PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 50: Geef ons heden ons dagelijks brood (serie 1)

Zondag 50 · 25 juni 2023

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 50 (serie 1)

INLEIDING

Zondag 50 van de Heidelbergse Catechismus behandelt de vierde bede: Geef ons heden ons dagelijks brood. Na de drie beden over de eer van God volgt nu een gebed om het gewone leven. Alles wat wij bezitten komt van God — zonder Zijn zegen gedijen noch onze zorg, noch onze arbeid. Dit gebed leert ons ons vertrouwen van alle schepselen af te trekken en op God alleen te stellen.

THEMA

Ons dagelijks brood

KERNPUNTEN

  1. Wat we bidden
  2. Wat dit gebed betekent

ZONDAG 50

Vraag 125: Welke is de vierde bede?
Geef ons heden ons dagelijks brood. Dat is: Wil ons met alle nooddruft des lichaams verzorgen, opdat wij daardoor erkennen, dat Gij de enige oorsprong alles goeds zijt, en dat noch onze zorg en arbeid, noch uw gaven, zonder uw zegen ons gedijen, en dat wij derhalve ons vertrouwen van alle schepselen aftrekken en op U alleen stellen.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 50: Geef ons heden ons dagelijks brood (serie 1)

ds. J. IJsselstein - Zondag 50

THEMA

Ons dagelijks brood

Gemeente, jongens en meisjes, als we het Onze Vader bidden, is er eerst het begin, de aanhef: Onze Vader, die in hemelen zijt. Dan is er de eerste vraag, de eerste bede: Uw Naam (dat staat bovenaan het verlanglijstje, dat is het allerbelangrijkste), Uw Naam worde geheiligd. Daarna komt de tweede bede: Uw Koninkrijk kome! Mag het Koninkrijk van Uw genade komen? Dan is er nog een derde bede, die begint met ‘Uw’: Uw wil geschiede, gelijk als in de hemel, alzo ook op de aarde. Drie vragen die beginnen met ‘Uw’: Uw Naam, Uw Koninkrijk, Uw wil… Want het gaat in dit leven niet om ons, maar om God, om Zijn heerlijkheid en Zijn glorie.

Eerst zijn er de dingen van de Heere God, daarna pas komen onze dingen: Zoals in de vierde vraag, in de vierde bede: Geef ons heden ons dagelijks brood…

Het zijn heel bekende woorden, maar vind je, als je er goed over nadenkt, het toch ook niet een beetje een bijzondere vraag? Want, je hebt toch gewoon brood? Het staat toch gewoon in kast? En de koelkast staat toch vol met lekkere dingen? Moet je daar dan nog steeds iedere dag om bidden? Die weduwe van Zarfath, ja, die had nog maar een klein beetje meel en nog maar een klein beetje olie. En die arme weduwe uit het Nieuwe Testament, ja, die had nog maar twee penningen, net genoeg om nog een handje meel van te kopen, en toen deed ze ze nog in de offerkist ook. Je zegt: ‘Zij moesten natuurlijk wel bidden: Heere, ons brood is bijna op! Geef ons heden ons dagelijks brood! Maar ik...? Maar wij…?’

Toch mogen en moeten ook wij dit iedere dag bidden. Zodat we beseffen, zodat we weten en voelen: alles wat in kast, alles wat in de koelkast staat, alles wat in de diepvriezer zit, alles komt van God! We hebben we het allemaal gekregen uit Zijn hand! En zonder Zijn zegen hebben we er niets aan, sterker nog: zonder Gods zegen hebben we helemaal niets. Daarover gaat het vanmiddag in zondag 50 van onze catechismus. We gaan die zondag samen met elkaar lezen.

