Bruiloft in Kana – Johannes 2

Bruiloft in Kana

Preek Johannes 2:11: Dit beginsel der tekenen heeft Jezus gedaan te Kana in Galilea, en heeft Zijn heerlijkheid geopenbaard en Zijn discipelen geloofden in Hem.

LEESPREEK

De heerlijkheid van Christus geopenbaard bij de bruiloft in Kana
ds. J. IJsselstein – Johannes 2:1-11
 
Liturgie:
Psalm 141:1,2
Lezen Johannes 2:1-11
Psalm 25:2,3,4
Psalm 62:1
Psalm 4:3
 
Gemeente, jongens en meisjes, de preek van vanmorgen gaat over de bruiloft in Kana. We gaan de geschiedenis zo meteen vers voor vers langs. Ik lees u (als samenvatting en tekst voor de preek van vanmorgen) voor nu alleen het elfde vers voor van Johannes 2.
Johannes 2:11, waar staat:

Dit beginsel der tekenen heeft Jezus gedaan te Kana in Galilea, en heeft Zijn heerlijkheid geopenbaard en Zijn discipelen geloofden in Hem.
 
Deze bruiloft, jongens en meisjes, is niet zomaar een gezellige bruiloft (natuurlijk, dat was het zeker ook), maar op deze bruiloft heeft de Heere Jezus Zijn heerlijkheid, de grootheid en glorie, de wijsheid en genade van Zijn Godheid laten zien.
En dit is geschreven, zo zegt Johannes later: Opdat ook u gelooft, dat Jezus (niet zomaar een mens is, maar dat Hij) is de Christus, de Zoon van God, en opdat u, gelovende het leven hebt in Zijn Naam (Joh. 20:31).
 
Het thema voor de preek van vanmorgen is:
De heerlijkheid van Christus onthuld op de bruiloft in Kana

We letten samen op vier aandachtspunten. Jezus Christus is op die bruiloft in Kana aanwezig als:
1. Als Gast
2. Als Zoon van Zijn hemelse Vader
3. Als Reiniger van zondaars (d.w.z. als Iemand Die zondaars schoon wast van hun zonden)
4. Als Bruidegom van Zijn Kerk.

We letten dus vanmorgen op de heerlijkheidvan Christus gezien en geloofd op de bruiloft in Kana, waar Hij is: als Gast, als Zoon van Zijn hemelse Vader, als Reiniger van zondaars en als Bruidegom van Zijn Kerk.
 
Als eerste dus:
 
1. Jezus op de bruiloft in Kana als Gast
Want we lezen in vers 1 en 2 (leest u maar mee in uw Bijbel): En op de derde dag was er een bruiloft te Kana in Galilea; en de moeder van Jezus was aldaar. En Jezus was ook genood, en Zijn discipelen, tot de bruiloft.
Op de derde dag. Johannes heeft een heel precies dagboek bijgehouden.

Op de eerste dag zegt Johannes de Doper tegen Johannes en Andreas, wijzend op Jezus: Zie, het Lam Gods (1:36). En zij gaan met Jezus mee naar huis.
En op diezelfde dag roept Andreas zijn broer Simon. En hij leidde hem tot Jezus (1:43)
 
De dag erna, op de tweede dag, vindt Jezus Filippus en Nathanaël (1:35-52).
En dat groepje van vijf discipelen gaat op die tweede dag met Jezus mee naar Galilea.
 
En, zo schrijft Johannes, op de derde dag komen ze daar aan. Op een bruiloft. In Kana, een klein boerendorpje, een gehucht, dat waarschijnlijk hooguit enkele tientallen inwoners had.
 
En, de moeder van Jezus was daar, staat er. Waarschijnlijk was Jozef inmiddels overleden. Maria is weduwe en heeft kennelijk op deze bruiloft een wat regelende functie.
Maar Jezus en Zijn vijf discipelen zijn ook uitgenodigd.

Niet verwonderlijk, want Jezus komt uit Nazareth (dat niet ver van Kana ligt), en Nathanaël komt zelfs uit Kana zelf (21:20).
Niet verwonderlijk, maar wel opvallend, dat Jezus Gast is op deze bruiloft.
Nu Jezus voor het eerst publiek gaat optreden, gaat Hij als eerste naar een bruiloft. En wat brengt dat een zegen!
 
