Petrus, ga achter Mij, satanas! – Mattheüs 16

Petrus, ga achter Mij satanas

Preek Mattheüs 16:21-23: Maar Hij, Zich omkerende, zeide tot Petrus: Ga weg achter Mij, satanas! gij zijt Mij een aanstoot, want gij verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die der mensen zijn.

LEESPREEK

Achter Mij, satanas
ds. J. IJsselstein – Mattheüs 16:21-23
 
Liturgie:
Psalm 84:1,2
Tien Geboden: 9
Lezen Mattheus 16:13-28
Psalm 89:9,10,12
Psalm 22:1
Psalm 40:3
 
‘Zeg, wie zeggen de mensen eigenlijk dat Ik ben?’
‘Nou, sommigen Johannes de Doper. Er zijn er ook die zeggen: Jeremia, of iemand
anders van de profeten…’

‘Maar jullie dan? Wie ben Ik volgens jullie?’ ‘U? U bent de Christus! U bent de Messias! U bent de Zoon van de levende God! (Matth. 16:13-16).
 
Dat was Petrus, dat zei hij.
‘Petrus, hoe weet je dat?’ Nou, op die vraag geeft hij niet zelf het antwoord, dat doet de Heere Jezus. Die zegt tegen hem: Vlees en bloed hebben u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, die in de hemelen is (vers 17).

Petrus heeft van de Heere een nieuw hart gekregen. Hij is een kind van God. En God de Vader in de hemel heeft hem geopenbaard, heeft hem laten zien en geloven: de Heere Jezus, dat is echt de Messias!
 
Wat een geweldige belijdenis, vol van liefde, vrijmoedigheid en verwachting.
Het gaat goed met Petrus, vind je niet?
Ja, hier nog wel. Hier zie je Petrus op z’n best.

Maar dan gebeurt er dit. We gaan het lezen in Mattheüs 16:21-23. Het is de tekst voor de preek van vanmorgen: Mattheüs 16:21-23. Daar staat:
Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden.

En Petrus, Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen, zeggende: Heere, wees U genadig! dit zal U geenszins geschieden.
Maar Hij, Zich omkerende, zeide tot Petrus: Ga weg achter Mij, satanas! gij zijt Mij een aanstoot, want gij verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die der mensen zijn.
 
Het thema voor de preek van vanmorgen is:
Persoonlijk onderwijs voor Petrus en de andere discipelen.
 
We letten samen op drie dingen. We letten in de eerste plaats op noodzakelijk lijden (dat staat in vers 21), dan op een nadrukkelijk protest (dat staat in vers 22), en daarna op een resolute bestraffing (dat staat in vers 23).
Dus, drie aandachtspunten:
     1. Noodzakelijk lijden
     2. Nadrukkelijk protest
     3. Resolute bestraffing
Als eerste dus:
 
1. Noodzakelijk lijden
Eigenlijk is dit niet de eerste aankondiging van het aanstaande lijden en sterven van de
Heere Jezus. Dat heeft de drukker er misschien wel boven gezet in je Bijbeltje, maar de Heere heeft echt al eerder gesproken over Zijn aanstaande lijden en sterven.

Hij sprak in Mattheüs 9 al over bruiloftskinderen die nu nog blij kunnen zijn, maar straks zullen treuren omdat de Bruidegom van hen zal weggenomen worden (Matt. 9:15).
En later zei Hij: zoals Jona drie dagen en drie nachten was in de buik van de vis, zo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten zijn in het hart van de aarde (Matt. 12: 40).

De boodschap was duidelijk, maar (dat is waar) toch nog een beetje bedekt.
Een goed verstaander heeft maar een half woord nodig, maar zulke goede verstaanders waren zij en zijn wij blijkbaar niet.
 
Maar dit keer gaat het anders. De Heere heeft Zijn discipelen apart genomen.
Wat Hij nu gaat zeggen, dat zegt Hij vooral tegen hen. Dit zijn dingen die voor de wijzen en verstandigen verborgen zijn, maar aan de kinderkens geopenbaard worden (Matt. 11: 25).
Dat wil zeggen: de Heere leert Zijn kinderen dingen, die voor anderen raadsels blijven.

Ja, ze kunnen er misschien wel over praten, maar diep in hun hart weten ze niet waar het over gaat. Ze kennen ze niet, ze kennen ze niet uit ervaring, ze weten er niet van uit bevinding. Ik bedoel dingen, zoals deze dingen: Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden (vers 21).
 
