Zondag 46 · 1 november 2026
Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 46 (serie 2)
INLEIDING
Zondag 46 van de Catechismus gaat over de aanspraak van het allervolmaaktste gebed: Onze vader, die in de hemelen zijt.
De aanhef (of aanspraak) van het allervolmaaktste gebed
ZONDAG 46
Vraag 120: Waarom heeft ons Christus geboden God alzo aan te spreken: 'Onze Vader'?
Opdat Hij van stonde aan, in het begin onzes gebeds, in ons de kinderlijke vrees en toevoorzicht tot God verwekke, welke beide de grond onzes gebeds zijn, namelijk, dat God onze Vader door Christus geworden is, en dat Hij ons veel minder afslaan zal hetgeen dat wij Hem met een recht geloof bidden, dan onze vaders ons aardse dingen ontzeggen.
Vraag 121: Waarom wordt hier bijgevoegd: 'Die in de hemelen zijt'?
Opdat wij van de hemelse majesteit Gods niet aardselijk gedenken, en van Zijn almachtigheid alle nooddruft des lichaams en der ziel verwachten.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Zondag 46
THEMA
De aanhef (of aanspraak) van het allervolmaaktste gebed
Geliefde gemeente, er is op aarde nooit iemand geweest, Die zo veel en zo vaak bad als de Heere Jezus Christus. In Lukas 3 staat: Toen Hij gedoopt werd, bad Hij (Luk. 3:21). In Lukas 5: Hij vertrok in de woestijn en bad daar (Luk. 5:16). In Lukas 6: Hij ging uit naar de berg om te bidden en bleef de nacht over in gebed (Luk. 6:12). In Lukas 9: Hij was alleen, biddend (Luk. 9:18). En nog een keer in dat hoofdstuk: Hij klom op de berg om te bidden, en als Hij bad werd Zijn gedaante veranderd, en Zijn kleding wit en zeer blinkend (Luk. 9:28-29).
En nu, in Lukas 11, in het Schriftgedeelte dat we samen gelezen hebben, is Hij weer in gebed. Kijk maar in Lukas 11:1: En het geschiedde toen Hij in een zekere plaats was biddende, als Hij ophield (met bidden), dat een van Zijn discipelen tot Hem zeide: Heere, leer ons bidden, gelijk ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft. Diep geraakt door het horen van het bidden van hun Meester, zegt een van de discipelen (wie het ook was): Heere, leer ons ook om te bidden!
Het is een vraag vol nood. Een vraag die laat voelen: Heere, wij kunnen niet bidden, zoals het behoort. Wilt U het ons leren? Laat, vóór de behandeling van het gebed als thema in de Catechismus (deze en aanstaande Zondagen) dat ook het verlangen van óns hart zijn, gemeente: Heere, leer ons bidden.
Heere, leer ons bidden. Dat is, gemeente, jongelui, op zichzelf al een goed en heel nodig gebed. Want het is moeilijk om te bidden. Want, zegt Matthew Henry: Het is alleen Jezus Christus Die ons kan leren bidden door Zijn Woord en Geest. ‘Geef mij een mond en wijsheid in het gebed opdat ik kan spreken zoals het behoort. Leer mij, wat ik zal zeggen.’ Maar het gaat niet alleen om de woorden, die de Heere Jezus hier in Lukas vóór zegt. Het gaat ook om de manier van bidden. Om te blijven bidden, vastberaden en volhardend in het gebed. We moeten niet één keer bidden en vervolgens doen alsof we niets gevraagd hebben. Nee, we moeten aanhoudend en met verwachting bidden. Zoals in het voorbeeld dat staat in vers 5-8. Van die vriend die midden in de nacht bij zijn vriend komt om drie broden te lenen.
