Zondag 51 · 2 juli 2023
Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 51 (serie 1)
INLEIDING
Zondag 51 van de Heidelbergse Catechismus behandelt de vijfde bede: Vergeef ons onze schulden. Wij zijn arme zondaars met hemelhoge schulden — misdaden waarvoor de doodstraf staat en boosheid die altijd aan ons vastplakt. Maar God vergeeft menigvuldig, om het bloed van Christus. Wie die genade ontvangt, vindt daarin ook de kracht om de schulden van anderen te vergeven.
Vergeving van schulden
ZONDAG 51
Vraag 126: Welke is de vijfde bede?
Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren. Dat is: Wil ons, armen zondaren, al onze misdaden, en ook de boosheid, die ons altijd aanhangt, om des bloeds van Christus' wil niet toerekenen, gelijk wij ook dit getuigenis uwer genade in ons bevinden, dat ons ganse voornemen is, onzen naaste van harte te vergeven.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Zondag 51
THEMA
Vergeving van schulden
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, jongens en meisjes, we zijn bijna aan het einde gekomen van de catechismus. Zoals je weet, het gaat in de catechismuspreken de laatste weken over het allervolmaaktste gebed, over het ‘Onze Vader’. Eerst waren er drie beden, drie vragen die begonnen met het woordje ‘Uw’. Vorige week zondagmiddag ging het over ‘ons’, over ons dagelijks brood. En vanmiddag gaat het weer over ons, over onze schulden. Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. Aan de beurt om te behandelen is zondag 51, vraag en antwoord 126. Laten we deze zondag samen met elkaar lezen:
Vraag 126: Welke is de vijfde bede? Antwoord: Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren. Dat is: Wil ons, armen zondaren, al onze misdaden, en ook de boosheid, die ons altijd aanhangt, om des bloeds van Christus wil niet toerekenen, gelijk wij ook dit getuigenis Uwer genade in ons bevinden, dat ons ganse voornemen is onze naaste van harte te vergeven.
Het gaat in Zondag 51 over (en dat is ook het thema van de preek): Vergeving van schulden Er zijn in de preek van vanmiddag twee aandachtspunten. We letten op: 1. Onze schulden 2. Andermans schulden
Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren? Jongens en meisjes, dat bid je wel altijd, maar vind je het (als je er goed over nadenkt) niet toch een beetje een bijzondere vraag: ‘Heere, vergeef toch onze schulden, onze zonden, net zoals wij andere mensen ook weleens iets vergeven?’ Want, dat betekent het toch? Nee, dat betekent het niet.
We vragen niet: ‘Heere, wilt U dat alstublieft doen, net zoals wij het doen?’ Want je kent die bekende tekst uit Jesaja wel, waar de Heere zegt: Want Mijn gedachten zijn niet uw gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, want (…) Mijn wegen zijn hoger dan uw wegen, en Mijn gedachten (hoger) dan uw gedachten (55:8-9).
Met andere woorden: Ik de Heere ben als het om vergeven gaat zo anders dan jullie, mensen. Ik vergeef menigvuldiglijk (Jesaja 55:7De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den HEERE, zo zal Hij Zich Zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk.). Dat wil zeggen: Ik vermenigvuldig het vergeven. Ik maak er, als het gaat om vergeven, (vermenigvuldigen!) een keer-som van. Zondig je drie keer, dan vergeef Ik driemaal drie, dat is negen keer. Zondig je tien keer, dan vergeef Ik tienmaal tien, dat is honderd keer. Doen wij dat ook zo? Nee, dat doet alleen de Heere zo. Laten we daarom vanmiddag goed kijken, wat het dan wel betekent, dat gebed wat we bidden: Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren?
Vergeven, wat is dat eigenlijk? ‘Ah, vergeef me (zeggen we vaak), het was een foutje, het was een vergissing! Sorry! Ik zal het niet meer doen. Vergeef me!’ En dan? Hoe doen wij dat dan: vergeven? Wat zeggen wij dan? Wij zeggen: ‘goed dan, voor deze keer zal ik je vergeven, maar je mag het echt nooit meer doen! Anders vergeef ik het je niet.’ Hoor je, wij stellen een voorwaarde: als je het weer doet, ga ik het je echt niet vergeven. Wij maken er geen keer-som van. Wij gaan echt niet, als het om vergeven gaat, vermenigvuldigen! En als het morgen weer gebeurt, dan zeg ik: ‘je deed het gisteren ook al’. Vergeven is bij ons zeker niet hetzelfde als vergeten.