‘Jongens, Ik moet heengaan naar Jeruzalem, Ik moet veel lijden en gedood worden en… (niet vergeten!) op de derde dag zal Ik opstaan!’
Dat moet, na de mooie belijdenis van Petrus, schokkend, pijnlijk, ongelofelijk voor ze geweest zijn. Lijden? Gedood worden? De Messias? Hij is toch op weg naar het Koninkrijk? En wij zijn met Hem toch op weg naar de overwinning, naar de bevrijding van het juk van de Romeinen?
 
Eén ding is direct duidelijk: dit begrijpen ze niet.
Elf van hen zijn echte, oprechte discipelen van Jezus. De Heere Zelf is in hun leven gekomen. Vlees en bloed hebben u dit niet geopenbaard, maar Mijn vader die in de hemelen is.
Maar dit?
 
Ze zullen het gaan meemaken, ze zullen het gaan zien, ze zullen er getuigen van zijn.
En straks zullen ze er ook van gaan getuigen.
Petrus bijvoorbeeld, die later zegt: Ik ben een medeouderling en getuige van het lijden van Christus (1 Petr. 5:1).
Ja, dan wel, maar nu nog niet. Nu is hij, nu zijn de discipelen nog vol van onwetendheid, onbegrip en ongeloof.
 
‘Jongens, Ik moet heengaan naar Jeruzalem, Ik moet veel lijden en gedood worden en (niet vergeten!) op de derde dag zal Ik opstaan!’
Je zegt: moeten? Ik moet heengaan? Moet dat dan? Waarom moest dat eigenlijk?

Ja, het moest. Het moest vanwege Gods rechtvaardigheid. Ik zal je dat proberen uit te leggen.
Eindeloos lang voordat de wereld geschapen was, toen was er (zo noemen we dat) de stille eeuwigheid. De tijdloze tijd, eindeloos lang voor de schepping, waarin God (om zo te zeggen) overlegde over hoe er weer vrede zou kunnen komen tussen God en een gevallen mens.
 
Onnoemelijk groot was het kwaad dat de mens zou gaan doen: opstaan tegen God de Almachtige. Een kwaad, waarop de doodstraf zou staan: ten dage als u daarvan eet, zult u de dood sterven (Gen. 2:17).
Hoe zou die mens ooit weer met God verzoend kunnen worden? Hoe zou het ooit weer goed kunnen komen tussen de heilige en rechtvaardige God en zo’n gevallen, opstandige mens?

Toen, in dat Goddelijke overleg, toen de Vader betaling eiste voor de schuld, toen zei de Zoon van God, de nu gekomen Christus: ‘Zie, Ik kom’ (Ps. 40:7).

‘De schuld moet betaald worden, want U, o God, bent rechtvaardig en heilig. Uw rechtvaardigheid eist volkomen betaling, Uw heiligheid eist volmaakte gehoorzaamheid. Ik zal komen, Ik zal Uw wet houden en Ik zal de schuld dragen in de plaats van Uw verkoren volk.’ Ik draag Uw heilige wet, die U (straks) de sterveling zet, (straks) Zelf in Mijn binnenste ingewand (Ps. 40:4, ber.).
 
Moest dat? Ja, dat moest. Omdat er aan God betaald moest worden voor de schuld van Zijn volk. En omdat dat toen zo was afgesproken, zo was besloten in wat we noemen de raad des vredes, in het eeuwige plan van Gods welbehagen.
De Vader eiste het. En de Zoon wilde het.

De toorn van God tegen de zonde van de Zijnen zou zo groot zijn, dat God die niet ongestraft zou kunnen laten. Toen, toen er nog helemaal geen tijd was, toen is het al vast besloten in Gods raad, twee dingen: de Vader zei ‘Het moet’ en de Zoon zei ‘Ik zal het doen, o Vader! Ik kom, om Uw wil te doen’.
 
En hier zien we de uitvoering van dat eeuwige voornemen, van dat eeuwige plan van Gods welbehagen: woorden, die schitteren van de eeuwige liefde van God Drie-enig, van Gods welbehagen, van dat onbegrijpelijke plan van God, van de wil van God, van de liefde van de Vader en van de vrijwillige overgave van God de Zoon: Jongens, Ik moet heengaan naar Jeruzalem, Ik moet veel lijden en gedood worden en… (niet vergeten!) op de derde dag zal Ik opstaan!
 
