Verraad van Judas · Lukas 22

Verraad van Judas
Preek Lukas 22:1-13: En de satan voer in Judas, die toegenaamd was Iskáriot, zijnde uit het getal der twaalve.
En hij ging heen en sprak met de overpriesters en de hoofdmannen, hoe hij Hem hun zou overleveren. En zij waren verblijd, en zijn het eens geworden dat zij hem geld geven zouden.

Thema preek Lukas 22: Verraad van Judas

1. Vrome vijanden
2. Een slinkse verrader
3. Onbekende discipelen
4. Goddelijk welbehagen

LEESPREEK

Schriftgedeelte over Verraad van Judas – Lukas 22:1-13
1 En het feest der ongehevelde broden, genaamd pascha, was nabij.
2 En de overpriesters en de schriftgeleerden zochten hoe zij Hem ombrengen zouden; want zij vreesden het volk.
3 En de satan voer in Judas, die toegenaamd was Iskáriot, zijnde uit het getal der twaalve.
4 En hij ging heen en sprak met de overpriesters en de hoofdmannen, hoe hij Hem hun zou overleveren.
5 En zij waren verblijd, en zijn het eens geworden dat zij hem geld geven zouden.
6 En hij beloofde het en zocht gelegenheid om Hem hun over te leveren zonder oproer.
7 En de dag der ongehevelde broden kwam, op denwelken het pascha moest geslacht worden.
8 En Hij zond Petrus en Johannes uit, zeggende: Gaat heen en bereidt ons het pascha, opdat wij het eten mogen.
9 En zij zeiden tot Hem: Waar wilt Gij dat wij het bereiden?
10 En Hij zeide tot hen: Zie, als gij in de stad zult gekomen zijn, zo zal u een mens ontmoeten, dragende een kruik water; volgt hem in het huis waar hij ingaat.
11 En gij zult zeggen tot den huisvader van dat huis: De Meester zegt u: Waar is de eetzaal, waar Ik het pascha met Mijn discipelen eten zal?
12 En hij zal u een grote toegeruste opperzaal wijzen; bereidt het aldaar.
13 En zij heengaande, vonden het gelijk Hij hun gezegd had, en bereidden het pascha.

Link bij preek Lukas 22: Verraad van Judas:
– Begeerd te ziften als de tarwe · Lukas 22
– Lam deed mond niet open – Jesaja 53
Grotelijks begeerd met u te eten · Lukas 22
Lees meer:
– Kanttekeningen Lukas 22

LIJDENSPREKEN / LUKAS

Gemeente, we overdenken vanmorgen met Gods hulp in deze dienst het Bijbelgedeelte dat ons voorgelezen is: Lukas 22:1-13.
En schrijven boven de preek als thema: Jezus’ dood besloten.
We gaan samen letten op vier dingen. In de eerste plaats op vrome vijanden, in de tweede plaats op een slinkse verrader, in de derde plaats op onbekende discipelen en in de vierde plaats op Goddelijk welbehagen.

Dus thema voor de preek is:
Jezus’ dood besloten

Er zijn vier aandachtspunten:
1. Vrome vijanden
2. Een slinkse verrader
3. Onbekende discipelen
4. Goddelijk welbehagen

Als eerste dus:

1. Vrome vijanden

We lezen in vers 1 en 2: En het feest der ongehevelde broden, genaamd pascha, was nabij. En de overpriesters en de Schriftgeleerden zochten hoe zij Hem ombrengen zouden; want zij vreesden het volk.
Twee verzen vol tegenstelling.
Het is een geheiligde tijd. Het is bijna paasfeest. Het Lam zal geslacht worden.
En het is tegelijkertijd een satanische tijd, een tijd van sinistere en duistere machten. Er wordt een moordcomplot gesmeed.

Het pascha, het paasfeest is nabij. Over een paar dagen zal het paaslam geslacht worden. Markus schrijft: het is twee dagen voor het paasfeest. Op dinsdag dus (Mk. 14.1).
Op die bewuste dinsdag vergaderen ze samen op de binnenplaats van het huis van Kajafas de hogepriester. De (zoals staat in vers 2) overpriesters en Schriftgeleerden, de godsdienstige leiders, samen met (zo schrijft Mattheus) de ouderlingen, de oudsten van het volk; en dat waren vooral de Sadduceeën (Mat. 26.3).

