PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 52: En leid ons niet in verzoeking (serie 1)

Zondag 52 · 9 juli 2023

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 52 (serie 1)

INLEIDING

Zondag 52 sluit de Heidelbergse Catechismus af met het laatste gedeelte van het Onze Vader: de zesde bede, de lofzegging en het amen. Wij zijn van onszelf zo zwak dat wij niet één ogenblik staande kunnen blijven, terwijl drie doodsvijanden — de duivel, de wereld en ons eigen vlees — niet ophouden ons aan te vechten. Toch eindigt het allervolmaakste gebed met een vaste hoop: God heeft gehoord, God heeft verhoord.

THEMA

De laatste bede van het Onze Vader

KERNPUNTEN

  1. De laatste vraag
  2. De laatste reden
  3. De laatste, vaste hoop

ZONDAG 52

Vraag 127: Welke is de zesde bede?
Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Dat is:Dewijl wij van onszelf alzo zwak zijn, dat wij niet een ogenblik zouden kunnen bestaan, en daartoe onze doodsvijanden, de duivel, de wereld, en ons eigen vlees, niet ophouden ons aan te vechten, zo wil ons toch staande houden en sterken door de kracht uws Heiligen Geestes, opdat wij in dezen geestelijken strijd niet onderliggen, maar altijd sterken wederstand doen, totdat wij eindelijk ten enenmale de overhand behouden.

Vraag 128: Hoe besluit gij uw gebed?
Want uw is het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Dat is: Zulks alles bidden wij van U, daarom, dat Gij, als onze Koning en aller dingen machtig, ons alles goeds te geven den wil en het vermogen hebt, en dat alles, opdat daardoor, niet wij, maar uw heilige naam eeuwiglijk geprezen worde.

Vraag 129: Wat beduidt het woordeken: Amen?
Amen wil zeggen: Het zal waar en zeker zijn. Want mijn gebed is veel zekerder van God gehoord, dan ik in mijn hart gevoel, dat ik zulks van Hem begeer.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 52: En leid ons niet in verzoeking (serie 1)

ds. J. IJsselstein - Zondag 52

THEMA

De laatste bede van het Onze Vader

LITURGIE

Psalm 125:1,2

Avondzang:7

Lezen 1 Petrus 5 Gebed des Heeren:1,7,8,9

Psalm 89:8 Gebed des Heeren:10

Gemeente, we zijn in deze leerdienst toe aan de behandeling van de laatste zondag van de Heidelbergse Catechismus. De laatste zondag, zondag 52, gaat over het laatste gedeelte van het Onze Vader: over de zesde bede, over de afsluiting van het gebed en over het laatste woordje ‘amen’.

Laten we deze zondag, met de vragen 127, 128 en 129 en de antwoorden op die vragen, nu eerst samen gelezen.

Vraag 127. Welke is de 6e bede? Antwoord. Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Dat is: Dewijl wij van onszelf zo zwak zijn, dat wij niet een ogenblik zouden kunnen bestaan, en daartoe onze doodsvijanden, de duivel, de wereld en ons eigen vlees, niet ophouden ons aan te vechten; zo wil ons toch behouden en sterken door de kracht Uws Heiligen Geestes, opdat wij in deze geestelijke strijd niet onderliggen, maar altijd sterke wederstand doen, totdat wij eindelijk ten enenmale de overhand behouden. (Vraag en antwoord 127 gaan dus over de laatste bede.)

Vraag 128. Hoe besluit u uw gebed? Antwoord. Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Dat is: Zulks alles bidden wij van U, daarom, dat U, als onze Koning en aller dingen machtig, ons alles goeds te geven de wil en het vermogen hebt, en dat alles, opdat daardoor niet wij, maar Uw heilige Naam eeuwiglijk geprezen worde. (Vraag en antwoord 128 gaan dus over de laatste reden. Dat ziet u terug in de woorden ‘want’, en ‘daarom’.)

Vraag 129. Wat beduidt het woordje: Amen? Antwoord. Amen wil zeggen: Het zal waar en zeker zijn. Want mijn gebed is veel zekerder van God verhoord, dan ik in mijn hart gevoel dat ik zulks van Hem begeer. (Deze vraag en dit antwoord gaan over de laatste, vaste hoop.)