Hier hadden ze tranen van in hun ogen moeten krijgen. Wat een wonder, Heere, Meester, dat U toen al aan ons dacht, dat U toen al beloofde om voor ons te zullen komen, om onze schuld te betalen.
Dit had hen zo kunnen troosten. En zo was het ook bedoeld.

‘Jongens, Ik ga wel heen, maar denk niet dat na Mijn sterven alles verloren, alles kwijt is. Ik zal weer opstaan uit de doden’.
Maar ze begrijpen het niet. Wat zijn zij, wat zijn wij toch blind in ‘s hemels wegen.
Er is een Goddelijk moeten vanwege Gods eeuwige raad, vanwege Zijn eeuwige plan.

En er is ook een hartelijke wens en wil bij de Heere Jezus Zelf om heen te gaan, om te lijden en te sterven.
Je hoort het Hem als het ware zeggen: Ik ben de Goede Herder, de Goede Herder stelt (toch) Zijn leven voor de schapen? (Joh. 10:11)
Je hoort het Hem zeggen, wat Paulus later schrijft aan de gemeente van Korinthe: U weet Mijn genade toch, dat Ik om uwentwil arm geworden ben, daar Ik rijk was, opdat u door Mijn armoede zou rijk worden? (2 Kor. 8:9)
 
Je zegt: Maar waarom zegt de Heere Jezus dit allemaal zo van tevoren tegen Zijn discipelen? Want je zou ook kunnen denken: ze zien het vanzelf wel, als het zover is. Waarom moet het aangekondigd, waarom moet het voorzegd worden?
 
1. Hij zegt het hen (in de eerste plaats) om hun te leren. Om hen te leren: dit, wat nu gaat gebeuren, is precies volgens Gods eeuwige plan, volgens Gods eeuwige raad. Het is naar de bepaalde raad en voorkennis van God (Hand. 2:23). Zo moet het!
 
2. Hij zegt het hen (in de tweede plaats) om hen langzaam voor te bereiden op hun eigen kruis en lijden. Kijk maar naar vers 24: Toen (dat is niet toevallig: toen, juist toen) zei Jezus tot Zijn discipelen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf, en neme zijn kruis op, en volge Mij (Matt. 16:24).
 
3. En de Heere Jezus zegt het hen (in de derde plaats) vooral om hun gedachten te veranderen, om hun innerlijke dwaling te corrigeren. Want dit is niet wat ze verwachten. Ze verwachten nog steeds een kroon, geen kruis! Ze verwachten nog steeds een koninkrijk op aarde, waar Jezus Koning zal zijn en waar zij als onderkoninkjes naast Hem mogen zitten.

Ze begrijpen niet dat de Heere Jezus naar de aarde gekomen is om te lijden, om Zijn ziel tot een schuldoffer te geven. Ze zien er ook de noodzaak niet van in…

Ja, het is nog erger.
Kijk maar. Want, wat is de reactie van de discipelen? Wat is de reactie van Petrus?
Ik zei: ze begrijpen er niets van, maar eigenlijk is het veel erger.
 
Er komt (en dat is ons tweede aandachtspunt) een nadrukkelijk protest.

2. Een nadrukkelijk protest
Kijk maar in vers 22: En Petrus, Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen, zeggende: Heere, wees U genadig! dit zal U geenszins geschieden

Je moet het je (denk ik) zo voorstellen: Ze lopen waarschijnlijk buiten, als een groepje op de weg, een beetje achter elkaar aan, en uiteraard de Meester voorop. En dan zegt Hij ineens: ‘Ik moet heengaan, Ik moet veel lijden, Ik moet gedood worden…’

‘Wat?! Meester, kom eens even mee, kom eens even hier opzij…’
Vers 22 zegt: Hem (Jezus) tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen.
 
Petrus begint de Heere streng toe te spreken, te bestraffen, en zegt boos (hij begint ermee, maar ver komt hij niet), hij zegt: Heere, wees U genadig! Dit zal U geenszins geschieden!
Je kan ook lezen: Het zijn ver van U! Of: De Heere is genadig!
Met andere woorden: dit zal niet gebeuren. Dit kan en mag en zal niet, dit zal nooit gebeuren!

Want: Hoe kan de Messias nu overgeleverd worden in de handen van de onrechtvaardigen? Dat kan God toch niet toelaten?
U bent toch de Gezalfde? Nu dan, de Gezalfde kan niet, de Gezalfde zal niet, Die zal nooit prijsgegeven worden aan de dood, want God is genadig!
 
