Doop van Jezus door Johannes de Doper – Mattheüs 3

De doop van Jezus

Preek Mattheüs 3:17: Toen kwam Jezus van Galilea naar de Jordaan tot Johannes, om van hem gedoopt te worden.

LEESPREEK

De doop van de Heere Jezus
Ds. J. IJsselstein – Mattheüs 3:13-17
 
Liturgie:
Psalm 6:1,2
Psalm 6:9
Lezen Mattheüs 3
Psalm 32:1,2,3
Psalm 51:3,4
Psalm 95:5
 
Gemeente, we overdenken vanmorgen met Gods hulp het eerder aan ons voorgelezen Schriftgedeelte, Mattheüs 3:13-17.
Voor nu lees ik u voor vers 15 (de andere verzen komen later vanzelf aan de orde). Mattheüs 3:15:
Maar Jezus antwoordende zeide tot hem: Laat nu af; want aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij van Hem af.
 
De preek van vanmorgen gaat over:
    De doop van de Heere Jezus

Er zijn drie aandachtspunten:
    1. De weigering van Johannes
    2. De wil van Jezus
    3. Het antwoord uit de hemel
Als eerst dus:
 
1. De weigering van Johannes
We lezen in vers 13: Toen kwam Jezus van Galiléa naar de Jordaan tot Johannes, om van (of: door) hem gedoopt te worden.
Tot nu toe heeft Jezus in Nazareth gewoond. Maar als hij 30 jaar oud is, gaat Hij in het openbaar optreden.
Hij komt van Galilea en gaat naar Beth-Abara, naar Johannes de Doper.
 
Die daar (bij de Jordaan) twee dingen doet:
a. Hij preekt.
Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.
De Messias komt eraan. Bekeer u. Breek met uw zonden en belijd die. Breek met die trots op uw afkomst als kinderen van Abraham. En zie onder ogen, dat u leeft onder de dreiging van Gods oordeel. De bijl ligt al aan de wortel van uw levensboom.
 
En de Heere zegent die ernstige en scherpe prediking van Johannes de Doper.
Die bedoeld is om mensen hun zonden te laten zien. Onoplosbaar voor henzelf.
Om ze zo tot Christus te brengen.
Heel veel mensen komen tot bekering. En belijden hun zonden.
 
b. En (dat is het tweede wat Johannes de Doper doet): Hij preekt, en hij doopt.
Zij worden door Johannes gedoopt in de Jordaan. Als teken van de afwassing van hun zonden.
 
Maar dan gebeurt er iets bijzonders…
Het is druk. Lukas schrijft: al het volk werd gedoopt (Luk. 3:21).
Je ziet het voor je. Op de oever van de Jordaan staat een lange rij van mensen, van zondaars te wachten, totdat ze aan de beurt zijn. En ook Jezus sluit Zich aan bij die rij.

Vers 13 zegt: Toen kwam Jezus van Galiléa naar de Jordaan tot Johannes, om van hem gedoopt te worden.
Maar (vers 14): Johannes weigerde Hem zeer, zeggende: Mij is nodig van U gedoopt te worden, en komt U tot mij?
 
Goud eerlijk is die Johannes. Voor geen mens is hij bang. Zelfs niet voor de Farizeeën en de Schriftgeleerden. Maar ineens huivert hij… Jezus van Nazareth dopen? Is Hij dan ook zondaar?
Later zegt hij: Ik kende Hem niet (Joh. 1:33). Nee, nog niet als de aangewezen Messias. Maar iets moet hem diep geraakt hebben. Kende hij Hem als familielid?
Wordt hij ineens geraakt door Zijn verschijning? Door Zijn nederigheid? Door Zijn liefdevolle blik?
 
Hoe dan ook, Johannes weigert. Het is klip en klaar!
Jezus? Nee, Hem kan ik niet dopen. Hij is zo heilig. Hem kan en wil ik niet dopen.
 