Gemeente, het thema voor de preek van vanmiddag is: De laatste bede van het Onze Vader

We letten op drie aandachtspunten: op de laatste vraag, op de laatste reden en op de laatste hoop. Dus: De laatste bede van het Onze Vader 1. De laatste vraag 2. De laatste reden 3. De laatste hoop Als eerste dus:

1. De laatste vraag

Leid ons niet in verzoeking. Verzoeken, dat is verleiden, verlokken tot zonde. Verzoeken dat is misleiden. Dat doet de Heere toch niet? Dat klopt. In de Heere God is geen zonde en Hij verleidt ook niemand tot zonde. Verzoeken, verleiden, verlokken tot zonde, dat is het eigen werk van de duivel. Dat zien we heel duidelijk in de geschiedenis van de verzoeking van de Heere Jezus in de woestijn (Lukas 4:1-13). Verzoeken, dat is het werk van de duivel. Maar, de duivel is niet de baas in deze wereld. De opgestane Heere Jezus is de Koning van de hele aarde. Hij heeft het Zelf gezegd: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde (Mattheüs 28:18).

Maar, de Heere God kan de duivel wel een beetje ruimte geven, om zijn kwade werk te doen. Zoals dat ook gebeurde bij de verzoeking van Job in het Oude Testament, en bij de verzoeking van de Heere Jezus in de woestijn. Maar ondertussen had de Heere toen, en heeft Hij ook nu in de verzoeking van Zijn kinderen, altijd een hoger doel, namelijk het grootmaken van Zijn Naam.

Zo was het bij Gods Eigen Zoon, bij de verzoeking in de woestijn. En zo was en zo is het ook bij Gods kinderen, bij Gods aangenomen kinderen. David wordt door de duivel verleid tot overspel met Bathseba. Puur duivelswerk. Maar daarboven, dwars door de zonde heen, schittert Gods raad en plan. Hij leert Zijn kind David zijn zwakte. Zoals de catechismus dat zegt: Dewijl wij van onszelf zo(!) zwak zijn, dat wij niet één ogenblik zouden kunnen bestaan. Gods kinderen zijn van zichzelf zo zwak, dat ze niet één ogenblik, niet één tel op hun eigen benen kunnen staan. De Heere leert Zijn kind David zijn zwakte. Maar ook, juist dwars door zijn zonden heen, dat er bij de Heere vergeving en verzoening is voor alle zonden. En zo wordt David in zijn vallen klein gemaakt, en zo worden genade en vergeving groot gemaakt.

God leert Zijn kinderen hoe zwak ze van zichzelf zijn, en dat ze zelf geen kracht hebben om de vijand de baas te kunnen. Als ik denk, in hoogmoed: ‘Ik kan het heus zelf wel, ik ben zelf sterk genoeg’, dan bid ik niet meer om kracht en genade, en dan kan de Heere me voor even aan mezelf overlaten... De duivel doet zijn werk…, en ik struikel en val... Dat is het grootste gevaar wat een kind van God bedreigt: dat ik denk dat ik sterk ben, dat ik denk dat ik geloof en kracht heb, maar (zo zegt de Heere): Wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle (1 Korinthe 10:12).

Want wij zijn niet sterk. We zijn juist zwak. En altijd en overal staan de vijanden op de loer! En was het nu maar een gewone vijand, maar het is veel gevaarlijker. Het zijn, zegt de catechismus: doods-vijanden. Ze willen ons vermoorden! De catechismus noemt drie van die doodsvijanden: de duivel, de wereld en ons eigen vlees. Laten we samen eens één voor één gaan kijken naar die drie doodsvijanden.

I. In de eerste plaats noemt de catechismus de duivel. Je zegt: maar de duivel is toch overwonnen? De duivel heeft zijn prooi toch moeten loslaten? Gods kinderen zijn toch bevrijd van de duivel? Jazeker, hij moest zijn prooi loslaten, en Gods kinderen zijn het eigendom geworden van de Heere Jezus Christus. Maar dat betekent nog niet, dat de duivel sindsdien van het toneel verdwenen is. Daarom zegt Petrus (en hij wist hoe sterk de duivel was, want de duivel had hem verleid tot het verloochenen van zijn lieve Meester), daarom zegt Petrus: Weest nuchter, en waakt, want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wie hij zou mogen verslinden (1 Petrus 5:8).

