PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 47: Uw Naam worde geheiligd (serie 1)

Zondag 47 · 21 mei 2023

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 47 (serie 1)

INLEIDING

Zondag 47 van de Heidelbergse Catechismus behandelt de eerste bede: Uw Naam worde geheiligd. De allervolmaakste vraag staat niet bovenaan ons natuurlijke verlanglijstje — van nature bidden wij: geef mij. Maar wie door Gods genade klein geworden is, leert bidden: niet ons, maar Uw Naam zij geëerd. De preek laat zien wat het inhoudt om Gods Naam recht te kennen, groot te maken en te leven tot Zijn eer.

THEMA

De heiliging van Gods Naam

KERNPUNTEN

  1. Het recht kennen van Gods Naam
  2. Het grootmaken van Zijn Naam
  3. Het leven tot eer van Zijn Naam

ZONDAG 47

Vraag 122: Welke is de eerste bede?
Uw naam worde geheiligd. Dat is: Geef ons eerstelijk, dat wij Urecht kennen, en U in al uw werken, in welke uw almachtigheid, wijsheid, goedheid, gerechtigheid, barmhartigheid en waarheid klaarlijk schijnt, heiligen, roemen en prijzen; daarna ook dat wij al ons leven, gedachten, woorden en werken, alzo schikken en richten, dat uw naam om onzentwille niet gelasterd, maar geëerd en geprezen worde.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 47: Uw Naam worde geheiligd (serie 1)

ds. J. IJsselstein - Zondag 47

THEMA

De heiliging van Gods Naam

LITURGIE

Psalm 19:1

Psalm 19:4

Lezen Leviticus 10:1-7

Psalm 104:16,17,18

Lofzang Maria 3

Psalm 75:1,6

Gemeente, de vorige keer ging het bij de behandeling van de catechismus over het begin, over de aanhef van het allervolmaakste gebed: Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Dat is geen trots begin. Dat wil niet zeggen dat degene die bidt, zegt: ‘kijk mij nu, ik ben een kind van God, en God is mijn Vader.’ Nee, het is een begin, zo zei de catechismus, vol van kinderlijke vrees, een begin vol vertrouwen, een begin vol eerbied en hoogachting, vol van een diep besef van Gods hoogheid en majesteit.

Na dat begin, na die aanhef, volgt de eerste bede, de eerste vraag. Zoals je, jongens en meisjes, de meester of de juf eerst aanspreekt bij zijn of haar naam, en daarna komt je vraag. Meester, juf, papa of mama, mag ik u iets vragen? Jazeker, zeg het maar… Mag ik…? De eerste bede.

Jongens en meisjes, wat zouden jullie als eerste, het allerliefst aan de Heere vragen? Wat staat er bovenaan jullie verlanglijstje? ‘Heere, mag ik… iets voor school, iets voor mijn hobby, iets voor mijn muziekles, iets voor mijn werk, voor mijn studie, voor mijn gezin?’ ‘Heere, mag ik… iets voor de tijd, iets voor de eeuwigheid? Mag ik…? Mag ik…? Bidden jullie ook zo vaak zo, jongens en meisjes? Ik wel. ‘Heere, mag ik dit van U, mag ik dat van U? En dan aan het eind van het gebed (als ik het al niet vergeet): ‘O ja, en mag dat ook nog zijn tot Uw eer?’ Eerst ik, dan God…, dat komt echt uit het paradijs.

Want voor de zondeval was dat anders. Adam en Eva hadden in alle dingen de Heere op het oog. Eerst God, dan de ander, en dan als laatste… ik zelf. In die volgorde. Maar we zondigden, we hebben met God gebroken, we wilden de eer en de Naam van de Heere krenken, dat wil zeggen: knakken. Want we wilden zelf de eerste zijn! En sindsdien is het: eerst ik, dan de ander, en dan, als allerlaatst of misschien wel helemaal niet… God. In die volgorde.

Wat zijn we, jongens en meisjes, diep gevallen. Wat zijn we slecht en ellendig geworden. We waren geschapen om God eer te geven, om te leven voor Hem. Zoals de Kleine Catechismus van Westminster zegt in antwoord op de allereerste vraag: wat is het hoogste doel van de mens? Het antwoord zegt: het hoogste doel van de mens is om God te verheerlijken en zich in Hem te verblijden voor eeuwig. Maar dat hebben wij geweigerd.