Vraag 125: Welke is de vierde bede? Antwoord: Geef ons heden ons dagelijks brood. Dat is: Wil ons met alle nooddruft des lichaams verzorgen, opdat wij daardoor erkennen

dat U de enige Oorsprong alles goeds zijt, en dat noch onze zorg en arbeid, noch Uw gaven, zonder Uw zegen ons gedijen, en dat wij derhalve ons vertrouwen van alle schepselen aftrekken en op U alleen stellen

Het thema voor de preek is: Ons dagelijks brood

1. Wat we bidden:

Geef ons heden ons dagelijks brood. 2. Wat dat gebed betekent, want de catechismus zegt: Dat is…, dat betekent… Dus het gaat vanmiddag over de vierde bede, over ons dagelijks brood. We letten op wat we bidden en op wat dat gebed betekent. Dus als eerste de inhoud van de bede:

1. Wat we bidden

Heel eenvoudig (je kent het gebed, jongens en meisjes, en je bidt het denk ik vaak): Heere, geef ons heden ons dagelijks brood. Het ging tot nu toe, in de eerste en tweede en derde bede over de Heere God. Uw Naam worde geheiligd, Uw Koninkrijk kome en Uw wil geschiede. Vanaf nu, zeg je, gaat het over ons: Geef ons heden ons dagelijks brood. En straks volgt: vergeef ons onze schulden. En dan: leidt ons niet in verzoeking. Ja, dat klopt wel, maar eigenlijk moet je ook zeggen: het gaat ook nog steeds over de Heere God. Want als je niet eet, dan kan je niet leven, en dan kan je dus ook de Heere niet dienen. Laten we eens één voor één gaan kijken naar de woorden van dit gebed.

Het eerste woordje is: Geef. Geef, ik wil het hebben. Ik eis! Nee, zo niet. Geef me, Heere, als het U belieft. Mijn hand is leeg, ik heb het niet. Wilt U het geven? Ja, maar hoe dan? Zoals een bedelaar aan de straat zijn hand ophoudt? Nee, hier bidt een kind van God, als een kind: ‘Onze Vader, die in de hemelen zijt, geef ons. Zou U mij, mijn Vader in de hemel, als ik U om brood bidt, een steen geven? Nee toch? Of als ik U om een vis zou bidden, zou U me dan een slang geven of een schorpioen? U weet toch, Heere, wat ik nodig heb?’

Wat botst dat eigenlijk met ons eigen denken… Wij denken: ‘De kast zit vol, hor! En de koelkast ook! Ik heb zelf de boodschappen gedaan. Ik heb er allemaal zelf voor gezorgd. En als het op is, nou, dan ga ik gewoon weer zelf boodschappen doen, dan vul ik het zelf weer aan!’ Hoor je, hoe je ook in het dagelijkse leven kan leven zonder God? Maar deze bidder leeft met de Heere. Daarom zegt hij: ‘Heere, alles komt van U, dus geeft U mij toch, als het U belieft, mijn dagelijkse brood?’

Het tweede woordje: Geef ons. Niet geef mij, maar geef ons, dat wil zeggen, ik bid niet alleen voor mezelf, maar ik bid

ook voor andere mensen. Want een kind van God (immers, hij of zij is degene die antwoord geeft!), iemand met een nieuw hart, heeft niet alleen een band met de Heere in de hemel, maar ook een band met de naaste, met andere mensen op de aarde. De catechismus zegt het ergens anders zo: als je een kind van God bent, dan ben je (dat is een moeilijke uitdrukking): dan ben je de zalving van Christus deelachtig. Je zou kunnen zeggen: dan ga je een heel klein beetje lijken op de Heere Jezus. En Hij, zegt de Bijbel, is Voorbidder. De Heere Jezus bidt altijd voor Zijn kinderen. En dus worden Zijn kinderen ook voorbidders voor andere mensen. De apostel Johannes schrijft in zijn eerste brief: Zo wie nu het goed der wereld heeft, en ziet zijn broeder gebrek hebben, en sluit zijn hart toe voor hem, hoe blijft de liefde Gods in hem? (3:17)

Wat botst dat eigenlijk met ons eigen denken… Wij denken: ‘Ik moet eerst goed voor mezelf zorgen. En ik mag heus wel een klein beetje egoïstisch zijn. Iemand anders iets geven? Alleen als ik zelf genoeg heb. Delen met andere mensen? Ja, maar alleen als ik zelf genoeg heb, liever nog: alleen als ik zelf te veel heb. Dan heb ik misschien nog wel iets over voor een ander, maar… eerst mezelf.’

