat je in je bidden altijd heel eerbiedig moet zijn. Niet ondertussen aan andere dingen denken of andere dingen doen. Maar eerbiedig zijn.
b. Het betekent in de tweede plaats, dat je in je bidden een diep besef moet hebben van de hoogheid en de heiligheid van onze God. En dat je dus God niet moet aanspreken alsof het je vriendje of je buurman is. Onze God is heilig.
c. En het betekent in de derde plaats dat je God niet hoeft of moet aanspreken, alsof Hij de grote Onbereikbare is. Nee, onze Heere hoort.
Wat een zegen is dat, nu wij Hem verlaten hebben en liefst nooit meer aan Hem zouden denken. Jongelui, al ben je onbekeerd, bid, want de Heere hoort je stem! En Hij wil (denk maar aan de verloren zoon) Zich nog steeds ‘Vader’ laten noemen.

Hoeveel meer hoort de Heere, als Hij (zoals Zondag 9 zegt) om Zijn Zoon uit genade onze God en Vader geworden is. Wie oprecht gelooft, hoeft niet te twijfelen. Onze Vader weet wat we nodig hebben. Nooddruftigen zal Hij verschonen, en armen uit genâ, Zijn hulp ter verlossing tonen. Hij slaat hun zielen gâ.

Maar, niet vergeten: die Vader, van het Onze Vader is in de hemel, en Hij is heilig.
Laat onze gebeden diep doordrongen zijn, gemeente, van de heiligheid van God.
Van de oneindige hoogheid, wijsheid en majesteit van de Almachtige.
We gaan verder met ons derde punt.

3. De vraag die de Heere stelt

Bewaar ze in Uw Naam.
Misschien vraag je jezelf af, als je bidt op de plek die je daarvoor hebt: waar moet ik eigenlijk om bidden?
Als je goed meeluistert naar het gebed van de Heere Jezus, dan hoor je wat de Heere Zelf het belangrijkste vindt. Niet dat we rijk worden, niet dat we carrière maken, maar wel dat we bewaard worden voor de zonde, voor de aanvallen van de duivel, en dat we zullen leven tot eer van de Heere.
De Heere Jezus bidt voor Zijn discipelen en voor al diegenen die de genade van de Heere mogen kennen of zullen gaan kennen, die Hij gekocht heeft tot Zijn eigendom. Hoorbaar, hardop, toen en nu nog steeds, en altijd: Vader, bewaar ze in Uw Naam.

Met de bedoeling om de treurigen te troosten. Want je kan zo bang zijn, als kind van God, dat het nog eens verkeerd met je afloopt. Zou het werk van God in mijn hart wel echt zijn? Ben ik geen bedrieger? Is het niet alleen maar opvoeding? Zal de wereld of de duivel mijn hart uiteindelijk toch niet weer terugpakken?
Gods kinderen kennen hun eigen hart, dat bedrieglijk is. En we vrezen. We zijn bang dat ons hart ons weer mee terug neemt naar ons oude, zondige leven.

Wie zijn of haar hart niet kent, die is daar niet bang voor. Die zegt: ‘Ik blijf wel overeind hoor!’ Maar wie zijn eigen hart wel kent, weet dat we geen ogenblik overeind kunnen blijven in eigen kracht.
Wat is het dan troostvol, als we de Zaligmaker horen bidden: Bewaar ze in Uw Naam. Want het gebed van de Heere Jezus kan onmogelijk onverhoord blijven. Hij heeft Zelf gezegd: ‘Vader, Ik wist dat U Mij altijd hoort (Johannes 11:42).’
Wij zijn Hem zo kostbaar, dat Hij niet één van ons wil verliezen.
En Hij is voor de Vader zo kostbaar, dat de Vader Zijn gebed nooit zal afwijzen.
Dus, kinderen van God, geliefde medechristenen, is onze genade, is onze toekomst zeker. Ze liggen verankerd buiten onszelf, in Gods trouw.