Wij wilden onszelf verheerlijken, wij wilden zelf op de troon en God eraf. We hebben tegen God gezondigd. En sindsdien zijn we verdreven, sindsdien zijn we weggejaagd uit het paradijs. We kenden God, maar nu niet meer… We eerden God, maar nu niet meer… We dienden God en hadden Hem lief, maar nu niet meer… Dat is de achtergrond, waar je, jongens en meisjes, aan moet denken bij het lezen van vraag en antwoord 122. Het gaat vanmiddag over Zondag 47, vraag en antwoord 122. Laten we die zondag eerst samen met elkaar gaan lezen:

Vraag 122. Welke is de eerste bede? Antwoord: Uw Naam worde geheiligd. Dat is: Geef ons eerstelijk dat wij U recht kennen, en U in al Uw werken, in welke Uw almachtigheid, wijsheid, goedheid, gerechtigheid, barmhartigheid en waarheid klaarlijk schijnt, heiligen, roemen en prijzen. Daarna ook dat wij al ons leven, gedachten, woorden en werken, alzo schikken en richten, dat Uw Naam om onzentwil niet gelasterd, maar geëerd en geprezen worde.

Gemeente, we horen in het antwoord van Zondag 47 drie dingen. Het gaat als eerste over het recht kennen van de Naam van de Heere. De catechismus zegt: Geef ons eerstelijk (dat wil zeggen: als eerste) dat wij U recht kennen. Het gaat in de tweede plaats over het grootmaken van Zijn Naam. De catechismus zegt: en U in al Uw werken, in welke Uw almachtigheid, wijsheid, goedheid, gerechtigheid, barmhartigheid en waarheid klaarlijk schijnt, heiligen, roemen en prijzen. En het gaat in de derde plaats over leven tot eer van Zijn Naam, want de catechismus zegt: daarna ook dat wij al ons leven, gedachten, woorden en werken, alzo schikken en richten, dat Uw Naam om onzentwil niet gelasterd, maar geëerd en geprezen worde.

Die drie dingen zijn ook de drie aandachtspunten van de preek: het recht kennen, het grootmaken en het leven tot eer van Gods Naam.

Het thema voor de catechismuspreek van vanmiddag is: De heiliging van Gods Naam We letten op drie aandachtspunten, op: 1. Het recht kennen van Zijn Naam 2. Het grootmaken van Zijn Naam 3. Het leven tot eer van Zijn Naam

Uw Naam worde geheiligd. Dat is de eerste, allerbelangrijkste vraag en bede. Uw Naam. Dat is het allerbelangrijkste. En dat is bijzonder. Want zo is het bij ons, zo zei ik net al, van nature niet. Ons zondige hart zegt als eerste: ik. Maar het nieuwe deel van het hart van een kind van God zegt als eerste: U! Uw Naam, Uw eer, Uzelf, Heere. Het gaat niet om mij, maar het gaat om U!

Denk maar aan Jozua. Het volk Israël is verslagen bij de stad Ai. En wat bidt Jozua dan? Bid hij: ‘Heere, wat gaat u nu toch doen met ons, en hoe gaat het nu toch aflopen met mij?’ Nee, hij zegt: ‘wat zult U dan (met) Uw grote Naam doen? (Jozua 7: 9) Wat zult U doen met Uw heilige Naam?

Hoe is die heilige Naam van de Heere eigenlijk? Het is deze Naam: Ik zal zijn, die Ik zijn zal. Ik ben, die Ik ben. HEERE, met vijf hoofdletters geschreven. Hij, Die is en Die was en Die komen zal. Die grote, heilige Naam, waarmee de Hij Zichzelf genoemd heeft: HEERE, de trouwe God van het verbond. ‘HEERE, hoe moet het met de eer van Uw Naam?’

Bid je dat weleens jongelui? U, ouderen? ‘Heere, hoe moet het toch met mij, met ons?’ Nee: ‘Heere, hoe moet het toch met de eer van Uw Naam? Met de eer van Uw Naam, zo heilig, groot en goed? Laat Uw heilige Naam door mij, door ons toch niet gelasterd worden. Ik zorg zo slecht, zo weinig voor Uw eer. Heere, zorg toch Zelf voor Uw Naam en voor Uw eer?’