Het derde woordje: heden. Ik houd mijn hand op voor vandaag. Al zit mijn diepvriezer vol, al is mijn bankrekening gevuld: heden, Heere. Dit is niet het gebed van een hamsteraar. Je weet jongens en meisjes, een hamster is een beestje (misschien heb je er wel een), een beestje dat, als je hem heel veel te eten geeft, dat allemaal gaat verzamelen en bewaren. Hij maakt er een hele voorraad van. Zo’n hamster denkt vast: ‘dat is slim, dan heb ik dat alvast. Als ik later te kort kom, dan heb ik nog wat achter de hand voor mezelf.’ Zo kan je als mens ook leven. Ik zorg dat ik genoeg achter de hand heb, dan hoef ik niet te bidden: ‘Heere, geef me heden…’ Nee, dit is niet het gebed van een hamsteraar. Het is ook niet het gebed van een zorgeloos mens, die denkt: ‘Nou, het komt vanzelf wel’. De Bijbel zegt: Ga naar de mier, luiaard! Moet je eens kijken hoe die mieren werken. In de zomer zijn ze heel druk, zodat ze in de winter genoeg te eten hebben (Spreuken 30:25). Dit is een gebed, niet van een zorgeloos iemand, niet van een hamsteraar, maar van iemand die werkt en die zorgt, en die het toch steeds heel goed weet en onthoudt: Ik heb als een kind van God, iedere dag de zorg van mijn hemelse Vader nodig.

Wat botst dat eigenlijk met ons eigen denken… Want ja, wij zouden het liefst gewoon een hele grote voorraad hebben. Dan heb je gewoon voor de hele week genoeg. Dan hoef je tenminste niet iedere dag te bidden, dan is het misschien wel genoeg om één keer per week te bidden. Of, (dat is het tegenovergestelde) je denkt: ‘Nou ja, als de Heere dan toch voor alles zorgt, dan komt het eigenlijk vanzelf wel goed, dan hoef ik niet te werken en ook niet te bidden.’ Dat is ook niet goed.

Geef ons heden en dan het vierde woordje: ons dagelijks brood. Is dat niet een beetje oneerbiedig? Is dat niet een beetje brutaal? Moet ik niet zeggen: ‘Uw brood’, in plaats van ‘ons brood’? Alles is toch van de Heere?

Ja, dat is zeker waar. Wij hebben geen recht op dat dagelijkse brood. Maar toch staat het er niet voor niets zo. Een vreemde zwerver, die zegt: ‘Meneer, mag ik een van uw boterhammen? Mag ik iets van uw brood?’ Maar de kinderen aan tafel zeggen (ze weten dat papa en mama het brood verdiend hebben en zij niet, maar toch…), de kinderen aan tafel zeggen: ‘Papa, mama, dit is toch ons brood?’ Gods kinderen krijgen het brood van de kinderen. Want, zo zegt ons Doopformulier, onze Vader wil ons van alle goed verzorgen.

Geef ons heden ons (het volgende woordje) dagelijks brood. Iedere dag moet ik mijn hand ophouden. Iedere dag moet ik afhankelijk vragen. Ja, want je kan, jongens en meisjes, ook niet vooruit eten. Je kan ook niet zeggen: ‘Ik eet vandaag heel veel boterhammen, dan heb ik voor de hele week genoeg gegeten.’ Zo werkt het niet. Iedere dag was er voor het volk van Israël manna in de woestijn, om op te rapen, om voor te danken, om op te eten.