Goed opletten! Hier staat een kind van God, van wie de engel zei (in Lukas 1:15):
Hij zal met de Heilige Geest vervuld worden, ook van zijner moeders lijf aan.
En die heilige man zegt: ‘Nee, ik kan, ik mag U niet dopen.’

Hij weigerde het zeer. Hij bleef weigeren.
Met andere woorden, zelfs de beste van de heiligen, zien in hun ontmoeting met Jezus meer dan ooit hun zonden en gebreken.
Hij zegt: Mij is nodig van U gedoopt te worden, en komt U tot mij?

Genade brengt tot ootmoed, tot verwondering, tot kleinheid. Genade leert diep buigen.  
Wie van ons is er beter, wie van ons is er heiliger, dan Johannes de Doper? Vervuld met de Heilige Geest?
Laten wij dan maar dieper buigen, dan dat hij hier buigt.
‘Heere, ik heb nodig, dat U mij van mijn zonden wast.

Hoe meer genade we gekregen hebben, hoe heiliger we gemaakt zijn, hoe meer we Christus nodig hebben en Zijn verzoenende bloed!
Want, zegt Matthew Henry, zonder Christus en Zijn genade zullen we ondergaan.
Johannes blijft weigeren.
 
Het is nederigheid. Maar er is misschien ook nog wat anders wat meespeelt. Wat al Gods kinderen ook bij zichzelf herkennen zullen.
Is er misschien ook iets wat hem innerlijk ergert? Deze publiek zichtbare blijk van plaatsvervanging? Van dat: Ik, ook voor u, Johannes!

Wat Petrus later ook zo irriteerde. Toen hij zei: Heere, dat zal U geenszins geschieden (Matt. 16:22).
Zo ook hier: U gedoopt? U als was U een zondaar ondergaan? Voor mij?
Nee, dat wil ik niet…
Maar het antwoord van Jezus is resoluut. Hij spreekt als Machthebbende.
Dat gaan we zien in ons tweede punt:
 
2. De wil van Jezus
Kijk maar naar vers 15: Maar Jezus antwoordende zeide tot hem: Laat nu af; want aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij van Hem af.
‘Johannes, nu stoppen. Nu geen bezwaren meer. Ik wil, Ik moet gedoopt worden.
 
Want aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen.
Alle gerechtigheid moet vervuld worden.
Alles wat God vraagt, alles wat God eist, moet vervuld, moet volgemaakt, moet voldaan worden.

En dat betaamt ons. En dus moet Ik mij laten dopen. En dus moet jij Mij dopen.
Dat wil, dat eist God. Zo moet het. Naar de wil van Gods eeuwige raad, naar Zijn eeuwig welbehagen. Naar de eis van Zijn Goddelijke recht.
 
Ik moet in de plaats van doodschuldige zondaars ondergaan in het water van de doop.
Dit moet. Dit moet en wil Ik plaatsvervangend gaan doen.
Zo diep moet Ik me vernederen. In gedaante gezonden als een mens. Zoals Paulus zegt in Romeinen 8: in gelijkheid des zondigen vleses, en dat (als offer) voor de zonde (8:3).
 
God wil dat er voor de zonde betaald gaat worden.
God wil (zegt de catechismus) dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiedde.
Dat eist Gods vlekkeloze heiligheid. Dat eist Zijn onkreukbare rechtvaardigheid.
Dat vraagt de toorn van God. Dat er voor de zonde betaald zal worden.
 
En naar de eeuwige wil van God, wil en zal Ik, die schuld gaan dragen voor Mijn volk.
Wil het ooit goed komen tussen hen en God (en, Johannes, tussen jou en God), dan zal Ik (hoewel Ik zonder zonde ben) als was Ik een zondaar, onder moeten gaan in het graf van het water. Ik zal er vrijwillig in ondergaan en er uit opstaan.

Zo alleen, Johannes. Dat is enige mogelijkheid.                      
Zo alleen zal God mensen redden van eeuwige ondergang.
Stem nu in, Johannes, met Gods plan, met hoe God het wil.
 