Uw Naam worde geheiligd. Heilig, dat wil zeggen zuiver, schoon, zonder smet, zonder zonde, volmaakt. Wat betekent dan geheiligd? Niet dat de Naam van de Heere nog heiliger wordt, dan Hij al is. Zijn Naam is al heilig, dus dat kan niet. Het betekent vooral: mag die heilige Naam van U nog meer geprezen worden? Niet ontheiligd, niet besmeurd worden, maar juist omhoog getild, verhoogd, vereerd, eer toegebracht worden? Het is eigenlijk net als met de zon. Die is helder, fel, licht en warm. Helderder, feller, lichter, warmer kan het niet. Maar als er bijvoorbeeld ergens brand is, dan wordt dat mooie, heldere licht van de zon in onze ogen donkerder door een vieze deken van zwarte wolken. Zwarte, vieze wolken van zonden, van laster, van vloeken, van zwijgen, van geen rekening houden met de Heere, bevuilen Zijn Naam. Dus is de vraag, dus is de bede: ‘Heere, wilt U Zelf toch voorkomen dat dat zal gaan gebeuren? Uw Naam worde geheiligd, dat wil zeggen: Uw Naam worde apart gezet, omhoog getild, groot gemaakt!’

Wat houdt dat eigenlijk precies in? De catechismus noemt drie dingen, en dat zijn (zoals ik al zei) ook de drie punten van de preek van vanmiddag. Eerst ons eerste punt:

1. Het recht kennen van Gods Naam.

Want, zo zegt antwoord 122, dit gebed (Uw Naam worde geheiligd) betekent als eerste: Geef dat wij U recht kennen. Heere, geef ons dat. Het is een gebed. Geef ons dat, want dit hebben, dit doen, dit kunnen, dit willen we van onszelf niet. We waren wel op U gericht, en we zochten in alles Uw eer, maar nu niet meer. Sterker nog, we kenden U. Maar nu, door onze eigen schuld, niet meer.

Is dat je verdriet, jongens en meisjes? Is dat uw droefheid, ouderen? Die Vader (van het ‘onze Vader’), die heb ik verlaten, en sindsdien ken ik Hem niet meer. Ik heb met Hem gebroken, ik heb Zijn Naam gelasterd. Is dat ons al tot schuld geworden? Heeft dat ons al tot de belijdenis gebracht: ‘wij hebben God op het hoogst misdaan, wij zijn van het heilspoor afgegaan?’ (Psalm 106:4, ber.) Is dat, jongelui, al je verdriet en je belijdenis geworden? En heb je dus al leren bidden: ‘O, Heere, geeft U toch alstublieft dat het anders worden zal? Dat ik U weer kennen mag?’

Kan je daar niet gewoon zelf voor zorgen? Kan je daar niet gewoon zelf je best voor doen? Als je nu eens veel in de Bijbel gaat lezen, veel leert, goed je best doet op de catechisatie, misschien wel een cursus volgt, kan je dan zo de Heere niet leren kennen? Weet je, het is allemaal wel goed, en je leert er ook veel van, met je verstand. Het is goed om meer te weten van de Heere, en van wat Hij doet (van Zijn werken), maar kan je de Heere zo ook echt leren kennen? Als je heel veel leest over de koning en de koningin, leer je ze dan ook echt kennen? Kan je dan zeggen: ‘Koning Willem-Alexander en koningin Máxima? O, die ken ik echt heel goed?’

Iemand echt kennen, dat leer je als je bij iemand bent, als je met iemand praat, als je met iemand omgaat. Papa en mama, ouders en kinderen, hele goede vrienden of vriendinnen, die kennen elkaar echt. Ze kennen elkaar, ze vertrouwen elkaar en ze weten alles van elkaar. De Heere echt leren kennen (want de catechismus zegt: geef als eerste dat wij U echt kennen), dat wil zeggen: de Heere leren kennen door ervaring, bij bevinding, door persoonlijke ontmoeting, omdat de Heere me opzoekt, me ontdekt aan mijn schuld en verlorenheid. De Heere echt leren kennen, dat wil zeggen: dat Hij mij door Zijn genade brengt op de weg des levens, om me te leren wie ik zelf ben, Wie Hij, Wie God is, en ook Wie de Heere Jezus Christus is en wil zijn: Zaligmaker van verloren zondaars. De Heere echt leren kennen, dat is iets wat de Heilige Geest ons leert. Vandaar ook het gebed: ‘Geeft U het ons alstublieft, Heere?’