Petrus waarschuwt, voor…? Voor de duivel! Hij zegt: wees op je hoede voor de duivel, let op, sukkel niet in slaap! Want de duivel gaat om als een leeuw. Dat wil zeggen: de duivel is op jacht, altijd zoekend en speurend: wie zou ik kunnen pakken? De duivel gaat rond (intimiderend, uitdagend!) als een briesende leeuw. Voor zo’n leeuw moet je oppassen. Hij wil je, als hij de kans krijgt, verscheuren. De duivel zoekt zijn kans om alles stuk te maken.

Bij (zo is het bij een leeuw ook), bij nacht en ontij valt de duivel Gods kinderen aan. Hij probeert ze te verleiden tot zonde. Net als bij Eva, bij Noach, bij Abraham, Mozes, David, Petrus en zoveel anderen van Gods kinderen in de Bijbel. Hij probeert Gods kinderen af te leiden van het dienen van de Heere, door hun hart vast te knopen aan de dingen van deze wereld. Hij probeert twijfel te zaaien in hun hart, hij probeert hen te laten twijfelen aan Gods beloften, door hen in te fluisteren: ‘Zou het wel waar zijn? Zou het wel goed komen?’

De duivel is een brullende leeuw. Hij is, net als zo’n volwassen leeuw, een ervaren roofdier. Hij weet hoe hij moet jagen. Hij weet hoe hij ons kan misleiden: wanneer (wat is het beste moment?), waar (welke plek is het meest geschikt?), van welke kant moet ik aanvallen (waar is mijn prooi het meest kwetsbaar?)? De duivel weet het allemaal.

Weet je waar een roofdier vooral op afkomt? Weet je wanneer de duivel vooral komt? Als een leeuw? Als hij iets ruikt… De duivel komt vooral als hij Gods werk, als hij Gods genade ruikt. Daar wordt hij (om zo te zeggen) woest van. Als de Heere werkt in je hart, dan komt hij eropaf. Als we zegen van de Heere gekregen hebben, onder de dienst van het Woord of bij de

bediening van de heilige sacramenten, dan…, dan zijn wij geneigd om even te gaan rusten, zoals een hertje na het eten even rustig gaat liggen in het groene gras… Maar juist dan, als wij geneigd zijn om te gaan rusten, als wij onze wapenrusting afleggen, dan zal hij, de duivel ons proberen aan te vallen. Als de liefde van de Heere ons hart vervuld heeft, zal de duivel des te harder proberen ons aan te vallen.

Als de Heere op een bijzonder manier werkt in de gemeente, ook dan komt de duivel er zonder twijfel op af met onrust en verstoring. Het is een troostvolle gedachte in moeilijke tijden … De duivel maakt geen onrust als alles in de gemeente naar zijn zin verloopt. Ook als de Heere een bijzondere werk gaat doen in ons gezin, of met een bijzondere roeping komt in ons persoonlijke leven. Dan komt er zonder twijfel onrust. De bekende dominee Kohlbrugge zegt ergens: Christus is gekomen, om de werken des duivels te verstoren. Waar die werken des duivels verstoord worden, daar kan het niet rustig toegaan; immers zo luidt de oude spreuk: Het Woord Gods moet rumoeren.

Waarom laat Heere dat allemaal toe? Waarom laat de Heere dat allemaal gebeuren? Waarom laat de Heere toe, dat de duivel dat allemaal kan doen? a. God beproeft daarmee, Hij toetst en test daarmee (in de eerste plaats) onze oprechtheid, onze liefde en onze moed. Hij doet het om ons, die Zijn kinderen mogen zijn, meer te leren van Zijn genade. b. Hij doet het (in de tweede plaats) ook om ons te bewaren voor hoogmoed en ons klein te houden. Al werden ze ook allemaal aan u geërgerd, zo zei Petrus in zijn hoogmoed… (Mattheus 26:33). Maar toen, juist toen kwam de verzoeking van de duivel in het leven van Petrus. Hoogmoed houdt genade klein. Verzoeking en beproeving maken ons klein, maken Christus groot en verheerlijken Zijn genade. Waarom laat de Heere zo vaak beproeving toe in het leven van Zijn kinderen? c. Opdat zij (in de derde plaats) anderen van Gods kinderen ook zouden kunnen bijstaan in hun verzoekingen en beproevingen. Opdat, zo zegt Paulus, wij zouden kunnen vertroosten degenen, die in allerlei verdrukking zijn, door de vertroosting, met welke wij zelf van God vertroost worden (2 Korinthe 1:4).