Vergeven, hoe doet de Heere dat? Nou, de Heere zegt in ieder geval: ‘Ik doe het anders dan jullie, mensen. Mijn wegen zijn hoger, veel hoger, en Mijn manieren zijn anders, veel anders dan die van u.’
Maar, om echt verder te praten over vergeving, moeten we eigenlijk eerst weten wat er vergeven moet worden. Wat is er precies aan de hand? Wij bidden: vergeef ons onze schulden. En de catechismus legt uit: dat zijn onze misdaden en de boosheid die ons altijd aanhangt, dat wil zeggen: die altijd aan ons plakt, die altijd aan ons vastkleeft.
Onze schuld… Nee, onze schuld-en. In het meervoud! Schuld, dat wil zeggen: je moet iets betalen. En je kan niet betalen. Dan heb je schuld. Je staat bij de bank in het rood. Je hebt geen spaargeld, geen plus op je rekening. Je hebt ook niet niets, nul euro. Nee, je hebt schuld. Er staat een min op je rekening. Je moet betalen, en als je te lang wacht en niet luistert, dan komt de deurwaarder aan de deur om je tot betaling te dwingen. En anders neemt hij iets van je spullen mee. Net zolang totdat je alles betaald hebt.
Wij hebben schulden, wij hebben hemelhoge schulden bij God. We staan diep in het rood. Want we hebben aan al onze verplichtingen niet voldaan. We hebben de geboden van de Heere God overtreden, allemaal! En we hebben ook nog de zonde, die we van onze geboorte af al hebben, de erfzonde. We zitten vol met zonde, we hebben schuld-en! Het is zo erg, dat we eigenlijk moeten zeggen: we zijn zonde.
En dan denk ik aan de zonden van mijn mond (aan mijn zondige woorden), aan de zonden van mijn handen (aan de zonden die ik doe), aan de zonden van mijn ogen (aan mijn zondige kijken), aan de zonden van mijn oren (aan mijn zondige luisteren), aan de zonden van mijn voeten…, kortom: overal en nergens zit zonde. We zeggen: ons hart is vol zonde. We zijn zonde!
En de catechismus noemt die zonden: misdaden. Wij denken vaak: het is echt jammer dat het zo gegaan is, dat alle stuk gegaan is in het paradijs. Jammer, dat de duivel zo gemeen deed. Jammer, dat Eva zich vergiste. Jammer, dat Adam even niet oplette. Maar de Heere zegt het anders. Hij zegt niet: ‘jammer, het ging per ongeluk fout’, maar de Heere zegt: ‘Adam deed het expres.’ Hij was geen slachtoffer. De appel viel niet per ongeluk van de boom in de hand van Adam. Hij was en wij zijn misdadigers. Hij deed en wij doen al de zonden die wij doen doelbewust en in opstand tegen God. Wij willen niet naar God luisteren. Wij zijn misdadigers tegen God, zoals de misdadigers die we kennen: boeven, inbrekers, moordenaars, leugenaars. Zo erg zijn onze misdaden, dat wij ervoor in de gevangenis moeten. Ja, de Heere God zegt zelfs: ‘u moet vanwege uw zonden, om uw misdaden de dood sterven.’ Op onze zonden en misdaden staat de doodstraf.
En, zo zegt de catechismus, dan is er ook nog de boosheid, de slechtheid, die ons altijd aankleeft, die altijd aan ons vastplakt. Zoals stukjes ijzer altijd vastplakken aan een magneet, zo plakt de zonde, de boosheid, de slechtheid altijd vast aan ons hart.
Dus, we hebben schulden gemaakt, die betaald moeten worden. We hebben misdaden gedaan, waarop de doodstraf staat.