Wat botst dat eigenlijk met ons eigen denken… Dat was toen ook al zo. De mensen zeiden: ‘We gaan heel veel manna oprapen, dan kunnen we het bewaren voor morgen. Dan kunnen we morgen uitslapen.’ Maar de volgende dag zaten de wormen erin (Exodus 16:20).

Geef ons heden ons dagelijks (nog een laatste woordje) brood. Brood met beleg… Brood met lekkere kaas, met pindakaas of hagelslag… Nee, brood zonder beleg. Heel eenvoudig en bescheiden. We vragen niet om heel veel, we vragen niet veel te veel, maar we vragen om wat nodig is.

Wat botst dat eigenlijk met ons eigen denken… Wij denken: ‘Heere, geeft U me alstublieft de nieuwste telefoon, die prachtige auto, die mooie meubels, die luxe kleding?’ Nee, zo behoren we niet te bidden. Dit is beter: ‘Heere, zorgt U toch voor mij, U weet wat een kind nodig heeft.’

Dus, jongens en meisjes, als je aan tafel zit, en je ziet het brood, de melk, het beleg, de hagelslag, de pindakaas en de boter op tafel staan, dan zeg je: ‘Heere, alles wat hier staat, is niet van ons. Dat denken we wel, omdat papa en mama ervoor gewerkt hebben, maar het is anders. Het is als manna dat U uit de hemel hebt laten regenen. Het komt allemaal van U!’ Als je zo denkt, dan vergeet je vast niet te bidden en te danken. Dan zeg je zelfs als je heel klein bent: ‘Heere, dank U voor dit eten, om Jezus’ wil. Amen.’

Maar de catechismus gaat verder. De catechismus gaat verder uitleggen wat dit precies betekent. En dat is het tweede aandachtspunt voor de preek:

2. Wat dit gebed betekent

De catechismus zegt: Dat is: Wil ons met alle nooddruft des lichaams verzorgen. Met alle nooddruft. Brood is dus niet alleen brood, maar brood staat voor alles wat we nodig hebben. Alles wat we nodig hebben, dat is niet hetzelfde als alles wat we graag willen hebben. Nee, alles wat we nodig hebben. Luther noemt in zijn Kleine Catechismus in dit verband wel 22 dingen die we nodig hebben: eten, drinken, kleding, schoenen, huis, tuin, akker, vee, geld, goed, man, vrouw, een nieuw hart, kinderen met een nieuw hart, een goede baas, goede vrienden, goede buren, goed weer, vrede, gezondheid, tucht, eer, en nog veel meer. Kortom: alles wat we iedere dag nodig hebben.

Eén ding bid ik niet om: om meer dan ik nodig heb. Om rijkdom of luxe. Nee, ik bid zoals Agur bad: ‘Heere, maak me maar niet rijk, maar maak me ook niet arm. Want als ik rijk word, als ik alles heb (ook allerlei dingen, die ik niet nodig heb), dan vergeet ik U. Dan bid ik niet meer om dagelijks brood. Dan ben ik de hele dag bezig met mijn geld en met al het andere wat ik bezit, en dan vergeet ik U. Maar als ik arm ben, dan ga ik misschien wel stelen. Dan ben ik de hele dag bezig om bij elkaar te schrapen wat ik nodig heb, en dan zal dat me helemaal opslokken. En dus bidt Agur: Voed mij met het brood mijns bescheiden deels, opdat ik, zat zijnde, U dan niet verloochene, en zegge: Wie is de HEERE? of dat ik, verarmd zijnde, dan niet stele, en de Naam mijns Gods aantaste (Spreuken 30:8-9).