Gemeente, het gaat vanmiddag over de laatste bede: Leid ons niet in verzoeking. Maar verlos ons van en bewaar ons voor die drie vijanden, die onze dood zoeken. De eerste vijand, zo hebben we gezien, is de duivel.

II. De tweede doodsvijand is de wereld, namelijk die wereld die vijandig staat tegenover God. De wereld, die we moeten haten. Niet de mensen van de wereld, maar de wereld zelf. Bedoeld is het wereldse, het eigentijdse systeem van denken, de wereldse manier van doen en leven, waar Paulus het over heeft als hij zegt: Wordt deze wereld niet gelijkvormig (Romeinen 12:2). Daarbij kan je allerlei uiterlijke dingen opnoemen, maar het gaat in Romeinen 12 vooral om ons innerlijk: over het systeem van ons denken, over de gezindheid van ons hart.

Paulus zegt letterlijk: En wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds (van uw hart, van uw innerlijk!), opdat u moogt beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij (12:2). We kunnen er heel netjes uitzien, terwijl ons hart toch aan de wereld gelijkvormig is.

Lijken op Christus, Zijn beeld gelijkvormig zijn, dat zit niet in de eerste plaats in uiterlijke dingen, maar in het oprecht, vanuit het hart nazeggen van wat Hij zei: Ik draag Uw heilige Wet, die U de sterveling zet, in Mijn binnenste ingewand (Psalm 40:4, ber.) Uw wet in Mijn binnenste. Dat als eerste, dat als bron. En dat blijkt daarna vanzelf, in de tweede plaats, uit het leven, uit de vrucht. Dan is ons uiterlijk als de vrucht van een levende boom, zoals de appels die je ziet hangen aan een levende boom. Dat is echt iets anders als een grote kist met glimmende appels, zonder verbinding aan een levende wortel. De appels in die kist gaan uiteindelijke rotten. Levende vrucht kan niet bestaan zonder verbinding met een levende wortel, zonder band met de levende Christus.

III. En dan is er nog een derde doodsvijand: ons eigen vlees. Bedoeld is ons eigen hart. Dat is misschien nog wel de gevaarlijkste vijand, ons boze hart, de broedplaats van alle kwaad, de grote verrader die stiekem de deur openzet voor de vijand, om die binnen te laten. Ons hart, dat vol is van trots, hoogmoed, egoïsme en zelfhandhaving. Paulus zucht eronder als hij zegt: Ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde (Romeinen 7:14), namelijk in mijn zondige denken, in mijn zondige verlangen, in mijn zondige zijn. Daar geven we niet de duivel de schuld van, dat is onze schuld. Daarom hebben we toch net gebeden: ‘Vergeef ons, Heere, onze schulden?’

De catechismus zegt: zij (die drie doodsvijanden) houden niet op ons aan te vechten. Dat is nu precies een kenmerk van het leven met de Heere: strijd. Omdat er in mijn hart, als het goed is, twee dingen zijn die botsen, sterker nog, die vechten met elkaar. Deze(!) twee dingen: (1) het ik draag Uw heilige Wet, dat wil zeggen: mijn nieuwe leven en mijn nieuwe hart, en daartegenover (2) het in mijn vlees woont geen goed, dat wil zeggen: de zonde, mijn oude hart. En die twee botsen, die twee vechten met elkaar, die twee strijden tegen elkaar! En dat is niet zomaar even een vechtpartijtje, maar de catechismus zegt: die strijd, die houdt niet op. Zij, die drie doodsvijanden worden nooit moe. Ze gaan maar door! En wij zijn in eigen kracht niet opgewassen tegen hun tactieken, tegen hun doorgaande aanvallen, die zonder ophouden verder gaan. En dan is er weer een verrassingsaanval, waar we helemaal niet op bedacht waren, uit onverwachte hoek. En die aanvallen zijn zo listig! En daarbij, en dat maakt het zo gevaarlijk, ze hebben… onze dood op het oog!