Je zegt: ‘nou, dan moeten we betalen. Dan moeten we dat weer goedmaken, toch?’ Jazeker, maar er komt nog iets bij. De catechismus zegt: wij zijn arme zondaars. Als je nu rijk was, dan kon je je schuld afbetalen. Dan kon je een regeling treffen. Maar wij zijn arm. Wij hebben niets om te betalen. Dus…, hoe moet het nu verder? Is dat je levensvraag? Is dat de dringende vraag van je hart? Ik heb hemelhoge schulden, ik heb de dood verdiend. Hoe moet ik die toch betalen? Hoe moet ik toch voldoen aan de rechtvaardige eis van Gods heilige wet?
Je zegt: ‘nou, overdrijft u niet een beetje? Schulden? Misdaden? De doodstraf?’ Ja, maar luister nu eens. Als je tegen iemand die blind is (dat is heel naar en heel erg), als je tegen iemand die blind is, zegt: ‘kijk eens, naar die zere plek op mijn arm’, dan zegt hij: ‘ik zie niets…’ Als je tegen iemand die doof is (dat is heel naar en heel erg) zegt: ‘hoor eens, wat er nu voor ergs gebeurd is’, dan zegt hij: ‘ik hoor niets…’ En nu zeg ik tegen je: ‘kijk eens, hoor eens, hoe erg het is met je hart is…!’ Ja, ik snap (als je niet ziet en niet hoort), dat je dan denkt: ‘nou, dat is knap overdreven.’
Maar dat komt, omdat je geestelijk blind bent, en het dus niet ziet. Dat komt omdat je geestelijk doof bent, en het dus niet hoort. Dat komt omdat je (nog erger!) geestelijk dood bent en het dus niet voelt. Wat hebben we de Heilige Geest nodig, om ons dode hart levend te maken. Om ons wederom geboren te laten worden. Om ons ogen en oren te geven, om ons een nieuw hart te geven, een nieuw hart dat leeft! Dan zie je pas echt, hoe erg het met je is. Als God zegt (zoals Nathan tegen David zei): ‘u bent die man! U hebt tegen Mij gezondigd!’ Als God tegen u zegt: ‘u bent die misdadiger, u hebt al Mijn geboden overtreden. U bent even slecht als al die mensen die opgesloten zitten in de gevangenis: dieven, fraudeurs, drugshandelaars en moordenaars.’ Als God je hart openlegt en je de spiegel van de wet voorhoudt, dan pas zeg je: ‘Heere, U hebt gelijk.’ Dan ga je erkennen en belijden: ‘het is waar wat U zegt.’ Ik ken mijn overtredingen en mijn zonden zie ik steeds voor mij.
Erkennen en belijden, dat is trouwens niet hetzelfde als zware woorden gebruiken, bijvoorbeeld over de vloek die op de mens rust (het klinkt zo heerlijk algemeen: de vloek die op de mens rust), over de mens die helwaardig is, over de diepe bondsbreuk in Adam. Er is meer nodig dan woorden! Het moet een zaak van het hart zijn. Wat? Dat ik, ik(!) een misdadiger ben voor God!
Dan pas, pas als je dat ziet en doorleeft, dan pas ga je echt bidden om vergeving. Maar zolang je de zonde niet ziet en niet wilt zien, zijn het alleen maar woorden. Maar als God het je laat zien, dan wordt het echt, dan wordt het echt een zaak van je eigen hart. Dan zeg je: ‘ik verdien, o hoogste Rechter, Uw rechtvaardige straf. Maar, Heere, vergeef me toch? Zo Gij, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat; Heere! wie zal bestaan? Maar bij U is (toch) vergeving? (Psalm 130:3-4Zo Gij, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat; HEERE! wie zal bestaan? Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.) Vergeef ons onze schulden, vergeef ons onze misdaden, Heere.