Het laat ons zien hoe belangrijk het is, om ook in deze tijd Jezus uit te nodigen op onze bruiloften. Jongelui, Jezus wil je huwelijk eren met Zijn aanwezigheid.
Hij wil er zelfs de voornaamste Gast zijn. Dat zie je hier ook voor je ogen gebeuren.
Nu Hij er is, verdwijnt iedereen op de achtergrond, zelfs het bruidspaar… We kennen niet eens de namen van het stel!
 
Maar wat brengt het een zegen! Als Hij er is, dan heb je werkelijk een blij en gelukkig huwelijksfeest en ook een gelukkige huwelijkstijd daarna.
Misschien raakt dan door alle zorgen van het leven op de een of andere manier (net als hier) de wijn wel eens op, maar als Hij er is, dan loopt het toch niet verkeerd af.

Je hebt pas echt een probleem als de wijn opraakt en Hij is er niet!
Nodig Hem dan voor je huwelijk uit, in je gezamenlijke gebed. Hij wil zeker komen.
 
Een huwelijk vroeg in de tijd van de Heere Jezus veel voorbereiding. Er ging een jaar van zogenaamde ondertrouw aan vooraf. Een jaar waarin wel zekere toezeggingen gedaan waren, maar het huwelijksverbond, de vaste verbinding tussen bruid en bruidegom was nog niet officieel en publiek vastgelegd. En dus leefden de verloofden gescheiden.

Hun relatie was liefdevol, maar de intieme gemeenschap met elkaar werd bewaard voor de huwelijksdag en daarna.
Het was een voorbereidingsjaar, waarin de aanstaande bruidegom ook moest bewijzen wat hij waard was. Hij moest een huis bouwen. En hij moest ook de bruiloft voorbereiden.
De dagen van deze bruiloft, waar Jezus en Zijn discipelen nu te gast zijn.
 
Er is nog iets wat opvalt. Schrijft de Bijbel ons iets over de aanwezigheid van Jezus op een bruiloft van een belangrijk stel, uit een geziene familie in Jeruzalem?

Nee!
Hij is hier op bezoek bij een (voor ons) onbekend, arm stel uit een boerengehucht in het verachte noordelijke deel van Israël. Hij zocht geen eer van mensen (5:41).
Hij wilde en wil de nederigen genade bewijzen. Dat was toen zo, en dat is nu nog zo. Niemand is te klein of te veracht voor Hem.

God is het, die de nederige vertroost (2 Kor. 7:6).
En: God wederstaat de hovaardigen, maar aan de nederigen geeft Hij genade (Jak. 4: 6)
 
Ons tweede aandachtspunt:
 
2. Jezus op de bruiloft in Kana als Zoon van Zijn hemelse Vader
Leest u nog even mee in vers 3, 4 en 5. Daar staat: En als er wijn ontbrak, zeide de moeder van Jezus tot Hem: Zij hebben geen wijn. Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat heb Ik met u te doen? Mijn ure is nog niet gekomen. Zijn moeder zeide tot de dienaars: Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat.
De wijn is op. En dus is het feest behoorlijk verstoord. Dit kan echt niet!
 
Het is goed om hier ook even na te denken over om wat voor soort wijn het hier gaat. Vruchtensappen kon men destijds, in de warmte van het Midden-Oosten, niet in een koelkast bewaren. En dus, door een proces van gisting, ging het na verloop van tijd altijd meer of minder alcohol bevatten.

Vanwege het gevaar van overmatig alcoholgebruik (waar de Bijbel vaak tegen waarschuwt!), verdunde men zulk alcoholhoudend vruchtensap met drie tot tien delen water. Je zou het in deze tijd ‘wijn-sap’ noemen. Verdunde wijn dus, die op een gepaste manier kon bijdragen aan de vreugde van een bruiloftsfeest.
 
Die wijn is op.
Wat een enorm gezichtsverlies voor de bruidegom! Dit kon in die tijd zelfs tot een rechtszaak leiden. Dit is echt zijn fout! Dus, wat nu?
 