Bewaar ze in Uw Naam.
In Uw Naam. Dat wil zeggen in hoe U bent, in Uw Wezen. U bent heilig, betrouwbaar, wijs, genadig en barmhartig. U zult nooit laten varen het werk dat Uw hand begon.
In Uw Naam, dat wil zeggen in Uw woorden, waarin U ons onthuld hebt, Wie U bent en hoe U bent.
In Uw Naam, dat wil zeggen in het beschermende van Uw Naam, zoals de Spreukendichter zegt: de Naam des HEEREN is een sterke toren, een hoog vertrek (18:10).
De Heere alleen is machtig om ons voor struikelen te bewaren. Door Zijn gebed, dat ons geloof niet zal ophouden. Waardoor Hij ook alle eer zal krijgen van onze zaligheid.
Het is door Hem en door Hem alleen.

U zegt: ‘Maar is het wel nodig, dat de Heere Jezus hier om bidt? Hij heeft toch Zelf gezegd: ‘Niemand zal ze uit Mijn hand of uit de handen van Mijn Vader rukken (Joh. 10:28-29)?’
En, is het wel nodig dat wij daar dan ook nog om bidden? Als de Heere je bekeerd heeft, als je genade kent, word je vanzelf bewaard. Dan: kan je doen wat je wil, het komt toch altijd goed.

Dat laatste kon een citaat van de duivel zijn. Zoals hij het ook zei tegen de Heere Jezus bij de verzoeking op de tinne van de tempel, op de rand van het dak: ‘U kan doen wat U wilt. Spring er maar af. De engelen zullen U wel op de handen dragen.’

Dat is duivels. Want God heeft bij alles wat Hij besloten heeft, ook middelen vastgelegd.
Koning Hizkia krijgt vijftien extra jaren om te leven. Maar Hij moet wel een klomp vijgen als geneesmiddel gebruiken (Jes. 38:21).
Het staat vast dat al Gods kinderen bewaard zullen worden, maar dan moeten we wel…
Wat moeten we? Waken en bidden, dat we niet in verzoeking zullen vallen (Luk. 22:46).
En vrezen voor de zonde, en bang zijn, op onze hoede zijn voor het kwaad. En dus bidden zonder ophouden (1 Thess. 5:17).

Dus geeft de Heere ons in het leven van de genade twee dingen, die bij elkaar horen.
Aan de ene kant de zekerheid van onze (wat we noemen) volharding. We zullen niet afvallen van het geloof. Vanwege de liefde van de Vader, Die ons liefgehad heeft met een eeuwige liefde. Vanwege het werk van de Zoon, Die een eeuwige verlossing teweeggebracht heeft (Hebr. 9:12). Vanwege Zijn voorbede in de hemel.
En vanwege het werk van de Heilige Geest, Die het goede werk dat Hij begonnen is, ook zal voleinden (Filip. 1:6).
Aan de ene kant deze zekerheid, maar aan de andere kant ook een blijvende en groter wordende vrees voor de zonde.
Is dat niet erg? Is dat niet naar? Nee, dat maakt ons juist gelukkiger. Want we willen niet meer zondigen tegen de Heere.
Zelf kunnen we zover niet komen. Maar gelukkig heeft de Heere ons beloofd: Ik zal Mijn vreze in hun hart geven, dat zij van Mij niet afwijken (Jer. 32:40).

Laten we, gemeente, die twee dingen nooit van elkaar losmaken. Anders belanden we in een soort van ongezonde zelfverzekerdheid: ik ben gaan geloven, en ik houd mezelf ook overeind.
Dat klopt niet. Dat kom je in de Bijbel nergens tegen. En dat is gevaarlijk. Het is ten diepste een vorm van leven in zelfvertrouwen, zonder dat je God nodig hebt, en vaak ook in de zonde.
We hebben in alles Gods genade nodig.
Genade tot bekering, om wedergeboren te worden uit onze geestelijke dood.
En ook genade om staande te blijven, niet in eigen kracht, maar om in Gods kracht bewaard te worden, door het geloof, tot de zaligheid (zie: 1 Petrus 1:5).

Jongens en meisjes, het is ondertussen een beetje moeilijk geworden. Let nog even op, voordat we gaan zingen.
Hoe krijg je een nieuw hart?
Door veel te vragen, door veel te bidden. En als je bidt, dan zal de Heere je een nieuw hart geven.
En, als je dat dan gekregen hebt, kan je dat dan ook weer kwijtraken?
Nee, nooit. Want de liefde van de Vader in de hemel blijft. De Heere verandert nooit. En de Heere Jezus bidt in de hemel: ‘Bewaar ze in Uw Naam.’ En Zijn gebed wordt altijd verhoord. En als de Heilige Geest in je hart is gaan werken, zal Hij er ook nooit meer mee stoppen.

