PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 39: Eer uw vader en moeder (serie 2)

Zondag 39 · 4 januari 2026

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 39 (serie 2)

INLEIDING

Deze catechismuspreek over Zondag 39 begint bij de vader uit de gelijkenis van de verloren zoon, wiens geduld, liefde en innerlijke ontferming een spiegel vormen voor ouders zelf, voordat het gaat over wat kinderen aan hun ouders verschuldigd zijn. Het vijfde gebod vraagt drie dingen: alle eer, liefde en trouw aan vader, moeder en allen die boven ons gesteld zijn; onderwerping met behoorlijke gehoorzaamheid aan goede leer en goede straf; en geduld met hun zwakheid en gebreken. Dit gebod ontdekt aan onze eigen ongehoorzaamheid, wijst op de volmaakte gehoorzaamheid van Christus, en is ten slotte een regel van dankbaarheid.

THEMA

Wat wil God in het vijfde gebod?

KERNPUNTEN

  1. Dat ik alle eer, liefde en trouw bewijs
  2. Dat ik mij aan goede leer en goede straf met behoorlijke gehoorzaamheid onderwerp
  3. Dat ik met zwakheid en gebreken geduld heb

ZONDAG 39

Vraag 104: Wat wil God in het vijfde gebod?
Dat ik mijn vader en mijn moeder, en allen die over mij gesteld zijn, alle eer, liefde en trouw bewijze, en mij hunner goede leer en straf met behoorlijke gehoorzaamheid onderwerpe, en ook met hun zwakheid en gebreken geduld hebbe, aangezien het Gode belieft, ons door hun hand te regeren.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 39: Eer uw vader en moeder (serie 2)

ds. J. IJsselstein - Zondag 39

THEMA

Wat wil God in het vijfde gebod?

LITURGIE

Tien Geboden:1,6

Avondzang:7

Lezen Lukas 15:11-32

Psalm 103:2,6,7

Psalm 133:1,2,3

Psalm 27:6

Geliefde gemeente, jongelui, het vijfde gebod gaat over gehoorzaamheid aan je ouders, over respect voor je ouders. Voordat we gaan kijken naar Zondag 39, gaan we eerst nog even terugkijken naar wat we gelezen hebben, Lukas 15. Niet zozeer lettend op die jongste zoon of op die oudste zoon, als wel op die bijzondere vader. Laten we beginnen bij vers 11 en 12: Een zeker mens had twee zonen. En de jongste van hen zeide tot den vader: Vader, geef mij het deel des goeds, dat mij toekomt. Respectloos: ‘Pa, mag ik alvast mijn deel van de erfenis… Ik wil graag mijn eigen leven leiden, vrij zijn. U belemmert me, u loopt me in de weg, ik ben er klaar mee.’ En hij deelde hun het goed (Luk. 15:12b). Hij laat hem gaan… Gemakkelijk? Nee, natuurlijk niet, met pijn in zijn hart. Maar het is wel een wijs besluit. Zo kan het niet langer, zo gaat het niet langer. En zo vertrekt hij. En niet vele dagen daarna (vers 13), de jongste zoon, alles bijeen vergaderd hebbende, is weggereisd in een ver gelegen land.

En dan is deze vader een poos uit beeld. Wat was dit voor een vader? Wat zou u doen, als uw zoon zou vragen om zijn erfenis? Je zou toch zeggen: ben je helemaal gek geworden? Ik denk dat bij iedereen van ons de nodige deining door het huis zou gaan… Maar het hart van deze vader is voelbaar anders: vol liefde en vol wijsheid. Hij houdt van zijn jongen, hij had hem liever gehouden. Maar hij voelt dat het niet anders kan, en dus laat hij hem gaan. En dan is de vader een poos uit beeld.