Drie vijanden dus, met wie Gods kinderen continu in staat van oorlog zijn. IJzersterke vijanden zijn het. En wij zijn zwak. En wij zijn onoplettend.

En wij zijn geneigd om vriendschap te sluiten met de vijand… En wij zijn geneigd om elkaar in de haren te vliegen, in plaats van de vijand…

En dus is er alle reden om te bidden, zoals de catechismus bidt: Zo wil ons toch behouden en sterken door de kracht Uws Heiligen Geestes (niet door onze kracht!), opdat wij in deze geestelijke strijd niet onderliggen, maar altijd sterke wederstand doen, totdat wij eindelijk ten enenmale de overhand behouden. Dat wil zeggen: ‘Heere, we hebben Uw kracht en Uw genade zo nodig! We hebben zo nodig de kracht van de Heilige Geest, die door Uw genade in onze harten woont. Wilt U geven, Heere, dat Hij in de harten van ons, die door genade Uw kinderen mogen zijn, wonen zal om ons te leren en om ons te helpen staande te blijven? Wilt U geven, dat Hij ons onderwijs zal geven in het werk van de Heere Jezus Christus, om het uit Hem te nemen en aan ons te geven? Om ons te laten zien, dat Hij in Zijn verzoekingen staande bleef (Lukas 4:1-13), dat Zijn werk volbracht is, dat de strijd door Hem gestreden is en dat de overwinning door Hem behaald is? En dat noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch iets anders ons zal kunnen scheiden van de liefde van de Heere Jezus Christus? (Romeinen 8:39) Wilt U geven, dat Hij ons troosten en bemoedigen zal, dat Hij ons te hulp zal komen in onze gebeden, en dat Hij ons zal bewapenen met de geestelijke wapenrusting, waar Paulus over schrijft in Efeze 6, als hij zegt: Voorts, mijn broeders, wordt krachtig in de Heere, en in de sterkte Zijner macht. Doet aan de gehele wapenrusting Gods (de hele wapenrusting, geen deel, maar helemaal dus!), opdat u kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels (Efeze 6:10-11)?’

De hele wapenrusting aandoen…, want alle onderdelen van die geestelijke wapenrusting zijn nodig. We mogen er niet één onderdeel van weggelaten. Als we dat wel doen, zal dat ons, kinderen van God, uitermate kwetsbaar maken. Paulus zegt: omgord de lenden, uw middel, met de waarheid, met de leer van de Bijbel. Met andere woorden zoek vastheid in de Schriften en leef bij het Woord. Doe aan het borstwapen van de gerechtigheid. Dat wil zeggen: leef in godzaligheid en met een goed geweten, gaande in het spoor van Gods geboden. En laat uw voeten geschoeid zijn met de bereidheid van het Evangelie des vredes. Dat wil zeggen: wees altijd bereid om verantwoording af te leggen van de hoop die in u is, en wees altijd bereid om het Evangelie verder te dragen in deze wereld. Bovenal aangenomen hebbend het schild des geloofs, dat zich vastgrijpt aan Gods woorden en op God en Zijn kracht vertrouwt. Daarop ketsen de pijlen van de aanvallers af. En neem tot een helm de hoop der zaligheid, de enige hoop voor de toekomst. En het zwaard des Geestes, namelijk Gods Woord, zoals de Heere Jezus dat ook gebruikte in de verzoeking in de woestijn. En waakt daarin met bidden en smeken.

Alleen zo kunnen wij weerstand bieden tegen onszelf, tegen de wereld, tegen de duivel en zijn pijlen. Tegen de pijlen van verzoeking, die ons proberen te bewegen tot trots en hoogmoed en zelfvertrouwen. Tegen de pijlen waarmee de satan ons probeert te

verstrikken in de strikken van de zonde, zoals hij deed bij David en Petrus. Tegen de fluisterpijlen van de satan, waarmee hij tegen ons zegt: ‘U hebt toch geen heil bij God, u hebt te veel gezondigd, u hebt gezondigd tegen licht en genade in, voor u is het te laat...’ We moeten weerstand bieden, zegt de catechismus, sterkte weerstand! Dat wil zeggen: we moeten terugvechten!