Vers 15b: Toen liet hij van Hem af.  Toen stemde hij in. Hij geeft al zijn bezwaren op. Hij levert zijn verzet in. En stemt toe. Als dit is, zoals God het wil, als dit Gods wil en weg is, dan is het goed. Dan zal ik daaronder buigen.
Hij geeft al zijn bezwaren op. Hij levert zijn verzet in. En stemt toe.
 
Hebt u dat ook al gedaan?
Want diezelfde bezwaren, datzelfde verzet zit ook hier in ons hart.
Zo, zegt de Heere, wil Ik het doen.

Nee, zeggen wij…, ik wil, ik zie het anders. Ik wil zelf aan Gods gerechtigheid voldoen. Ik spaar mijn tranen, ik tel mijn gebeden, ik weeg mijn liefde. En ik hoop, dat dat ooit genoeg zal zijn, om aan het vlekkeloze recht van God te voldoen.
U kunt lang wachten… U redt het nooit…

Ja, maar ik moet toch eerst beter worden? Ik moet toch eerst mezelf oplappen?
Ik moet toch eerst berouw maken, tranen huilen, en goede werken doen?
Jazeker, God moet het doen, maar als het eerst maar een beetje beter wordt met mijn hart!
Om iets mee te kunnen nemen. Om zelf ook iets te kunnen betalen.
 
Weet u wat Gods antwoord is?
Dit, wat Jezus zegt: Laat af! Stop daarmee. Zo wil God het niet.
Hinder Mij, God, niet. Stem in met hoe Ik (God) het wil.
Is dat ook niet de diepste kern van bekering en geloof?
‘Amen’ zeggen, op hoe God het wil?
 
Hoe wil God het?
Hij wil niets van mij als betaling, als aanbetaling of als betaling achteraf. Geen zucht, geen traan, geen gebed, geen liefde, geen netheid, geen vroomheid of ijver, geen goed of vrijmoedig getuigenis. Niets!
 
‘Maar wat erg! Ik denk steeds: had ik daar maar meer van! Meer berouw, meer zuchten, meer tranen en gebeden, meer netheid, meer vrijmoedigheid, meer vroomheid en ijver!
Wat erg!
 
Nee, zegt de Heere: Wat een verzet. Wat een vijandschap.
Tegen Mij. Tegen Mijn raad, tegen Mijn wil, tegen Mijn plan om zondaars zalig te maken.
U wilt als een vrome, als een heilige zalig worden.
Maar Ik (God) wil goddelozen rechtvaardigen en vijanden met Mij verzoenen.

Mensen die met Psalm 51 moeten belijden: Mijn zonde maakt mij ’t voorwerp van Uw toorn, al van het uur van mijn ontvangenis af.
Zondaar en niets meer dan dat. Want genade (dat is Gods wil) is voor zondaars.           

Zo, zegt de Heere, wil Ik het doen, Johannes.
Ik wil ondergaan in het water, als was Ik een zondaar, in de plaats van doodschuldige zondaars.
Nee, zeggen wij: Heere, we werken liever een handje met U mee.

Antwoord van de Heere?
Laat af! Stop daarmee. Zo wil Ik (God) het niet. Hinder Mij niet.
Zoals Ik het nu doe, zo is het volgens Mijn eeuwige raad en welbehagen.

Als zichtbare profetie ook, van heel weg die Ik hierna zal gaan: lijden, veracht worden, verworpen worden, overspoeld worden door de golven van de toorn van God.
En u? Niets, helemaal niets.
 
Wat verzet ons hart daartegen! We willen (ook vaak na ontvangen genade) zo graag iets zijn, iets kunnen, iets doen, iets bijdragen.
Nee, zegt Heere: niets.
Ik pas alleen bij arme zondaars.
 
Verzet u zich daar ook al zo lang tegen?
Laat af… Buig…
Ja, daar zit de moeilijkheid. Ik wil niet buigen.

Tot de diepte van zondaar zijn. Te slecht om ooit nog iets te kunnen betekenen, om ooit nog iets te kunnen betalen.
Maar, lieve mensen, zo pas je niet bij de Zaligmaker van zondaars.
Zo pas je niet bij JEZUS, Die Zijn volk zalig maken zal hun zonden (Matt. 1:21).
 