Het is trouwens niet de eerste keer dat ze zo bij elkaar zitten. Ze hebben al eerder bij elkaar gezeten. En toen ging het ook over dezelfde vraag: Hoe komen we van Jezus af?
Kajafas had er destijds geen doekjes om gewonden, toen hij zei: Het is ons nut (d.w.z.: dat is beter), dat één Mens sterve voor het volk, en het gehele volk niet verloren ga.
Zonder het te weten zei hij iets, wat hij zelf niet begreep. Want Jezus moest inderdaad sterven, zodat Zijn volk niet verloren zou gaan (Joh. 11.50-52).

En zo zitten ze nu weer bij elkaar.
Die Man is een bedreiging voor ons macht, voor onze invloed, voor onze gestolen welvaart, voor onze godsdienst. We moeten Hem zo snel mogelijk kwijt. Maar graag wel zonder gezichtsverlies, en met behoud van onze eer en goede naam.
‘Hoe probeerde hij ons te ontmaskeren! Door te zeggen dat we even slecht zijn als iedereen! Wat schuurde het van binnen, toen Hij ons wees op ons altijd maar weer vooraan willen staan en op de voorste bank in de synagoge willen zitten.
Wat beet het als zout in een open wond, toen Hij ons wees op het onrecht dat we doen met het opeten van de huizen van de weduwen. En dat alles onder de schijn van onze lange gebeden (Luk. 20.46-47).
Het is gewoon klaar! Die Man moet weg!’

Dit zijn de mensen, jongens en meisjes, van wie je het goede voorbeeld zou verwachten.
Een voorbeeld van eerlijkheid, van bezig zijn met het komende paasfeest.
Maar terwijl het Lam al apart gezet is om geslacht te worden, zijn ze maar met één ding bezig: Weg met Jezus! Maar, zonder gezichtsverlies voor ons.

Hoeveel mensen in de kerk zouden misschien ook wel van Jezus af willen?
De kerk is fijn, zeker! Maar…, liever zonder Jezus.
Want Hij confronteert me met mijn oneerlijke zaken.
Want Hij kraakt mijn eigen vroomheid.
Want Hij noemt mij een witgepleisterd graf.
Want Hij doorziet mijn geheime overleg en mijn stille gepraat.
En je voelt, als je dat nu tot jezelf wilt laten doordringen, de vijandschap in je hart alweer opkomen.
Tegen? Tegen Jezus!
Want je wilt je geld niet kwijt. Je wilt je godsdienst niet kwijt. Je wilt je oneerlijke leven niet kwijt.
Maar Jezus wel. Alleen…, zonder nadeel voor jezelf.

Vindt u het ook geen grote vergissing? Van uzelf…?
Hij kwam om het verlorene te zoeken, om vijanden, vrome vijanden met God te verzoenen.
Hij is de enige Redder, door God gestuurd, om u van de dood te behouden.
En in plaats van dat u vraagt: ‘Verlos me toch, Heere, van deze mijn eigen vroomheid en hemelhoge schuld?’, denkt u: ‘Verlos me van Hem, Die me laat zien hoe slecht ik ben!’
Wat een dodelijke vergissing! Veracht Hem toch niet. Verwerp Hem toch niet.
Want dan blijft er geen slachtoffer meer over voor uw zonden (Hebr. 10.26).
We gaan verder met ons tweede aandachtspunt:

2. Een slinkse verrader

Want we lezen in vers 3: En de satan voer in Judas (zijn naam betekent: belijder, lover, Godlover), die toegenaamd was Iskáriot (uit het plaatsje Kariot), zijnde uit het getal der twaalve.
Weer voel je een schrijnende tegenstelling. Hij is één van de twaalf discipelen, maar de duivel vaart in hem, de duivel komt zijn hart binnen.