Maria, de moeder van Jezus, die waarschijnlijk ook een regelfunctie had op de bruiloft, zij weet een oplossing. Ze kent haar Zoon, meer dan wie dan ook. Is het niet zo dat Hij altijd, in elke moeilijke situatie weet wat er gedaan moet worden?
Dus zegt ze tegen Jezus: Zij hebben geen wijn.
 
Jongens en meisjes, je verwacht dat Jezus zal zeggen (wat Hij ook van plan is):
‘Lieve moeder, Ik doe nu nog niets, wacht maar gewoon even af.’
Maar, dat zegt Hij niet.
Van het antwoord dat je hoort, schrik je misschien wel een beetje. Jezus zei tot haar: Vrouw, wat heb Ik met u te doen? Mijn ure is nog niet gekomen.
 
Het is absoluut wel respectvol. Vrouw! Wij zouden netjes zeggen: Mevrouw!
Maar, het is wel anders dan anders.

Hoewel, zoiets is één keer eerder gebeurd. Toen de twaalfjarige Jezus kwijt was. Toen Hij in de tempel was, luisterend naar en vragen stellend aan de leraars. Toen had Hij ook gezegd, als een soort vooruitblik naar nu: Wat is het, dat u Mij gezocht hebt? Wist u niet, dat Ik moet zijn in de dingen van Mijn Vader? (Luk. 2:46,49)
 
Zo ook nu: Vrouw, wat heb Ik met u te doen? Letterlijk staat er eigenlijk: ‘Wat Ik en u? Wat hebben wij met elkaar gemeenschappelijk?’
 
Waarom zegt de Heere Jezus dat? Wat bedoelt Hij daarmee? Hier, maar ook later, als Hij hangend aan het kruis zegt (niet: ‘Lieve moeder, zie uw zoon’, maar ook daar): ‘Vrouw, zie uw zoon’, en: ‘Zoon, zie uw moeder’? (19:26-27)
 
De Heere Jezus wil er dit mee zeggen: Maria, de tijd is voorbij, dat Ik u als moeder beschouwde, en dat u Mij als uw Kind mocht zien. Vroeger deed Ik gehoorzaam de dingen die u wilde dat Ik zou doen. Maar vanaf nu is het de tijd om de dingen van Mijn Vader te doen. Ik ben eigenlijk niet uw Zoon, maar ik ben de Zoon van Mijn hemelse Vader, Ik ben de Zoon van God!

En met wie heb Ik een echt persoonlijke band? Niet alleen of in de eerste plaats met familieleden. Zelfs niet met Mijn moeder, maar met diegenen die de wil van Mijn Vader doen. In Mijn werk als Zaligmaker tellen geen familiebanden, alleen geestelijke banden.
 
Is dat niet troostvol voor degenen, die misschien wel uit een familie komen waarin niemand iets heeft met God, met de Bijbel en met de Zaligmaker? Je zou denken dat het in je nadeel kon zijn. Maar dat is niet zo. Familiebanden, een godvrezende moeder of vader, een bekeerde zoon of dochter tellen niet.
Want, zo zegt de Heere Jezus op een ander moment: Zo wie de wil van God doet, die is Mijn broeder, en Mijn zuster, en moeder (Mark. 3: 35).
 
Vrouw, Mijn ure is nog niet gekomen.
Want, ja, de wijn kan wel op zijn, maar misschien wordt er nog wel naarstig gezocht naar andere(!) oplossingen. Misschien wordt het niet als enige aan Jezus gevraagd, maar worden er ook nog allerlei andere alternatieven uitgeprobeerd.

Zoals ook mensen die hun zonden zien, allerlei oplossingen kunnen proberen te zoeken, om de last van hun schuld kwijt te raken. Misschien niet helemaal zonder de vraag aan Jezus te stellen, maar is Hij echt de Enige op wie ze hun hoop stellen?

Totdat, de een na de andere hoop aan hun handen afbreekt. Zelf oplossen blijkt niet te lukken. Ik kan zelf de prijs van mijn ziel niet betalen. En anderen kunnen het ook niet voor mij doen.
Totdat er geen andere weg meer overblijft, dan die ene, dan de weg naar Jezus toe.
Wat is het een wonder, als de Heere ons Zelf die weg gaat wijzen.
 