Totdat zijn zoon terugkomt. Kijk maar naar vers 20: En opstaande ging hij naar zijn vader. En als hij nog ver van hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen; en toelopende, viel hem om zijn hals, en kuste hem. Vader staat op de uitkijk. Met liefde, met hoop en met het verlangen in zijn hart dat zijn zoon ooit nog eens terugkomt. En wat kenmerkt deze vader, deze echte vader, vooral?

Het zien van zijn zoon in zijn ellende ontroert hem. Hij wordt met innerlijke ontferming bewogen. Hij heeft innig medelijden met hem. En dus is het ‘welkom thuis’ hartelijker dan ooit.

Vaders, moeders, voordat wij nu gaan invullen wat onze kinderen moeten doen…, het is onze taak om eerst eerlijk naar onszelf te kijken. Met de vraag of wij een klein beetje lijken op deze vader? Geduldig, liefdevol, wijs en met een hart vol medelijden. Ontfermen wij ons (zoals we zongen in Psalm 103) ook zo over onze kinderen? Is dat de vrucht van Gods vernieuwende genade in ons? Want dit komt niet uit ons eigen hart…

We gaan vanmiddag samen luisteren naar het onderwijs van Zondag 39 van onze Heidelbergse Catechismus. Naar vraag en antwoord 104.

Vraag 104. Wat wil God in het vijfde gebod? Antwoord. Dat ik mijn vader en mijn moeder, en allen die over mij gesteld zijn, alle eer, liefde en trouw bewijze, en mij hunner goede leer en straf met behoorlijke gehoorzaamheid onderwerpe, en ook met hun zwakheid en gebreken geduld hebbe, aangezien het Gode belieft ons door hun hand te regeren.

Wat wil God? Ik probeer die vraag de komende zondagen een beetje als leidend thema aan te houden. Wat wil God? En dus is het thema voor de preek van vanmiddag: Wat wil God in het vijfde gebod?

Drie dingen, en dat zijn ook de drie punten van de preek: 1. Dat ik alle eer, liefde en trouw bewijs 2. Dat ik mij aan goede leer en goede straf met behoorlijke gehoorzaamheid onderwerp 3. Dat ik met zwakheid en gebreken geduld heb Als eerste dus:

1. Dat ik alle eer, liefde en trouw bewijs

Aan wie? Aan je ouders en aan iedereen die over je gesteld is. Waarom? Omdat God dat wil. Omdat God ons graag door hun hand wil regeren.

Dus God vraagt je iets te doen voor je vader en moeder, en voor iedereen die over je gesteld is. Voor je vader, voor je moeder… Dat is helder. Ja, maar het is ook opvallend. Je zegt misschien: Als mijn vader iets zegt, dan moet ik opletten (maar gelukkig is hij niet altijd thuis). Maar de Bijbel zegt: ook als je moeder iets zegt, moet je naar haar luisteren.

Maar de Catechismus maakt het (terecht) breder. Het gaat niet alleen over je vader en moeder. Daar begint het wel mee. Maar als je ouder wordt, kom je meer mensen tegen

naar wie je moet luisteren: leerkrachten op school, docenten, politie op straat, overheid, ouderlingen, diakenen in de kerk… Je zegt misschien: ‘Waarom hebben die iets over mij te zeggen? Ik maak zelf wel uit wat ik wil…’ Goed dat je dat zegt. Want daar zit juist de crux van waar het hier over gaat. Met deze geboden zegt God: Ik wil dat jij… En dus vraagt de Catechismus: wat wil God? Maar ik en jij, wij zijn geneigd te zeggen: Nee, maar ik wil…

Dat geldt vooral voor dit punt, gehoorzaam zijn. Want daar begon het ook mee in het Paradijs. De Heere zei: Adam, doe gehoorzaam wat Ik zeg. Nee, dacht Adam, ik doe wat ik zelf wil. En door de ongehoorzaamheid van die ene mens zijn we allemaal in zonde gevallen (Rom. 5:19). En die ongehoorzaamheid – dat voel je, dat merk je, ik ook – die zit nog steeds hier van binnen in ons hart. Zo zijn we, zo zijn we geworden.

