PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 48: Uw Koninkrijk kome (serie 1)

Zondag 48 · 4 juni 2023

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 48 (serie 1)

INLEIDING

Zondag 48 van de Heidelbergse Catechismus behandelt de tweede bede: Uw Koninkrijk kome. Het gaat niet om het Koninkrijk van Gods almacht — dat bestaat reeds — maar om het Koninkrijk van Zijn genade, dat geregeerd wordt door Woord en Geest, bewaard tegen alle aanslagen van de duivel, en eens volkomen voltooid zal worden. De preek roept op tot het gebed om persoonlijke onderwerping, bewaring van de Kerk en verlangen naar de komst van de Heere Jezus Christus.

THEMA

Het Koninkrijk der hemelen

KERNPUNTEN

  1. Geregeerd
  2. Bewaard
  3. Voltooid

ZONDAG 48

Vraag 123: Welke is de tweede bede?
Uw koninkrijk kome. Dat is: Regeer ons alzo door uw Woord en uw Geest, dat wij ons hoe langer hoe meer aan U onderwerpen; bewaar en vermeerder uw kerk; verstoor de werken des duivels en alle geweld, dat zich tegen U verheft, mitsgaders alle boze raadslagen, die tegen uw Heilig Woord bedacht worden; totdat de volkomenheid uws Rijks kome, waarin Gij alles zult zijn in allen.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 48: Uw Koninkrijk kome (serie 1)

ds. J. IJsselstein - Zondag 48

THEMA

Het Koninkrijk der hemelen

LITURGIE

Psalm 97:1,6

Psalm 97:7

Lezen 1 Korinthe 15:12-28

Psalm 99:1,2,3,4 Gebed des Heeren: 3

Psalm 145:4,5

Jongens en meisjes, bij de behandeling van de catechismus zijn we bezig met het allervolmaakste gebed, met het Onze Vader. Eerst was er het begin, de aanhef van het gebed: Onze Vader, die in de hemelen zijt. Toen was er de eerste vraag, de eerste bede: Uw Naam worde geheiligd. Dat stond bovenaan het verlanglijstje, dat was het allerbelangrijkste. Vanmiddag overdenken we met elkaar de tweede vraag, de tweede bede: Uw koninkrijk kome! Dat wil zeggen: Mag Uw koninkrijk komen?

Het zijn heel bekende woorden, maar vind je het toch ook niet een beetje een bijzondere vraag? We hebben toch samen gezongen: God heerst als Opperheer? God de Heere regeert, beeft gij volken, eert Hem!? De Heere is toch al Koning? Zijn koninkrijk is er toch al? Hij heerst toch al van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden van de aarde (Psalm 72:8)? Dat klopt, je hebt gelijk. De Heere regeert, Hij heeft altijd al geregeerd als de machtigste Koning over heel de aarde. Je zou kunnen zeggen: dat is het Koninkrijk van Zijn macht, van Zijn almacht. Maar het gaat hier in de catechismus over een ander Koninkrijk. Over een Koninkrijk dat je niet kan zien. Het gaat hier over het Koninkrijk van Gods genade. We zeggen: dat is een geestelijk Koninkrijk.

Dat geestelijke Koninkrijk heeft een uitwendige, een uiterlijke vorm: de prediking van het Evangelie (Markus 1:14). Dus, bidden ‘Uw Koninkrijk kome’, dat betekent: Mag Uw Woord, het Woord van het Evangelie zijn vrije loop hebben in deze wereld en verheerlijkt worden (2 Thessalonicenzen 3:1)? Maar dat geestelijke Koninkrijk heeft ook een inwendige vorm. Dan moet je denken aan de zaligmakende genade, aan het werk van de Heilige Geest in het hart van zondaars (Lukas 17:21). Dus, bidden ‘Uw koninkrijk kome’, dat betekent ook: mag de aarde echt vol worden van de kennis van de Heere, zoals de wateren de bodem van de zee bedekken (Jesaja 11:9)?

Laten we samen luisteren naar wat de catechismus ervan zegt in zondag 48, in vraag en antwoord 123.

Vraag 123: Welke is de tweede bede? Antwoord: Uw Koninkrijk kome. Dat is: Regeer ons alzo door Uw Woord en Uw Geest, dat wij ons hoe langer hoe meer aan U onderwerpen; bewaar en vermeerder Uw Kerk; verstoor de werken des duivels en alle heerschappij, welke zich tegen U verheft, mitsgaders alle boze raadslagen, die tegen Uw heilig Woord bedacht worden; totdat de volkomenheid Uws Rijks kome, waarin Gij alles zult zijn in allen.