Ja, zegt u, de duivel heeft mij in het verleden ook verzocht. Ik bad en ik vocht, maar ik bleef niet overeind, ik struikelde, ik viel… Het is waar, Gods kinderen weten, als God Zijn genade een ogenblik inhoudt, dan zijn wij zwak, dan blijven wij niet staan. Dan valt David in de zonde met Bathseba, dan vervloekt Petrus zijn Meester. En toch is en blijft het beginsel van het nieuwe leven, als dat door het werk van wedergeboorte en bekering door de Heilige Geest in ons hart is gelegd, ten diepste onaantastbaar. Het is zoals de apostel Johannes schrijft in zijn eerste zendbrief: Een iegelijk, die uit God geboren is, die doet de zonde niet, want Zijn zaad (Gods zaad, Gods werk) blijft in hem; en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren (1 Johannes 3:9).

Gods kinderen kunnen wel vallen in de zonde, uit zwakheid, maar de beslissende slag is gepasseerd, en dus zullen we nooit uit de genade vallen en ten onder gaan. Met Zijn gehoorzaamheid en standvastigheid heeft Hij ook als Middelaar verzoening gedaan en betaald voor de ongehoorzaamheid en het vallen van Gods kinderen. Hij heeft de overwinning behaald, en dus zal de ogenschijnlijke overwinning van de satan op ons nooit leiden tot verlies van genade. En daarbij: Gods kinderen zijn niet meer onder de wet, maar onder de genade. Dat betekent dat wij in die zin niet meer geoordeeld zullen worden om onze werken, maar God oordeelt ons hart en ziet ons aan in Christus. En daarbij zorgt God er (in de derde plaats) ook voor, dat dat wat voor het oog misschien wel een geslaagde verzoeking lijkt, uiteindelijk alleen zal uitlopen tot meer eer en glorie voor God. Want de strikken van de duivel maken ons waakzamer, voorzichtiger en meer bewust van de zwakheid in onszelf, waardoor we steeds meer in afhankelijkheid gaan zien op de rijkdom van Gods genade en op de kracht die er in Christus Jezus is.

Wat moeten we doen, als we steeds worden aangevallen door de duivel, als de duivel ons steeds probeert te verlokken en te verleiden tot zonde? Het is logisch om te zeggen: ‘Wees alert, wees waakzaam, let op, houdt de wapens in de aanslag, vooral de wapens van het Woord en van het gebed. Lees je Bijbel, bid elke dag. Bid en lees in het Woord, en de pijlen van de satan zullen erop afketsen.’ Het is allemaal waar. Maar laat ik daarbij nog een aantal andere dingen noemen, die middellijkerwijs behulpzaam kunnen zijn in de strijd tegen de satan. Zeven dingen zal ik noemen, die ons middellijkerwijs kunnen bewaren voor de strikken van de boze.

1. In de eerste plaats: blijf ver weg van gevaarlijke plaatsen. Daar liggen de hinderlagen van de vijand.

Welke plaatsen dat zijn? Gelegenheden waar zonde is. Dat wil dus zeggen: denk kritisch na, jongelui, over uitgaansgelegenheden. ‘Zou het kunnen zijn dat ik, als ik daar ben, teveel ga drinken? Dat ik op die plaats misschien wel te los wordt met mijn mond of met mijn handen in de richting van anderen? Is dat misschien een plaats waar ik misschien iets kan gaan doen, waarvan ik later denkt: eigenlijk had dat zo niet gemoeten?’ Doe ook niet mee aan interessante spelletjes als glaasje draaien, aan het oproepen van duistere krachten, en houd je ver van toekomstvoorspellers en ongrijpbare genezers die bijzondere krachten hebben.

2. In de tweede plaats: kijk ook niet toe als anderen de grenzen van Gods gebod overschrijden. Films vol geweld, overspel en ontrouw? Wegwezen! Je bent zwak en de duivel is sterk. En hij pakt je! Het ene moment ben je publiek, het ene moment ben je een gefascineerde toeschouwer, maar het volgende moment sleurt de duivel je erbij!

3. In de derde plaats: vermijd eenzaamheid en verveling. Uit verveling doe je weer je computer aan, en voordat je het weet zit je weer op die verkeerde sites, vol van virtuele prostitutie en digitale moord. Het is allemaal zonde tegen God en verleiding van de satan.