Ooit was er een dag, waarop hij net als anderen geroepen werd om discipel te worden.
Lukas schrijft in Lukas 6:13: En als het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde.
En daaronder was ook Judas Iskariot. Sindsdien is hij Jezus gevolgd.
Hij heeft geluisterd naar Zijn preken. Heeft gehoord en gezien hoe Jezus de storm stilde.
Hij heeft de liefde en de bewogenheid van Jezus gehoord, toen Hij zei: Komt herwaarts tot Mij, u die vermoeid en belast zijt, Ik zal u rust geven (Mat. 11.28).
Toen Hij zei: Komt, (…) rust een weinig. Toen kwam ook Judas en rustte (Mark. 6.31).
Hij heeft machtige tekenen en wonderen gezien: zieken werden genezen, blinden kregen het gezicht, doden werden opgewekt, en… duivels werden uitgeworpen!
Duivels werden uitgeworpen…, en nu, drie jaren na dat eerste begin, is hij degene die zelf de duivel verwelkomt in zijn eigen hart.
Nee, hij is geen willoos slachtoffer van de duivel. Hij doet willens en wetens wat hij doet. Hij volgt de overste van de macht der lucht, de duivel, die hem (verleid door de macht van het geld) vervolgens gewillig meesleurt op de weg van het verderf (Ef. 2.2).

Laten we hier eerst samen eens naar kijken vanuit het perspectief van de Heere Jezus.
Wat moet dit bitter voor Hem geweest zijn. Johannes schrijft dat ook: Jezus deze dingen gezegd hebbende, werd ontroerd in den geest, en betuigde en zeide: Voorwaar, voorwaar Ik zeg u, dat een van ulieden Mij zal verraden (Joh. 13.21).
Tegelijkertijd blijkt ook hoe onschuldig de Heere Jezus is. Hij moet stiekem verraden worden, want niemand heeft iets tegen Hem in te brengen.
Maar wat denk je verder, jongens en meisjes, van het feit dat de Heere Jezus Zich vrijwillig laat verraden?

Want we lezen verder in vers 4 tot en met 6: En hij ging heen en sprak met de overpriesters en de hoofdmannen, hoe hij Hem hun zou overleveren. En zij waren verblijd, en zijn het eens geworden dat zij hem geld geven zouden. En hij beloofde het en zocht gelegenheid om Hem hun over te leveren zonder oproer.
Ze bieden Judas geld. En daar houdt hij van. Dertig zilverlingen, dertig zilveren penningen krijgt hij, als hij Jezus in hun handen overgeeft (Zach. 11.12; Mat. 27.9).

Snap jij, jongen, meisje, dat de Heere Jezus nog verder wil?
Denk eens na. Is Hij, Die de Zoon van God is, Die naar deze wereld kwam om verraders zalig te maken, dit waard? Dat Hij verkocht gaat worden voor een slavenprijs?
Weet je wat je hier vooral ziet, jongens en meisjes? Niet alleen het slinkse verraad van Judas, maar vooral de onbegrijpelijke zondaarsliefde van de Heere Jezus.
Zijn vijanden vinden Hem niet meer waard dan dertig zilveren penningen, de prijs die je voor een slaaf moest betalen.
Maar Hij betaalt ongevraagd voor dat soort van mensen de allerduurste prijs van Zijn leven en van Zijn bloed.
Zoals Paulus later zegt: u bent duur gekocht (1 Kor. 6.20). Het is weergaloze zondaarsliefde, die hier schittert!

Judas verraadt zijn Meester.
Ja, en dan kunnen we wel lelijk wijzen naar die gemene Judas, maar…
Wat is dat eigenlijk: verraad? Wat is dat: verraad?
Dat is kiezen voor de andere partij, voor de tegenstander.
Zoals wij dat ook deden en zo vaak doen: kiezen voor de grote tegenstander, de duivel.
We deden het in Adam in het paradijs. En we doen het iedere dag weer opnieuw.
Zonde, iedere zonde is verraad.
Iedere zonde is ontrouw in de relatie met God Die, jongelui, in je doop tot je kwam. Toen Hij zei: ‘Je hoort bij Mij!’
‘Nee’, zegt de zonde: ‘ik wil niet bij U horen!’