De preek van vanmiddag gaat over (dat is het thema van de preek): Het Koninkrijk der hemelen

Dat Koninkrijk der hemelen wordt als eerste geregeerd. Ik denk aan deze regel uit de catechismus: Regeer ons alzo door Uw Woord en Uw Geest, dat wij ons hoe langer hoe meer aan U onderwerpen. Dat Koninkrijk der hemelen wordt in de tweede plaats ook bewaard. Dat staat in deze regel uit antwoord 123: bewaar en vermeerder Uw Kerk; verstoor de werken des duivels en alle heerschappij, welke zich tegen U verheft, mitsgaders alle boze raadslagen, die tegen Uw heilig Woord bedacht worden. En dat Koninkrijk der hemelen wordt in de derde plaats ook voltooid. Dat vindt u in het laatste van antwoord 123: totdat de volkomenheid Uws Rijks kome, waarin Gij alles zult zijn in allen.

Drie aandachtspunten dus: Het Koninkrijk der hemelen wordt 1. Geregeerd 2. Bewaard 3. Voltooid Als eerste dus:

1. Geregeerd

Het Koninkrijk der hemelen wordt geregeerd. De catechismus zegt: Uw Koninkrijk kome. Dat is: Regeer ons alzo door Uw Woord en Uw Geest, dat wij ons hoe langer hoe meer aan U onderwerpen.

Gemeente, het valt op dat de catechismus heel persoonlijk begint. De catechismus begint niet als eerste met zending of evangelisatie, maar heel dichtbij: met ons. We bidden: regeer ons! Wees, Heere, Koning over ons! En dat is, als je er goed over nadenkt, jongens en meisjes, een opvallend gebed. Want zo zijn wij eigenlijk helemaal niet, zo is ons hart eigenlijk helemaal niet meer.

Vroeger, in het paradijs, was het anders. Daar was de Heere Koning over ons, en wij mensen erkenden Hem ook als onze opperste Koning. Wij waren gehoorzame onderdanen van Hem. Maar er brak in het paradijs opstand uit tegen deze hemelse Koning. Eerst brak er opstand uit in de hemel. Opstandige engelen ontketenden strijd en wilden God niet meer als Koning erkennen. Toen is de satan, de duivel, de grote tegenstander van God, door de Heere uit de hemel geworpen.

En toen, twee poging…, toen probeerde de duivel de mens te verleiden tot opstand tegen God. En wij gingen mee, willens en wetens, heel bewust van wat we deden. We stonden ook op tegen God. En sindsdien, sinds onze diepe val in Adam, zijn alle mensen van nature gevangenen van de satan. Het koninkrijk van de satan zetelt van nature in ons aller hart.

De satan is uit de hemel geworpen. En wij zijn uit het paradijs geworpen. Maar, Gode zij dank, niet zonder belofte. Want God had een eeuwig plan van welbehagen, om in de volheid van de tijd Zijn Zoon naar deze verloren wereld te sturen. Ook Hem heeft de satan geprobeerd te verleiden. Eerst wilde hij Hem doden, bij de kindermoord in Bethlehem. Toen, later, probeerde hij Hem te verleiden. Maar de Heere Jezus overwon. En uiteindelijk heeft Hij de kop van de satan vermorzeld. En sinds Zijn hemelvaart heerst de opgestane Heere Jezus Christus als Koning in de hemel, en op de aarde. Als Koning, in het bijzonder ook over het Rijk van Zijn genade.

Hij is het Zelf, de Heere Jezus Christus, die Zijn discipelen, Zijn kinderen leert bidden: Heere, regeer ons door Uw Woord en Geest. Dat wil zeggen: vroeger was ik een vijand van U. Want ik ben gedeserteerd uit Uw leger. Ik heb gekozen voor een andere koning. Zo zegt ons doopformulier het toch ook: van nature zijn we kinderen des toorns en kunnen wij in het Rijk Gods niet komen tenzij… Tenzij God Zelf ingrijpt en ons van nieuws, ons wederom geboren laat worden en ons een nieuw hart geeft. Tenzij God ons hart en onze ziel herovert, weer terugpakt van de duivel. Door…? De catechismus zegt: door Woord en Geest.