Is het verkeerd als je je best doet om rijk te worden? Is het verkeerd als je bidt: ‘Heere, mag ik later heel erg rijk worden? Mag ik later een groot huis krijgen, een luxe en snelle auto?’ Alles in onze maatschappij draait toch gewoon om geld, om bezit, om eigendom, om luxe en macht? U zegt: ‘Rijkdom is een zegen!’ Ja, soms wel, maar meestal is het een vloek. Rijkdom is verslavend. Luxe en weelde hebben iets in zich van de geur van een lekkere cake die in de oven staat, van vlees dat in de pan staat te sudderen. Je ruikt het, heerlijk! Je gaat ervan watertanden… De beurs duikelt naar beneden. Je gaat watertanden… Nu is het tijd om inkopen te doen! Je concurrent gaat failliet. Je gaat watertanden… Nu wordt het tijd om je slag te slaan! Je auto is al een jaar oud, je buurman heeft net een nieuwe, veel mooier! Tijd om te watertanden bij het kijken naar een volgend model… Rijkdom prikkelt verlangen, rijkdom voedt begeerte, verkeerde begeerte. Rijkdom smaakt naar steeds meer. En daar waarschuwt Paulus tegen in 1 Timotheüs 6, als hij schrijft: Doch de godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging. Want wij hebben niets in de wereld gebracht, het is openbaar, dat wij ook niet kunnen iets daaruit dragen. Maar als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmede vergenoegd zijn. Doch die rijk willen worden, vallen in verzoeking, en in de strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang. Want de geldgierigheid is een wortel

van alle kwaad, tot welke sommigen lust hebbende zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zichzelf met vele smarten doorstoken (6:6-10).

Dus: rijkdom zoeken is levensgevaarlijk! Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke inga in het Koninkrijk Gods (Mattheüs 19:24). En een kameel past niet door het oog van een naald!

Rijkdom is gevaarlijk. En als je rijkdom zoekt, werk je aan je eigen ondergang. Paulus zegt: je doorsteekt jezelf! Rijkdom is verslavend. Want van meer wil je meer. Van kopen, wil je meer kopen! Van hebben, wil je meer hebben. Het is een verzoeking, het is een strik. Het is zelden een zegen. Daarom zegt Paulus tegen Timotheüs: Maar als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmede vergenoegd zijn (1 Timotheüs 6:8).

Eten en kleding, dat is wat we nodig hebben. Niet een mooi huis, niet een mooie pastorie, geen mooie auto, geen dure spullen, maar eten en kleding, dat is onze nooddruft. En daar zorgt de Heere voor, zoals we nu eerst samen gaan zingen (jongens en meisjes, je kent deze psalm, dus zing goed mee), we gaan samen zingen uit Psalm 81:12: Opent uwe mond; Eist van Mij vrijmoedig, Op Mijn trouwverbond; Al wat u ontbreekt, Schenk Ik, zo gij 't smeekt, Mild en overvloedig."

Geef ons heden ons dagelijks brood. De catechismus zegt: Opdat wij daardoor erkennen dat U de enige oorsprong, de enige bron bent van alle goed en dat noch onze zorg en arbeid, noch Uw gaven, zonder Uw zegen ons gedijen (dat wil zeggen: ons tot nut zijn). Dus, zo zegt de catechismus: laat ons toch belijden, laat ons toch erkennen, bij alles (als we thuis zijn tafel zitten, als we aan het werk zijn, als we op school zitten, altijd en overal), laten we toch erkennen en belijden dat al het goede van U komt. U bent de Oorsprong, U bent de Bron van alle goed.

Wij zorgen wel (dat noemt de catechismus ook: onze zorg), wij werken wel (ook dat noemt de catechismus: onze arbeid), maar wij kunnen niets laten groeien. Wij kunnen de zon niet laten schijnen. Wij kunnen het niet laten regenen. En zonder Uw zegen kan ik eten wat ik wil, maar blijf ik niet gezond, word ik niet groot en sterk. En zonder Uw zegen kan ik werken wat ik wil, maar het gaat niet goed. Alles hangt af van de zegen van de Heere. Dus al biddend en vragend erkennen en belijden wij: wij hebben niets aan al deze dingen, als U ze niet zegent.