Daarom is het eigenlijk wel een zegen van de Heere, dat Hij mensen aan ons gegeven heeft met gezag. Daardoor is er orde – geen wanorde, geen anarchie, geen chaos – thuis, op school, in de kerk en in de maatschappij. Stel je voor dat alle leerlingen op school altijd zouden doen wat ze zelf willen… Stel je voor dat de kinderen thuis altijd zouden doen wat ze zelf willen, zoals misschien soms een keer gebeurt, als vader en moeder een keer weg zijn… Maar als het altijd zo zou zijn, dan zou het echt niet goed gaan. Stel je voor dat er wel regels zijn, maar niemand die ze handhaaft… Gelukkig heeft de Heere je ouders, docenten en anderen gegeven. Mensen die boven je staan. Die je gehoorzaam moet zijn.

Weet je Wie dat ook deed? De Heere Jezus. Als Hij twaalf jaar is (net een beetje de leeftijd voor ons om obstinaat, om dwars te worden), dan komt Hij met Zijn vader en moeder terug van een bezoek aan de tempel in Jeruzalem. En, schrijft Lukas dan, Hij ging met hen af en kwam te Nazareth, en was hun onderdanig (Luk. 2:51). De Heere Jezus was gehoorzaam aan Jozef en aan Maria. Omdat Hij wist dat de Heere in de hemel (Zijn Vader) Jozef en Maria als vader en moeder aan Hem gegeven had. En die Heere wilde Hij gehoorzaam zijn: Zijn Vader in de hemel. Hij wilde niet doen wat Hijzelf wilde, maar doen wat Zijn Vader wilde. Daarom ging Zijn gehoorzaamheid uiteindelijk nog veel verder. Toen Hij gehoorzaam werd tot de dood aan het kruis (Fil. 2:8).

Als je iets kent van je eigen ongehoorzaamheid, en ziet hoe gehoorzaam Hij was… En dat Hij vrijwillig wilde gaan staan in de plaats van Zijn ongehoorzame kinderen… Dan wil je (als je Zijn kind mag zijn) ook graag de wil van de Heere doen, de voetstappen van de Heere Jezus volgen en gehoorzaam en onderdanig zijn.

Wat is dat eigenlijk: gehoorzaam zijn, onderdanig zijn? Het vijfde gebod zegt zo: Eert uw vader en uw moeder (Ex. 20:12).

De Catechismus zegt: dat betekent drie dingen. Dat betekent als eerste dat je de mensen die boven je staan (vader en moeder, meester, juf, docenten, ambtsdragers, politie, overheid): alle eer, liefde en trouw bewijst.

a. Alle eer… Alle eer bewijzen aan je vader en moeder… Het valt op dat er niet als eerste staat dat je heel veel van ze moet houden, dat je heel lief voor ze moet zijn. Nee, je moet allereerst eer aan ze bewijzen. Dat wil zeggen: je moet ze respecteren, je moet ze hoog achten. Geen grote mond hebben dus, niet op ze schelden of mopperen, ze niet afsnauwen, niet over ze roddelen…

Waarom moet je vader en moeder eren? Omdat God het wil. De Catechismus: omdat God ons door hun hand wil regeren. Ze zijn niet zomaar toevallig je vader en moeder, omdat je uit hen geboren bent… Een docent staat niet zomaar toevallig voor de klas, omdat hij of zij daar werkt… De ouderlingen en diakenen zitten niet zomaar toevallig hier, of omdat wij ze gekozen hebben… Maar God heeft ze gezet op die plek boven ons. En dus moet je de mensen die boven je staan respecteren. Ze staan boven je, je moet ze dus hoog achten.