Misschien begrijpen we wat daar gezegd wordt iets beter, als we het verplaatsen naar onze eigen tijd. Stel je voor, jongelui, dat midden in de nacht je mobiel gaat. Je wordt gebeld. Je denkt: ‘Wie belt er nou weer, midden in de nacht? Ik wil slapen!’ Maar dan wordt er wéér gebeld. Deze keer kijk je misschien even naar het nummer. Maar je neemt toch maar niet op. Het is tijd om te slapen. Even denk je bij jezelf: ‘Wat zou die willen?’, maar dan draai je je weer snel op één oor. Het kan vast wel wachten tot morgen. Maar dan gaat de telefoon nog een keer. Je denkt: ‘Die laat me niet met rust, toch maar beter opnemen!’ Het is de volharding van de beller, zijn of haar aanhoudende bellen en doorbellen, dat uiteindelijk resultaat oplevert.
Daarom zegt de Heere Jezus in vers 9-10: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en u zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. Want een iegelijk die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien (voor die) zal opengedaan worden. En dan worden er allemaal werkwoorden gebruikt in de continue tijd. Dus dat zijn acties, die we moeten beginnen en waar we niet mee moeten stoppen.
Over dat bidden, over zulk bidden, gaat het in de Zondagen 46 tot en met 52, die gaan over het Onze Vader. Vanmiddag gaan we met Gods hulp kijken naar Zondag 46 van de Heidelbergse Catechismus. Een Zondag die gaat over het begin, over de aanhef van het allervolmaaktste gebed. Laten we samen de vragen en antwoorden gaan lezen.
Vraag 120: Waarom heeft ons Christus geboden God alzo aan te spreken: Onze Vader? Antwoord: Opdat Hij van stonde aan, in het begin onzes gebeds, in ons de kinderlijke vreze (eerbied, ontzag) en toevoorzicht (vertrouwen, vrijmoedigheid) tot God verwekke, welke beide de grond onzes gebeds zijn, namelijk, dat God onze Vader door Christus geworden is, en dat Hij ons veel minder afslaan (of: weigeren) zal hetgeen dat wij Hem met een recht geloof bidden, dan onze vaders ons aardse dingen ontzeggen. a. Het eerste deel van het antwoord gaat over kinderlijke eerbied en kinderlijke vrijmoedigheid. b. En het tweede deel van het antwoord gaat over kinderlijk geloof.
Vraag 121: Waarom wordt hierbij gevoegd: Die in de hemelen zijt? Antwoord: Opdat wij van de hemelse majesteit Gods niet aards gedenken, en van Zijn almachtigheid alle nooddruft des lichaams en der ziel verwachten. Dit antwoord gaat over kinderlijke verwachting.
Het thema voor de preek van vanmiddag is: De aanhef (of aanspraak) van het allervolmaaktste gebed
Die aanhef wil ons drie dingen leren: 1. Kinderlijke eerbied en vrijmoedigheid (het eerste deel van antwoord 120) 2. Kinderlijk geloof (het tweede deel van antwoord 120) 3. Kinderlijke verwachting (en dat staat in antwoord 121)
Als eerste dus:
Waarom zei ik dat eigenlijk daarnet zo, dat die aanhef ons drie dingen ‘wil leren’? Waarom zei ik niet: die aanhef verplicht ons, die aanhef eist van ons: ‘Zo moet je bidden! En als je dat moeilijk vindt, dan klopt er iets niet?’
Nee, die aanhef wil ons drie dingen leren. Luister maar naar wat de Catechismus zegt, als het gaat over kinderlijke eerbied, over kinderlijk vertrouwen, en over geloof en vrijmoedigheid. Waarom bidden wij: Onze Vader, Die in de hemelen zijt? Het antwoord zegt: Opdat (dat is het doel!), opdat Hij, Christus, die zaken - eerbied, geloof, vertrouwen en verwachting - in ons zal verwekken. Dat is dus het doel van de Heere Jezus. Dat wil Hij Zijn discipelen en al Zijn kinderen léren: eerbied, geloof, vertrouwen en vrijmoedigheid. Om op díe grond, om op díe basis, verder te gaan bidden.