Wat een…
Ja, wat een liefde. Zeker, dat ook. Ze willen hun Meester niet kwijt. Al dat onderwijs, al die goede gesprekken, Zijn aanwezigheid, daar genieten ze zo van, dat geeft hun zoveel blijdschap en vrede.
‘Jongens, Ik ga heen…!’
Nee, Heere blijf bij ons!
 
Wat een liefde, maar vooral ook wat een onbegrip!
Wat begrijpen ze dan niet? Dat het moet!
Ze hebben zo weinig zicht op Wie God is, de Heilige, de Rechtvaardige, die betaling eist van de schuld. Ze hebben er zo weinig zicht op dat Hij de zonde moet en wil straffen.

Ze hebben zo weinig zicht op Wie God is.
Maar ze hebben ook zo weinig zicht op wie ze zelf zijn, op de grootheid van hun schuld voor God; en dat zij zelf de prijs van hun ziel, dat rantsoen aan God in tijd noch eeuwigheid kunnen voldoen (Ps. 49:3, ber.)

Ze hebben er zo weinig zicht op dat zij het zijn, voor wie Hij deze weg moet gaan, en dat dat de enige grond gaat worden voor hun redding en behoud.
En ze begrijpen ook niet, dat ze de dingen die ze eerder gekregen hebben, de dingen waar ze eerder zo van genoten hebben, dat ze die nu kwijt moeten raken.
 
Ze zijn toch vooruit aan het gaan? Ze mogen toch straks op tronen zitten?
‘Heere, het wordt toch langzaam allemaal beter met me? Kijk toch naar mijn liefde, naar mijn innige gebeden, naar mijn tranen van verwondering, naar mijn hoop en moed, naar mijn vrijmoedige getuigenis, mijn verlangen, mijn uitzien, mijn liefde tot U!
Ik heb Uw stem toch gehoord, wij hebben Uw werken toch gezien?’
 
Ja, zegt de Heere, dat is allemaal waar, maar U zult niet zalig worden op grond van iets van dat. Ik zal u leren geloven dat Ik de dood in moet, om u daaruit te verlossen.
Dus, discipelen, zal Ik afscheid van u nemen. Ik zal heengaan.

En in die weg, door die weg, door de weg van de dood, door die weg waarin u alles kwijt zult raken, door die weg krijgt u van Mij het leven terug: Leven op grond van recht.
Want de Rechter vraagt om voldoening, om betaling. En er is er maar Eén die kan betalen, er is maar Eén die aan die eis kan voldoen, en dat ben Ik, Gods enig geliefde Zoon, in Wie Hij een welbehagen heeft (Matt. 3:17)
 
De discipelen moeten een les leren, die ze eigenlijk niet willen leren. Een les, waar al Gods kinderen zich tegen verzetten. Wij zijn toch niet meer, wij zijn toch niet beter dan de discipelen?
 
Ze moeten kwijt, wat ze eerst gekregen hebben: hun liefde en hun ijver.
Wij moeten kwijt, wat we eerst gekregen hebben: onze hoop, ons verlangen, onze…
Ja, en daar zit ook het probleem, het is allemaal van ons geworden. En we kunnen daar ondertussen zo rijk mee geworden zijn. En ondertussen denken we: we gaan van kracht tot kracht steeds voort, totdat we in Sion voor God verschijnen!
 
Maar wacht even, zo kan je helemaal niet voor God verschijnen.
Er is geen grond in onze liefde, in onze ijver, in onze hoop, in ons verlangen.
Er is maar één grond, en die ligt buiten ons. In Hem! In Hem, die de dood moest ingaan om doodschuldigen daaruit te verlossen.

En dat is wat de Heere hen hier gaat leren: u hebt verdiend, wat Ik zal ondergaan, in uw plaats: de dood, als betaling voor uw zonden.
 
Antwoord?
‘Nee, Heere, dat niet, dat nooit!’
Ik wil niet kwijt wat ik heb. Trouwens, Heere, als het moet, dan zal ik met mijn liefde voor U, voor U de dood ingaan. Als het echt moet, dan zal ik met U sterven (Matt. 26:35).
Herkent u dat verzet tegen de weg van deze lijdende Jezus ook niet in uw eigen hart en leven?
 