En dat betekent nu, dat je alles in je leven (hoe je het ook gekoesterd hebt, tot nu toe), dat je alles in je leven anders moet gaan zien.
Je zag het tot nu toe als mogelijke winst. Maar je moet gaan zeggen met Paulus: Wat mij gewin was, dat heb ik om Christus’ wil schade (verlies!) geacht.

Je zag het tot nu toe als een plus, als iets moois. Maar je moet gaan belijden met Paulus:
Al die dingen (allemaal!) acht ik schade (verlies) en drek (vuil) te zijn opdat ik Christus moge gewinnen (Fil. 3:7-8).
 
Dat is de weg! Zo wordt je met je ellendige hart en leven uitgedreven naar Christus.
Zo wordt Christus kostbaar en heerlijk in je ogen. Zo ga je uitroepen: Ik heb niets meer. Maar alles wat aan Hem is, is gans begeerlijk (Hoogl. 5:16)
 
Handen van geloof kunnen Christus alleen maar omhelzen en kussen als ze leeg zijn.
Dat is de oorzaak, dat sommigen onder ons al zo lang aarzelen om tot Christus te komen.
U aarzelt. Mag het wel? Kan het wel? Want, heb ik wel genoeg? Genoeg berouw, genoeg tranen, genoeg liefde, genoeg ernst, genoeg ijver?
 
Lieve mensen, u werkt, in plaats van dat u buigt!
U probeert te verdienen, in plaats van dat u uw verlies toegeeft.
U probeert er nog wat van te maken, in plaats van dat u buigt als een failliete zondaar.
Die nooit meer (nooit meer!) aan het recht van God genoeg kan doen.

Zo komt het nooit goed.
En zo reis je met je eigen gerechtigheid naar grote eeuwigheid. Onherroepelijk op weg naar de grote ontmoeting met de heilige en rechtvaardige God. Die nooit afstand zal doen van Zijn Goddelijke recht, om de lompen en het vuil dat u zelf bij elkaar hebt verzameld.
Laat af! Stop ermee!
 
Kom, buigend, als een arme, als een failliete zondaar tot Christus!
Want dat en dat alleen past.
Een arme zondaar die niets heeft. En een rijke Christus Die alles heeft.
En Die alles geven wil aan armen. Om uit genade Zijn hulp tot hun verlossing te tonen.
 
Dan (alleen dan) zal die diep vernederde Christus, dat geslachte Lam van God, meer dan ooit voor u gaan schitteren. Schoner dan wie dan ook van de mensen, omdat genade in Zijn lippen uitgestort is, voor ellendige zondaars (Ps. 45:3).
Als je mag gaan zien en geloven: Tegenover mijn zonde, staat Zijn betaling. Tegenover mijn schuld, Zijn verzoenend lijden. Tegenover mijn niets, Zijn alles.
 
En zo moet ook na ontvangen genade blijven.
Jezus, Zaligmaker voor mij, zondaar, en niets meer dan dat!
Laat af. Stem in met wat God wil.

En ontvang de Zaligmaker. Buig voor Hem. Aanbid Hem. Kus Zijn voeten.
En hoop nooit meer op iets van uzelf: op uw eigen pogingen, op uw beloftes, op uw goede voornemens.
Maar: Zie het Lam Gods, Dat de zonde van de wereld wegdraagt (Joh. 1:29).
 
Jezus laat Zich dopen.
Evangelie voor zondaars, in de diepste zin van het woord.
En zichtbare profetie, van heel de komende weg van Zijn lijden, Zijn sterven, Zijn ondergaan. En van Zijn opstanding!
 
Kijk maar in vers 16a: En Jezus gedoopt zijnde, is terstond opgeklommen uit het water.
Hij gaat onder. Het water stroomt over Zijn hoofd. Omdat het naar beneden geduwd wordt.
Door de handen van Johannes.