‘Maar’, zeg je, ‘God is toch een rechtvaardige Rechter, Die betaling eist, Die vereffening van schuld vraagt?’ Ja, dat is waar. God is rechtvaardig en heilig. En als de Heere me ontdekt aan mijn zonden en schulden, dan leer ik daar ook iets van te zien. God is rechtvaardig en heilig. En dus: vergeven kan niet zomaar. God kan en wil de zonde niet door de vingers zien. En tegelijkertijd (en dat is een wonder!) heeft de Heere Zichzelf ook genoemd in Exodus 34: HEERE, HEERE, God, barmhartig, genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid (Exodus 34:6). Zo staat het ook in Psalm 86: de Heere is goed en gaarne vergevend (Psalm 86:5). Dat wil zeggen: Hij vergeeft graag.
Bots dat dan niet met elkaar? Hoe zit dat? God kan en wil de zonde niet door de vingers zien, want Hij is heilig en rechtvaardig. En toch is Hij ook genadig en vol van vergeving. Hoe dat kan? De catechismus zegt: om het bloed van Christus. De Heere vergeeft om…? Omdat je zo veel en zo lang bidt? Omdat je zo ernstig bidt? Omdat je je schuld zo hartelijk belijdt?
Nee, God doet het om Zichzelf, Hij doet het om het bloed van Christus. Vergeving van zonden en verzoening met God zijn verbonden met het bloed van het kruis. De Heere Jezus Christus heeft in Zijn komen naar deze wereld al Zijn heerlijkheid afgelegd. Hij is mens geworden, Hij heeft Zich vrijwillig geplaatst onder de misdadigers. Hij is met de misdadigers gerekend. En Hij is als een misdadiger gehangen tussen twee terroristen, om misdadigers met God te verzoenen, om zo, in die weg, de schuld van Zijn volk te vereffenen.
En gemeente, jongens en meisjes, dat is de enige weg tot vergeving van zonden en schulden. Buiten de Heere Jezus is er geen vergeving mogelijk. Paulus zegt in Efeze 1: In Hem hebben wij de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar de rijkdom Zijner genade (Efeze 1:7). Er is vergeving voor schulden en misdaden in het bloed van de Heere Jezus Christus, maar (zo zegt de schrijver van de Hebreeënbrief): Zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving (9:22). Gemeente, één ding hebben we nodig, om zalig te leven en om zalig te sterven: het bloed van de Middelaar, het bloed van de Heere Jezus Christus. Ik kan zelf de schulden van mijn eigen misdaden niet en nooit betalen. Ik moet met al mijn schulden en misdaden als een arme en hulpeloze zondaar terechtkomen aan de voeten van de Heere Jezus Christus, aan de voet van het kruis. Daar en daar alleen vindt de zalige ruil plaats. Deze zalige ruil: Hij neemt mijn misdaden. God rekent ze mij niet toe, maar Hem. Mijn straf, mijn doodstraf legt de Heere op Zijn schouders. De straf die ons de vrede aanbrengt, zegt Jesaja, is op Hem gelegd (53:5).
En dus, gemeente, rust toch niet voordat u in Christus geborgen bent. Rust niet op de zandgrond van uw eigen gemaakte keuzes en geloof. Rust niet op de zandgrond van levensernst, van netheid, van dat u de weg zo goed weet. Rust niet op de zandgrond van droefheid en berouw. U moet Christus hebben! Ga niet dwalen tussen Sodom en Zoar, verdwaal niet tussen Sinaï en Kanaän. Sta er toch naar om te weten, wat Petrus schrijft: Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt (1 Petrus 2:24Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt.).
U zegt: ‘ja, maar dat gaat zomaar niet…’ Dat is waar. Dat gaat zeker zomaar niet. Daar zit zoveel tussen, van ons, wat de Heere en Zijn werk (zo het mogelijk was) stoort en ons weghoudt bij de troost van de vergeving. Wat zit er dan allemaal tussen? Dit: dat ik het zo goed weet. Dat ik de weg zo goed weet. Maar het zit allemaal hier (in mijn hoofd), het is allemaal geen bevinding, geen ervaring van mijn hart. Dit: dat ik nooit de Heere heb leren vragen naar de weg. Dat ik zelf nooit heb leren vragen: ‘is er nog wel een weg voor mij, Heere?’ Dit: dat ik wel praat over Gods heiligheid en rechtvaardigheid, maar er niet voor buigen wil.