Wat zou je zelf doen, als je verraden werd? Als je vriend of vriendin ontrouw werd en overlopen zou naar een ander?
Ik zou woest worden. Jij vast ook. U vast ook.
Zie je dat hier ook, als je dit leest?
Nee!
Ons eerste verraad in het paradijs werd beantwoord met een belofte, met de belofte van de komende Messias. Is het geen wonder dat die belofte ook echt vervuld is, dat Christus echt binnengekomen is in de wereld van ons verraad om als het Lam van God Zijn leven te geven voor vrienden van de duivel, voor verraders en moordenaars?

Wat doe jij, wat doet u met deze Jezus?
Gaat u Hem weer verraden? Gaat u Hem weer verwerpen?
Blijft u partij kiezen voor de andere kant, voor de overste van de macht der lucht, voor de prins der duisternis?

U moet (dat is geen vrije keus, dat is Gods bevel!) vanaf vandaag van partij veranderen.
Bekeer u. Breek met uw zonden, en met het dienen van de wereld en van de duivel.
Breek met uw ontrouw en verraad. En keer terug naar God toe.
En belijd uw ontrouw en verraad aan de voeten van deze Zaligmaker.

Wat doet u, wat doe jij met deze Jezus?
Judas verraadt Hem voor een stel zilveren munten, voor de schittering van wat geld.
Maar heeft hij ooit gelegenheid gehad om dat geld uit te geven? Het bracht hem alleen maar verdriet en wanhoop. En anderen hebben zijn graf ermee gekocht.
Bent u ook betoverd door de schittering van geld, van aards bezit?
Misschien dat u er even van genieten kan.

Maar vergeet niet wat Lukas schrijft in Lukas 12: 20: Dwaas (die u bent)! in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen; en hetgeen u bereid hebt, van wie zal het zijn?
U hebt een ziel voor de eeuwigheid. En de dag komt dat God zal zeggen: Geef hier!
Wat? Mijn spullen? Nee, uw ziel! En al dat andere, daarvan zult u in uw sterven niets mee kunnen nemen (Ps. 49.18).
De fiscus zal zijn deel nemen, uw kinderen (als u die gekregen hebt) of anderen zullen het resterende erven, en er een graf voor u van kopen.
Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen; Maar vergadert u schatten in den hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen (Mat 6:19-20).

Judas is een bedrieger. Voor het oog loopt hij mee met Jezus, maar zijn hart is er niet bij. Er zijn andere dingen, waar hij veel meer van houdt.
Eén uit de kring van twaalf is een bedrieger.
En als dat toen zo was, dan zal dat nu niet veel beter zijn.
Eén uit de kring van gemeente, één uit de kring van de kerkenraad, één uit de kring van de predikanten…
Ben ik, bent u zo iemand…?
Ben ik, bent u een Judas…?
Mooi pratend, prekend, druk in het pastoraat…, maar niemand ziet het: je hart ligt ergens anders.
En je weet het. En God weet het!

Denk eens na, ik voor mijzelf, en u voor uzelf: Ben ik een Judas?
Neem er maar even de tijd voor.
Voor deze vraag: Ben ik misschien als deze Judas?

Bent u eruit? Houd het antwoord even vast voor uzelf.

Hoe kun je weten of je een bedrieger, of je een huichelaar, of je een Judas bent?
Nou, dan ken je God niet. En dan ken je jezelf niet. En dan is dus je antwoord stellig: ‘Ik ben zeker weten geen Judas. Natuurlijk niet!’
Hoezo, natuurlijk niet? Want de Bijbel zo duidelijk zegt: Arglistig (bedrieglijk) is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het; wie zal het kennen? (Jer. 17.9)
Hoezo, natuurlijk niet? Dat zegt u, omdat u uw eigen hart niet kent.
Was dat uw antwoord? ‘Zeker weten geen Judas, natuurlijk niet’?
Dan lijkt u sprekend op Judas…
Maar Judas is niet weggeworpen door de Heere. Judas zelf kiest voor dit verraad van zijn Meester. Hijzelf verkoopt de Zaligmaker, van oneindige waarde, voor een spotprijs.
Als u tot uw schrik moet vaststellen dat u op Judas lijkt, weet dan dat God bereid is uw zonden, uw ontrouw, uw verraad te vergeven.
Erken en belijd dan uw zonden. Geef dan de hoop op zelfverbetering op. Geloof dan dat God u vergeven wil. En kom door die weg met schaamte en berouw.
Dan zult u zien: dat er zelfs voor u vergeving is. 
Hoe groter uw schuld, hoe wonderlijker Gods genade zal zijn.
Hoe dieper uw verraad, hoe meer eer u aan Christus zult geven, als u uw schuld bij Hem brengt. Als u de zonde van uw verraad legt op het hoofd van het Lam.