Door de handen van Zijn Vader. Zonde gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. Hij, Die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden. Is nu geopenbaard opdat Hij onze zonden zou wegnemen (2 Kor. 5:21; 1 Petr. 2:22; 1 Joh. 3:5).
Geen zonde is in Hem. Maar Hij draagt de zonde van Zijn bruid.
 
Hij gaat onder. Het water stroomt over Zijn hoofd. Maar Hij komt weer boven. Hij overwint. Zoals Hij later zal overwinnen. Ondergegaan in de dood. Maar opgestaan tot leven.
En ondertussen (schrijft Lukas) bidt Hij (Luk. 3:21).

Lukas zegt niet wat Hij bidt. Maar het is ongetwijfeld eenzelfde gebed, als later in Gethsémané, een gebed om ondersteuning, hulp en kracht.
En dan…?

Anderen blijven staan, om hun zonden te belijden (vers 6). Maar Jezus laat Zich niet dopen om zonden te belijden. Maar om zonden te dragen. Totdat het volbracht is.
En dus klimt Hij vastberaden, blijmoedig, vol ijver en gedrevenheid terstond uit het water. Het straalt van Hem af: Ik heb lust, o Mijn God, om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden Mijns ingewands (Ps. 40:9)
 
En zie! Let op, mensen!
De hemel gaat antwoorden. Ons derde aandachtspunt:
 
3. Het antwoord uit de hemel
Lees maar mee in vers 16 en 17: En zie, de hemelen werden Hem geopend, en hij zag de Geest Gods nederdalen gelijk een duif, en op Hem komen.
En zie, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb.
 
Een drieërlei antwoord uit hemel. Met ook een drieërlei doel of richting.
a. En zie, kijk, de hemelen werden geopend.
Dat is het eerste. Een teken, een bewijs van goedkeuring uit de hemel.

Voor Hem, voor Jezus. Want er staat: En zie, de hemelen werden Hem geopend.
Dit is onmiskenbaar voor de gedoopte Jezus.
Die open hemel klinkt als: Mijn Zoon, het is goed. Dit is Mijn heilige wil. Ik wilde (dat was Mijn wil) U geven, om de zonden van zondaars te dragen. En Ik heb het gezien, en Ik keur het goed, zoals U dat doet.
 
b. En hij zag (dat is het tweede) de Geest Gods nederdalen gelijk een duif, en op Hem komen.
In Johannes 1:33 schrijft de apostel Johannes, dat deze Johannes de Doper zegt: En ik kende Hem niet; maar Die mij gezonden heeft om te dopen met water, Die had mij gezegd (Die had mij dit teken gegeven): Op Welke u de Geest zult zien nederdalen, en op Hem blijven, Deze is het Die met de Heilige Geest doopt (Joh. 1:33).
 
En nu krijgt Johannes van de Heere dat teken uit de hemel: Deze is het. Het Lam van God. Hij zag de Geest Gods nederdalen gelijk een duif, en op Hem komen.
Johannes ziet het, als vervulling van Gods belofte.
En Jezus ziet het ook (schrijft Markus, in Markus 1:10).
En waarschijnlijk ook alle mensen die erbij staan. Want dit is het moment van Zijn openbare inwijding.
 
De Geest van God daalt neer als een duif. Een teken van onschuld, een teken van heiligheid. Maar vooral ook een teken van een offer. Want de duif was de enige vogel die geofferd werd. Het is ook een teken van een boodschap van vrede. Denk maar aan de duif, die dat afgebroken olijfblad terugbracht naar Noach in de ark.

De Geest komt op Christus. En, zo schrijft Johannes, Hij bleef op Hem (Joh. 1:32,33). Hij verdwijnt dus niet direct, maar blijft een zekere tijd op Hem.
Als teken, voor Johannes, en voor iedereen: Dit is de Messias!
Zoals Jesaja geprofeteerd had: Op Hem zal de Geest des Heeren rusten (Jes. 11:2)
 
Dus (even terug): Drie antwoorden.
De hemel gaat open voor Jezus.
De Heilige Geest komt rusten op Jezus voor Johannes.
 
c. En (dat is het derde): En zie, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelke Ik Mijn welbehagen heb.
Het klinkt als een blijde roep uit de hemel, uit de mond van de Vader: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelke Ik Mijn welbehagen heb.
 