Nou, jongens en meisjes, daarom bidt je dus voor en dank je dus na je eten. Om die zegen van de Heere te krijgen.

En dat kan en mag overal: op school, op vakantie, als je zit te picknicken, bij de McDonalds, in een restaurant, overal. Het maakt niet uit of de mensen glimlachen. Want de zegen van de Heere, die is veel belangrijker, dat is alles! Want de zegen van de Heere die maakt rijk. De zegen van de Heere, dat is Zijn gunst, dat is Zijn goedkeuring. En daar bid je om, voordat je naar je werk gaat, als je op pad gaat, bij en voor alle dingen: om de zegen van de Heere.

De catechismus gaat verder: En dat wij derhalve ons vertrouwen van alle schepselen aftrekken en alleen op U stellen (dat wil zeggen: op U richten). Stel, zo zingt de dichter van Psalm 37, op de Heere in alles uw vertrouwen (Psalm 37:2). Dus: niet op jezelf vertrouwen. Het is te vergeefs (zo zegt de dichter van Psalm 127), het is te vergeefs, dat u vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzo, dat Hij (de Heere) het Zijn beminden (Zijn kinderen) als in de slaap geeft (127:2). Dus: niet op jezelf vertrouwen. En ook niet op mensen vertrouwen. Maar werp uw zorg op de HEERE, Hij zal u onderhouden (Psalm 55:22). Niet op mensen vertrouwen. Ook niet op dominees en ambtsdragers. Vest op prinsen geen betrouwen, waar u nimmer heil bij vindt (Psalm 146:2, ber.).

Met andere woorden, je zegt al biddend eigenlijk: ‘Heere, wij zijn zo geneigd om alles en iedereen buiten U te vertrouwen. Daarom hebben we Uw kracht en genade zo nodig, om dat vertrouwen bij mensen weg te halen en op U te richten!’ Dit gebed is eigenlijk een zucht om genade: ‘Heere, ik kan het niet, ik weet niet hoe het moet, helpt U me toch, doet U het toch?’

Heer, geef ons heden ons dagelijks brood. Dat mag het gebed zijn in onze gezinnen. Als alles goed en voor de wind gaat. Maar ook als we financieel krap zitten. Of als we op een andere manier knel zitten: het huis is te krap, hoe moet het met de ruimte als er meer kinderen bijkomen? Als we zorgen hebben rond onze kinderen: ‘Geef ons toch, Heere, als vader en moeder iedere dag wat we nodig hebben?’ Als er zorgen zijn in ons huwelijk: we werken er hard aan in de therapie, maar ondertussen ‘zijn onze ogen, Heere, op U!’

Dit mag het gebed zijn als je wilt gaan trouwen: ‘Heere, wilt U voor ons zorgen? We gaan niet voor luxe, maar met het weinige wat we hebben proberen we een gezinnetje te stichten, terwijl we zien op U en op Uw goede zorg. Wilt U ons onderhouden?’ Wilt u, ouders, als uw kinderen zo willen gaan trouwen, ze niet tegenhouden?

Dit mag het gebed zijn in ziekte, in ouderdom en als wij gehinderd worden door beperkingen: ‘Heere, geef me wat mijn lichaam nodig heeft, letterlijk: de nooddruft des lichaams?’

Dit mag ons gebed zijn als onze zaak moeilijk loopt: ‘Heere geeft U mij en mijn werknemers toch uit genade ons dagelijks brood.’ Terwijl de Heere ons ondertussen wel

oproept om trouw ons werk te doen. Want de hand van de vlijtige zal gezegend worden. De luiaard zal gescheurde kleding gedragen.