Zoals U, zegt een kind van God, dat ook in mijn leven deed. Uw Woord trof me als een pijl in mijn hart. Die pijl was scherp. Die pijl trof in het hart van deze vijand van de Koning. En toen…, toen ben ik voor U gaan buigen, toen ging ik me aan U (zoals de catechismus zegt) onderwerpen.

Dat gebeurt er, jongens en meisjes, als de Heere met Zijn genade gaat werken in je hart. Eerst voelde ik mezelf koning, ik voelde mezelf de baas, samen met de duivel. Maar nu gaan ik en hij van de troon af. Als de Heere in ons leven komt, dan beklimt de Heere Zelf Zijn troon in ons hart. Dan wordt Hij Koning, dan word ik Zijn onderdaan. En dus zeg ik dan: ‘Heere, wat wilt U dat ik doen zal?’ Denk maar aan Saulus van Tarsen. Hoe vijandig was zijn hart. Maar de Heere onderwerpt hem, de Heere brengt hem op zijn knieën, en dan zegt hij: Heere, wat wilt U dat ik doen zal (Handelingen 9:6)? Wilt U in mijn leven weer Koning zijn, wilt U mijn leven weer regeren?

Dat is, gemeente, wat gebeurt als God Zijn genade verheerlijkt in ons hart. De natuurlijke mens onderwerpt zich der wet niet (zie Romeinen 8:7). Maar als de grote Koning ons hart herovert (jazeker, het is vol van verzet en we verzetten ons met hand en tand, maar toch), dan gaan we buigen, dan gaan we ons aan Hem onderwerpen. Ons verzet breekt. En we worden (want het wordt echt anders in ons hart), we worden gewillig gemaakt. We kunnen en willen niet meer anders dan voor Hem buigen.

Je zegt: ‘Zoals u het nu beschrijft, voelt het bijna aan als een gevecht, als een oorlog. Het voelt aan als twee legers die tegen elkaar vechten.’ Ja, maar dat is ook zo! De satan verdedigt met hand en tand zijn eigen terrein. Maar de Heere komt, Hij verdrijft de satan, Hij overwint hem en Hij breekt onze tegenstand en roept Zichzelf uit tot koning! Dat is ook letterlijk een strijd! Een strijd waarbij de Heere Zelf twee wapens gebruikt. De catechismus zegt het gaat allemaal door Woord en Geest.

Het Woord overtuigt, het Woord leert zeggen: ‘Heere, U hebt gelijk. Ik ben Uw vijand geworden. Maar nu geef ik me aan U over: wees mij zondaar genadig?’ Je zegt misschien: ‘Dat is genoeg, toch?’ Nee, het Woord alleen is niet genoeg. Daarbij is het werk van de Heilige Geest nodig. Want voordat het zover komt, moet mijn hart echt veranderd worden. Mijn hoogmoed en opstandigheid moeten gebroken worden. Mijn ogen en oren moeten geopend worden. En dat doe ik niet zelf, dat is het werk van de Heilige Geest!

Kan het zonder het Woord? Sommige mensen zeggen van wel, maar de catechismus zegt: nee, het gaat altijd door het Woord. Kan het zonder de Heilige Geest? Sommige mensen denken van wel, maar dat is niet waar. Als je alleen maar uiterlijk gehoorzaam bent aan het Woord, dan is dat alleen maar plichtmatigheid, alleen maar braafheid, alleen maar schijn. Ons hart(!) moet echt veranderd worden. We hebben echt een nieuw hart nodig. We moeten door de Heilige Geest wederom geboren worden. Heeft de Heere Jezus niet gezegd tegen Nicodemus: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien (Joh. 3:3)? Zo, en zo alleen wordt je onderdaan van Koning Jezus. Niet dus door eigen inspanning of eigen keuze, maar door Woord en Geest.

Door Woord en Geest leren we de Heere kennen (daarover ging het in zondag 47), en door Woord en Geest leren de Heere dienen, voor Hem buigen, ons aan Hem onderwerpen, en als gewillige onderdanen aan Hem onderworpen zijn en blijven. Denk maar aan Psalm 110, waar staat: Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag van Uw heirkracht (Psalm 110:3). Dat is echt Gods werk. Daar komt geen enkel menselijk vermogen aan te pas.