Dit: dat ik wel praat over Gods bereidheid om te vergeven, maar dat ik die ten diepste toch niet nodig denk te hebben. Dit: dat ik wel praat over de noodzaak van het werk van Gods Geest, maar dat ik niets anders doe dan me dagelijks daartegen verzetten, dan de Geest verdriet aandoen. Met? Met alles: met het liefhebben van de wereld en de zonde, met het roemen in mijn eigen werk, in mijn eigen keuze voor God en Jezus, met het bouwen op iets anders, vooral op mijn tranen (in plaats van op Zijn bloed) en op mijn werken (in plaats van op Zijn kruis).
Maar hoeveel belemmeringen er ook zijn, als de Heere werkt, dan breekt Zijn eenzijdige genade overal dwars doorheen. Dan ga ik mijn zonden en mijn schulden erkennen en belijden. Ik heb gedaan wat kwaad is in Uw oog. Is er voor mij nog een weg, Heere? En dan verlies ik uiteindelijk toch dat loodzware pak (ik zie geen andere weg meer, Hij leidt mij, Hij brengt me er), dan verlies ik toch uiteindelijk dat loodzware pak van mijn schulden en zonden aan de voet van het kruis van Christus. En daar, en daar alleen vind ik vrede met God. Pas op, gemeente, dat u niet al argumenterend en redenerend verdwaald tussen Sodom en Zoar, tussen Sinaï en Kanaän. Maar kom met uw verloren leven tot Christus. Want, om Hem, vergeeft God menigvuldig.
Ja, want vergeven, hoe doet de Heere dat eigenlijk? Hij doet het om Jezus wil, maar hoe? Zo: Hij pakte last van die hemelhoge schulden van de schouders van een zondaar en legt die op Christus. En Hij bedekt die zonden met Zijn bloed, zoals staat in Psalm 85: De misdaad Uws volks hebt U weggenomen, U hebt al hun zonden bedekt (85:2). En Hij wist de zonden weg, zoals je met een wisser het schoolbord schoonveegt, en zegt: het is nu allemaal weg. Zo zegt de Bijbel het ook: de Heere wist het handschrift van de zonde uit. Zo staat het ook in Jesaja 43: Ik ben het, de Heere, die uw overtredingen uitdelg. De Heere werpt al die zonden achter Zijn rug en denkt er nooit meer aan. Hij werpt ze in de diepte van de zee (Kolossenzen 2:14Uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende;; Jesaja 43:25; Micha 7:19Hij zal Zich onzer weder ontfermen; Hij zal onze ongerechtigheden dempen; ja, Gij zult al hun zonden in de diepten der zee werpen.). En Hij rekent al die zonden de zondaar niet toe. De schuld van zijn rekening wordt overgeschreven naar de rekening van de Heere Jezus Christus en… de zondaar is vrij. Zijn zonden zijn bedekt met het bloed van de Middelaar, ze zijn voor altijd vergeven, en God komt er nooit meer op terug (Psalm 32:1Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.). Zoals we dat ook zien in Psalm 103, waaruit we nu samen gaan zingen, het zesde vers: Zo hoog Zijn troon moog' boven d' aarde wezen, Zo groot is ook voor allen, die Hem vrezen, De gunst, waarmee Hij hen wil gadeslaan; Zo ver het west verwijderd is van 't oosten, Zo ver heeft Hij, om onze ziel te troosten, Van ons de schuld en zonden weggedaan.
Jongelui, vind je dat niet geweldig? Zou dat je leven niet maken tot een echt leven? Zeker, ik weet het, het leven zonder God heeft ook zijn mooie kanten, maar toch blijft het altijd leeg, toch blijft er altijd onvrede, en daarbij: alles van deze wereld gaat voorbij! Dit leven, verzoend met God door het bloed van de Heere Jezus Christus, dit leven is het leven. Dit is alles: wij, Gods kinderen, hebben vrede met God door het bloed van de Heere Jezus Christus (Romeinen 5:1Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus;). Kan je begrijpen, dat iemand ooit uitroep: Weg wereld! weg schatten! U kunt niet bevatten, hoe rijk in nu ben, 'k Heb alles verloren, maar Jezus verkoren, Wiens eigen ik ben.