Dus met deze aanspraak, Onze Vader, wil de Heere ons leren tot Wie wij bidden. Je zegt: “Dat weet ik al, wij bidden tot God.” Ja, maar de Heere Jezus wil ons laten voelen, laten zien en laten geloven: Wie God is en Wie Hij wil zijn.
Wie Hij is? Onze Vader, Die wij verlaten hebben. Van Wie wij weggegaan zijn. Wij waren door God geschapen als Zijn kinderen. Adam heet in Lukas 3 ‘de zoon van God’. Maar wij hebben in diepe ondankbaarheid en in harde opstand tegen God gezegd: ‘Wij willen U als Vader niet meer hebben.’
Als je een kind hebt, en dat kind laat je voelen: ‘Ik wil u niet meer als vader of moeder...’, dan voel je, menselijk gezegd, een schijntje van het verdriet van God om ons, die met Hem gebroken hebben; om ons, die Hem als Vader geweigerd hebben.
En wat deed de Heere? En wat doet de Heere, nu je Hem niet meer als Vader wilt hebben? Hij had mij en jou kunnen wegdoen, voor altijd. Maar Hij deed iets anders. Hij stuurde Zijn eniggeliefde Zoon naar de aarde, om mensen zoals wij, weggelopen kinderen, weer thuis te brengen bij Hem.
Wie God is? Onze Vader, Die wij geminacht hebben, Die wij verlaten hebben. En Wie wil Hij zijn, voor zulke mensen? Een genadige en barmhartige Vader, in en door Jezus Christus, Zijn lieve Zoon.
Als je daar bij jezelf rustig en eerlijk over nadenkt, over het feit dat je met God gestopt bent, dat je Hem verlaten hebt..., kan je dan zomaar geloven dat God nog steeds Vader wil zijn? Kan je dan zomaar, automatisch geloven, dat je nog steeds welkom bent bij Hem?
Als je als nietig, als piepklein mensje de grote God zo diep gekrenkt hebt..., dan is er toch geen ruimte meer voor dat automatische, voor dat vanzelfsprekende: ‘O ja, natuurlijk, God is Vader, Hij is ook mijn Vader!?’
Dan kun je je toch wel voorstellen, dat juist die mensen, die iets hebben leren kennen van Wie God is, de heilige God, en die iets hebben leren kennen van wie zij zelf zijn, hardnekkige zondaars, dat juist die mensen het vaak zo moeilijk vinden om dit te bidden: ‘Onze Vader’? Want er is zoveel in ons leven dat ons veroordeelt. En ik gedraag mij zo weinig als een kind van Hem.
Maar weet je, weet u, dit is ook niet bedoeld als een zelfverzekerd begin. Zo in de trant van: "Heere, U bent mijn Vader, toch? Dat weet ik, dat geloof ik, dat zie ik aan mijn leven, aan mijn liefde voor U en aan mijn bidden tot U." Nee, want zelfs als je een kind van de Heere mag zijn, dan ontbreekt er nog zoveel. En juist als je een kind van de Heere bent, zie je dat als geen ander. Dit is niet bedoeld als een zelfverzekerd begin!
Deze woorden van de Heere Jezus zijn gegeven, in het bijzonder aan u, kinderen van God, om u te leren wat u nog zo moeilijk vindt, en om u te geven wat u van uzelf niet hebt. Namelijk, als eerste: kinderlijke eerbied en kinderlijke vrijmoedigheid.
Antwoord 120 zegt: Opdat Hij van stonde aan, in het begin van ons gebed, in ons de kinderlijke vreze en toevoorzicht tot God verwekke. De Heere wil direct aan het begin van ons gebed in ons het kinderlijke ontzag en het kinderlijke vertrouwen op God geven. Dat is niet het eerste wat Hij aan ons vraagt, maar het eerste wat Hij in ons verwekken wil, wat Hij ons geven wil.