Er is nog één ding wat opvalt in de catechismus. De catechismus zegt: Gods kinderen leren hoe langer hoe meer onderworpen zijn. Kennelijk gaat het allemaal niet zo gemakkelijk. En we moeten ook met schaamte belijden dat dat zo is. Ons hart leert wel buigen, onderworpen en gehoorzaam zijn, maar er is in ons nog zoveel verzet overgebleven, waardoor wij vaak nog zo opstandig kunnen zijn tegen de Heere, het vaak nog zo oneens kunnen zijn met Zijn weg. Dus hebben we echt het gebed nodig: Heere, regeer ons meer en meer, en laat ons meer en meer onderworpen zijn aan Uw wil. Leer ons meer en dieper buigen. En leer ons (want

dat is Uw genade en Uw werk) meer en meer zingen, niet opstandig, maar onderworpen: Heilig zijn, o God, Uw wegen, niemand spreek Uw hoogheid tegen? (Psalm 77:8, ber.)

Laten we, voordat we verder gaan met onze volgende gedachte, nu eerst gaan zingen uit het Gebed des Heeren, daarvan het derde vers. Uw koninkrijk koom' toch, o HEER’! Ai, werp de troon des satans neer; Regeer ons door Uw Geest en Woord; Uw lof word' eens alom gehoord, En d' aarde met Uw vrees vervuld, Totdat G' Uw rijk volmaken zult.

Gemeente, het gaat vanmiddag over de tweede bede van het Onze Vader: Uw Koninkrijk kome. We hebben gezien dat het Koninkrijk der hemelen geregeerd wordt. Nu ons ons tweede aandachtspunt: het Koninkrijk der hemelen wordt:

2. Bewaard

De catechismus zegt: Bewaar en vermeerder Uw Kerk; verstoor de werken duivels en alle heerschappij, welke zich tegen U verheft, mitsgaders alle boze raadslagen, die tegen Uw heilig Woord bedacht worden.

Bewaar Uw Kerk, Wilt U goed zorgen voor ons kerkgebouw, en voor de zalen van dit kerkgebouw, waar we altijd vereniging en catechisatie hebben? Nee, je voelt het gaat om wat anders. Het gaat, als we bidden bewaar Uw Kerk, niet om het gebouw. Het gaat om de onderdanen van de Koning, de schapen van de grote Herder der schapen, het gaat om Gods kinderen, het gaat om de kerk (zoals we zeggen) met een grote ‘K’.

Bewaar, Heere, die schapen, Uw kinderen, Uw kerk (met een grote K)? Bewaren, dat wil zeggen: wilt U goed op ze letten, wilt U ze goed in de gaten houden, wilt U goed voor ze zorgen en ze beschermen, wilt U ze vasthouden? Waarom moeten we daarom vragen? Omdat de duivel rondgaat als een briesende leeuw om die schapen (letterlijk) op te eten (1 Petrus 5:8). De duivel heeft het gemunt op de schapen. Hij valt ze aan, hij probeert ze te verleiden. Hij probeert ze te verleiden tot zonde, tot wereldgelijkvormigheid, tot het liefhebben van de dingen van deze tijd. Hij probeert ze te verleiden tot ongeloof, tot trots, tot hoogmoed en tot het hopen en vertrouwen op eigen gerechtigheid. En hij wil de onderdanen van de Koning moedeloos en wanhopig maken.

En tegen die vijand hebben wij maar één wapen: met gevouwen handen en gesloten ogen bidden. Denk maar aan Petrus. De Heere Jezus zegt tegen hem en de andere discipelen: Simon, Simon, ziet, de satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe. Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude (Lukas 22:31-32).

En dus bidden wij: ‘Heere, houdt U ons toch vast.’ En tegelijkertijd ook: ‘Bidt U toch ook voor ons bij Uw Vader in de hemel?’

Gelukkig, de Heere heeft ook Zelf beloofd om Zijn onderdanen vast te zullen houden. Hij zei het tegen Petrus en de andere discipelen: Ik heb voor U gebeden. En hij heeft ook gezegd: Niemand zal ze ooit uit de hand van Mijn Vader en uit Mijn hand rukken (Johannes 10:28-29). De apostel Petrus zegt: Gods kinderen worden door het geloof bewaard tot de zaligheid (1 Petrus 1:5). En dus bidden wij eigenlijk: ‘Heere, doe wat U gesproken, doe wat U beloofd hebt, en bewaar ons toch?’