Misschien denk je: ‘vergeving, dat ben ik niet waard. Ik heb veel te veel gezondigd.’ Dat eerste wat je zegt, dat klopt: niemand is het waard. Maar God vergeeft ook niet om mij of om jou, maar om het bloed van de Heere Jezus Christus. Dit is wat Jesaja zegt, dit is wat de Heere zegt: Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (1:18).
Hier, in deze bede, zie je iets van de rijkdom van het leven van een kind van God, dat bidt: ‘Vergeef ons, hemelse Vader, onze schulden’. Maar (zeg je), al de zonden van Gods kinderen zijn toch al vergeven? Dat is waar. Maar als ik ver van de Heere vandaan leef, dan raak ik het zicht daarop kwijt, dan raak ik de troost daarvan kwijt. Hoe dichter ik bij de Heere leeft, hoe meer ik de troost ervaar van de vergeving van mijn zonden. En, hoe dichter ik bij de Heere leef, hoe armer ik ook ben in mezelf. Daarom blijft dit het gebed van al Gods kinderen, zoals de catechismus dat zegt: Wil ons, arme zondaren, al onze misdaden, en ook de boosheid, die ons altijd aanhangt, om des bloeds van Christus wil niet toerekenen
Onze lege kinderhand vraagt aan de Vader, niet alleen om brood, maar ook om bloed. Om de troost en de kracht van het bloed van Christus, om het geloof om daarop te zien en daarop te vertrouwen. Om de stem van de Vader te mogen horen: ‘Ik heb al uw zonden achter Mijn rug geworpen’ (Jesaja 38:17Zie, in vrede is mij de bitterheid bitter geweest; maar Gij hebt mijn ziel liefelijk omhelsd, dat zij in de groeve der vertering niet kwame; want Gij hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen.). Want dat zal Mij zijn als de wateren van Noach, toen Ik zwoer, dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden gaan; alzo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal (Jesaja 54:9Want dat zal Mij zijn als de wateren van Noach, toen Ik zwoer, dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden gaan; alzo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal.).
Die werkelijkheid van de vergeving van onze schulden en de vrede die dat geeft in ons hart tussen God en onze ziel, dat maakt ons zonder twijfel ook van harte vergevingsgezind. We gaan dat zien in onze tweede en laatste gedachte
Immers we bidden: Gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren? Het is een vraag! Het is geen conclusie! Er staat niet: ‘wilt U ons vergeven, net zoals wij dat doen? Want zo doen wij dat ook!’ Dan zouden we er echt slecht aan toe zijn. Nee, het betekent: Heere, vergeef ons, en maak ons bereid om ook onze naasten te vergeven.
De catechismus zegt: Gelijk wij ook dit getuigenis Uwer genade in ons bevinden, dat ons ganse voornemen is onze naaste van harte te vergeven. ‘Mag dat zo zijn, mag dat zo worden, Heere?’
Laten we even als begin, nu het gaat om vergevingsgezindheid, kijken naar twee Bijbelse voorbeelden, naar twee Bijbelgedeelten. In Mattheüs 18 lezen we de gelijkenis van een heer en zijn dienstknechten. De heer heeft een van zijn knechten miljoenen kwijtgescholden. Wij zouden zeggen: zijn schuld was hemelhoog. Maar wat doet hij? Een van zijn collega’s heeft bij hem (met zijn eigen eerdere schuld vergeleken) eigenlijk maar een heel kleine schuld. Hem was heel veel kwijtgescholden, hem was heel veel vergeven. Maar nu dat achter de rug is, nu zit hij zijn eigen collega het mes op de keel! Hij wil hem niets kwijtschelden en vergeven En dan staat er: Toen heeft hem zijn heer tot zich geroepen, en zeide tot hem: U boze dienstknecht, al die schuld heb ik u kwijtgescholden, dewijl u mij gebeden hebt; behoorde u ook niet u over uw mededienstknecht te ontfermen, gelijk ik ook mij over u ontfermd heb? (Mattheüs 18:27-33) Want, zo zegt de Heere Jezus: Indien u de mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven. Maar indien u de mensen hun misdaden niet vergeeft, zo zal ook uw Vader uw misdaden niet vergeven (Mattheüs 6:14-15Want indien gij den mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven. Maar indien gij den mensen hun misdaden niet vergeeft, zo zal ook uw Vader uw misdaden niet vergeven.).