Dit mag ons gebed zijn, broeders, in al ons ambtelijke werk: ‘Heere, mag ik ook in mijn ambtelijke werk dagelijks eten van het hemelse brood uit Uw hand, iedere keer weer opnieuw van U krijgen wat ik echt nodig heb?’

Je zegt: ‘Ja, maar je moet toch eerst bidden om een nieuw hart en om vergeving van je zonden. Eerst om je ziel en dan om je lichaam.’ Ik dacht het niet. De volgorde van het Onze Vader is toch echt zo: eerst bidden om dagelijks brood en dan om vergeving van onze zonden. Zo heeft de Heere het in Zijn wijsheid aan Zijn discipelen geleerd. Is dat niet verkeerd, is dat niet te materialistisch, is dat niet ongeestelijk? Blijkbaar niet. Laten we niet overgeestelijk worden. Bij het leven met de Heere hoort ook het dagelijkse bestaan. Dat hoort er helemaal bij. Dat is niet minderwaardig. Dominee Ralph Erskine zegt in zijn preek over het sterven aan de wet: ‘Het is een blijk van een wettische geest, als je altijd alleen maar bezig bent met godsdienstige plichten en in ander werk geen vrede vindt.’

Wie wandelt met de Heere vindt vrede, zeker in godsdienstig bezig zijn, maar ook in eten en drinken en in het doen van het gewone werk. Ons hart is meest verblijd wanneer we nabij God zijn, maar we worden ook geroepen tot de plichten van het gewone leven. En we doen die met blijdschap.

Een kindergebed is het dus, voor het gewone leven: Onze Vader, die in de hemelen zijt. Geef ons heden ons dagelijks brood? Hoe je dat brood uit de hand van de Heere krijgt, dat is afhankelijk van het antwoord op de vraag: ben je… kind? Ben ik echt kind van God? Want de goedheid van de Heere kunnen we niet los zien van wat de Heere Jezus gedaan heeft. Maar wat Hij deed, dat deed Hij voor Zijn kinderen! Dat Hij zo voor ons zorgt, dat is de liefde voor Zijn schepping. Maar Hij houdt de wereld vooral in stand om Zijn gemeente, om Zijn Kerk bijeen te brengen. Omdat er nog mensen toegebracht moeten worden. En ondertussen regent de Heere over bozen en goeden, en zegent Hij die beiden (Mattheüs 5:45).

Maar de zegen van de Heere over Zijn kinderen is een bijzondere zegen. De Heere Jezus verdiende in Zijn leven en in Zijn sterven aan het kruis alles voor hen, ook hun dagelijkse brood. Voor hen geldt: Ik ben om uwentwil arm geworden, daar Ik rijk was, opdat u door Mijn armoede zou rijk worden (2 Korinthe 8:9). Ik had honger in de woestijn, opdat u te eten zou hebben (Mattheüs 4:2). Ik riep: Mij dorst, opdat u te drinken zou hebben (Johannes 19:28). Ik moest klagen: de vossen hebben holen en de vogels des hemels nesten, opdat u een huis en een dak boven het hoofd zou hebben (Mattheüs 8:20). Uw dagelijkse brood en alles wat u nodig hebt, krijgt u, Mijn kinderen, uit Mijn doorboorde handen.

Gods kinderen, het zijn de huisgenoten Gods, zij eten wat ze uit de handen van Christus ontvangen. Als we dat, volk van God, meer zouden beseffen, dan zouden we zonder twijfel afhankelijker leven. Dan zouden we ook niet meer zo jagen naar het vergankelijke, maar veel meer zoeken naar de zegen van de Heere, want die maakt echt rijk.

En, als je dan geen kind van God bent…? Ja, dan eet je mee van dat, wat de Heere Jezus verdiende voor Zijn kinderen. De stad Sodom zou echt gespaard zijn geweest vanwege tien rechtvaardigen, als die er maar geweest waren, Maar ze waren er niet. De stad zou in dat geval echt gespaard zijn gebleven, niet omdat de mensen van de stad zelf goed waren, maar om die tien rechtvaardigen en om Lot! (Genesis 18:32). De zon schijnt over Gods kinderen, en dus ook over goddelozen.