De Heere wil die aanspraak, Onze Vader, gebruiken om in ons kinderlijke eerbied, kinderlijk ontzag te verwekken. Geen angst, geen paniek, maar wel het besef dat de Heere de allerhoogste God is. Voor Wie wij grote eerbied moeten hebben. Iets van de eerbied die je voelt bij Abraham, als hij de Heere aanspreekt. Hij wordt door de Bijbel een ‘vriend van God’ genoemd (Jak. 2:23En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, en hij is een vriend van God genaamd geweest.). En wat zegt hij, als hij gaat bidden? Zie toch, ik heb mij onderwonden te spreken tot de Heere, hoewel ik stof en as ben (Gen. 18:27En Abraham antwoordde en zeide: Zie toch; ik heb mij onderwonden te spreken tot den Heere, hoewel ik stof en as ben!). Dat wil zeggen: ik voel mijn nietigheid, maar ik dúrf het te wagen, ik durf de moed te hebben om tot U te spreken. Die diepe eerbied wil de Heere geven aan echte bidders. Geen afstandelijke vrees voor een onbekende, ver afstaande God. Maar kinderlijke eerbied, door het gebruiken van de Naam die ons voorgezegd wordt: Onze Vader. Een aanspraak die in alle vezels van ons bestaan kinderlijke vrees opwekt.
Maar ook, zegt de Catechismus, een kinderlijk toevoorzicht tot God. Een kinderlijk vertrouwen en kinderlijke vrijmoedigheid. Namelijk zo, dat je alles aan de Heere durft voor te leggen, net als een kind bij zijn of haar vader. Dat je alles aan de Heere durft te
vragen. Dat je al je zonden aan de Heere durft te belijden. Dat je alles voor de Heere neer durft te leggen, en ook zo graag neer wilt leggen: je zonden, je gebreken, de gebreken aan je kind-zijn, en dat je dat kind-zijn zo verzondigd hebt. En ondertussen, dat is de goedheid en de goedertierenheid van onze God, ondertussen wil de Heere (zegt de Catechismus) midden in al ons gebrek, vrijmoedigheid en vertrouwen in ons verwekken, juist door ons die twee woorden te laten uitspreken: Onze Vader.
Wat wij misschien wel moeilijk vinden... Wat hebben wij immers vaak verkeerde gedachten over de Heere. Dan denken wij dat de Heere boos op ons is. Dat Hij ons harde verwijten zal maken. Dat Hij tegen ons is, omdat alle dingen in ons leven zo moeilijk lopen. Néé, zegt de Heere: U moet anders over Mij denken. Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontferm Ik, de HEERE, Mij over degenen die Mij vrezen (Ps. 103:13Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de HEERE over degenen, die Hem vrezen.). Ik weet wel wat van Mijn maaksel te verwachten is (Ps. 103;14). Maar Ik ben: barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid (Ex. 34:6Als nu de HEERE voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid.). Ja, Mijn goedertierenheid - Mijn liefde en trouw - duurt tot in eeuwigheid. En dus zeg nu maar: Onze Vader. Die woorden geef Ik u, om in uw hart te verwekken, wat u van uzelf niet hebt. Want Ik ben een barmhartig en genadig God. En Ik ben Israël tot een Vader (Jer. 31:9Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren; Ik zal hen leiden aan de waterbeken, in een rechte weg, waarin zij zich niet zullen stoten; want Ik ben Israël tot een Vader, en Efraïm is Mijn eerstgeborene.).
Laten wij daar samen eerst van zingen uit Psalm 103 vers 7: Geen vader sloeg met groter mededogen Op teder kroost ooit zijn ontfermend' ogen, Dan Isrels HEER op ieder, die Hem vreest; Hij weet, wat van Zijn maaksel zij te wachten, Hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten, En dat wij stof, van jongs af, zijn geweest.
- - - - -
De aanspraak van dit allervolmaaktste gebed wil ons als eerste (zo hebben we gezien) kinderlijke eerbied en kinderlijke vrijmoedigheid leren.