Dat is geen weg van ‘O, laat ik maar direct naar Jezus gaan, Die lost het wel even snel voor me op’.
Het is een weg van: ‘Er is geen andere weg meer, en de nood dringt me om tot Hem te vluchten. O, Heere, wees me genadig!’
En is het niet zo, dat Jezus juist daar, waar wij niets meer hebben en in onze nood tot Hem vluchten, dat Hij juist daar iets openbaart van Zijn heerlijkheid? Van Zijn heerlijkheid als des Eniggeborenen van de Vader, vol van genade en waarheid (1:14)?
 
Had u heerlijkheid gezien in Christus, kinderen van God, als u bij uw eerste zucht om vergeving, die vergeving ook direct gekregen had? Heeft de nood van uw zonden u niet een veel heerlijker blik gegeven op de schoonheid van Christus, zodat u moest uitroepen: Hij is blank en rood, Hij draagt de banier boven tienduizend (Hooglied 5:10)?
Boven de tienduizend ook, waar ik zelf mijn nood zocht op te lossen, maar bij wie ik geen redding vond?
 
En dus zegt Jezus ook hier (en in de eerste plaats) in deze tijdelijke zorg: Mijn ure is nog niet gekomen.
Het betekent dat ook wij, in tijdelijke moeilijkheden, in huwelijk en gezin, in werk en studie, ons niet aan ons lot overgelaten hoeven te voelen, als God ons eerste gebed niet direct verhoort.

Is het, eerlijk gezegd, vaak ook in die dingen niet zo, dat we pas echt aan de voeten van de Heere komen, als het ons echt nood wordt? Als het water ons tot de lippen komt?
Vaak dan pas, worden we gedrongen, te zeggen, te roepen: ‘Heere, helpt U ons toch?
Wij weten het niet meer! U bent de Enige, Die ons helpen kan? O God, verlos ons uit de nood!’
 
Toch ligt er, als we verder lezen, meer in dit opvallende antwoord van de Heere Jezus: Mijn ure is nog niet gekomen.
Deze zinsnede wordt later vaker door de Heere Jezus gebruikt. In Johannes 7 en 8, in Johannes 12 en 13, totdat de Hij uiteindelijk in Johannes 17:1, wetend dat Zijn zwaarste lijden gaat beginnen, zegt: Vader, de ure is gekomen (Mijn uur is nu wel gekomen!), verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijke.  
 
Dus wanneer is het uur van de Heere Jezus gekomen? Wanneer wordt de Zoon werkelijk door de Vader verheerlijkt? Hier nog niet. Het werkelijke uur van Zijn openbaring, van de onthulling van Zijn glorie en heerlijkheid ligt niet hier, maar komt straks, aan het einde van Zijn aardse loopbaan.

Straks, als het uur van Zijn lijden aanbreekt, in Gethsémané en vooral aan het kruis op Golgotha, dan is Zijn ure gekomen. Bij Zijn overwinning over de hel, de dood en het graf.
Bij Zijn opstanding uit de doden.

En vanaf het begin van Zijn openbare optreden wil de Heere Jezus de ogen van Zijn discipelen daar oprichten: op dat uur, op die tijd! Ik ben gekomen, dat is het doel van Mijn komst naar deze wereld, om straks te lijden en te sterven.

Al uw nood vindt geen vervulling, dan in Mijn dood en in Mijn opstanding.
Daarin zal ik Mijn heerlijkheid in volle glorie openbaren.
 
Eigenlijk zegt de Heere Jezus, als Hij tegen Maria zegt ‘Mijn ure is nog niet gekomen’ (even heel gewoon gezegd): ‘Ik heb Mijn eigen agenda.’ Ik ben nog niet op het hoogtepunt van Mijn aardse optreden. Vraag Mij ook geen dingen waardoor de aandacht wordt afgeleid van dat uiteindelijke werk, namelijk dat Ik moet lijden en sterven.