En zij (je vader en moeder) en wij (ambtsdragers in de kerk) en anderen met ons, wij hebben die plek van God gekregen. Niet omdat wij zo goed zijn of beter zijn dan anderen, maar omdat God het wil. Denk maar aan wat de Heere Jezus tegen Pilatus zei: u had geen macht over Mij, als u die niet van boven gekregen had (Joh. 19:11). En dus zijn we de Heere ook verantwoording schuldig over hoe we ons werk doen. Alle eer bewijzen, daar begon de Catechismus mee.

b. En: alle liefde bewijzen. Je zegt: ‘ik hou echt heel veel van mijn vader en moeder.’ Gelukkig. Zo moet het ook. Maar het is óók goed, zegt de Catechismus: dat je die liefde bewijst. Dat je die laat zien, dat je die laat merken. Dat geldt trouwens ook voor je vader en moeder zelf. Die moeten ook iedere dag hun liefde aan elkaar laten zien.

Je ziet aan die oproep om aan je ouders en aan elkaar liefde te bewijzen, dat het niet de bedoeling is dat er thuis alleen kille, koude, slaafse gehoorzaamheid is, zonder liefde. Het gezin is niet bedoeld als een gevangenis of als een opvoedingskamp, maar als plaats waar liefde woont. Het gaat in de Bijbel (ook in het vijfde gebod) altijd om gehoorzaamheid in liefde. Naar het voorbeeld van de Heere Jezus, die uit liefde de Vader gehoorzaam was. En dat tot de dood aan het kruis toe.

Wat is liefde eigenlijk? Dat is zeker niet hetzelfde als samen plezier hebben. Het is: dat je hart hebt voor elkaar, dat je echt van elkaar houdt. En dus heeft leidinggeven in liefde in het gezin helemaal niets te maken met regeren met

ijzeren hand., met slaan uit drift of met mishandeling. Als Paulus zegt: nalatende de dreiging, dan zeker ook de uitvoering (Ef. 6:9).

Kindermishandeling, geweld in gezinnen, misbruik, incest…, dat mag onder ons niet voorkomen. Maar… het komt wel voor. Dat heeft niets te maken met gehoorzaamheid in liefde. Daar mag je zeker het vijfde gebod niet voor misbruiken. Kinderen, jongelui, als je hard geslagen, mishandeld of misbruikt wordt: vertel het ons maar. Vertel het alsjeblieft aan iemand die je vertrouwt, die je probeert te helpen. En u die het doet: meldt u zelf ook. Wat u doet is strafbaar volgens de wet, en het is ook zonde tegenover God.

Dat misbruik mag er thuis niet zijn, maar ook niet in de kerk, in kerkelijke of pastorale relaties. Er zijn ook in de kerk allerlei situaties waarin kinderen, jongeren en ouderen afhankelijk zijn van een ander of onder een ander staan. Bijvoorbeeld bij pastoraal bezoek, in het jeugdwerk of op de catechisatie. Ook daar mag niemand misbruik maken van iemands kwetsbaarheid. Als u binnen de kerk iets overkomen is (u bént zelf niet schuldig, al zegt een ander dat misschien), maak daar dan melding van. Vraag gerust iemand om u daarbij in vertrouwen te helpen, bijvoorbeeld een van de vertrouwenspersonen. Het vijfde gebod vraagt om alle eer, liefde…

c. En trouw te bewijzen. Trouw gaat vooral spelen als de liefde een mindere plek krijgt. Je ouders worden oud, ouderwets, star, ziek, gebrekkig, en misschien ook wel moeilijk of vervelend. Die ene ouderling of diaken ligt me niet. Die is moeilijk in de omgang, en die leest ook niet de goede preken. Die leraar op school, je hebt echt een verschrikkelijke hekel aan hem… Weinig liefde, geen liefde, maar dan nog steeds… vraagt God trouw.

