Zondag 40 · 11 januari 2026
Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 40 (serie 2)
INLEIDING
Deze catechismuspreek over Zondag 40 opent met het verhaal van Hanna, die door Peninna getergd wordt op haar kwetsbaarste punt, als beeld van wat het zesde gebod verbiedt: de naaste niet onteren, haten, kwetsen of doden, met gedachten, woorden, gebaren of daden. De wortel van doodslag ligt al in nijd, toorn en wraakgierigheid, en die haat God evenzeer. Wie eerlijk in het eigen hart kijkt, ontdekt zichzelf als moordenaar, en juist voor zulke mensen kwam Christus, Die tussen twee misdadigers wilde hangen. Wie iets van die genade kent, gaat door de Heilige Geest de naaste, vriend én vijand, ook metterdaad liefhebben.
Wat wil God in het zesde gebod?
ZONDAG 40
Vraag 105: Wat eist God in het zesde gebod?
Dat ik mijn naaste noch met gedachten, noch met woorden of enig gebaar, veel minder met de daad, door mijzelf of door anderen ontere, hate, kwetse of dode; maar dat ik alle wraakgierigheid aflegge; ook mijzelf niet kwetse of moedwilliglijk in enig gevaar begeve; waarom ook de Overheid het zwaard draagt om den doodslag te weren.
Vraag 106: Maar dit gebod schijnt alleen van het doodslaan te spreken?
God, verbiedende den doodslag, leert ons, dat Hij den wortel des doodslags, als nijd, haat, toorn en wraakgierigheid, haat en zulks alles voor een doodslag houdt.
Vraag 107: Maar is het genoeg, dat wij onzen naaste, zoals tevoren gezegd is, niet doden?
Neen; want God, verbiedende den nijd, haat en toorn, gebiedt, dat wij onzen naaste liefhebben als onszelf, en jegens hem geduld, vrede, zachtmoedigheid, barmhartigheid en alle vriendelijkheid bewijzen, zijn schade, zoveel als ons mogelijk is, afkeren, en ook onzen vijanden goed doen.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Zondag 40
THEMA
Wat wil God in het zesde gebod?
AANDACHTSPUNTEN
LITURGIE
Tien Geboden:7,9
Lezen 1 Samuël 1:1-19
Het kan overal gebeuren: op school, op catechisatie, op de club, in de kerk, thuis…, wat er ook gebeurde in het huis van Elkana. Hij heeft een voor het oog net gezin. En ieder jaar gaan ze als gezin met z'n allen naar Silo, om de HEERE te aanbidden en te offeren. Iedere zondag zouden ze hier in de kerk zitten. Het is voor het oog een gewoon gezin. Maar er is ook verborgen verdriet, want Peninna heeft kinderen, maar Hanna is kinderloos. En dat verdriet van Hanna is des te pijnlijker, omdat…? Kijk maar vers 6: En haar tegenpartijdige tergde haar ook met terging, om haar te vergrimmen, omdat de HEERE haar baarmoeder toegesloten had.
Peninna, dat staat er letterlijk, verdrukt haar. Ze kwetst Hanna, ze tergt haar, door haar te sarren, omdat de HEERE haar geen kinderen gegeven heeft. Peninna pest Hanna, juist op haar kwetsbaarste punt. Straks zegt Zondag 40: ik mag mijn naaste niet kwetsen, niet met gedachten of woorden, niet met enig gebaar, veel minder met de daad.
De ander niet kwetsen. Die ander die kwetsbaar is. Want als je iemand pest, pak je altijd de kwetsbaarste. En dat mag niet. Thuis niet, op school niet, op de catechisatie niet, op de club niet, en ook niet in de kerk. Want met pesten maak je iemand stuk. Je haalt je nagels over het kwetsbaarste van die ander. Over zijn of haar gebrek, waar hij of zij niets aan kan doen. Of over zijn of haar uiterlijk of kleding. Niet doen, mensen. Niet één op één, niet in een groep, en ook niet online. Zeker niet door foto's van iemand te misbruiken. En ouders: als iemand nu zegt dat uw kind daaraan meedoet, haal daar dan niet uw schouders over op, maar grijp in. Antwoord 107 zegt straks: dat we verplicht zijn om de schade van een ander, zoveel als ons mogelijk is, te voorkomen.