Dat is helder. Maar Paulus dan, in 2 Timotheüs 4? Daar schrijft Paulus: Alexander, de kopersmid, heeft mij veel kwaads betoond; de Heere vergelde hem naar zijn werken. Van welke wacht u u ook, want hij heeft onze woorden zeer tegengestaan (4:14-15). Wil Paulus Alexander niet vergeven? Ja wel, hij is wel bereid om te vergeven. Maar Alexander wil niet. Die gaat door met zijn verzet en vijandschap. En dus neemt Paulus wraak? En dus zegt Paulus: ‘wacht maar, vrind, ik zal je krijgen, als ik de kans krijg, dan zal ik je?’ Nee, hij geeft het oordeel over Alexander over aan de Heere.
Want vergeven is één ding, maar daar hoort ook wat bij: belijden en laten. De Spreukendichter zegt: Die zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar die ze bekent en laat, zal barmhartigheid verkrijgen (28:13). Als God je schulden vergeven heeft, dan komt er iets nieuws in je hart. Twee dingen: je gaat je zonden belijden en laten, en je wilt ook andere mensen gaan vergeven. Want, zeg je: ‘wat ik tegen U deed, Heere, dat was heel veel meer. En dat wilde U mij vergeven. Dus wat een ander tegen mij doet, dat zal ik hem of haar dan ook vergeven.’
Als de Heere zoveel vergeven wil en vergeeft, dan vraagt Hij van mij ook de bereidheid om anderen te vergeven. U zegt: ‘dat is moeilijk!’ Ja, daarom heb jaar ook de genade van de Heere voor nodig. Maar daar vragen we juist ook om in dit gebed: Heere, geef ons toch de genade van vergevingsgezindheid, laat ons onze schuldenaars toch vergeven?
Wat is die andere je dan schuldig? Misschien ben je geplaagd, gepest en uitgescholden, misschien heeft een ander wel lelijk tegen je gedaan. Misschien bent u wel bedrogen, misschien is er wel heel erg over u geroddeld. Misschien heeft een ander u uw plaats niet gegund. Het kan moeilijker, het kan veel dieper liggen. De ander heeft je levenslang genegeerd, geminacht en vernederd. De ander heeft je mishandeld en misbruikt, of dat toegelaten. Wat doen wij mensen elkaar toch onnoemelijk veel leed aan… Als dat laatste bij u zo is, kom alstublieft voor de dag en deel het met anderen die u durft te vertrouwen.
Het is niet gemakkelijk om zo’n dader te vergeven. Het is waar: daders van misbruik, geweld en narigheid, u wordt opgeroepen tot bekering en belijdenis. En er is vergeving voor de grootste van de zondaars, door een weg van bekering, berouw en belijdenis en… van aantoonbare verandering van uw gedrag. Maar u, u mag geen vergeving afdwingen bij mensen. Wacht u maar op het moment dat uw slachtoffer aangeeft dat u welkom bent.
Maar wat doet de Heere met Zijn kinderen? Ook nadat hen heel veel leed is aangedaan? Hij dwingt ze niet. Maar Hij zegt: ‘kijk eens naar Mij. Kijk eens naar Mijn lijden. Als u naar Mij kijkt, breekt er dan niet iets van de haat in uw hart, om wat anderen u aangedaan hebben?’ ‘Kijk eens: zoveel leed verdroeg Ik in uw plaats: onrecht, pijn, verdriet, verachting, spot en naaktheid. Ze hebben zelfs de kleren van Me afgetrokken. Weerloos en naakt ging Ik aan het kruis.’ Dan leer je, ook na heel veel schade en pijn en verdriet in het verleden, dan leer je toch anders bidden. Hoewel vergeven heel erg moeilijk blijft. Dan leer je bidden: ‘leer me, Heere, mijn schuldenaar vergeven. Zelf kan ik het niet.’ Bereid zijn om elkaar de misdaden te vergeven, daar gaat het om. De catechismus zegt: Gelijk wij ook dit getuigenis Uwer genade in ons bevinden, dat ons ganse voornemen is onzen naaste van harte te vergeven.