Dus, dit allervolmaaktste gebed begint met: Geef, Heere (want ik heb het niet en ik kan het niet), dat wij U echt leren kennen. Dat is het allereerste, dat vind ik het allerbelangrijkste om te vragen. Dat staat bovenaan mijn verlanglijstje. Is dat ook zo bij jou? Is dat ook zo bij u?

‘Heere, mag ik U kennen? Wilt U me een hart geven dat U kent? Wilt U me een nieuw hart geven? Mijn oude hart kent U niet meer. Mijn oude hart is vijand van U geworden. Maar wilt U het anders maken, door het werk van Uw Heilige Geest?’

Je zegt: maar wat heeft dat dan te maken met ‘Uw Naam worde geheiligd’? Alles! Dit: als ik een nieuw hart van de Heere krijg, leer ik Hem weer echt kennen. Ik leer mezelf ook kennen. Ik leer zien en belijden dat ik van Hem weggegaan ben en dat ik Hem diep beledigd heb. Want ik wilde op de troon, in plaats van God. Als de Heere me dat laat zien, als de Heere me daar verdriet en berouw over geeft, dan ga ik voor Hem buigen. We zeggen wel: dan wordt mijn eigen ik gebroken. Ik belijd mijn zonde en slechtheid. Ik ga anders denken over mezelf. Maar ik ga ook anders denken over de Heere. Ik ben zondig, slecht en verloren. Maar God is groot, heilig en rechtvaardig. Hij is ook barmhartig en genadig. Ik ga Hem bewonderen om Wie Hij is en nog wil zijn, voor mij. Zie je, dan wordt Gods Naam geheiligd, dan wordt de Naam van de Heere groot gemaakt!

Ineens lees ik niet meer gewoon in mijn Bijbel. Het is anders geworden. De woorden die ik lees, die leven, die spreken. Ik ontmoet de Heere in Zijn woorden. Ik ga de Heere ook zoeken. Ik zoek de ontmoeting met Hem in mijn gebed. En dan…, dan voltrekt zich die tegengestelde beweging: God wordt groter. Ik word kleiner. Zie je, dan wordt Gods Naam geheiligd, dan wordt de Naam van de Heere groot gemaakt!

Als ik de Heere echt (de catechismus zegt: recht) leer kennen, dan wordt Hij groter, ik word kleiner. Ik word kleiner: ik ga dieper buigen dan ik ooit tevoren deed, van schuld en schaamte. En de Heere wordt in mijn oog groter: ik ga me steeds meer over Hem verwonderen en verbazen. Hij wordt nog groter en ik word nog kleiner, als ik door de genade van de Heere ook iets mag leren kennen van de Heere Jezus Christus en van Zijn werk, in plaats van deze mens, die willens en wetens met God gebroken heeft. Dan mag ik ook op Gods tijd iets leren zien en geloven van dat Hij mij uit genade alleen, ondanks dat ik Hem verlaten heb, tot Zijn kind wil aannemen en dat ook doet. Dan wordt Hij nog groter, en ik nog kleiner!

Daar word ik niet groot van, maar klein! Dan buigt dit onwaardige kind dieper dan ooit. Dan word ik niet trots op mijn kindernaam. Nee, dan zeg ik: ‘Heere, ik ben het niet waard!’ Dan gaat ook de Vadernaam van de Heere, die heilige Naam, meer dan ooit gloeien van heiligheid en hoogheid. Hij moet geprezen worden! Niet ons, o Heere, niet ons, maar Uw Naam zij groot gemaakt (Psalm 115:1, ber.) Zie je wel, als je de Heere mag leren kennen, dan wordt Zijn Naam geheiligd, dan wordt de Naam van de Heere groot gemaakt!