Vanmiddag gaat het over Zondag 40. Over de vraag: wat wil God in het zesde gebod? Laten we samen de vragen 105, 106 en 107 gaan lezen:
Vraag 105. Wat eist God in het zesde gebod? Antwoord. Dat ik mijn naaste noch met gedachten, noch met woorden of enig gebaar, veel minder met de daad, door mijzelf of door anderen onteer, haat, kwets of dood; maar
dat ik alle wraakgierigheid afleg; ook mijzelf niet kwets of moedwillig in enig gevaar begeef; waarom ook de overheid het zwaard draagt om de doodslag te weren. Dat gaat over wat de Heere zegt dat we niet mogen doen.
Vraag 106. Maar dit gebod schijnt alleen van het doodslaan te spreken? Antwoord. God, verbiedende de doodslag, leert ons dat Hij de wortel van de doodslag, als nijd, haat, toorn en wraakgierigheid, haat en zulks alles voor een doodslag houdt. Dat gaat over waar dat slechte vandaan komt, uit welke wortel.
Vraag 107. Maar is het genoeg, dat wij onzen naaste, zoals tevoren gezegd is, niet doden? Antwoord. Neen; want God, verbiedende de nijd, haat en toorn, gebiedt dat wij onze naaste liefhebben als onszelf, en jegens hem geduld, vrede, zachtmoedigheid, barmhartigheid en alle vriendelijkheid bewijzen, zijn schade, zoveel als ons mogelijk is, afkeren, en ook onze vijanden goed doen. Dat gaat over wat een kind van God door genade wel doet.
Wat is eigenlijk de bedoeling om steeds weer de Tien Geboden te bespreken, en nu vanmiddag het zesde gebod? Dat kan ik samenvatten in drie woorden. Het doel is: dat we zwijgen zullen, dat we vluchten zullen, en dat we anders zullen gaan leven.
a. Het doel van Gods gebod is, als eerste, dat we zwijgen zullen. Dat we zullen gaan inzien dat we tegen God gezondigd hebben. Dat we zullen gaan zeggen: U hebt gelijk, Heere. Paulus schrijft in Rom. 3:19Wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen, die onder de wet zijn; opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij.: Wij weten nu dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen die onder de wet zijn; opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij. Zondag 40, het zesde gebod, heeft de bedoeling om ons het zwijgen op te leggen.
b. Het doel van Gods gebod is, als tweede: dat we vluchten zullen. Vluchten naar Hem, naar Christus, Die gekomen is om te zoeken en zalig te maken dat verloren is. Zondag 40, het zesde gebod, en al de andere geboden willen ons in de nood brengen. Zodat we gaan vluchten tot God, biddend om vergeving en genade.
c. Het doel van Gods gebod is, als derde: dat we anders zullen gaan leven. Want als de Heere ons vergeving van zonden geeft, is het niet de bedoeling door te leven in de zonde. Paulus vraagt in Rom. 6: Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde? Gewoon doorgaan met zonde en vanzelf meer genade krijgen? Nee, dat kan niet. Het doel van Gods genade is dat wij in nieuwheid des levens wandelen zouden. Dat we anders zullen gaan leven, in een nieuw leven. Waarbij we iedere dag van de Heere kracht en genade vragen. Want zonder dat vallen we alsnog en opnieuw in de zonde. Zondag 52 zegt: wij zijn van onszelf zo zwak, dat wij niet één ogenblik staande kunnen blijven. En in Johannes 15:5Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen. zegt de Heere Jezus: Ik ben de Wijnstok, en u de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt u niets doen.
Daarom zingen we altijd: gun ons, geef ons door het geloof in Christus… Wat? Krachten, want we hebben zelf geen kracht, om die te doen uit dankbaarheid. Zo kijken we vanmiddag naar de wil van de Heere in het zesde gebod.
Het thema voor de preek van vanmiddag is: Wat wil God in het zesde gebod?
We letten samen op drie aandachtspunten: 1. Wat de Heere zegt dat we niet mogen doen 2. Waar dat slechte vandaan komt 3. Wat we door genade wel moeten doen Als eerste dus:
De Catechismus zegt: ik mag mezelf of iemand anders niet onteren, haten, kwetsen of doden. Niet onteren. Niet de eer afnemen. Welke eer? De eer die God aan ons mensen gegeven heeft, namelijk dat we geschapen zijn naar Zijn beeld. De eer dat we het leven van Hem gekregen hebben. Toen Adam geschapen werd, blies de Heere in zijn neus, en toen ging Adam leven door de adem van God (Gen. 2:7En de HEERE God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen den adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel.). Dus: onze levensadem is van God. De mens is niet zomaar een ding, maar iemand die door God geschapen is. Die het leven van God gekregen heeft.