Ik zal op Mijn tijd een wonder doen, maar dan vooral om vooruit te wijzen naar het moment dat Mijn uiteindelijke uur echt gekomen zal zijn.
 
Ook wij zijn in ons hart, gemeente, zo vaak gericht op andere dingen, dan op dat ene van Hem: Zijn uur. We zoeken troost, we zoeken hulp in moeilijkheden, want ‘de wijn is op’. Ik ben dit kwijt, ik ben dat kwijt, ik voel dit niet meer en ik voel dat niet meer…
 
Maar het gaat maar om één ding: om Zijn ure. Het moet heen naar het kruis!
Want buiten het kruis is er geen leven en geen troost. Buiten de stervende en opgewekte Jezus is er geen hoop en vrede en blijdschap.

Heel het geloof bestaat in het zien op Jezus aan het kruis (in de heerlijkheid van Zijn vernedering) en in het zien op de opgestane Christus (in de heerlijkheid van Zijn verhoging).
En ook het wonder dat de Heere nu doet, wil Hij gebruiken om Zijn discipelen en Zijn kinderen juist daarop te wijzen.

Gemeente, we gaan verder met ons derde aandachtspunt:
 
3. Jezus op de bruiloft in Kana als Reiniger van zondaars
Dat wil zeggen: als Iemand die zondaars wast van hun zonden.
Leest u maar even mee in vers 5 tot en met 8:

Zijn moeder zeide tot de dienaars: Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat. En aldaar waren zes stenen watervaten gesteld, naar de reiniging der Joden, elk houdende twee of drie metreten. Jezus zeide tot hen: Vult de watervaten met water. En zij vulden ze tot boven toe. En Hij zeide tot hen: Schept nu, en draagt het tot den hofmeester; en zij droegen het.

Maria zwijgt. En ze geeft haar mensen een wijze raad: ‘Luister goed naar wat Hij zegt. Hij stelt Zijn hulp wel uit, maar het is niet zo dat Hij niet wil helpen. Dus, doe wat Hij zegt.’
 
En daar waren, zo staat in vers 7, zes stenen watervaten gesteld, naar de reiniging der Joden, elk houdende twee of drie metreten.

De wijn is op, maar water is er genoeg. Voor? Voor reiniging. Dat wil zeggen om jezelf en vooral je handen te wassen. Want op een bruiloft werd veel gegeten en gedronken en (zo schrijft Markus op een andere plaats): De Farizeeën en al de Joden eten niet, tenzij dat zij eerst de handen dikmaals wassen, houdende de inzettingen der ouden (Mark. 7:3).

Dus ze wassen niet zomaar één keer hun handen, maar ze wassen hun handen heel vaak. En dus staat er een enorme voorraad water (waarvan een deel natuurlijk al gebruikt is): zes vaten, elk voor honderd liter water.
Om te doen wat hun wetten van hen vragen: wassen, wassen, en nog eens wassen, zonder ooit echt schoon te worden.
 
Als symbool van een zondig leven, dat je op allerlei manieren kan proberen schoon te krijgen, zonder dat het ooit lukt. Zoals de profeet al geprofeteerd had: Want, al waste u zich met salpeter, en nam u veel zeep, zo is toch uw ongerechtigheid voor Mijn aangezicht getekend, spreekt de Heere HEERE (zie Jer. 2:22).
 
Altijd weer jezelf wassen, maar toch altijd vuil blijven en weer vuil worden van de zonde.
Hoeveel water er ook is, honderden liters, nooit is het genoeg.
Jezelf wassen, het zal je nooit brengen tot echte zuiverheid van hart en handen.
 
Jezus zei tot hen: vult de watervaten met water. En zij vulden ze tot boven toe.
Ze vullen die vaten dus letterlijk tot de rand toe vol.
En dan zegt Hij: ‘Word wijn? Word veranderd in wijn?’

Nee. In volmaakte stilte gebeurt het wonder. Geen spreuk, geen gebod, geen gebed.
Maar Goddelijke kracht, almacht en majesteit laten in een ondeelbaar ogenblik dat onbruikbare water, dat nooit de vuilheid van het lichaam kon afwassen, veranderen in de beste en heerlijkste wijn.
 