En als tweede ook (en dat is het tweede aandachtspunt van de preek):
Immers, de Catechismus zegt in antwoord 120: de Heere wil in ons kinderlijke vrees en kinderlijke vrijmoedigheid verwekken, welke beide de grond zijn van ons gebed. Dat is dus de basis van het vervolg, van alles wat wij verder gaan bidden. En die basis is wat antwoord 120 zegt: dat God onze Vader door Christus geworden is, en dat Hij ons veel minder zal afslaan, hetgeen wij Hem met een recht geloof bidden, dan onze vaders ons aardse dingen ontzeggen.
God is - wat is dat troostvol, kinderen van God, dat de Heere ons dat zo wil leren - God is dóór Christus onze Vader geworden. Door Christus, de Gekruisigde, Die de Vader voor ons overgaf tot in de dood des kruises (Fil. 2:8). Die Zichzelf voor ons heeft overgegeven (Gal. 2:20Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.). Dit is het kinderlijk geloof dat de Heere in de harten van Zijn kinderen wil verwekken, wil geven. Geldt dat vooral voor vergevorderden in de genade, die de Heere al jarenlang kennen? Nee, dat geldt juist de kinderen. Luister maar naar wat Johannes schrijft in 1 Johannes 2:13Ik schrijf u, vaders! want gij hebt Hem gekend, Die van den beginne is. Ik schrijf u, jongelingen, want gij hebt den boze overwonnen. Ik schrijf u, kinderen, want gij hebt den Vader gekend.: Ik schrijf u, vaders, want u hebt Hem gekend Die van de beginne is. Ik schrijf u, jongelingen, want u hebt de boze overwonnen. Ik schrijf u, kinderen, want u hebt de Vader gekend.
Een gewone vader wil ons in dit leven wel eens iets geven, maar hij kan het niet. Hij heeft er de middelen niet voor. Hij heeft het vermogen niet om het te doen. Of hij wil het niet. Maar als de eeuwige Vader iets wil geven, dan kan Hij dat ook, dan doet Hij dat ook. Hij kan geven, Hij wil geven, alles wat wij met kinderlijk geloof van Hem bidden.
Als we daaraan denken, dan verdwijnen alle harde gedachten die we van de Heere kunnen hebben. Hij kan alles, en Hij kan en wil als Vader Zijn kinderen het allerbeste geven. Zoals de Heere Zelf zegt in Lukas 11: Indien dan u, die boos (die zondig) bent, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader de Heilige Geest geven dengenen die Hem bidden! (Luk. 11:13) Zoals Paulus ook zegt in Romeinen 8: Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken (Rom. 8:32)?
Hier licht op wat de Catechismus eerder zei in Zondag 9: Dat de eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus, Die hemel en aarde met al wat er in is uit niet geschapen heeft, (…) om Zijns Zoons Christus wil mijn God en mijn Vader is; op Welken ik alzo vertrouw, dat ik niet twijfel of Hij zal mij met alle nooddruft des lichaams en der ziel verzorgen, en ook al het kwaad dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt mij ten beste keren; dewijl Hij zulks doen kan als een almachtig God, en ook doen wil als een getrouw Vader. Als een trouwe Vader, als onze Vader.
Deze hemelse Vader zal alle moeilijke dingen van dit leven gebruiken voor ons bestwil. Zouden wij dan niet met vrijmoedigheid alles in Zijn handen geven? Moeite en verdriet? Ziekte en zorgen? Rouw en verlies? Gelovend dat het Hem nooit uit de hand loopt? Gelovend dat Hij trouw is en trouw blijft? Gelovend dat Hij, Die Zijn eniggeliefde Zoon aan ons gaf, ook alle dingen tot ons bestwil met Hem geven zal? Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, zo ontfermt Zich de HEERE over degenen die Hem vrezen (Ps. 103:13).