Je mag de ander niet onteren. En dan denk ik aan waar ik net mee begon: aan pesten. Pesten is lelijke dingen zeggen tegen een ander, of over een ander. Dat is zonde, tegen God en tegen je medemens. Niet doen dus! Je onteert het beeld van God, en je doet de ander heel veel pijn. En als je gepest wordt: vertel het eerlijk thuis, op school, op de catechisatie, aan iemand die je vertrouwt, zodat we je kunnen helpen.
Niet onteren, niet pesten. En ten tweede: niet haten. Je voelt het: het gaat verder. De broers van Jozef haatten hem, en dat leidde er uiteindelijk toe dat ze hem wilden doden. Heb jij misschien ook een verschrikkelijke hekel aan iemand, haat je zo iemand? Dat is niet goed. Dat is zonde tegen God.
Niet onteren, niet haten, en ten derde: niet kwetsen. Dat wil zeggen: niet verwonden, niet slaan, schoppen, of erger. Zoals Petrus die Malchus met het zwaard zijn rechteroor afsloeg. Je kunt ook jezelf pijn doen, jezelf kwetsen of beschadigen, jezelf snijden of krassen. Niet doen! Stop ermee, zoek hulp.
Niet onteren, niet haten, niet kwetsen, en — want daar kan dat allemaal op uitlopen — niet doden. Kaïn had een verschrikkelijke hekel aan zijn broer Abel, en op een dag sloeg hij hem met een knuppel dood. Wat doe je dan als je iemand vermoordt?
Je neemt hem of haar af, wat God aan die ander gegeven had: zijn of haar adem, zijn of haar levensadem. Dus je schaadt niet alleen je medemens, maar je doet ook iets heel ergs tegen God.
Dat kan met een knuppel, met een mes of met welk ander wapen dan ook. Dan ga je de gevangenis in. Maar het kan subtieler, onzichtbaarder. Je kunt ook een klein, onzichtbaar leven in de vroege zwangerschap doden, door abortus of door een abortief werkend anticonceptiemiddel. Jongens en mannen: niet doen, niet op aansturen, niet dwingen! En meisjes: houd je zwangerschap, houd je baby. Er is hulp. We staan om je heen, we gaan je niet laten vallen, als mensen niet, als diaconie niet en als gemeente niet.
Het kan subtiel en onzichtbaar aan het begin van het leven, maar ook aan het einde van het leven. Praat open met behandelaars over het doel van de laatste behandelingen vlak voor uw sterven of dat van uw geliefde. Maak duidelijk wat eigen wensen zijn. Ouderen, leg misschien tevoren dingen vast en wees open, ook over de manier waarop u sterven wil.
Maar de Heidelbergse Catechismus zegt: het kan subtieler. Niet alleen met de daad, maar ook met gebaren. Je weet wel, zo'n dreigend gebaar met je wijsvinger, als een mes door iemands keel. Of met woorden: ‘stik!’ of ‘krijg de een of andere ziekte!’ Of met je ogen: blikken kunnen doden. Of onzichtbaar, zonder woorden: je kunt iemand letterlijk doodzwijgen. Of met gedachten: Haman zag in gedachten Mordechai al hangen aan de galg. Je kunt in gedachten iemand verwensen, toewensen dat hij of zij sterven zal.
Niet doen, zegt de Catechismus: leg de wraakgierigheid af. Je bent belust op wraak. Je hart zit vol wrevel. Je denkt: ik moet het betaald zetten, ik zál het betaald zetten! Maar zo worden die huwelijksproblemen nooit opgelost. En zo blijft die familieruzie jaar in, jaar uit bestaan. Paulus schrijft in Kol. 3:8Maar nu legt ook gij dit alles af, namelijk gramschap, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uwen mond.: Maar nu legt ook gij dit alles af, namelijk gramschap, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uw mond.
En breng ook jezelf niet expres in gevaar. Want het gaat niet alleen om anderen, maar ook om jezelf. Bijvoorbeeld door heel gevaarlijke dingen te doen. Door zogenaamd heel stoer de straat of de overweg over te steken zonder te kijken, door veel te hard rijden of door te rijden terwijl je gedronken hebt. Je kunt jezelf zelfs van het leven beroven door veel te veel te drinken, of door je lijf te verwoesten met roken. Ook dat is zonde tegen God.