Jezus doet grote wonderen. Maar Hij toont Zijn heerlijkheid, glorie, wijsheid, macht en genade vaak in volkomen stilte. Door ons in stilte tot leven te wekken, door onze ogen te openen, door onze ogen te richten op Hem en door Zelf tot ons te komen. Tot onze arme en schuldverslagen zielen. Terwijl Hij onze onbruikbare reinigingsmiddelen wegneemt en vervangt door de beste en meest kostbare wijn. Als teken van Zijn dierbare bloed, dat straks op Golgotha stromen zal.
 
Het enige wat Hij daarna zegt is: Schept! En Hij zeide tot hen: Schept nu!
Wat klinkt dat als een liefdevolle Evangelieboodschap in de harten van overtuigde zondaars, die in de nood van hun hart tot Jezus vluchten. Schept nu!

Uit de volheid van Mijn wijn, uit de volheid van Mijn bloed, uit de overvloed van Mijn genade voor zondaars. Schept!
Neem dit(!) middel tot wassing van uw ziel.
Schept met vreugde uit de fontein van Mijn(!) heil.

Wie hiervan gedronken zal hebben zal niet dorsten in eeuwigheid (zie 4:14).
O alle gij dorstigen, komt tot de wateren. En gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk! (Jesaja 55:1)
 
De vaten zijn ineens tot de rand toe gevuld met wijn. Letterlijk: tot de rand toe. Er is geen gebrek meer. Het uiterste gebrek (de wijn is op en de nood is hoog!) is veranderd in een volheid van genade, overvloeiende voor de grootste van de zondaars.

Hier kan gezongen worden: Nu hebt U, Heere, onze weeklacht en geschrei veranderd in een blijde rei. Des avonds vernachtte het geween, maar nu is er gejuich (Ps. 30:6).
Hier is overvloed, die de ziel verzadigt. Vroeger dachten we: Zou God Zijn genade vergeten, nooit meer van ontferming weten?

Maar Hij vergat het geroep van Zijn ellendigen niet (Ps. 9:12). Hij liet ons wel wachten, maar Hij liet ons niet omkomen in dure tijd en hongersnood.
En nu maakt God het waar, tot eer en glorie van Hem en Zijn lieve Zoon (en daar gaat het hier om!), dat Hij doet boven bidden en denken (Ef. 3:20).
 
Tot de rand toe gevuld. Met de lekkerste wijn.
En Hij zeide tot hen (vers 8-10): Schept nu, en draagt het tot de hofmeester; en zij droegen het. Als nu de hofmeester het water, dat wijn geworden was, geproefd had (en hij wist niet, van waar de wijn was; maar de dienaren, die het water geschept hadden, wisten het), zo riep de hofmeester de bruidegom.En zeide tot hem: Alle man zet eerst de goede wijn op, en wanneer men wel gedronken heeft, alsdan de mindere; maar u hebt de goede wijn tot nu toe bewaard.

Dit is geen bestraffing van de bruidegom. Alle accent ligt (ook in de woorden van de hofmeester) op de verwondering over het heerlijke, het kostbare van deze wijn. Die verwondert, die maakt klein, die beschaamt.
Die doet verwonderd zeggen: ‘Heere, wat bent U groot! Uw werk is oneindig groot en goed. U bent ons meer waard dan het fijnste goud op aard’.
Uw liefde is beter dan wijn (Hoogl. 1:2).
 
Wat wordt Jezus kostbaar, liefdevol en begeerlijk, wat brengt Hij het hart van zondaars in vervoering, als Hij ons brengt op de plaats waar Hij ons waardeloze reinigingswater verandert in de overvloed van de wijn van Zijn bloed.
Als Hij ons op Golgotha brengt (waar Zijn ure gekomen is), ons daar omhoog laat kijken en laat zien: Al uw ongerechtigheden zijn op Mij aangelopen. De overvloed van uw zonden is door Mij gewassen met de overvloed van Mijn genade.
 