En dus (maar dat is Gods Eigen werk!), dus staat bovenaan het verlanglijstje van ieder kind van God (klein gemaakt en diep gebogen) als het goed is maar één ding: ‘Mag ik U echt leren kennen? Want dan wordt Uw Naam geheiligd en groot gemaakt!’

Ondertussen is er in het leven van al Gods kinderen ook een blijvend verdriet. Daaraan kan je ook weten of het werk van de Heere in je leven echt is of niet. Want het echte is nog onvolmaakt. Het onechte, dat wat namaak is, denkt: ‘Ik ben er, ik ben goed! Ik loof en prijs God!’ Maar het echte is nog maar ten dele, het is nog onvolmaakt. En dus zuchten we: ‘Heere, waarom zijn we nog zo weinig gericht op U, nog zo weinig gericht op de eer van Uw Naam?’

Laten we, voordat we verder gaan met ons volgende punt, eerst zingen uit de Lofzang van Maria, daarvan het derde vers: Hoe heilig is Zijn Naam! Laat volk bij volk te saâm, barmhartigheid verwachten; Nu Hij de zaligheid, voor die Hem vreest, bereidt, Door al de nageslachten.

Gemeente, jongens en meisjes, het gaat vanmiddag in de catechismuspreek over de heiliging van de Naam van de Heere. Eerst ging het over het recht, over het echt kennen van Gods Naam. Nu onze tweede gedachte:

2. Het grootmaken van Zijn Naam

De catechismus zegt: wat wil dat eigenlijk zeggen: Uw Naam worde geheiligd? En dan zegt het tweede deel van het antwoord: (Geef dat wij) U in al Uw werken, in welke Uw almachtigheid, wijsheid, goedheid, gerechtigheid, barmhartigheid en waarheid klaarlijk schijnt, heiligen, roemen en prijzen. U en Uw Naam heiligen, roemen en prijzen. Dat was het doel, het oorspronkelijke doel van mijn schepping, van ons leven: U als God, als de persoonlijke God, Uw Naam en Uw werken alle eer geven, heiligen, roemen en prijzen.

Hoe kan je de Heere eigenlijk kennen? En daaraan gekoppeld: hoe kan je Hem groot maken? a. We kunnen de Heere als eerste kennen, zo zegt de Nederlandse Geloofsbelijdenis in artikel 2 uit de natuur, uit de schepping. Wie om zich heen kijkt (je moet wel stekeblind zijn op het niet te zien!), wie om zich heen kijkt, ziet in de schepping Gods grote hand: in de natuur, in het heelal, in het menselijke lichaam, in alles. Dat alles kan geen mens gemaakt hebben. Dat kan ook nooit spontaan ontstaan zijn. Alles gaat, en dat zien we ook, spontaan juist in verval, alles breekt af, alles gaat stuk, alles desintegreert. Hier moet wel sprake zijn van een wonderlijk werk van de almachtige Schepper en Onderhouder van alle dingen. b. We kunnen de Heere dus kennen in de eerste plaats uit de schepping, maar nog beter, nog dieper, noch volmaakter (zo zegt onze belijdenis) uit het werk van de herschepping, uit het werk van de verlossing, zoals we dat weten uit de Bijbel, uit de Heilige Schrift.

Uit de Bijbel weten we dat God Zelf Zijn eniggeboren Zoon naar deze verloren wereld gestuurd heeft. In Hem zien we echt Wie God is. Daarom zei de Heere Jezus: Wie Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien (Johannes 14:9). In de Heere Jezus Christus zien we Gods heiligheid. Zo groot is de heiligheid van God, dat de Middelaar, de Heere Jezus Christus wel moest sterven aan het kruis vanwege de zonden van Zijn kinderen. In de Heere Jezus zien we ook Gods genade, Zijn liefde tot de Zijnen, die zo sterk is dat God eer Hij de zonden ongestraft liet blijven, die gestraft heeft aan Zijn lieve Zoon met de bittere dood aan het kruis (zie: Avondmaalsformulier).