Het kan nog verder gaan: je kunt zelfs jezelf doden. Suïcide, zelfmoord plegen, ook dat is een heel grote zonde. Als je daarmee worstelt, als dat soms of vaker in je opkomt, dan wil ik vanmiddag een paar dingen tegen je zeggen.
a. Ten eerste: wat je voelt, dat gevoel van hopeloosheid en zinloosheid, daar weet de Heere van. Dat kan je misschien niet troosten, maar het is wel zo. Je vindt het namelijk ook in de Bijbel: in het leven van Job, David, Asaf en heel veel anderen.
b. Ten tweede: probeer je toevlucht te zoeken bij God, probeer te schuilen bij Hem. Ook al voel je niets. Zeg dan toch maar tegen jezelf: mijn ziel, mijn hart, wat ben je onrustig in mij! Hoop toch op God.
c. Ten derde: pas op voor eenzaamheid. Probeer, als het slecht met je gaat, iemand op te zoeken. En probeer er dan over te praten.
d. En ten vierde: zoek echt professionele hulp.
Er kunnen, gemeente, in het leven omstandigheden zijn die mensen er helaas toe brengen zichzelf van het leven te beroven. Dat is een bewijs van hun grote nood. Maar het doet ook blijvend heel veel pijn en verdriet bij degenen die achterblijven. In de voorbeelden die de Bijbel noemt, gaat het om mensen die heel bewust zelf gekozen hebben voor het einde van hun leven. Ze wilden bij gezond verstand zelf beslissen over leven en dood, als een ultieme daad van verzet tegen God. Denk maar aan koning Zimri, die zijn paleis in brand steekt om zichzelf te doden. Maar de Bijbel zegt: hij stierf om zijn zonden die hij in zijn leven gezondigd had (1 Kon. 16:15-20In het zeven en twintigste jaar van Asa, den koning van Juda, regeerde Zimri zeven dagen te Thirza; en het volk had zich gelegerd tegen Gibbethon, dat der Filistijnen is. Het volk nu, dat zich gelegerd had, hoorde zeggen: Zimri heeft een verbintenis gemaakt, ja, heeft ook den koning verslagen; daarom maakte het ganse Israël ten zelfden dage Omri, den krijgsoverste, koning over Israël, in het leger. En Omri toog op, en gans Israël met hem van Gibbethon, en belegerde Thirza. En het geschiedde, als Zimri zag, dat de stad ingenomen was, dat hij ging in het paleis van het huis des konings, en verbrandde boven zich het huis des konings met vuur, en stierf; Om zijn zonden, die hij gezondigd had, doende wat kwaad was in de ogen des HEEREN, wandelende in den weg van Jerobeam, en in zijn zonde, die hij gedaan had, doende Israël zondigen. Het overige nu der geschiedenissen van Zimri, en zijn verbintenis, die hij gemaakt heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?). Denk ook maar aan Achitofel. Als hij zich diep gekwetst voelt, omdat Absalom zijn raad niet opvolgt, maakt hij heel bewust zijn testament op en kiest hij voor de dood. De voorbeelden in de Bijbel, het zijn er in totaal zes, zijn allemaal voorbeelden van goddeloze mensen die openlijk in zonden tegen God geleefd hebben.
Maar het kan ook anders. Er zijn ook mensen die zó worstelen met somberheid, angst en eenzaamheid, die zó ziek zijn, dat ze in het leven geen uitzicht meer zien en geen weg meer weten. Soms worden ze overvallen door een psychische kwaal, door stemmen, door vlagen van verwardheid in het denken, waarbij gedachten aan zelfmoord omhoogkomen, die hen soms tot een impulsieve daad van zelfdoding kunnen brengen.
Het oordeel over iemand die zichzelf van het leven beroofd heeft, komt ons niet toe. Dat God al Zijn kinderen daarvoor bewaart, lees je nergens in de Bijbel. Je leest het tegendeel. Er zijn voorbeelden te over van kinderen van God die in ernstige zonden vallen. Zeker, dat het een heel erge zonde is, dat staat vast. Maar de Bijbel zegt ook: oordeelt niet, opdat u niet geoordeeld wordt (Matth. 7:1Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt.). Laat ik dit vooral zeggen, tegen u, tegen jou, die hier soms of vaker mee worstelt: doe jezelf geen kwaad (Hand. 16:28Maar Paulus riep met grote stem, zeggende: Doe uzelven geen kwaad; want wij zijn allen hier.). Als je vastzit, als je geen kant op kunt: kom, vertel het. We proberen je te helpen. En houd in gedachten het woord van de Heere Jezus: Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. Bid maar eenvoudig: Heere, denk aan mij.