Dit is Mijn Geliefde Zoon, Die van eeuwigheid bij Mij was. Zoals Johannes schrijft:
De Eniggeboren Zoon, Die in de schoot des Vaders is (Joh. 1:18).
Hij was bij God, en Hij was God (Joh. 1:1).

Van eeuwigheid tot eeuwigheid de vreugde van de Vader, door de Heilige Geest.
God uit God, Licht uit Licht. Eeuwig, vol glorie en heerlijkheid. Volmaakt.
Zonder dat de Vader ooit een mens nodig had, gaf Hij Zijn Zoon over.
En zonder dat de Zoon ooit een mens nodig had, gaf Hij Zichzelf over.
Samen met de Heilige Geest uitgedacht en uitgewerkt in Gods eeuwige raad.
 
En nu in de volheid van de tijd geeft de Zoon Zichzelf over, voor verloren zondaars.
En nu roept de Vader uit de hemel: Kijk! Hij is het! Mijn eniggeliefde Zoon. In Hem (alleen in Hem) heb Ik een welbehagen.
 
Een roep….
Tegen wie? Tegen u en mij.
Hier klinkt uit de hemel, en nu klinkt uit de hemel, in het Evangelie van vrije genade:
Hij, deze Jezus, is de enige Weg om zalig te worden. Deze Zaligmaker van zondaars.

Als u geen zondaar wilt zijn, dan past Hij niet bij u.
Maar bent u zo’n ellendig en arm mens? Dan past Hij wel. Bij u!
 
Dit is Hem! Mijn Eniggeliefde Zoon. 
Onder de hemel heb Ik Hem gegeven tot zaligheid.
Dit is Mijn wil, dit is Mijn raad, dit is Mijn welbehagen: JEZUS, voor arme zondaars.
 
Dat wordt… tegen u gezegd…
En wat is uw antwoord daarop…?
 
Wilt u het anders? Wilt u het zelf doen? Wilt u zelf bijbetalen om verlost te worden van uw hemelhoge schuld?
Mensen, dat gaat niet. Erger nog: dat is tegen Gods wil.
En, zegt Job: Wie heeft zich tegen Hem verhard en vrede gehad? (Job 9:4)   
              
Verhard u toch niet.
Dit is het grote aanbod van het Evangelie van vrede: God is geopenbaard in het vlees. Diep gebogen, ondergaand onder de last van de zonden van verloren zondaars. Om mensen zoals u en ik te behouden van de toorn van God.
 
Stemt u in? Wilt u Hem hebben, zoals God Hem aan u aanbiedt?
Hier is Hij, in de belofte van het Evangelie!
Gratis en voor niets. Uit genade. Voor arme zondaars.

Zonder iets van u. Alles van u: schade en drek. Als goddeloze, als vijand gerechtvaardigd worden door Zijn bloed.
Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven (Joh. 3:36).
 
‘t Is alles…, alles van Hem… of niets. 
Maar dan blijft de toorn van God op u. Want: die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem (Joh. 3:36).
 
Jezus ontvangt zondaars en eet met hen.
Ontvang Hem dan toch vandaag met Zacheüs in uw huis. Als de door God gegeven Zaligmaker van zondaars. Want zo is Hij gegeven. En zo is Hij.
Hij is, zoals Zijn Naam is: Jezus, Zaligmaker van zondaars.
 
Naar de wil van God.
Stemt u in? Dan bent u zalig.
Weigert u? Ook na aandringen? Blijvend? Dan bent u rampzalig. Dan komt u voor eeuwig om.
 
Ik bid u, hijs de witte vlag van uw overgave. Lever uw verzet in. Laat af!
En laat u door Hem (als door het enige middel door God gegeven) nu, met God verzoenen.
Want Die Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij (God) zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Kor. 5:21).
 
Amen.