Deze aanhef ‘onze Vader’ wil ons drie dingen leren. Als eerste kinderlijke eerbied en vrijmoedigheid. Als tweede kinderlijk geloof. En als derde ook kinderlijke verwachting. Dat is ons derde aandachtspunt:
Vraag 121 zegt: Waarom wordt hierbij gevoegd: Die in de hemelen zijt? Antwoord: Opdat wij van de hemelse majesteit Gods niet aards gedenken, en van Zijn almachtigheid alle nooddruft des lichaams en der ziel verwachten.
Je hoort nog een keer de oproep tot eerbied: opdat wij van de hemelse majesteit Gods niet aards zouden denken. De Catechismus wijst in de verwijsteksten naar Handelingen 17:24-25De God, Die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is; Deze, zijnde een Heere des hemels en der aarde, woont niet in tempelen met handen gemaakt; En wordt ook van mensenhanden niet gediend, als iets behoevende, alzo Hij Zelf allen het leven, en den adem, en alle dingen geeft;, waar staat: De God, Die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is; Deze, zijnde een Heere des hemels en der aarde, woont niet in tempelen met handen gemaakt; en wordt ook van mensenhanden niet gediend, als iets behoevende, alzo Hij Zelf allen het leven en de adem, en alle dingen geeft. Hij heeft ons gemaakt. Hij onderhoudt ons leven. Wij hebben Hem nodig. Maar de grote God van hemel en aarde wordt door mensen niet gediend en aanbeden, als had Hij iets van ons nodig. Hij heeft niets van ons nodig.
Immers Hij heeft alle macht. Hij heeft de teugels van het wereldbestuur in handen. Hij opent koperen deuren, Hij slaat ijzeren grendels in stukken (Jes. 45:2Ik zal voor uw aangezicht gaan, en Ik zal de kromme wegen recht maken; de koperen deuren zal Ik verbreken, en de ijzeren grendelen zal Ik in stukken slaan.). Hij opent gesloten wegen, zoals Hij voor Israël een weg baande door de Rode Zee (Ex. 14). Hoe groot en heerlijk en almachtig is onze God! De Heere tot Wie wij bidden, Die wij aanroepen, is hoog, oneindig hoog. Hij is machtig, Hij is almachtig.
Wat een geruststelling is dat voor de echte bidder: God weet wat het beste voor mij is, en Hij kan alles, Hij doet alles wat Hem behaagt. En dus mag ik, zegt de Catechismus, alles wat ik nodig heb voor mijn lichaam en voor mijn ziel van Hem verwachten. Biddend verwachten! Zoals David dat doet in Psalm 25: Denk, Heere, aan Vaderlijke meêdogen, waarop ik biddend pleit. Milde handen, vriendelijke ogen, zijn toch bij U van eeuwigheid? En dus verwacht ik de verhoring van mijn gebed, van U, o Vader. Ik wacht U, Uw hulp zal blijken.
Want, in al mijn onwaardigheid, weet ik en geloof ik, dat U mij hoort en dat U mij verhoort als een Vader, Die weet wat het allerbeste voor mij is. En dus zegt de Catechismus: van Uw almacht zal ik alles wat ik nodig heb voor lichaam en ziel verwachten.
Dus, wat is de echte, de Bijbelse gebedshouding? Zoals men vroeger zei: de ware gebedsgestalte? Dat is (zoals we zagen bij punt 1) een houding van eerbied, van vrijmoedigheid.
Dat is (zo zagen we bij punt 2) een houding van geloof. Van geloof, dat de Heere mij, om Christus' wil, niet zal afslaan. En dat is (zo zien we hier) ook een houding van verwachting. Zoals de dichter van Psalm 130 zingt: Ik blijf de HEERE verwachten. Mijn ziel wacht ongestoord. Ik hoop, in al mijn klachten op Zijn onfeilbaar woord.