Hoe kan je weten of je een bedrieger, of je een huichelaar bent? Dat heb ik net gezegd.
De tweede vraag is: hoe kan je weten of je een echte discipel van Jezus bent?
Dan zeg je, wat de discipelen zo meteen zeggen bij de paasmaaltijd, als ze horen dat één van hen Jezus zal verraden.
Dan zeggen ze de elf discipelen letterlijk: Ik toch niet, Heere? (lett. vert. Mat. 26.22)

Ik toch niet, Heere?
Goed opletten, ze zeggen twee dingen:
a. Ik toch niet…
Je voelt de angst in hun woorden. Ze schrikken, want ze voelen, ze weten, dat ze er toe in staat zijn. Hier in mijn hart kan een Judas zitten.
Of denkt u dat nooit, voordat u slapen gaat?
‘Heere, als ik me toch vergis, op weg naar de grote eeuwigheid…’
‘Wat als straks blijken zal dat ik als Judas gepreekt heb en zelf voor eeuwig buiten gesloten zal worden?’
‘Want: mijn hart…! Mijn hart is arglistig, bedrieglijk, meer dan enig ding, ja dodelijk.’
Ik toch niet…?, dat is het eerste wat ze zeggen, wat ze vragen.

b. Heere!
Dat is het tweede, wat ze doen. Ze brengen hun zorg, hun vragen, hun twijfel bij de Heere. Ze zeggen: Zegt u het maar, Heere.
Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart (Ps. 139:23).
Want u ziet naar waarheid in het binnenste (Jer. 5.3).
Ik toch niet, Heere?

Een vraag die straks, opvallend genoeg, niet direct beantwoord wordt met ‘Nee, u niet!’
En dat is maar goed ook. We zouden er de gevierde ambtsdrager, de gevierde avondmaalganger van worden.
Maar de Heere houdt Zijn echte discipelen klein. Zodat we de vragen van ons hart bij Hem blijven brengen.

In het verraad van Judas ligt ook troost voor Gods kinderen. Let maar eens op de volgende dingen:
Wij waren verraders, en nu laat Jezus in onze plaats Zich door Judas verraden.
Wij hadden verdiend om overgeleverd te worden aan de helse raad, maar nu laat Hij Zich uitleveren.
Wij waren verkocht onder de zonde, maar nu laat Hij Zich verkopen voor een spotprijs, voor een slavenprijs.
Wij waren door eigen keus slaven van de satan geworden, maar nu laat Hij Zich verkopen als een slaaf.
Wij waren, wij zijn niets waard vanwege onze zonden, en nu laat Jezus Zich behandelen als waardeloos, als de onwaardigste onder de mensen (Jes. 53.3).
Hier betaalt Hij de prijs van diepe vernedering en verraad, om onze harten, vol van verraad, los te kopen en zo met God te verzoenen.

Wat dunkt u van, hoe waardeert u, gemeente, deze Christus?
Ik ben bang dat heel veel mensen zo vastzitten aan hun zonden, aan hun bezit en aan hun geld, dat ze er nog geen 10 zilverlingen voor over hebben om deze Christus te kopen! Jesaja zegt: Hij was veracht, en wij hebben Hem niet(!) geacht (Jes. 53.3).
Maar lieve mensen, je hoeft Hem ook niet te kopen! Je mag Hem krijgen! Gratis en voor niets. Uit genade.
Deze rechtvaardige, van Welken u verraders en moordenaars geworden bent, heeft God tot een Heere en Christus gemaakt (Hand 7.52, 2.36), voor mensen zoals u en ik.
Kom dan, buig dan aan Zijn voeten als een verrader, en zeg: o God, wees mij zondaar genadig. Kust de Zoon. Niet zoals straks met een judaskus, maar met een kus van onderwerping, en met tranen van berouw.