U zegt: tot nu toe valt het zo mee, als ik zo luister naar de inhoud van het zesde gebod…
Dat klinkt als: God, ik dank U dat ik niet ben gelijk de andere mensen: rovers, onrechtvaardigen, overspelers… (Luk. 18:11De Farizeër, staande, bad dit bij zichzelven: O God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers; of ook gelijk deze tollenaar.). Maar kijk eens eerlijk in uw hart: hebt u nooit uw naaste, vriend of vijand, in uw gedachten onteerd? Of met een woord gekwetst? Bent u vrij van haat? Johannes schrijft in 1 Johannes 3:15Een iegelijk, die zijn broeder haat, is een doodslager; en gij weet, dat geen doodslager het eeuwige leven heeft in zich blijvende.: Een iegelijk, die zijn broeder haat, is een doodslager; en u weet, dat geen doodslager het eeuwige leven heeft in zich blijvende.
Zeker, je kunt voor het oog leven naar de letter van de wet. Nooit een ander met een mes achternagezeten, nooit iemand vermoord. Maar Paulus zegt: toen het gebod in mijn leven gekomen is, toen werd de zonde levend. Eerst leefde ik zonder wet. Stipt volgens de wet, maar in mijn hart toch zonder de wet. Maar toen God die mij als spiegel ging voorhouden, toen werd de zonde levend. En toen stierf dit nette mens, toen ging ik zwijgen (Rom. 7:9En zonder de wet, zo leefde ik eertijds; maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven.). Toen bekende ik aan U, o Heer', oprecht mijn zonden.
Dat gaan we nu samen eerst zingen uit Psalm 32:3: 'k Bekend', o HEER’, aan U oprecht mijn zonden; 'k Verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden; Maar ik beleed na ernstig overleg, Mijn boze daân; Gij naamt die gunstig weg. Dies zal tot U een ieder van de vromen, In vindenstijd, met ootmoed smekend, komen; Een zee van ramp moog' met haar golven slaan, Hoe hoog zij ga, zij raakt hem zelfs niet aan. - - - - -
Heb jij dat weleens gedaan? Aan de Heere zonden beleden, zo dat je geen kwaad voor Hem verborg? Ik beleed na ernstig overleg mijn boze daden, alles wat ik gedaan had? Maar, zegt David in een andere psalm, in Psalm 51: er bleek tot mijn schrik nog veel meer aan de hand te zijn. Ik ben in ongerechtigheid geboren. Er zit een verkeerde wortel in mijn hart. Dat gaan we zien in ons tweede aandachtspunt:
Want antwoord 106 zegt: God, verbiedende de doodslag, leert ons dat Hij de wortel van de doodslag, als nijd, haat, toorn en wraakgierigheid, haat en zulks alles voor een doodslag houdt.
Al is ons leven als dat van een farizeeër: God haat de wortel van het kwaad in ons hart. U denkt misschien: God zal me wel heel netjes en voorbeeldig vinden. Maar ik moet u teleurstellen: God haat de wortel van het kwaad in uw en mijn hart. Dat we anderen soms het licht in de ogen niet gunnen… Dat ons hart soms zo vol is van wrevel en afgunst, dat we graag zouden zien dat God anderen iets betaald wilde zetten… Dat alles houdt God voor moord.
Hier komt Nathan binnen en zegt: Gij zijt die man. U bent die man (2 Sam. 12:7Toen zeide Nathan tot David: Gij zijt die man! Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Ik heb u ten koning gezalfd over Israël, en Ik heb u uit Sauls hand gered;).