Dat maakt het leven met de Heere ook zo’n gelukkig leven.
Want als het moeilijk is, als er twijfel of ongeloof is in ons hart, of als we het allemaal niet meer zien of voelen, of als we in zonde gevallen zijn, of als mensen het ons moeilijk maken, of als er lieve mensen dicht bij ons zijn die sterven, dan is er altijd de troost van de Heere: Ik zal u niet begeven, Ik zal u niet verlaten (Hebr. 13:5).
En, soms lijkt het misschien wel of we niet bekeerd zijn, zoals bij Petrus die Zijn Meester verloochende.
En soms zijn we misschien wel al het gevoel van blijdschap en vrede in ons hart kwijt.
Maar één ding blijft overeind staan: de Heere verandert niet.
Jesaja zegt: Bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen; maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de HEERE, uw Ontfermer (54:10).
Dat goede leven met de Heere, jongens en meisjes, wil de Heere echt aan je geven, als je Hem met heel je hart zoekt.

Ons vierde punt:

4. Het argument dat Hij gebruikt

Die Gij Mij gegeven hebt
Jongens en meisjes, als je bidt, kan je dan ook dingen zeggen tegen de Heere, mag je dan ook argumenten gebruiken, waarom Hij naar je zou moeten luisteren?
Nee, niet in de zin van: Als ik het zo zeg, dan moet de Heere het gewoon echt doen! Want Hij is ons niets verplicht.
Maar toch mag je de Heere wel op dingen wijzen.

a. Je mag de Heere wijzen op dingen van jezelf. Je mag zeggen: ‘Heere Jezus, U bent toch Zaligmaker van zondaars? Heilige Heere, ik kom biddend tot U. Kijk, alstublieft, ik ben zo’n zondaar! Help me dan en red me dan!’
b. Je mag de Heere wijzen op dingen van jezelf. En je mag in je bidden ook wijzen op dingen van de Heere.
Je mag zeggen: ‘Heere, zo bent U toch?
U ontvangt toch zondaars, net als de verloren zoon? Wilt U mij dan ook ontvangen?
U bent toch vol van genade? Wilt U mij dan ook genadig zijn?
U hoort toch de mensen die tot U roepen? Wilt U mij dan ook horen?
U vergeeft toch menigvuldig? Wilt U dan ook mijn zonden vergeven?’
Je mag meer zeggen.
‘Heere, U hebt het toch beloofd: Zoek Mij, dan zal je Mij vinden. Dan mag je zeggen: Ik zoek U, Heere. Laat U dan toch vinden?
Heere, U hebt het toch beloofd toen ik gedoopt werd: Ik zal u tot een God zijn?
O, wees mij dan toch tot mijn God?’
Je moet niet in het wilde weg bidden, alsof er niets of niemand is die je hoort.
Je zingt toch altijd: God hoort mijn stem, mijn smekingen, mijn klagen, Hij neigt
Zijn oor? Wees dan niet hopeloos in je bidden, jongelui, maar herinner de Heere nederig aan Zijn eigen woorden.
Een heel bijzonder argument, een heel bijzondere pleitgrond horen we in het gebed van de Heere Jezus als Hij bidt voor Zijn kinderen. ‘Ik bid voor de bewaring van degenen die U Mij gegeven hebt. Vader, heilige Vader, U hebt ze Zelf aan Mij gegeven.’

Het staat in dit ene gebed wel zeven keer: die U Mij gegeven hebt. U hebt deze discipelen, u hebt al Mijn kinderen, van eeuwigheid af aan Mij gegeven. Ik beloofde voor hen te zullen lijden en sterven, om hun schuld te betalen. En U beloofde dat zij Mijn eigendom zouden worden, gekocht door de prijs van Mijn bloed. Zoals staat in vers 6: Zij waren Uw, en U hebt Mij dezelve gegeven.