En hoor daarbij ook nog eens hoe Petrus het zegt! Hij zegt letterlijk: de Heere is genadig! Met andere woorden: het zal niet gebeuren. God zal het niet toestaan.
Wat een onbegrip bij Petrus. Zal de Heere dan echt genadig zijn zonder de dood van het Lam?
 
Maar wat moet dit vooral pijnlijk geweest zijn voor de Heere Jezus Zelf. De wetenschap in Zijn hart dat de Vader wel zal toestaan dat Hij zal lijden en sterven.
‘Ik weet dat Mijn vader Mij altijd hoort (Joh. 11:42), maar Ik weet ook, dat Ik straks zal roepen: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten? (Matt. 27:46)
Dat wordt het diepste van Mijn lijden en die weg moet Ik alleen gaan!
 
We hebben, terwijl het vanmorgen gaat om het onderwijs van de Heere Jezus aan Petrus en Zijn discipelen, samen nagedacht over onze eerste gedachte ‘noodzakelijk lijden’:
Ik moet heengaan.
Toen was er, in onze tweede gedachte, een ‘nadrukkelijk protest’. We lazen in vers 22:
En Petrus, Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen, zeggende: Heere, wees U genadig! dit zal U geenszins geschieden.
 
Petrus (want zo moet je het in gedachten zien) spreekt de Heere Jezus van achteren aan, hij begint er nog maar net mee (‘hij begint Hem te bestraffen), maar dan direct, zonder enig aarzelen, draait Jezus Zich resoluut om en zegt, terwijl ze elkaar recht in de ogen kijken, in vers 23:

Maar Hij, Zich omkerende, zeide tot Petrus: Ga weg achter Mij, satanas! gij zijt Mij een aanstoot, want gij verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die der mensen zijn.
We overdenken dat verder in onze derde gedachte:
 
3. Een resolute bestraffing
‘Achter Mij, satan!
U bent (zo staat het er eigenlijk letterlijk), u bent Mij een struikelblok!’
Dit is niet voor het eerst. Dit was al zo bij de verzoeking in de woestijn (Matt. 4).

‘En zo ga je, satan, met Mij mee, tot het laatste toe. Als de grote verzoeker en verleider. Maar Ik zal niet over je struikelen: Achter Mij!’
Wat een struikelblok, dan struikel je over als die voor je ligt. En dus: achter Me!

Wat schittert hier de macht, de trouw, de liefde en de gewilligheid van Jezus als Borg en Middelaar. Hij deinst niet terug. Zelfs niet als Petrus Hem Zijn aanstaande lijden op het diepst laat voelen: De Vader zal Hem niet genadig zijn, de Vader zal Hem verlaten.

Maar Hij is resoluut: Ik zal voor voldoening zorgen. Achter Mij, satan! U bent Mij een struikelblok.
U bent Mij een aanstoot, want u verzint niet de dingen die Gods zijn, maar die der mensen zijn (vers 23).
 
Spreekt de Heere Jezus nu Petrus aan, of de duivel, of beiden?
Ik denk dat we moeten zeggen dat Petrus hier een instrument is van de duivel. Duivelse gedachten komen in hem op, en duivelse woorden komen uit zijn mond. Gedachten en woorden van de duivel, maar die wel aansluiten bij wat leeft in zijn eigen hart.

Want de dingen die hij denkt en die hij zegt ‘zijn niet van God, maar van de mensen’:
U verzint niet de dingen die God zijn, maar die der mensen zijn.
 
Lijnrecht staan die twee hier tegenover elkaar in het leven van de discipel Petrus. En ook nu nog staan die twee, in het leven van al Gods kinderen, lijnrecht tegenover elkaar.
Die twee uiterste tegenstellingen: de dingen die der mensen zijn en de dingen die God zijn.
 
Kijk maar mee, kind van God, in uw eigen hart. Eerst: de dingen die der mensen zijn…
Ik heb zoveel liefde en ijver. Mijn liefde en ijver brandt.
Ik heb zoveel meegemaakt. Ik heb zoveel geleerd.

Ik ben aan het Heilig Avondmaal geweest.
Ik spreek zo vrijmoedig over de dienst van de Heere.
IkIkIk… De dingen die van de mensen zijn…
Maar de Heere wil ons aan een einde brengen met die dingen van ons, met dat eigen ik.
 