4. In de vierde plaats zeg ik: let op je hart. Onderzoek je hart, zodat je weet waar voor jou of voor u de gevaren schuilen. Want we worden verlokt, zo zegt de apostel Jacobus, als we door onze eigen begeerlijkheid verleid worden (Jakobus 1:14).

5. In de vijfde plaats: wees nederig, en denk niet dat je in eigen kracht staande kunnen blijven.

6. In de zesde plaats: ga niet, ga nooit onderhandelen met de duivel. Dat heeft in het paradijs geleid tot de val van Adam en Eva. Ga niet de grens opzoeken van wat kan en mag, maar blijf ver weg van die grens. Jongelui, de duivel is slim. Hij lokt je naar de grens en wacht op zijn kans om je eroverheen trekken. Als je een grens zoekt in je onderlinge omgang tijdens je verkeringsperiode op seksueel terrein, bidt dan samen om duidelijkheid, praat erover en spreek met elkaar een heldere en concrete grens af, overeenkomstig Gods gebod. En blijf op veilige afstand van die grens. Ga niet op het randje lopen. Eén duwtje van de satan is genoeg om je er overheen te duwen.

7. En roep, in de zevende plaats, hulp in van medestrijders, van medechristenen die je kunnen helpen om staande te blijven en die je raad kunnen geven. Ik denk aan ouders, aan ambtsdragers, maar ook gemeenteleden of vrienden.

Gelukkig is er in alle strijd tegen die drie doodsvijanden voor Gods kinderen troost. Want de catechismus zegt: er komt voor Gods kinderen aan die felle strijd en einde. Kijk maar er staat: Totdat wij eindelijk ten ene male de overhand behouden. Laten we samen daar eerst van gaan zingen, voordat wij nog kort verder gaan met de andere punten van de preek, uit Psalm 89, daarvan het 8e vers. Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht; Uw vrije gunst alleen wordt d' ere toegebracht; Wij steken 't hoofd omhoog en zullen d' eerkroon dragen, Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen; Want God is ons ten schild in 't strijdperk van dit leven, En onze Koning is van Isrels God gegeven.

Ons tweede aandachtspunt:

2. De laatste reden

We lezen nog een keer vraag en antwoord 128 Vraag 128. Hoe besluit gij uw gebed? Antwoord. Want Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Dat is: Zulks alles bidden wij van U, daarom (dit is de reden!), dat U, als onze Koning en aller dingen machtig, ons alles goeds te geven den wil en het vermogen hebt, en dat alles, opdat daardoor niet wij, maar Uw heilige Naam eeuwiglijk geprezen worde.

Het klinkt als aanbidding, als lofprijzing. En daar lijkt het ook op: Uw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid! Maar, het begint met het woordje want… Vergeef ons onze schulden, want…? En verlos ons van de boze, want…? Want van U is het Koninkrijk! Deze bidder wijst terwijl hij bidt met zijn vinger en zegt: ‘Heere, ik kijk, ik wijs naar U!’

Wij vragen dit aan U want, van U is het Koninkrijk. Dat wil zeggen: U bent onze Koning. U hebt alle macht. Uw macht is een liefdemacht. Uw wil is wijs en goed, het is majesteit al wat U doet. U kunt en zult ons zonder twijfel het beste geven. Want U bent de Bron van alle goed. U weet wat goed voor ons is. We pleiten op Wie U bent: U bent onze Koning. En we zeggen tegelijkertijd: ‘Goede Koning, als wij iets vragen wat niet is tot Uw eer, geeft U het ons dan maar niet.’

Wij vragen dit aan u want, Uw is de kracht. Wij zijn zwak, maar wij laten ons zinken op Uw kracht, op de geweldige kracht waarmee U het geweld van de duivel, van de hel en de dood hebt overwonnen.

Wij vragen dit aan u want, Uw is de heerlijkheid. Het gaat ons uiteindelijk, Heere, om Uw eer, om Uw heerlijkheid en om Uw deugden. Om Uw Naam en om de Naam van Uw Christus. Om Uw roem, o drie-enige God.

Niet ons, o Heere, niet ons, maar Uw Naam zij geprezen. Laat Uw heilige Naam voor eeuwig geprezen worden!