Koning David, u lijkt voorbeeldig, maar God heeft uw hart en uw wegen gezien en uw gedachten doorgrond. U bent — en het wordt geschreven op de wand van ons leven — gewogen, gewogen en te licht bevonden (Dan. 5:27TEKEL; gij zijt in weegschalen gewogen; en gij zijt te licht gevonden.). O, laten deze woorden ons toch ontdekken aan wie we zijn: eerrovers van God. Ik heb mezelf door mijn zonden vermoord. En mijn hart is een bron van moorddadige gedachten. Een moordenaar, dat ben ik! Opdat ik zou zwijgen, en zeggen: het is rechtvaardig, ik heb Uw straf verdiend, ik ben Uw gramschap dubbel waard. Opdat ik in de nood van mijn leven, van mezelf af zou zien, en zou zeggen: Heere, denk aan mij! Wees mij moordenaar genadig!
Dit gebod wil ons een bepaalde kant op dringen. Het wil ons onze zonden laten zien. Het wil ons als een pedagoog, als een tuchtmeester, pijnlijk laten zien en voelen dat we zondaars zijn, die het zelf nooit meer goed kunnen maken. Om ons bij Christus te brengen.
Bij Christus! Hij kende geen zondige nijd, toorn, haat of wraakzucht. Hij stierf niet om Zijn eigen zonden. Maar Hij wilde uit liefde, uit louter zondaarsliefde, met misdadigers gerekend zijn. Niet voor niets wilde Hij sterven tussen twee moordenaars. Dat was niet toevallig. Dat was Gods plan. Dat was Gods keus. Voor zulke mensen kwam Hij. En in dat gezelschap bewijst Hij ook nu nog Zijn genade.
Dus als u vanmiddag zegt: ‘zo ben ik niet’, dan sluit u uzelf buiten de zaligheid. Is dat niet de reden, ouderen onder ons, dat u – terwijl u aan de avond van uw leven gekomen bent – nog steeds moet zeggen: ‘ik ben nog onbekeerd’? Hebt u uzelf niet uw leven lang tot de verkeerde groep mensen gerekend? Bij de goede mensen, bij de nette mensen, bij de goedwillenden, bij de mensen die zo goed bedoelen en zo hun best doen? Maar daarmee hebt u uzelf buitengesloten. U hebt altijd gedacht: ‘het is raar, de Heere zegt dat Hij slechte mensen zalig wil maken. Maar daar hoor ík niet bij.’
Kom, mensen, kom zondaars, kom moordenaars: er is een geopende weg om zalig te worden. Zwijg voor God. Zeg: ‘Heere, U hebt gelijk. Ik heb altijd gedacht dat ik goed en netjes was, van goede wil was en beter dan anderen. Maar nu blijkt dat het anders is. Ik ben die man. Ik ben die vrouw. Ik heb gedaan alles wat kwaad was in Uw oog. En de wortel van alle kwaad groeit hier vanbinnen, ook bij mij. Maar zo heb ik het nog nooit eerder zo gezien. Genade, o God, genade! Mag ik genade vinden in Uw ogen?’
Wat een troost voor u, voor jullie, zoekende en met deze zonden worstelende mensen. De Heere Jezus kwam juist voor mensen zoals u en ik. Dat zie je voor ogen als je Hem ziet hangen aan het kruis, tussen twee misdadigers. Christus bewijst genade aan een moordenaar. En Hij bad juist voor mensen zoals u en jij: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen (Luk. 23:34En Jezus zeide: Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen. En verdelende Zijn klederen, wierpen zij het lot.). Bid maar eenvoudig: Heere, denk aan mij.
Als je in je eigen leven iets mag kennen van de genade van de Heere Jezus, Die aan het kruis gehangen wilde worden voor en tussen misdadigers, om vijanden van God te verzoenen — dan kan het niet anders — dan komt er in je leven een begin van een nieuw leven, een nieuwe gehoorzaamheid. Dat gaan we zien in onze derde gedachte:
Vraag 107 zegt: Maar is het genoeg, dat wij onzen naaste, zoals tevoren gezegd is, niet doden? Het antwoord zegt: Nee, want God, verbiedende de nijd, haat en toorn, gebiedt dat wij onze naaste liefhebben als onszelf, en jegens hem geduld, vrede, zachtmoedigheid, barmhartigheid en alle vriendelijkheid bewijzen, zijn schade, zoveel als ons mogelijk is, afkeren, en ook onze vijanden goed doen. God liefhebben boven alles en onze naaste als onszelf, dat is de liefde-eis van de wet. Dat doen uit dankbaarheid, dat is de roeping van al Gods kinderen: liefhebben.