Zoals de profeet Elia bidt op de berg Karmel. De Bijbel vertelt in 1 Koningen 18 eerst hoe eerbiedig hij bidt. Er staat: Hij breidde zich uit voorwaarts ter aarde; daarna legde hij zijn aangezicht tussen zijn knieën. Diep gebogen voor de hoge God (1 Kon. 18:42). En dan daarna proef je iets van de biddende verwachting van de profeet. Ook al lijkt er aanvankelijk nog geen verhoring te zijn, hij blijft bidden. Hij zei (staat er) tot zijn jongen: Ga nu op en zie uit naar de zee. Toen ging hij op en zag uit, en zeide: Er is niets. Toen zeide hij: Ga weder heen, zevenmaal. En het geschiedde op de zevende maal, dat hij zeide: Zie, een kleine wolk als eens mans hand gaat op van de zee.
Hij heeft volhardend gebeden en de Heere verwacht. En nu verhoort God zijn gebeden. De Chinese zendeling James Fraser schrijft ergens: "God heeft geen haast." Hij wacht op Zijn tijd. En dus moeten wij, kinderen van God, ook wachten. Niet zorgeloos, niet lijdelijk en ongelovig, maar uitziend en verwachtend. De Heere zal doen wat Hij beloofd heeft. Hij laat nooit één woord op de aarde vallen (Joz. 21:45Er viel niet een woord van al de goede woorden, die de HEERE gesproken had tot het huis van Israël; het kwam altemaal., 1 Sam. 3:19Samuël nu werd groot; en de HEERE was met hem, en liet niet een van al Zijn woorden op de aarde vallen.). Hij zal op Zijn tijd stille en volhardende gebeden vol verwachting verhoren.
Hij zal als Vader zorgen, zegt de Catechismus, voor mijn lichaam en mijn ziel. Met Zijn almacht zal Hij zorgen voor al mijn nooddruft, voor alles wat ik nodig heb. En wat ik nodig heb, weet de Heere als geen ander, veel beter dan ikzelf. En dat verwacht ik van Hem.
Wat is dat, lieve mensen, een gelukkig leven. En wat geeft dat rust in ons leven, niet waar, kinderen van God? De Heere, voor Wie wij eerbiedig en met vrijmoedigheid buigen… De Heere, van Wie wij geloven dat Hij ons nooit zal afslaan…. Hij zal ons, als de Almachtige, het allerbeste geven. Als de alwijze God, Die weet wat wij nodig hebben. Die ons in liefde het beste geeft. Die ons in liefde en zorg ook die dingen onthoudt, die niet goed voor ons zouden zijn. Zoals een vader voor zijn kinderen zorgt.
En dus geloven wij met heel ons hart wat de Catechismus eerder zei in Zondag 10: dat alle dingen in ons leven, de mooie dingen maar ook de moeilijke: loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en krankheid, vreugde en verdriet, rijkdom en armoede, samen zijn en alleen verder moeten, ja alle dingen, niet bij geval, maar uit Zijn Vaderlijke hand ons toekomen.
En omdat wij dat mogen geloven, kunnen wij zelfs in het donker van de nacht zingen. Omdat wij, wat ons hart ook treft, Hem verwachten: onze goede en getrouwe God en Vader.
Dat wij dat midden in al onze onwaardigheid mogen geloven, dat Hij onze Vader is, dat zegt overigens niets over ónze vastheid in óns geloven. Maar dat zegt alles over Wie de Heere voor ons wil zijn, uit genade, om Jezus' wil.
En dat mag u, kinderen van God, geloven. Ook als u er niets van begrijpt. Ik bedoel: van dat wat de Heere doet. Laten wij niet aards van Hem denken. Zijn wijsheid is onbegrensd. Zijn plannen falen nooit. Al gaat Zijn weg door de zee, en al leidt Zijn pad door grote wateren, geen ding zal bij God onmogelijk zijn (Ps. 77:20Uw weg was in de zee, en Uw pad in grote wateren, en Uw voetstappen werden niet bekend., Luk. 1:37Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn.). Zijn Naam is toch wonderlijk. Zijn Naam is toch... onze Vader. En de gunst en de liefde van deze Vader zijn, om Jezus' wil, hoe het ook gaat, voor ons kostbaarder dan het fijnste goud op de aarde.