Voordat we verder gaan met ons tweede aandachtspunt gaan we zingen uit Psalm 133 vers 1, 2 en 3:

Ai, ziet, hoe goed, hoe lieflijk is ’t, dat zonen Van ’t zelfde huis, als broeders samen wonen, Daar ’t liefdevuur niet wordt verdoofd.

Die liefdegeur moet elk tot liefde nopen, Als d’ olie, die van Arons hoofd gedropen, Zijn baard en klederzoom doortrekt’.

Waar liefde woont, gebiedt de HEER’ den zegen: Daar woont Hij Zelf, daar wordt Zijn heil verkregen, En ’t leven tot in eeuwigheid.

Wat wil God in het vijfde gebod? Daarover gaat de catechismuspreek van vanmiddag. De Catechismus zegt: het vijfde gebod wil drie dingen. Het eerste hebben we gezien: dat je je ouders en iedereen die boven je staat: alle eer, liefde en trouw bewijst.

We gaan nu verder met onze tweede gedachte:

2. Dat ik mij aan goede leer en goede straf met behoorlijke gehoorzaamheid onderwerp

Ja, want als het goed is, is er thuis goede leer en goede straf. Denk maar aan wat Paulus schrijft in Efeze 6:4: En gij vaders, verwekt uw kinderen niet tot toorn (dat is: verkeerde leer, verkeerde straf), maar voedt hen op in de lering en vermaning des Heeren.

Goede leer… Wat leer je dan thuis? Wat leren jullie thuis en op school? Je leert je kamer op te ruimen, netjes te eten, op tijd naar school te gaan, je huiswerk te maken… Toch noemt de Bijbel meer. Iets heel anders. Als eerste noemt de Bijbel: de lering des Heeren. Leren om de Heere te dienen. Eigenlijk is dat de grootste zegen van de vader en de moeder, die je van de Heere gekregen hebt. Als ze dat tenminste doen. Dit, ouders, is onze eerste en meest belangrijke opdracht. Wat het Doopformulier noemt: onze kinderen in de voorzeide leer onderwijzen.

Die ‘goede leer’, waar de Catechismus over spreekt, is de leer, het onderwijs vanuit het Woord van God. Waarom is die goed? Omdat wij dat zo goed doen? Nee, omdat dat onderwijs, omdat die leer brengt tot het goed. Omdat de Heere dat gebruiken wil om ons te leren gaan in de wegen van de Heere. Zoals staat in Psalm 78: Opdat het navolgende geslacht die weten zou. En dat zij hun hoop op God zouden stellen, en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden bewaren (Ps. 78:6-7).

Dat kan niet door te slaan. Dat bereik je niet als een dictator, die zegt: ‘Dit moet, dit doe je, zó en niet anders…’ ‘Waarom, pa?’ ‘Niks mee te maken! Mijn wil is wet!’ Niet waar! Ik heb als vader of moeder aan mijn kinderen te laten zien wat Gods wil is.

En het is goed om dat uit te leggen, om dat vanuit de Bijbel te vertellen. Zeker als je kinderen groter worden. Daarom, ouders, verdiep je in de leefwereld van je kinderen. Denk met ze mee, leef met ze mee. Onze jongeren leven in een ingewikkelde tijd. Ze hebben door hun opleiding, via de media en met hun reizen vaak meer van de wereld gezien dan wij. Ze weten meer, ze kijken daardoor anders, ze denken daardoor verschillend. Kap niet alle discussies af. Praat met ze. En tegelijk is het goed, jongelui, om je wel aan de goede leer van je ouders te onderwerpen. Je kunt ook eindeloos doorgaan met discussiëren en over je ouders heen

walsen. Niet omdat je het niet snapt, maar omdat je diep in je hart tegendraads en ongehoorzaam bent. De Catechismus zegt: onderwerp je met behoorlijke gehoorzaamheid, zoals het hoort dus.