Zonder het werk, zonder het licht van de Heilige Geest kunnen we het boek van de natuur niet lezen en begrijpen we ook de Schriften niet. Maar als de Heere met Zijn genade in ons hart werkt, dan wordt alles anders. Dan gaan we voor het eerst de eer van de Heere weer zoeken, dan gaan we voor het eerst Hem weer bewonderen. Zijn (zo zegt de catechismus dat) almacht, wijsheid en goedheid in de natuur. En Zijn gerechtigheid (dat wil zeggen: het verdedigen van de zaak van Zijn kinderen), Zijn barmhartigheid (dat wil zeggen: Zijn brandende liefde) en Zijn waarheid (het vervullen van Zijn beloften) in het werk van Zijn genade. Dan gaan we Hem prijzen in Zijn werken! De catechismus zegt: in al Zijn werken. Ook in die werken van de Heere die ons pijn en verdriet doen. Dan leren we zingen: Heilig zijn, o God, Uw wegen (Psalm 77:8, ber.). Uw weg, Uw wil doet pijn, maar U bent goed. Als Uw Naam maar groot gemaakt wordt.

Dat doen we, dat zeggen we van onszelf nooit. Daar is genade voor nodig. Dat is Gods werk. Het is nodig dat de Heere ons verstand verlicht, ons hart opent en de Schriften opent (Johannes 1:5). Dan pas worden wij klein, dan pas wordt Hij in onze ogen groot. Vooral in dat onbegrijpelijke werk van Zijn verlossing. Dan gaan we de dichter van Psalm 8 nazingen: HEERE, onze Heer, grootmachtig Opperwezen! Hoe billijk wordt Uw grote Naam geprezen; hoe heerlijk rolt, uit aller vromen mond, die grote Naam door 't ganse wereldrond!

Laten we tot slot nog letten op onze derde gedachte

3. Het leven tot eer van Zijn Naam

Antwoord 122 voegt er immers aan toe: Daarna ook dat wij al ons leven, gedachten, woorden en werken, alzo schikken en richten, dat Uw Naam om onzentwil niet gelasterd, maar geëerd en geprezen worde.

Nadab en Abihu, jongens en meisjes, we hebben het gelezen uit Leviticus 10, zijn twee zoons van de hogepriester Aäron, twee priesters. Het zijn twee mannen (en daar gaat het vooral om) die denken: ‘Nou, God dienen, wij doen het gewoon op onze eigen manier. Je hoeft toch niet per se God te dienen zoals Hij dat wil, het hoeft toch niet altijd per se volgens de Bijbel? We hebben zelf hopelijk toch ook wel een beetje inbreng?’

En dus nemen ze (zoals dat heette) ‘vreemd vuur’ mee in het heilige deel van de tabernakel. Dat moest, dat had Heere gezegd, vuur zijn van het brandofferaltaar. Maar zij deden het op hun eigen manier. Ze haalden dat vuur ergens anders vandaan. De straf van de Heere was zwaar. De Heere doodde deze twee mannen, letterlijk. En dan staat er in Leviticus 10 vers 3 (het is ons voorgelezen): En Mozes zeide tot Aäron: Dat is het, wat de HEERE gesproken heeft, zeggende: In degenen, die tot Mij naderen, zal Ik geheiligd(!) worden en voor het aangezicht van al het volk zal Ik verheerlijkt(!) worden. Doch Aaron zweeg stil. Zowel Mozes als Aaron erkennen: de Heere heeft gelijk. Dit was een hele zware zonde.

Maar wat was dan die zware zonde? Wat deden ze eigenlijk verkeerd? Dit: ze mochten alleen voor de Heere verschijnen in het heilige van de tabernakel met vuur van het brandofferaltaar. En dat vuur wees vooruit naar de toen nog komende Heere Jezus Christus. Ze dachten dat ze tot God, tot de heilige God konden gaan, zonder vuur van het altaar, zonder verzoening en vergeving door de Heere Jezus Christus. Maar dat kan niet! Zonder de Heere Jezus kunnen zondige mensen, en ook zondige priesters, niet voor God verschijnen! Zo heilig is God! Met andere woorden: ze dachten groot van zichzelf en klein van Gods heiligheid.