Maar, gemeente, we moeten ondertussen wel eerlijk blijven. De Bijbelse weg van schuldvergeving is een weg van eerst schuld belijden. Dat geldt privé, dat geldt werk, dat geldt ook het gemeenteleven. Wij zijn geneigd om te zeggen: ‘we praten er niet meer over, u moet het maar gewoon vergeven en vergeten, we gaan gewoon weer met elkaar verder, alsof er nooit iets gebeurd is. En vergeving vragen? Dat doen we wel aan de Heere.’ Nee, zegt Jakobus, belijdt elkaar de misdaden (5:16).
Weest van harte vergevingsgezind. Geef alle onrecht u aangedaan in de handen van de Heere. Maar laten we ook oprecht elkaar belijden waarin we elkaar hebben geschaad, gekwetst, beledigd of niet erkend in de ons door God gegeven plaats.
Want op belijden en vergeven rust zegen. Maar op verdringen en vergeten zal de zegen van de Heere niet rusten.
Zo doet de Heere het ook niet. David zegt in Psalm 32: Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor de HEERE! -daar begin het mee, met: belijden- en U vergaf de ongerechtigheid van mijn zonde. Sela (32:5).
Dat voorbeeld mogen wij volgen. David zegt: ‘ik zal vergeving gaan vragen, ik zal het belijden’. Hij is nog niet eens zover dat hij het gedaan heeft. En de Heere vergeeft hem, al voordat hij het gevraagd heeft. De Heere geve ons, in ons gemeenteleven en in onze onderlinge contacten, die hartelijke belijdenis, die hartelijke bereidheid om te belijden, en ook de hartelijke bereidheid om elkaar echt te vergeven.
Terwijl we ondertussen blijvend bidden en belijden: ‘vergeef ons ons schromelijk gebrek aan vergevingsgezindheid’. Maar toch: door U is ons hartelijke voornemen, ons hartelijke verlangen ook anderen te vergeven, wat ze ons ook hebben aangedaan, hoezeer ze ons ook pijn hebben gedaan.
Die strijd en dat verlangen, zegt de catechismus, is het getuigenis van Gods genade in ons. Daarom schrijft de bekende puriteinse predikant Thomas Watson: U hoeft niet in de hemel te klimmen om te weten of uw zonden vergeven zijn, kijk maar in uw hart. Dan weet u het.
Ondertussen roemen we in Hem, wiens vergevingsgezindheid veel hoger en groter is dan die van ons. In Hem, van Wie Micha roemt, als hij schrijft: Wie is een God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft, en de overtreding van het overblijfsel van Zijn erfenis voorbij gaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid; want Hij heeft lust aan goedertierenheid. Hij zal Zich onzer weder ontfermen; Hij zal onze ongerechtigheden dempen; ja, U zult al hun zonden in de diepten der zee werpen (7:18-19). In Hem, van Wie Psalmdichter roemt in Psalm 86: Want U, HEERE! bent goed, en gaarne vergevende, en van grote goedertierenheid allen, die U aanroepen (86:5). Want Hij is het en Hij alleen, die al onze ongerechtigheid vergeeft (Psalm 103:3). Ja, Hij vermenigvuldigt het vergeven! (Jesaja 55:7).
Amen.
Slotzang Psalm 86:2,3
Wie toch is, als Gij, weldadig? Wees mij dan, o HEER, genadig; Want mijn roepen en geklag Klimt tot U den ganse dag. Wil de ziel Uws knechts verblijden; Ondersteun hem in zijn lijden; Want ik hef mijn hart en oog, Trouwe God, tot U omhoog.
HEER, door goedheid aangedreven, Zijt Gij mild in ’t schuld vergeven. Wie U aanroept in den nood, Vindt Uw gunst oneindig groot. HEER, neem mijn gebed ter oren; Wil naar mijne smeking horen; Merk, naar Uw goedgunstigheên, Op de stem van mijn gebeên.
Andere preken over Zondag