Hier bidt dus een kind van de Heere. Een kind van de Heere bidt voor zichzelf: ‘Bewaar me, Heere, als het zwart van Uw oogappel, als een schaap van Uw kudde.’ Maar als je goed luistert, jongens en meisjes, dan hoor je dat dit gebed is breder. Dit kind van de Heere bidt ook voor de bewaring van al Gods kinderen, dichtbij en ver weg. Hoor maar: ‘Bewaar, Heere, Uw Kerk, de schapen van Uw weide en… vermeerder die’. Dat wil zeggen: ‘Maakt U die alstublieft meer?’ Wilt U, o Koning, Uw onderdanen, de schapen van Uw weide, Uw kinderen vermeerderen (dat wil zeggen: meer maken) binnen de gemeente? Dat wil zeggen: wilt U doorgaan met Uw werk, zoals U beloofd hebt dat U zult doorgaan zolang de zon en de maan er zijn, van kind tot kind, van geslacht tot geslacht? Maar wilt u ook Uw onderdanen, Uw schapen vermeerderen buiten deze gemeente? U hebt toch Zelf gezegd: Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen en zij zullen Mijn stem horen; en het zal worden een kudde, en een Herder (Johannes 10:16). Heere, mag het woord van Uw Evangelie voorspoedig voortgaan op de evangelisatie- posten, op de zendingsvelden, waar nog zoveel mensen zijn die U en Uw Woord niet kennen? Erbarm U, Heere, wees met innerlijke ontferming bewogen over de honderden miljoenen mensen in deze wereld, die dreigen weg te sterven, zonder God en zonder hoop?

Je denkt misschien: ‘Maar waarom zou je eigenlijk bidden voor andere mensen? Als je bidt voor jezelf, dan is dat toch genoeg? Als je zelf een nieuw hart gekregen hebt, mag je toch zelf naar de hemel? Nou, de rest moet maar zien…’ Als je dat denkt, dan heb je geen nieuw hart. Dan viert het egoïsme, dan viert eigenliefde nog hoogtij in je oude hart. Want als de Heere door Zijn genade werkt in je hart, dan gun je dat aan iedereen. En als de Heere het aan jou geeft, als de Heere het aan mij geeft, dan kan het ook echt voor iedereen. En dus ga je dan ook voor andere mensen bidden: voor je vader en moeder, voor je broers en zussen, voor je vrienden en vriendinnen, u gaat bidden voor uw man of vrouw, voor de mensen in de kerk, voor de mensen buiten de kerk, en ook voor de miljoenen onbereikten in deze wereld. Waarom? Omdat je weet hoe goed het is om de Heere te dienen. Maar het zal vooral ook de Koning zoveel meer eer toebrengen, als er nog veel meer nieuwe onderdanen bij

zouden komen. Want in de veelheid van de onderdanen ligt toch de heerlijkheid van de Koning? (Spreuken 14:28)

Bewaar en vermeerder Uw Kerk (zo zegt de catechismus) en: verstoor de werken des duivels en alle heerschappij, welke zich tegen U verheft, mitsgaders alle boze raadslagen, die tegen Uw heilig Woord bedacht worden! Daar zie je, dat de duivel niet stil zit. Zijn kop is vermorzeld doordat de Heere Jezus hem overwon, maar hij vecht nog wel steeds door! En in dat gevecht is maar één wapen: het gebed. Dit gebed: ‘Heere, verstoor zijn werk!’ Het werk van die briesende leeuw, die ons zo kan aanvallen. Het werk van die engel des licht, van die witte duivel, die ons zo kan verblinden en verleiden.

Verstoor zijn werk, en alle heerschappij die zich tegen U verheft. Je voelt, dat komt dichterbij. Alle trots, alle hoogmoed, die tegen U opstaat… Zeker, we zien het in de wereld om ons heen, die opstand tegen God, zoals het staat in Psalm 2: Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen (2:3). Maar ook dit hart kan, ook na ontvangen genade, weer zo trots en hoogmoedig zijn, ja, zelfs opstaan tegen God in verzet en ontevredenheid. En dus bidden we: ‘Heere, verstoort U dat toch, breekt U dat toch?’