Dat je een ander niet doodt, is nog geen bewijs van gehoorzaamheid of liefde. Je kunt het ook gewoon laten uit egoïsme, uit zelfzucht, of omdat je niet de gevangenis in wilt. Maar de kern van gehoorzaamheid is liefde. Je naaste, vriend of vijand, liefhebben als jezelf.
Jezelf liefhebben, dat is het liefhebben van het eigen leven als datgene wat God aan je gegeven heeft. Zeker, ondergeschikt aan de liefde tot God. Want we moeten God liefhebben boven alles. En echte zelfliefde leidt zeker ook niet tot trots of hoogmoed, maar juist tot ootmoed. Want het is de erkenning van wat God je gegeven heeft. Paulus zegt: door genade ben ik, dat ik ben. Niet meer van mezelf, maar eigendom geworden van Jezus Christus. En dus is dat liefhebben van mezelf tegelijkertijd een mishagen van mezelf, van de oude, zondige ik.
En: de naaste liefhebben als jezelf, dat is goed doen aan iedereen. Bekend en onbekend. Nederlander en buitenlander. Van hier en vluchteling. Zelfs mijn vijanden. Wat is dat liefhebben van onze naaste? Is dat dat je aardige dingen zegt tegen de ander? Nee, de Catechismus zegt: we moeten het doen! Laat het maar zien. We moeten het bewijzen. Geduld en vrede bewijzen: Indien het mogelijk is, zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen (Rom. 12:18Indien het mogelijk is, zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen.). Zachtmoedigheid bewijzen, naar het voorbeeld van de Heere Jezus: Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart (Matt. 11:29Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen.). Barmhartigheid bewijzen: medelijden hebben en mensen in nood te hulp komen. Weest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is (Luk. 6:36Weest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is.). En vriendelijkheid bewijzen, als levenshouding, als grondhouding van ons hart. Petrus schrijft: Zijt allen eensgezind, medelijdend, de broeders liefhebbende, met innerlijke barmhartigheid bewogen, vriendelijk; vergeldt niet kwaad voor kwaad, of
schelden voor schelden, maar zegent daarentegen; wetende, dat u daartoe geroepen bent, opdat u zegening zou beërven (1 Petr. 3:8-9En eindelijk, zijt allen eensgezind, medelijdend, de broeders liefhebbende, met innerlijke barmhartigheid bewogen, vriendelijk; Vergeldt niet kwaad voor kwaad, of schelden voor schelden, maar zegent daarentegen; wetende, dat gij daartoe geroepen zijt, opdat gij zegening zoudt beërven.). Daartoe, kinderen van God, zijn we geroepen.
Maar kan dat in eigen kracht? Nee, dat kan alleen als we onze kracht putten uit de volmaakte Christus. Als we door Zijn genade en door het werk van de Heilige Geest in ons hart meer en meer aan Zijn beeld gelijkvormig worden. Dat is geen eigen prestatie. Dat is genade, en tegelijkertijd opdracht. En dus dringt ons dat blijvend tot het gebed: O, Zoon, maak ons Uw beeld gelijk!
Eertijds, kinderen van God, waren wij: onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde en elkander hatende. Maar toen de goedertierenheid van God, onze Zaligmaker, en Zijn liefde tot de mensen verschenen is, heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes. Die God, zegt Paulus, over ons rijkelijk heeft uitgegoten door Jezus Christus, onze Zaligmaker (Tit. 3:3-6Want ook wij waren eertijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde, en elkander hatende. Maar wanneer de goedertierenheid van God, onzen Zaligmaker, en Zijn liefde tot de mensen verschenen is, Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes; Denwelken Hij over ons rijkelijk heeft uitgegoten door Jezus Christus, onzen Zaligmaker;). Alleen door de vernieuwende genade van de Heilige Geest leren we gaan in het spoor van dit gebod.
Gemeente, jongens en meisjes: luister niet alleen naar het Woord, maar doe het ook. Wees daders des Woords, en niet alleen hoorders (Jak. 1:22En zijt daders des Woords, en niet alleen hoorders, uzelven met valse overlegging bedriegende.).
Amen.
Slotzang Psalm 139:1,13,14
Niets is, o Oppermajesteit, Bedekt voor Uw alwetendheid.
Zou 'k hen niet haten in mijn hart, Wier snode haat Uw goedheid tart?
Doorgrond m', en ken mijn hart, o HEER; Is 't geen ik denk niet tot Uw eer?
Andere preken over Zondag