Wat dunkt u van, hoe waardeert u, gemeente, deze Christus?
Hoort u bij die mensen, die zeggen (en dat zijn juist die discipelen die vragen: Ik toch niet, Heere?), die zeggen: U, Heere, bent alles voor me?
Ik heb u verraden om niet. Ik heb Uw kroon gevlochten, ik heb Uw beker gevuld.
Wat is het toch een onbegrijpelijk wonder, dat U zo’n hoge prijs wilde betalen voor zo’n slecht mens als dat ik ben.

Onze derde gedachte:

3. Verborgen discipelen

Petrus en Johannes worden erop uitgestuurd om het pascha voor te bereiden.
Leest u maar mee in vers 8 tot en met 12: En Hij zond Petrus en Johannes uit, zeggende: Gaat heen en bereidt ons het pascha, opdat wij het eten mogen. En zij zeiden tot Hem: Waar wilt U dat wij het bereiden? En Hij zeide tot hen: Zie, als u in de stad zult gekomen zijn, zo zal u een mens ontmoeten, dragende een kruik water; volgt hem in het huis waar hij ingaat. En u zult zeggen tot den huisvader van dat huis: De Meester zegt u: Waar is de eetzaal, waar Ik het pascha met Mijn discipelen eten zal?
En hij zal u een grote toegeruste opperzaal wijzen; bereidt het aldaar.
De opdracht is tegelijkertijd duidelijk en een beetje vaag.
De reden? Zodat Judas niet nu al de plaats te weten zal komen, waar ze zo meteen in alle rust zullen samenkomen.
Daar waar de Heere Jezus de hartelijke woorden zal spreken, zoals die staan Johannes 14 tot en met 16: Uw hart worde niet ontroerd. Ik ga heen om u plaats te bereiden.
Daar waar de Heere Jezus bidden zal wat staat in Johannes 17: Vader, Ik wil dat waar Ik ben ook die bij Mij zijn, die U Mij gegeven hebt (Joh 17.24).
Daar waar de Heere Jezus het Heilig Avondmaal zal instellen: Ik heb grotelijks begeerd dit pascha met u te eten, eer dat Ik lijde (Luk 22.15).
Judas kan en mag hen daar niet storen. Vandaar deze wat geheimzinnige opdracht:
Als jullie, Petrus en Johannes, in de stad komen, dan zal je iemand ontmoeten, een man die een kruik water draagt (dat is bijzonder, want alleen vrouwen droegen in die tijd water in kruiken). Volg die man. Hij zal je brengen in het huis van een broeder, die Mij zal dienen met zijn bezit. Hij zal jullie een (kijk maar in vers 12): toegeruste opperzaal wijzen, dat wil zeggen: compleet met vloerkleden, tafels en banken, kortom met alles wat nodig is voor vanavond.

Twee dingen vallen op.

1. Er zijn (zo blijkt, zo bleek eerder, en zo zal straks opnieuw blijken) ook stille en verborgen discipelen, die de Heere Jezus van harte dienen, en die in stilte door de Heere gebruikt worden.
De Heere gaat zo vaak geëerde en geachte mooipraters en veeldoeners voorbij. Om in het verborgen mensen zonder naam in te schakelen. Hier zelfs bij de voorbereiding op de instelling van het Heilig Avondmaal.

Meet u, stille en verborgen discipelen van Jezus, maar niet met het hoge, met wat Paulus noemt dat ‘wat zichzelf opblaast’ (1 Kor. 4.6).
Dien de Heere maar in stilte, met heel uw hart.
Want we hoeven niet op te vallen. Als Christus, deze lijdende Middelaar, maar ons leven geworden is.

2. Er valt ook iets op aan de kant van de discipelen.
Ze moeten een weg gaan, die ze op het eerste gezicht zelf niet weten. Stap voor stap moeten ze de leiding van Gods voorzienigheid volgen, om te komen waar God hen hebben wil.
Op de aanwijzingen van hun Meester gaan ze lopen. Net als Abraham, niet wetende waar hij komen zou (Hebr. 11.8). En de Heere leidt hen van stap tot stap om hen te brengen tot Zijn doel.
Zo mogen al Gods kinderen in dit leven stil achter de Heere aangaan op onbekende wegen. Als blinden op de weg die we niet geweten hebben (Jes. 42:16). We hoeven geen teleurstellingen te vrezen, als we eenvoudig doen wat de Heere van ons vraagt.
En dus staat er uiteindelijk in vers 13: En zij, heengaande, vonden het, gelijk Hij hun gezegd had, en bereidden het pascha.
Zoals hun Meester het gezegd heeft, zo vinden ze het.
Zoals Hij het gezegd heeft, zo zullen ook wij het zien: Zijn weg en Zijn werk.
Tot slot ons vierde aandachtspunt:

4. Goddelijk welbehagen

Waar je dat ziet?
Letterlijk overal.
Hier begint de zware lijdensweg van de Heere Jezus.
Lange tijd klonk het in de Evangeliën: Zijn ure was nog niet gekomen (Joh 7.30, 8.20).
Maar nu geldt wat Johannes schrijft in Johannes 12: De ure is gekomen, dat de Zoon des mensen zal verheerlijkt worden. Verheerlijkt! In een weg van verwerping en verraad!

Hier begint het uur door God bepaald. Hij preekte zo vaak in de tempel, maar niemand greep Hem. Want Zijn ure was nog niet gekomen. Maar nu breekt Gods tijd aan.
Want zoals het de wil van God was, dat destijds en eeuwenlang het paaslam geslacht werd, zo is het de wil, de raad, het plan van God dat nu dit Lam van God bitter zal gaan lijden, Zijn bloed zal vergieten en Zichzelf Gode zal opofferen (Hebr. 9.14).
En Zijn bloed zal dierbaar zijn in Gods oog.

Wat hier gebeurt?
Wordt het Lam van God straks geofferd om het satanische plan van de duivel, vanwege het slinkse verraad van Judas, door de vijandschap van de vrome godsdienst?
Nee. Het Lam wordt straks geofferd omdat God het wil, omdat dat Gods plan is.

En zo wordt Hij straks ook niet gedood door het verraad van Judas, door de doornenkroon op Zijn hoofd, door de spijkers in Zijn handen en door het kruis waar Hij aan hangt.
Maar Zijn Vader laat Hem verraden worden.
Zijn Vader drukt hem weg (in Zijn menselijke natuur) van Zijn gunst en nabijheid.
Zijn Vader ontneemt Hem Zijn leven.
Daarom zegt Jesaja: de Heere(!) heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. Hij (de Vader) heeft Hem krank gemaakt (Jes. 53.6,10).
Wat hier gebeurt en gebeuren gaat, is geen menselijk drama, maar uitvoering van het eeuwige plan van de zaligheid.
Hier schittert Goddelijke, ongeëvenaarde, eeuwige wijsheid
Hier schittert het welbehagen van de Drie-enige God.
Hier schittert de liefde van de Vader, de liefde van de gewillige Zaligmaker Jezus Christus en de liefde van de Heilige Geest.
Hier schittert genade voor vijanden, voor verraders en moordenaars.

Hier wordt de profetie vervuld.
Verraden, zoals voorzegd in Psalm 41.9: Die Mijn brood at, heeft de verzenen tegen Mij grotelijks verheven.
Verworpen, zoals voorzegd in Psalm 118:22: De Steen, Die de bouwlieden verworpen hadden.
En dat alles gebeurt, omdat Gods hand en raad tevoren bepaald hadden, dat geschieden zou (Hand 4.28).

Kinderen van God, dit is de diepe en wonderlijke weg die God heeft uitgedacht.
Zonder ons. Dit wilden wij niet. Maar de Heere deed het.
Hij deed het om Zijns Zelfs wil. Tot roem van Zijn eeuwige wijsheid, tot roem van Zijn Christus. En Gode zij dank: ook tot redding van verraders en moordenaars.
Hier wordt alles uitgeschakeld wat van ons is. Het wordt vrije genade alleen. Voor zondaars, voor goddelozen, voor mensen die het zelf nooit gewild en gezocht hebben.

Laten we deze weg van lijden en plaatsvervanging, die tegelijkertijd uitschakeling betekent van alles van ons, in de komende tijd veel in stilte overdenken, daarover spreken en ons daarover verblijden.
Denkend aan wat Paulus schrijft in 2 Korinthe 5:21: Want Dien Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.

Amen.