En dan, een laatste, vaste hoop. Onze derde gedachte:

3. De laatste, vaste hoop.

Waarvan we lezen in vraag en antwoord 129: Vraag 129. Wat beduidt het woordje: Amen? Antwoord. Amen wil zeggen: Het zal waar en zeker zijn. Want mijn gebed is veel zekerder door God verhoord, dan ik in mijn hart gevoel dat ik zulks van Hem begeer.

Als de dominee zegt: ‘Uit genade, om Jezus’ wil, amen…’ Dan…? Dan kan je gaan verzitten, dan kan je je neus snuiten, rondkijken, je spullen bij elkaar zoeken? Want dan is het klaar. Want ‘amen’ is een punt: klaar! En nu weer verder met het volgende.

Nee, amen is geen punt. Amen is een belijdenis van hoop! Mijn gebed was van begin tot eind (als het goed is) spreken met God. Geen alleenspraak in mezelf, maar gericht op God. En nu zeg ik, tegen de Heere: ‘Amen.’ Ik zeg: ‘Heere, ik geloof U op Uw woord’. Het is geen punt, het is een dubbele punt: nu dan, o Heere, wat is het dat ik verwacht, mijn hoop is op U alleen! (Psalm 39:8) Of U mijn gebed verhoort, dat ligt niet aan mezelf, dat ligt niet aan mijn eerbied, aan de ernst, de inhoud, de duur, de lengte of aan de woorden van mijn gebed. Maar dat U mijn gebed verhoort, dat ligt aan U en aan Uw Woord. U hebt het beloofd. U bent een Hoorder van het gebed (Psalm 65:3). En U hebt gezegd: Eer zij roepen, zo zal Ik antwoorden; terwijl zij nog spreken, zo zal Ik horen (Jesaja 65:24).

En dus, zo zegt de catechismus, wordt mijn gebed verhoord? Nee, de catechismus zegt: mijn gebed is verhoord. Veel zekerder dan ik voel in mijn hart, dat ik daarnaar verlang en daarom gevraagd heb. Dus is dat ‘amen’ als het goed is een belijdenis, niet van de vastheid van mezelf, van mijn gevoel, van mijn gebed, maar van de vaste hoop die er ligt in God.

En dus, kan je alleen maar amen zeggen op een gelovig gebed. Niet op een sleurgebed, niet op een gebed zonder hart, niet op een farizeeërsgebed ‘ik dank U, Heere, dat ik niet ben als die en die…’ Nee, dat gaat niet. Dan is ons ‘amen’ alleen maar een punt, punt-uit. ‘Mooi hè…? Mooie heb ik gebeden, vind je niet…?’

Maar op het gebed van de tollenaar kan je ‘amen’ zeggen. ‘Heere, ik heb niets. Wees mij genadig. Ik heb niets, maar ik zie op naar U.’ Dan is ‘amen’ een dubbele punt: ‘Nu, Heere, wacht ik op U, op Uw antwoord, op Uw verhoring. Ik wacht op U alleen! Vanuit mijn onwaarde blik ik omhoog. U alleen, U bent

getrouw en waarachtig. Om Hem, de Amen, de getrouwe en waarachtige Getuige, het begin van de schepping Gods, Jezus Christus, om Hem… hebt U mij verhoord.’

Als uw gelovig gebed, kind des Heeren, zo eindigen mag, al is uw leven nog zo donker, al is uw leven nog zo moeilijk, dan is het toch iets van stille rust in uw hart. Want dan is uw zaak aan de Heere overgegeven. De catechismus zegt: dan is mijn gebed verhoord. Ik heb het gelegd in de soevereine, vrije en wijze, Vaderlijke handen van de Koning, Die alle macht heeft, in de handen van (daar begon dit gebed mee) ‘Onze Vader, die in de hemelen is’, en de Heilige Geest heeft in mijn bidden mee gezucht. En God heeft gehoord. Hij heeft verhoord. Hij heeft gegeven wat is tot Zijn eer en wat goed is voor mij. Niet alles wat ik vroeg, maar wel alles wat het beste voor me is.

Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht en de heerlijkheid, tot in eeuwigheid.

Amen, ja, Amen.

Slotzang Gebed des Heeren:10

Ja, Amen, trouwe Vader, ja; Wij maken staat op Uw genâ. Ons hart, o God, die alles ziet, Veroordeelt ons in 't naderen niet; Het zegt, daar G' op ons bidden let, Gelovig Amen op 't gebed.