Laten wij dan, hoe ons leven ook loopt, hoe onze weg ook gaat, ons leven en ons hart toevertrouwen aan onze getrouwe God en Vader. Hij zal Zijn volk niet per se zegenen met aardse voorspoed, maar wel met vrede (Ps. 29:11De HEERE zal Zijn volk sterkte geven; de HEERE zal Zijn volk zegenen met vrede.). Hij zal Zijn volk niet per se zegenen met rijkdom en eer, maar met genade en gunst.
O, met onze God zijn wij zo gelukkig. Met Hem hebben wij alles. Want Hij is in de hemel, en Zijn oog slaat ons in liefde gade. Hij wil ons heil bewerken. En Hij kan, en Hij wil, en Hij zal in nood, zelfs bij het naderen van de dood volkomen uitkomst geven. Laten wij Hem dan toch altijd verwachten, biddend verwachten.
En als ons gebedsleven koud en kil wordt, laten wij die nood dan ook bij Hém brengen. Biddend om de Geest der genade en der gebeden (Zach. 12:10Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden; en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als met de rouwklage over een enigen zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene.). Immers, zonder de ademhaling van onze ziel zullen wij niet leven. De Heere Zelf lere ons bidden, zonder ophouden (1 Thess. 5:17Bidt zonder ophouden.).
Jongelui, gewone, aardse vaders kunnen behoorlijk tegenvallen. Iedere vader is onvolmaakt. Zeker, goede vaders zorgen goed voor hun kinderen. Maar sommige kinderen, sommige jongeren, hebben helaas ook andere ervaringen. Maar luister: dit is echt de beste Vader. Onze Vader in de hemel. En de Naam van die allerbeste Vader draag jij… sinds je gedoopt bent op je voorhoofd. Toen gezegd werd: Ik doop u in de Naam des Vaders (Matth. 28:19Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.). Toen beloofde de Heere ook jou: Ik zal je tot een God zijn (Gen. 17:7En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.).
En nu komt de Heere, aan het einde van deze preek van vanmiddag, daarop terug. Met een vraag, verwoord door de profeet Maleachi, in Maleachi 1:6Een zoon zal den vader eren, en een knecht zijn heer; ben Ik dan een Vader, waar is Mijn eer? En ben Ik een Heere, waar is Mijn vreze? zegt de HEERE der heirscharen tot u, o priesters, verachters Mijns Naams! Maar gij zegt: Waarmede verachten wij Uw Naam?: Ben Ik dan een Vader, waar is (dan) Mijn eer? En ben Ik een Heere, waar is (dan) Mijn vreze?
Ga, als je dat nog niet doet, toch de Vader zoeken, Die je verlaten hebt: ‘Heere, God van mijn doop, word U toch om Jezus' wil, ook mijn genadige Vader? Ik heb het niet verdiend. Ik ben het niet waard om Uw kind genoemd te worden. Maar neem mij toch, o Vader, in genade aan, als Uw weer aangenomen kind.’
Doe wat de verloren zoon in de gelijkenis deed. Dan geef je de Vader de meeste eer. Als je ook zegt: Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel, en voor U; en ik ben niet meer waardig Uw zoon genaamd te worden; maak mij als een van Uw huurlingen (Luk. 15:18-19Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel, en voor u; En ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden; maak mij als een van uw huurlingen.).
Dan zul je zien, ervaren en geloven dat God is, Wie Hij is. Want zo staat er: En toen hij nog ver van hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen; en toelopende, viel hem om zijn hals, en kuste hem (Luk. 15:20).
De Vader wacht op je. Je bent welkom thuis. Want onze God is: barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid (Ex. 34:6). En onze God ontfermt Zich op het gebed (Ps. 116:3De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis., ber.).
Amen.
Slotzang Psalm 116:3
Och HEER’, och, wierd mijn ziel door U gered! Toen hoorde God; Hij is mijn liefde waardig; De HEER is groot, genadig en rechtvaardig, En onze God ontfermt zich op 't gebed.
Andere preken over Zondag