Als gift: gegeven, en gekregen.
En de waarde van wat je krijgt, wordt bepaald door de gever en door de liefde waarmee het gegeven wordt.
Wat hoor je hier de blijdschap en de liefde van Christus in doorklinken. Je weet, jongens en meisjes, hoe blij je bent met een groot cadeau, vooral als je dat krijgt van je lieve vader of moeder.
Luister, naar wat de Heere Jezus zegt: ‘Deze gift, deze discipelen (die van zichzelf geen ogenblik staande kunnen blijven), o heilige Vader, kreeg Ik van U!’
Alles is hier doortrokken van de liefde van Christus tot de Vader. Zoals staat in vers 4: Ik heb U verheerlijkt op de aarde; Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen.
En alles is hier doortrokken van de liefde van de Vader en van Christus tot de Zijnen, die Hem door de Vader gegeven zijn in het eeuwige besluit van de verkiezing.
Wat de Heere ons, geliefde medechristenen, hier in stilte leert aanbidden en bewonderen. Terwijl we in stilte meeluisteren, meebidden en nazeggen: ‘Hoe groot, Heere, zijn Uw werken en hoe groot is Uw wijsheid en Uw liefde. U hebt ons, verloren mensen en dwalende schapen, aan Christus gegeven. En Hij, Uw Zoon, heeft de prijs voor ons betaald aan het kruis.
En daarom, niet om ons, maar om U alleen, is er nu geen verdoemenis meer voor degenen die in Christus Jezus zijn (Rom. 8:1).’

Meer vastheid, meer zekerheid van het geloof, meer geloof in onze volharding krijgen we genadig door…?
Door te vrezen voor de zonde en te wijken van het kwaad.
Door een biddend leven aan de troon van Gods genade.
Door Gods beloften in al onze onwaardigheid te omhelzen en aan te nemen.
En door gelovig te luisteren naar Gods woorden, zoals hier: door stil te luisteren naar de heilige gesprekken tussen de Vader en de Zoon. ‘Deze, o heilige Vader, zullen niet verloren gaan in eeuwigheid. Niemand kan ze rukken uit Mijn handen of uit Uw handen. Want U hebt ze Mij gegeven.’
Onze Dordtse Leerregels zeggen (V,10): Als de uitverkorenen Gods deze vaste troost in deze wereld niet hadden (…), zo zouden zij de ellendigste van alle mensen zijn.
Maar hierdoor zijn we door Gods genade, zonder iets van ons, de gelukkigste van alle mensen.
We kunnen, net als David en Petrus, zwaar in de zonde vallen (V,4). En dat heeft grote gevolgen.
We kunnen het gevoel van de genade zelfs verliezen (V,5). Maar God bewaart ons (V,6) en vernieuwt ons door genade naar Zijn beeld. Dat zien we in ons vijfde punt.

Maar laat ik eerst nog even iets anders zeggen.
Als je nog onbekeerd bent, kan je in deze verzen nogal verdwalen. Maar dat moet u maar niet doen.
Ik bedoel in die zeven keer dat er staat: die U Mij (in Ons eeuwige besluit) gegeven hebt.
Zoals in vers 12: Die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon der verderfenis, opdat de Schrift vervuld worde.
Je denkt: ‘Zie je nu wel, als God zulke dingen besloten heeft, kan ik er verder ook niets aan doen. Als God me buiten de boot laat vallen, dan houdt het voor mij op.’

Een paar dingen moet u goed bedenken.
a. U moet oppassen met wat u denkt of zegt over de heilige God. U geeft Hem namelijk zo de schuld van uw ellendige toestand. Is dat wel eerlijk? Gaat u dat straks ook doen als u voor Zijn rechterstoel staat?
b. Als tweede moet u bedenken, dat u praat over dingen die niet voor u bestemd zijn.
U praat over, u gebruikt als excuus iets wat voor u verborgen is. Dat doet u in het gewone leven toch ook niet? Argumenteren met iets waar u niets van weet?
De leer van de verkiezing is niet bedoeld voor onbekeerde mensen. Die is bedoeld voor, en alleen voor: meeluisterende discipelen. Die met verwondering en verbazing tot hun troost horen: ‘ik ben door God aan Christus gegeven, en dus zal ik niet verloren gaan in eeuwigheid.’
c. U moet als derde bedenken: het enige wat u wel van Gods verborgen besluit weet, is dat God zondaars(!) uitverkoren heeft. En dat wil u hoop geven! Ga dan maar redeneren met wat u wel weet!
Want, valt u buiten die groep? Bent u van een andere soort? Niet? Dan bent u niet uitgesloten.
Sluit uzelf niet uit. Maar zoek de Heere en leef.
Tot slot begon het vijfde punt.