Dit: alle heerschappij die zich tegen U verzet. En ook: alle boze raadslagen, die tegen Uw Heilig Woord bedacht worden. De duivel is slim. Je kan, als je oorlog voert, op (ja, het is heel naar om daaraan te denken, maar toch), je kan op mensen schieten. Maar we weten, bijvoorbeeld van de aanslagen in Amerika van 11 september 2001, we weten dat als je een gebouw laat instorten, dat dan de schade veel groter is. Dan vallen er veel meer slachtoffers. Als je het fundament van het gebouw kan ontwrichten, dan stort de hele zaak in, en dan kost dat heel veel slachtoffers. Dus wat doet de duivel? Hij richt zich op het fundament van de kerk, op de vaste grond waar de kerk op rust, namelijk op het onveranderlijke Woord van God, op de Bijbel!

De catechismus zegt: de duivel bedenkt boze raadslagen, slechte, gemene plannen tegen het Woord van God. Hoe dan? Bij ons vooral door mensen te laten twijfelen aan het Woord van God. Het kan zijn, dat de duivel tegen je zegt: ‘Ja, het staat er wel, maar het is niet echt waar, hoor. De Heere houdt je een beetje voor gek.’ Dat zei hij in het paradijs ook tegen Eva. Het kan ook zijn dat de duivel de Bijbel zelf probeert aan te vallen. Steeds meer mensen, ook in de kerk, denken: ‘De Bijbel is wel mooi boek, maar of alles wat erin staat echt waar is? De wereld, is die wel echt in zes dagen geschapen? De ezelin van Bileam, praatte die echt? Jona, heeft hij wel echt in de buik van een vis gezeten? Zijn het niet gewoon mooie verhalen? Geboren uit de maagd Maria? Kan dat wel? Opgestaan uit de dood? Naar de hemel opgevaren?’ De duivel knaagt, ook onder ons(!), meer dan we door hebben, aan de betrouwbaarheid van de Bijbel.

Hij zegt: ‘Het is wel waar, hoor, natuurlijk, maar een deel is ook wel een beetje achterhaald. Want wij weten ondertussen meer, wij weten wel beter.’ Stiekem geeft de duivel ons daarmee een complimentje: ‘Jij bent echt slim, jij weet meer dan dat de mensen vroeger wisten. Ik zou maar niet meer zo blindelings geloven in wat de Bijbel zegt.’ De catechismus zegt: dat zijn boze raadslagen, gemene plannen, die de duivel heel bewust tegen Gods Heilig Woord bedacht heeft.

Totdat… Het klinkt als een zucht, als uitzien, als verlangen: totdat de volkomenheid van Uw rijk komt, waarin U alles zult zijn in allen. Dat brengt ons bij onze derde en laatste gedachte. Het Koninkrijk der hemelen wordt:

3. Voltooid

Het Koninkrijk der hemelen wordt voltooid. Maar zover is het nu nog niet. Juist in deze laatste tijd, in de tijd voor de voltooiing van het Rijk van Christus, juist in deze laatste tijd voor Zijn terugkomst zal het heel erg moeilijk worden. De duivel zal zijn laatste, verwoede pogingen doen om ons, mensen, te verleiden, om ons, mensen, vast te houden, en om zijn heroverde onderdanen weer terug te krijgen. De Heere Jezus schetst die tijd in Mattheüs 24. Daar zegt Hij: En u zult horen van oorlogen, en geruchten van oorlogen; ziet toe, wordt niet verschrikt; want al die dingen moeten geschieden, maar nog is het einde niet. Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen zijn hongersnoden, en pestilentiën (dat zijn epidemieën), en aardbevingen in verscheidene plaatsen. Doch al die dingen zijn maar een beginsel der smarten. Alsdan zullen zij u overleveren in verdrukking, en zullen u doden, en u zult gehaat worden van alle volken, om Mijns Naams wil (zie je: duivel gaat rond als brullende leeuw!) En dan zullen er velen geërgerd worden, en zullen elkander overleveren, en elkander haten. En vele valse profeten zullen opstaan, en zullen er velen verleiden (zie je: hij probeert meer dan ooit mensen te verleiden). En omdat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zo zal de liefde van velen verkouden. Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden (24:6-13).

Wie volharden zal tot het einde …. Gelukkig, er is een einde! De catechismus zegt: Totdat de volkomenheid van Uw Rijk komt, waarin U alles zult zijn in allen. Het duurt lang. En de laatste tijden zullen de moeilijkste zijn. De mensen zullen geneigd zijn om te twijfelen aan de belofte van de terugkomst van de Heere Jezus Christus. Maar de Heere zal echt terugkomen!