Aan hun goede leer en aan… hun goede straf. Bij goede leer hoort goede straf. En bij goede straf hoort goede leer. Die twee horen bij elkaar. Als je straf krijgt, thuis of op school, is dat om te leren. Om te leren dat het niet goed gaat als je dingen doet die niet goed zijn. Is dat nodig? Ja, de Heere vindt dat nodig. Waarom? Omdat wij hardleers zijn. En dat geldt ons – vaders, moeders, ambtsdragers – natuurlijk evengoed. Het Doopformulier zegt: wij en onze kinderen zijn allemaal hetzelfde: in zonden ontvangen en geboren, ongehoorzaam en hardleers. Mensen die soms straf nodig hebben, om ons weer op het rechte pad te brengen.

Maar dan wel goede straf. Paulus heeft dat ongetwijfeld op het oog als hij zegt: En gij vaders, verwekt uw kinderen niet tot toorn (Ef. 6:4). Wie thuis met brute hand regeert, onredelijk en hard straft, driftig en zonder zelfcontrole, woedend en zonder zelfkritiek, zonder innerlijke bewogenheid: die overtreedt dit gebod. Dat is niet naar de wil van God. Zo verwoest je de levens van je kinderen. Zo geef je ze ook een verkeerd beeld mee van wie God is. Daarmee verwoest je het Godsbeeld van je kinderen. Want God straft ook, maar in liefde en met medelijden. En niet hard.

Dus moeten ook wij nooit onredelijk en zonder zelfcontrole straffen. En als wij zelf fouten gemaakt hebben, als ouders of als ambtsdragers, dan is het goed om daar eerlijk over te zijn en die fouten ruiterlijk toe te geven.

Hoe ver strekt die gehoorzaamheid? Blijf je als kind altijd gehoorzaamheid verschuldigd aan je ouders, ook als je volwassen bent, ook als je getrouwd bent? Nee, de Bijbel is daar helder over. Genesis 2:24 zegt: Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven; en zij zullen tot een vlees zijn. Zo moet het, zo hoort het te zijn. Liefde en respect blijven. Dankbaarheid voor alles wat ze gedaan hebben. En de lering des Heeren (dat is het Woord van de Heere) blijft ons leven besturen. Maar het huwelijk is een nieuwe eenheid, die – als het goed is – trouwens in hetzelfde perspectief staat: geleid, gestuurd door de band met God en Zijn Woord. Het was: vader en moeder onderdanig zijn in de vreze des Heeren. Het wordt: elkaar onderdanig zijnde in de vreze Gods (Ef. 5:21).

En daarom, het is goed, ouders, om je kinderen na hun trouwen los te laten. Je mag ze blijvend raad en advies geven, zeker als ze erom vragen. Je mag veel voor ze bidden. Maar de onderdanigheid is veranderd. Nu naar elkaar toe, en niet meer naar de ouders toe.

We zijn toe aan ons derde punt. Het gaat vanmiddag om drie dingen. We hebben als eerste gelet op: alle eer, liefde en trouw bewijzen. Als tweede op: aan goede leer en straf met behoorlijke gehoorzaamheid onderworpen zijn. En nu ons derde aandachtspunt:

3. Dat ik met zwakheid en gebreken geduld heb

Met zwakheid en gebreken geduld hebben… Nee, dit is niet bedoeld voor ons, vaders en moeders, en voor ons, ambtsdragers om ons achter te verstoppen. Maar wel voor ons als kinderen ten opzichte van onze ouders, en als mensen tegenover andere mensen die boven ons staan.

Zij die door God boven ons geplaatst zijn, zijn zondige, beperkte mensen. Mensen met gebreken en zwakheden. En de Heere wil niet dat we die zwakheden en gebreken gebruiken om ze daarmee af te serveren. Dus, jongelui: scheld niet, mopper niet op de zwakheden van je ouders. En dus, gemeente: praat niet over de zwakheden en gebreken van uw ambtsdragers, hooguit met henzelf. Maar heb geduld met hun zwakheden.