5. Het verlangen dat Hij uitspreekt

Opdat zij één zijn, gelijk als Wij.
Opdat zij, zo zegt Calvijn, één mogen zijn in eenheid van hun geloof en in de Heilige Geest.
Eén met elkaar, zoals Wij, God de Vader en God de Zoon, één zijn.

Eigenlijk bidt de Heere Jezus dus: ‘Heilige Vader, bewaar Mijn kinderen en laat ze op Ons lijken, op Ons beeld. Zoals het vroeger was in het paradijs, waar Ik ze schiep naar Ons beeld en naar Onze gelijkenis (Gen. 1:26).’
Is dat iets wat je zelf moet doen? Jezelf veranderen? Jezelf een beter mens maken?
Nee, dat is het werk van de Heere, Die ons hart vernieuwt en Zijn geboden schrijft aan de binnenkant van ons hart. En daar bidt de Heere Jezus hier om. En ook verderop in vers 17 en 19, als Hij zegt: ‘Heilig ze in Uw waarheid. Uw Woord is de waarheid.’

Met andere woorden: ‘Druk Uw woorden als een stempel op hun leven.’
Dat stempel zelf, daar is er maar één van. Maar die stempel maakt een beeld, dat precies gelijk is aan het origineel.
Houdt ze, o heilige Vader, bij Uw Woord en bij Uw waarheid. Want dan zullen ze in Uw Woord Mij gaan zien. En in Mij, zullen ze ook U gaan zien. Mijn heiligheid en Uw heiligheid. En dat zal hen ook heilig maken. Dat zal hun levens echt gaan stempelen.

Zoals Luther ooit schreef: De Vader is heilig, Christus is heilig, Zijn Naam is heilig en Zijn Woord is heilig. En zo worden ook wij daardoor heilig. En niet door ons leven en door ons werk.

Het gelovig zien op Jezus, zoals we Hem kennen vanuit het Woord, dat brengt tot nieuw leven. Tot ootmoedigheid, tot nederigheid, tot zachtmoedigheid. Tot meer eenheid, tot meer liefde en meer verdraagzaamheid. Vernieuwd naar Zijn beeld. Gestempeld door Hem. En dus: lijkend op Hem.
Zoals het was in Handelingen 4:32, waar staat: En de menigte van degenen, die geloofden, was één hart en één ziel; en niemand zeide, dat iets van hetgeen Hij had, zijn eigen ware, maar alle dingen waren hun gemeen.
Ze waren één van hart en één van ziel.

Wat is dat, gemeente, een zegen als dat zo mag zijn. Als er eenheid is, in liefde en verdraagzaamheid, in het de ander uitnemender achter dan wij zelf zijn. Als we voor elkaar willen buigen.
Omdat wij zo goed zijn?
Nee, omdat Christus zo goed voor ons geweest is en nog is.
Zo vol van liefde, omdat Hij ons tot het einde toe liefgehad heeft.
Zo vol van verdraagzaamheid, voor twijfelende, ongelovige en dwalende discipelen.
Zo vol van nederigheid, dat Hij Zelf de voeten van Zijn discipelen wilde wassen.
Zo diep gebogen, tot de dood, ja, tot de dood van het kruis toe.

Laten we veel, gemeente, het voorbeeld van deze biddende Jezus volgen en ook Zijn voetstappen drukken. Terwijl we, ziende op Hem, met elkaar, dicht bij Zijn woorden, in liefde, eenheid en vrede leven.
Want waar liefde woont, daar gebiedt de Heere Zijn zegen.

Amen.

Links bij preek over Bewaar ze in Uw Naam – Johannes 17:
Heilige Geest overtuigt zonde (Johannes 16)
Indien u dan Mij zoekt (Johannes 18)
Het is volbracht (Johannes 19)
Lees meer:
– Kanttekeningen bij Johannes 17

TERUG LIJDENSTIJD | JOHANNES