O, gemeente, ligt er geen schoonheid, geen kostbaarheid en heerlijkheid, geen hemelse glorie en luister in Jezus? Heel het geloof, zo zegt de bekende godgeleerde John Owen, ziet op de heerlijkheid van Christus. In Zijn vernedering en in Zijn verhoging.
Alleen dat zien op Jezus verblijdt het hart van Gods kinderen. En alleen dat zien op Hem reinigt ook ons hart en onze levenswandel van zonde en ongerechtigheid.
 
We overdenken samen nog tot slot ons vierde aandachtspunt:
 
4. Jezus op de bruiloft in Kana als Bruidegom van Zijn Kerk
Daar staat nu die bruidegom. Ziet u hem voor u staan? Een jaar lang heeft hij alles voorbereid. Hij heeft er hard aan gewerkt. Zeker, zijn middelen waren beperkt, maar de verwachtingen waren hoog gespannen.
En toen die ellende van ‘niet genoeg hebben’, steeds minder hebben, bijna op, alles op… Zonder oplossing.

En toen dat wachten, op wat Hij uiteindelijk zou gaan doen.
En nu krijgt hij door dit wonder de lekkerste wijn. De smaak is ongeëvenaard. Wijn die ook zijn hart vervult met blijdschap.
In wie? In Hem, Die voor hem staat: Jezus van Nazareth.
 
Maar dat roept ondertussen wel de vraag op: Wie is nu eigenlijk de echte bruidegom?
Het valt al lezend op, dat de bruidegom van de bruiloft direct al niet met zijn naam genoemd wordt. En daarna verdwijnt hij nog verder op de achtergrond, als de man die (net als iedere aardse bruidegom) vroeg of laat niet volmaakt blijkt te zijn.
 
En ondertussen komt de echte en enige Bruidegom naar voren, met Zijn wonderlijke kracht, met Zijn liefdevolle zorg en met de volheid van de vreugde van Zijn wijn. Overvloedig, puur, zuiver, ongegist, zoals nog nooit iemand heeft geproefd!
Vooruitwijzend naar het moment waarop Zijn ure gekomen zal zijn.

Het moment waarop Hij de beker zal opheffen en zal zeggen: De drinkbeker, die Mij de Vader gegeven heeft, zal Ik die niet drinken? (18:11)
Maar, het zal voor Mijzelf niet zijn. Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed, hetwelk voor u(!) vergoten wordt (Luk. 22:20).

Het kan niet anders, later denkt Johannes er ongetwijfeld aan terug als hij schrijft in
1 Johannes 1:7: Niet het reinigingswater van de wet, niet het water van onze tranen, maar alleen: Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon reinigt van alle zonden.
 
En gemeente, ook wij scheppen vanmorgen met vreugde uit deze fontein van het heil, als wij zeggen: ‘Geliefde gemeente, dit bloed is ook beschikbaar voor u!’
Het is beschikbaar voor u allemaal. Er is een Zaligmaker, Die gekomen is om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. U bent niet te slecht. Uw hart is niet te vuil.

Maar het is wel zo vuil, dat uw reinigingswater nooit in staat zal zijn, om u te wassen van de vuilheid van uw zonden. Kom tot Jezus en laat u wassen. Hier is de enige en de ultieme Reiniger voor uw zonden.
 
Ziet u, in het bijzonder u, die zo moet klagen over uw eigen gebrek (de wijn is op!), ziet u vanmorgen niet iets van de heerlijkheid van deze Jezus?
Kom en zie! Is deze niet de Christus?

Een Middelaar, een Bruidegom, vol van Goddelijke macht en majesteit, Die water in wijn verandert? Die uw ogen weg wil draaien van het zien op uzelf, om die te richten op Hem en op Zijn dierbare bloed?
Opdat ook u gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God (20:31).
 
Kinderen van God, geliefde medechristenen, als ik u vanmorgen met deze geschiedenis (zoals Johannes de Doper deed) wijs op het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegdraagt…
Als ik u vanmorgen met deze geschiedenis wijs op de enige en beste Bruidegom, Die in ondertrouw wilde gaan met een zondige bruid…

Zegt u dan niet, terwijl u op Hem ziet: Ja, Heere, Uw uitnemende liefde is beter dan wijn. Uw vrucht is mijn gehemelte zoet (Hoogl. 1:2, 2:3)?
Zegt u dan niet: Wij zullen Uw uitnemende liefde vermelden, meer dan de wijn; de oprechten hebben U lief (Hoogl. 1:4)?
 