Waarom? De Catechismus zegt: omdat het Gode belieft om ons door hun hand te regeren. Omdat het de wil van God is om ons door hun handen te leiden en te regeren. Met het doel om…? Om ervoor te zorgen dat we het in dit leven ver zullen schoppen? Nee. Laten we dat niet als ons belangrijkste doel zien. Het Huwelijksformulier zegt dat het doel van een christelijke opvoeding is, dat ouders hun kinderen opvoeden in de kennis en vreze Gods, tot Zijn eer en tot hun zaligheid. Het gaat hier dus om de eer van God en om de zaligheid van onze kinderen.

Kun je dat in eigen kracht? Is dit een gebod om stipt te gehoorzamen om daarmee iets te verdienen of te presteren? Paulus zegt: Doe dit niet naar ogendienst, als mensenbehagers, maar als dienstknechten van Christus, doende den wil van God van harte; dienende met goedwilligheid de Heere, en niet de mensen (Ef. 6:6-7).

Tot slot nog drie dingen: a. Dit gebod wijst ons in de eerste plaats op iets wat we van onszelf niet willen, op iets wat we kwijtgeraakt zijn. Het wil ons onze ongehoorzaamheid laten zien, aan God en aan mensen. Het wil ons aan onze zonden ontdekken. Het wil ons laten zien wie we zijn en oproepen tot bekering.

b. Tegelijkertijd wijst dit gebod in de tweede plaats op Hem die dit gebod volmaakt gehouden heeft. Want wie was er ooit tot het uiterste toe gehoorzaam? In alle dingen? Hij was Zijn vader en moeder onderdanig… Hij was gehoorzaam tot de dood aan het kruis toe… Altijd gehoorzaam aan Maria, aan Jozef, aan de hemelse Vader… Precies: de Heere Jezus. Door Zijn werk, door wat Hij gedaan heeft, door Zijn gehoorzaamheid kunnen ongehoorzame, opstandige weglopers weer tot kinderen aangenomen worden.

Vraag dan toch, gemeente, ieder voor eigen hart en leven, om de Heere Jezus’ wil vergeving voor zoveel zonde en ongehoorzaamheid. Stil biddend, wijzend naar hoe gehoorzaam de Heere Jezus was. En bid dan, jongens en meisjes, denkend aan al je eigen ongehoorzaam zijn, zoals je ’s avonds bidt: Heere, omdat mijn zonden vele zijn (zoveel en zo groot), maak om Jezus’ wil mij rein!

c. In de derde plaats is dit gebod ook en vooral bedoeld als een regel voor de dankbaarheid. Als je de Heere van harte dienen mag met al de liefde en hoogachting van je hart, dan… wil je toch niet meer ongehoorzaam zijn? Dan zeg je, dan denk je, dan geloof je: U, Heere, staat in alles boven mij. U wil ik alle eer, liefde en trouw bewijzen. Aan Uw goede geboden wil ik me altijd gehoorzaam onderwerpen. Want zo wilt U, Heere, mij regeren en leiden. Ik wil U in alles gehoorzaam zijn. In alle dingen wil ik doen wat U aan me vraagt. Niet om in de ogen van mensen heel goed te lijken (niet naar ogendienst). Niet om mensen te plezieren (niet als mensenbehagers). Maar als een liefdedienst vanwege Christus en Zijn werk. Zo doe ik Uw geboôn, oprecht en welgezind. Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.

Slotzang Psalm 27:6:

Want, schoon ik zelfs van vader en van moeder Verlaten ben, de HEER’ is goed en groot; Hij is en blijft mijn Vader en Behoeder, Leer mij, o God, Uw weg in allen nood! Bestuur, om mijns verspieders wil, mijn voet Op ’t effen pad, dat ’s vijands euvelmoed, Mij nimmer treff’; vervoerd door list en dwang, Getuigt men vals tot mijnen ondergang.