En op die smetteloze, vlekkeloze heiligheid van de Heere, daarop moet (zo zegt onze catechismus) heel ons leven gericht zijn. We moeten ons leven, onze gedachten, onze woorden en onze werken (alles dus!) alzo schikken en richten. Schikken, zoals je een pijl schikt, klaar legt op de boog, klaar om te schieten…, richten…, mikken…, zoals je een pijl zorgvuldig richt op het doel dat je wilt raken… Op welk doel? Op het doel van Gods heilige Naam. Dat moet het grote doel van ons leven zijn! Zodat Gods heilige Naam om ons niet gelasterd, maar geëerd en geprezen wordt. Dat hadden Nadab en Abihu ook moeten doen. Ze hadden veel meer doordrongen moeten zijn van de heiligheid van God. Dat ze God moesten dienen zoals Hij dat had bevolen, op Gods manier, en dus niet op hun eigen manier.

God is zo heilig! En… dat vraagt ook van ons: dat we heilig gericht zijn op Zijn heilige Naam. Luther zegt in dit verband: Immers, omdat wij God in dit gebed onze Vader noemen, zijn wij ook verplicht ons overal te gedragen als godvruchtige kinderen, opdat wij Hem geen schande zullen aandoen, maar dat Hij lof en eer zal ontvangen. En de Heere Zelf zegt in Leviticus 20:7: Daarom heiligt u, en weest heilig; want Ik ben de HEERE, uw God! En even verderop in vers 26: En u zult Mij heilig zijn, want Ik, de HEERE, ben heilig; en Ik heb u van de volken afgezonderd, opdat u Mijns zou zijn. Met andere woorden: ‘Mijn kind, gedraag u ook als Mijn kind!’ Zoals Petrus schrijft in zijn eerste brief: Maar gelijk Hij, Die u geroepen heeft, heilig is, zo wordt ook gijzelf heilig in al uw wandel, daarom dat er geschreven is: Zijt heilig, want Ik ben heilig. En indien u tot een Vader aanroept (als u God Vader noemt) Dengene, Die

zonder aanneming des persoons oordeelt naar eens iegelijks werk, zo wandelt in vreze de tijd uwer inwoning (met andere woorden: wees heilig!), wetende dat u niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijt uit uw ijdele wandeling, die u van de vaderen overgeleverd is, maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam (1 Petrus 1:17-19).

Dat wil zeggen: als u door Gods genade, door het dierbare, kostbare bloed van het Lam, door God als kind bent aangenomen, wees dan heilig in al uw wandel, zoals uw Vader die in de hemelen is, heilig is: in uw leven (wat mensen zien), in uw woorden (die mensen horen), in uw werken, en zelfs in uw gedachten. Laat alles in uw leven gericht zijn op dat ene doel: Uw Naam geef eer!

Wees heilig, afgezonderd van de wereld. Niet verstopt, maar wel afgezonderd, onbesmet, echt totaal anders. Wees anders, wees heilig in hoe u bent: wees ootmoedig, nederig, behulpzaam, vriendelijk, matig, mild, liefdevol, gastvrij, vergevingsgezind. Wees anders, heilig in wat u zegt: heb de eer van God en van uw naasten op het oog in uw woorden. Zwijg niet over God, praat niet over de naaste. Wees anders, wees heilig in wat u denkt: vlucht weg van de begeerlijkheid van uw ogen, van de aantrekkingskracht van de grootheid van dit aardse leven. Wees anders, wees heilig in het openbaar en in het verborgen: levend op de aarde en gericht op de hemel. Wees als een stad op een berg, als een kaars op een kandelaar, als een zoutend zout en als een lichtend licht.

Gemeente, kinderen van God, de wereld let op ons. Op hoe we leven. Op wat we belangrijk vinden. Op hoe we hen bejegenen. Op de richting van ons leven. Ze letten op of we gewillig de smaadheid om de Naam van Christus verdragen, in plaats van te vechten voor onze rechten, voor onze eer en voor ons gelijk. Wees zoals de Meester was, wees heilig, want God is heilig. Daar is de eer van de Heere mee gemoeid!