Ja, Hij komt terug! En tot die tijd worden al Gods kinderen bewaard voor de boze. Niemand zal de schapen (dat zijn Gods kinderen) rukken uit de handen van de Vader en uit de handen van de Heere Christus (Johannes 10:28-29).

En tot die tijd gaat God ook door met het vermeerderen van Zijn Kerk: zolang de zon en de maan zullen schijnen (Psalm 72:5).

Hier op aarde is alles nog onvolmaakt, alles is nog maar ten dele. Alles is ten dele in het hart van Gods kinderen. En dus bidden we om meer en meer onderworpen en gehoorzaam te zijn aan de Heere. In ons hart is alles onvolmaakt. En in de kerk is alles onvolmaakt. Alles roept om de terugkomst van de Heere Jezus Christus. Alles roept om de dag dat Hij Zijn werk, het werk van Zijn genade zal afmaken en zal voltooien. Dan zijn we, kinderen van God, alle zonden kwijt, dat zijn we alle verzet en opstandigheid kwijt, dan zijn we zijn ook alle strijd, aanvechting en verleiding kwijt. Ja, dan zijn we dit hart kwijt!

Dan zal God zijn alles en in allen. Het is een citaat van Paulus uit 1 Korinthe 15, waar hij schrijft: En wanneer Hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden Dien, Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen (1 Korinthe 15:28). Daar zien we als het goed is naar uit. Daar verlangen we naar. Immers, dan is de strijd voorbij. Dan is er geen aanvechting van de satan meer. En dan is ook dit opstandige, altijd tegenwerkende hart voor altijd volledig gewillig gemaakt. Dan zullen we voor altijd en volkomen gewillige onderdanen zijn van de hemelse Koning. Dan zullen we (en daar zien we naar uit) voor eeuwig geregeerd worden, zonder verzet, zonder weerstand en zonder tegenstand in ons hart. De schapen van deze stal zijn dan voor altijd één geworden met de schapen die van deze stal nog niet zijn, maar die nog toegebracht moeten en zullen worden. En dan zal het worden: één kudde en één Herder, één Kerk en één Koning (Johannes 10:16).

Onze Nederlandse Geloofsbelijdenis (NGB, artikel 37) zegt: Wij verwachten die dag met groot verlangen om ten volle te genieten de beloften Gods die in Christus Jezus zijn. Daarom mogen en moeten we ook bidden om de spoedige komst van die dag. Niet dat die dag, als antwoord op onze gebeden, eerder zal kunnen komen dan door de Heere is vastgesteld in Zijn eeuwige raad. Maar we mogen en moeten erom bidden, om ons verlangen ernaar uit te drukken. Want, zo zeggen we met Paulus: Met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste (Filippenzen 1:23). Hij zegt: Zie, Ik kom haastiglijk. En wij bidden: Amen. Ja, kom, Heere Jezus (Openbaring 22:10)

Kinderen van God, houd moed, hef uw hoofden op, onze verlossing is aanstaande. En tot die tijd bidden wij, midden in de strijd, met het machtigste wapen van het gebed: Heere, regeer ons, onderwerp ons, bewaar ons, vermeerder Uw Kerk en verheerlijk Uw Naam. En mag dat ‘totdat’ van de volheid van Uw Rijk spoedig aanbreken?

Amen.

Slotzang Psalm 145:4,5

Al wat Gij wrocht, zal juichen tot Uw eer; Uw gunstvolk zal verblijd U zegenen, HEER, En roemen van Uw koninkrijk, Uw macht, Uw heerlijkheid en Goddelijke kracht; Om, waar zich 't hart ooit voelt in leerzucht blaken, Uw heerlijkheid, Uw macht bekend te maken, En d' eer Uws rijks, zo groot, zo hoog verheven, Voor aller oor de hoogste roem te geven.

Uw heerschappij verduurt zelfs d' eeuwigheid; Uw koninkrijk is eindeloos uitgebreid. Gij ondersteunt hem, die voor 't onheil zwicht: Wie nederstort, wordt door U opgericht. 't Ziet al op U; 't blijft alles op U wachten; Gij sterkt door spijs, te rechter tijd, hun krachten; G' ontsluit Uw hand, ontfermend en weldadig, Opdat Uw gunst, al wat er leeft, verzadig'.