En ondertussen…, ja, je kan als onbekeerde doorgaan met werken om geld, om eten en om alles wat vergaat (dat wil zeggen: om dingen waar niets van overblijft), om alles van hier, om geld, om mooie spullen, om speelgoed, om huizen, om auto’s… Maar, als je pech hebt wordt het gestolen, en zo niet dan gaat het stuk, dan gaat het roesten en uiteindelijk… is het weg, uiteindelijk is het vergaan! Gemeente, de dingen van deze tijd vergaan (2 Petrus 3:11)! Echt waar!

En dus zeg ik u: het is dwaas! Je werkt aan je eigen ondergang, als je alleen maar werkt om de spijs die vergaat, om de dingen van dit leven!

Wat u nodig hebt is brood, brood voor uw ziel, het Brood des levens, het Manna dat uit de hemel neergedaald is. En dat levende Brood, dat Manna is de Heere Jezus Christus. Want als u uw ziel verliest (al hebt u nog zoveel), dan bent u straks alles kwijt. Maar wie Mij vindt (zegt de Heere Jezus) die vindt het leven! Vergadert u geen schatten op de aarde! Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen, maar vergadert u schatten in de hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen, want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn (Mattheüs 6:19-21).

Bouw niet aan schijnzekerheid: aan uw eigen huis, aan uw vaste inkomen of aan uw goede pensioen… Dat deed die man uit Lukas 12 ook. Die werkte hard, die had alles goed voor elkaar. Hij zei: ‘Ik heb heel veel goederen, die ik opgelegd heb, die ik bijeen vergaderd heb, die ik gespaard heb voor heel veel jaren.’ Hamsteraar! Hij zei tegen zichzelf: neem nu maar rust, eet en drink en wees vrolijk! Maar…! God zei tegen hem: Dwaas! In deze nacht zal men uw ziel van u afeisen, dat wil zeggen: terugvragen. ‘Geef hier, uw ziel.’ En wat u bereid hebt, wat u allemaal opgeslagen en gespaard hebt, van wie zal het zijn? Alzo is het met die, die zichzelf schatten vergadert en niet rijk is in God (Lukas 12:21).

Misschien zegt God vannacht ook wel tegen u: ‘Geef Mij uw ziel terug! De rest mag u allemaal op de aarde achterlaten. Voor uw familie, voor de kerk, voor de belastingdienst. Maar geef Mij uw ziel!’

Dan, vannacht, komt het aan op de vraag (niet op de vraag: bent u rijk?), maar dan komt het aan op de vraag: was ik rijk in God? At u alleen maar mee van de overvloed van Gods goede zorg voor Zijn kinderen? Of had en hebt u persoonlijk deel aan Christus? En was Hij voor u het Brood des levens. En mocht u daarom dagelijks eten als uit Zijn hand?

Geliefde gemeente, daarom wees niet bezorgd tegen de morgen; want de morgen zal voor het zijne zorgen. Elke dag heeft genoeg aan zijn zelfs kwaad (Mattheüs 6:34).

Amen.

Slotzang Psalm 105:22,24

Zij werden dagelijks begenadigd: Met manna, hemels brood, verzadigd. Gods hand bracht, in dat dorre oord, Rivieren uit een steenrots voort. Hij dacht aan 't geen Hij aan Zijn knecht, Aan Abraham, had toegezegd.

Die gunst heeft God Zijn volk bewezen, Opdat het altoos Hem zou vrezen, Zijn wet betrachten, en voortaan Volstandig op Zijn wegen gaan. Men roem' dan d' Oppermajesteit Om zoveel gunst, in eeuwigheid.