En wat dan? Als u dat zegt? Wat is dan het antwoord van de hemelse Bruidegom?
Dan zegt Hij dit: Hoe schoon is uw(!) uitnemende liefde, Mijn zuster, o bruid! Hoeveel beter is uw(!) uitnemende liefde dan wijn, en de reuk uwer oliën dan alle specerijen! (Hoogl. 4:10)
De wijn is maar een beeld. De liefde van Christus gaat dit beeld eindeloos ver te boven.
 
Ik lees tot slot vers 11: Dit beginsel der tekenen heeft Jezus gedaante Kana in Galilea, en heeft Zijn heerlijkheid geopenbaard; en Zijn discipelen geloofden in Hem.
Dit is het begin van een reeks van acht tekenen in het Johannesevangelie, met allemaal hetzelfde doel: hart en oog richten op de heerlijkheid van Jezus.

Om er een paar te noemen:
De vermenigvuldiging van de broden, eindigend met: Ik (zie op Mij!), Ik ben het Brood des levens (6:48).
Het openen van de ogen van de blinde, eindigend met: Ik (zie op Mij!), Ik ben het Licht van de wereld (9:5).
De opwekking van de gestorven Lazarus, eindigend met: Ik (zie op Mij!), Ik ben de Opstanding en het Leven (11:25).
Zo heeft Christus Zijn heerlijkheid geopenbaard.
 
Gemeente, hebt u ooit heerlijkheid gezien in Christus? God uit God, Licht uit Licht, en mens geworden om te lijden en te sterven voor zondaars? Blank in de heerlijkheid van Zijn Goddelijke heiligheid, rood in de heerlijkheid van Zijn bloedige vernedering, en nu verhoogd, de banier dragend boven tienduizend (Hoogl. 5:10)?
 
Als u nooit heerlijkheid in deze Jezus hebt gezien, als de Zoon van de Vader, en als de ultieme Reiniger om uw ellendige hart schoon te wassen van zonde, en om uw leven te vernieuwen tot een nieuwe wandel voor Hem, dan bent u nog steeds ellendig en arm en jammerlijk en blind en naakt.

O, maak dan toch haast met het werk van uw bekering.
Zie dan toch uw armoede! De wijn is op! U bent alles kwijt geraakt door de zonde.
Erken toch uw ongerechtigheid dat u tegen de Heere gezondigd hebt. En keer terug met smeken en geween.
 
Maar Zijn discipelen, zegt vers 11(hoort u daar ook bij?), zij geloofden in Hem.
Zij zagen iets van Zijn heerlijkheid. Zij begrepen er nog niet alles van.
Maar ze zagen wel iets van Zijn schoonheid, van Zijn kostbaarheid, van de volheid van Zijn genade en waarheid. Van de wonderlijke kracht van Hem, Die het water van de wet veranderde in een overvloed van genade en vreugde.
En zijn discipelen geloofden in Hem.
 
Er was trouwens ook nog een andere groep van mensen. We lezen dat verderop in Johannes 12:37, waar staat: En hoewel Jezus zoveel tekenen voor hen gedaan had, nochtans geloofden zij niet in Hem.
Hoort u bij deze groep? Zo vaak grote dingen gezien?

Vaak ook letterlijk. Voor de ogen geschonken wijn, uit de kelk des heils, bij de bediening van het Heilig Avondmaal: ‘Dit is het Nieuwe Testament in Mijn bloed, dat voor u vergoten wordt’?
Maar u geloofde het niet. Bekeer u toch. En geloof het Evangelie.
 
Discipelen van Jezus, zie veel op Hem. Zie, het Lam Gods.
Heel het geloof bestaat uit het zien op Jezus.
En wie Hem gezien heeft, die heeft ook de Vader gezien (14:9).
 
Het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van de Vader), vol van genade en waarheid.
En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade (Joh. 1:14, 16).
 
Uw uitnemende liefde, Heere, is beter dan wijn (Hoogl. 1:2).
 
Amen.
Stenen watervaten, zoals bij de bruiloft in Kana