Jongens en meisjes, schikken en richten…, zegt de catechismus. Een pijl aanleggen op de boog en heel goed te mikken… Jammer, meestal schiet je mis. Je mist doel… Zonde betekent eigenlijk: naast het doel schieten, doel missen. We waren gericht op God, op de eer van de Heere. Dat was ons eigenlijke doel. Maar we hebben ons doel gemist. Vraag veel om een nieuw hart. Zeg maar veel tegen de Heere: ‘Heere, als U me een nieuw hart geeft, dan komt U aan Uw eer, ook in mijn leven. Wilt U het daarom alstublieft doen om de eer van Uw Eigen Naam?’

Kinderen van God, dit is, als het goed is, onze dagelijkse strijd, ons dagelijkse verdriet: ‘Heere, ik zou zo graag meer leven tot Uw eer. Maar ik mis steeds mijn doel.’ We weten dat niet alleen met ons verstand, maar we moeten het ook inleven, we ervaren het in ons dagelijkse leven, wat Paulus zegt: Maar ik zie een andere wet in mijn leden,

welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds, en mij gevangen neemt onder de wet der zonde, die in mijn leden is. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? (Romeinen 7:23-24) Ik wil U zo graag in al Uw werken prijzen, maar het mislukt steeds weer.

Veel natuurlijke mensen, veel onbekeerden mensen, denken dat het hen wel lukt! Ze loven en prijzen God met hun mond. Maar hun hart is nooit vernederd. En dus heeft God ook nooit echt eer gekregen in hun leven, ondanks al hun mooie woorden. Je kunt de Heere loven en prijzen, zoals Nadab en Abihu dat dachten te doen, op hun eigen manier. Terwijl je nog steeds zelf als heer en meester op de troon zit. Dat is levensgevaarlijk. Dat is letterlijk spelen met vuur!

Gods oprechte kinderen zijn door de Heere diep vernederd. We zijn door de Heere van onze troon gehaald. En we zouden de Heere zo graag meer willen prijzen, ze zouden Hem zo graag meer willen groot maken, maar we zien tot ons verdriet steeds meer dat er in ons geen kracht is. En dus moeten we de kracht en de genade buiten onszelf zoeken, in Hem die gezegd heeft (en Hij heeft het ook gedaan): Ik heb U (o, Mijn Vader) verheerlijkt op de aarde; Ik heb voleindigd het werk, dat U Mij gegeven hebt om te doen (Johannes 17:4). De Heere Jezus is altijd gehoorzaam geweest. Hij heeft altijd de eer van Zijn Vader bedoeld. Hoor je, jongens en meisjes, daar zit het woordje doel in: be-doel-d. Zijn doel was de eer en glorie van Zijn Vader alleen. En dat deed Hij, èn in leven en gehoorzaam zijn, èn in lijden en sterven, niet voor Zichzelf, maar plaatsvervangend voor al Zijn kinderen.

Doelmissers, u die met verdriet om al uw zonden en gebreken over de wereld gaat omdat u de Naam van de Heere niet zo hoog optilt, roemt en prijst zoals u zou moeten doen: zie van uzelf af. U zult het nooit kunnen in eigen kracht. Alleen in de kracht van de Heere Jezus Christus, die ons juist dit gebed leerde bidden: Uw Naam worde geheiligd.

Om Hem is er, in het leven van Gods kinderen, niet alleen het: Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods? Maar er is om Hem ook het: Ik dank God, door Jezus Christus.

Omdat er door Gods genade in ons leven toch iets gewerkt is, een klein beginsel van een nieuwe gehoorzaamheid, van een nieuw verlangen en van een nieuwe praktijk in het leven van iedere dag, waardoor ik het liefste zeg, dat staat toch bovenaan mijn verlanglijstje: Niet ons, o Heere, niet ons, maar Uw Naam zij geëerd en geprezen. U alleen, U loven wij.

Amen.

Slotzang Psalm 75:1,6:

U alleen, U loven wij; Ja wij loven U, o HEER; Want Uw naam, zo rijk van eer, Is tot onze vreugd nabij; Dies vertelt men in ons land, Al de wonderen Uwer hand.

'k Zal dit melden, 'k zal altijd Zingen Jacobs God ter eer, Slaan der bozen hoornen neer, Vellen wat Zijn naam bestrijdt; Maar der vromen hoorn en macht Zal verhoogd zijn door Gods kracht.