En daartegenover de dingen die Gods zijn, de dingen van de Drie-enige God, van de Vader, van de Zoon, van de Heilige Geest.
 
a. De dingen die zijn volgens de bepaalde raad en voorkennis van God de Vader
(Hand. 2:23): Aan het Goddelijke recht moet voldaan worden, de schuld moet betaald worden. En de Christus moet lijden, gedood worden en opstaan op de derde dag.
De dingen die van God de Vader zijn.
 
b. De dingen ook die voortkomen uit het hart van God de Zoon: Zijn gewilligheid, Zijn plaatsbekledende werk.
Ik(!) zal voor voldoening zorgen. Ik zal de Mijnen, die Ik zo liefheb, liefhebben tot het einde, tot het einde van de dood, van de dood van het kruis.
De dingen die van God de Zoon zijn.
 
c. De dingen ook die de Heilige Geest zo wil werken in het hart van Gods kinderen.
‘U? Nee, u kunt de prijs van uw ziel, dat rantsoen, aan God in tijd noch eeuwigheid voldoen. Denk niet dat u kunt betalen met wat u hebt, zelfs niet met wat u gekregen hebt. Ik zal het u afnemen! Ongeloof zal zich meester maken van uw ziel.

De satan zal u ziften als de tarwe. U zult me allemaal verloochenen. U zult uw geloof, uw getuigenis, uw hoop en verwachting kwijtraken. Het zal donker en duister worden in uw zielen…’
 
Zo klonk het toch, na de opstanding, uit de mond van de Emmaüsgangers: Wij hoopten dat Hij degene was die Israël verlossen zou (Luk. 24:21).
Ja, dat hoopten wij toen. Maar nu? Waar is onze hoop en moed gebleven?

Opdat u uiteindelijk uw enige hoop zou vestigen op: Jezus, alleen (Matt. 17:8).
Waarom is Gods weg voor de discipelen straks, voor Gods kinderen nog steeds zo vaak zo onbegrijpelijk, zo donker?

Het is om ons, kinderen van God, te leren, wat we niet kennen, wat we niet weten en niet begrijpen.
‘Petrus, je hebt Jezus wel lief, maar Jezus moet de dood in vanwege uw hemelhoge schuld. Ik zal u leren, Petrus, om door die moeilijke weg waarin u alles van uzelf kwijt zal raken, dat offer van Mij voor u, als een arme, doodschuldige zondaar door het geloof te omhelzen.’
 
De schrijver van de Hebreeënbrief zegt: Hij neemt het eerste weg, om het tweede te stellen (Hebr. 10:9).
Ik neem het eerste weg. Want niet de offers die u brengt, niet de tranen die u brengt, schoon u ganse nachten weent, maar alleen Ik… Ik kan redden, Ik alleen.
Dat eerste, alles wat buiten Christus is, dat is onvoldoende.
 
Ik moet, Ik zal heengaan en lijden en sterven, voor u, in uw plaats, en daarna opstaan.
Dat is het tweede. Daarmee, alleen daarmee, kunt u leven en sterven.
 
Ik zal lijden, Ik zal sterven, maar Ik zal ook opstaan. Dat laatste is bedoeld als troost, als houvast voor de komende tijd van grote vertwijfeling. Vrees niet, Ik leer u een pijnlijke les, maar Ik laat u niet los. Ik laat nooit varen de werken van Mijn handen. Ik heb voor u gebeden en ik bid voor u, dat uw geloof niet ophoude (Luk. 22:32).
 
Wat heeft Petrus en wat hebben de anderen hier een aanstoot aangenomen.
Wat een onwil, wat een hardnekkig verzet.
Wat moest de Heere er Zelf aan te pas komen. En wat moet de Heere er nog steeds Zelf aan te pas komen in het leven van Zijn kinderen.
 
Als je later terugkijkt in het leven van Petrus, dan zie je het: Wat is er dan toch veel veranderd in het leven, in het hart van Petrus. Dan zie je wat de Heere hem geleerd heeft.
Hier is hij (zeker, ook vol van liefde en ijver, maar toch vooral) vol van verzet tegen de weg van het lijden van zijn Meester.

Maar later (en wat is dat een wonder van Gods genade, wat is dat vrucht van Gods Eigen werk), later mag hij er zelfs over preken.
Op de Pinksterdag zegt hij: Deze, door de bepaalde raad en voorkennis Gods (het moest, dit was Gods raad, dit was Gods plan!) overgegeven zijnde, hebt gij genomen, en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood (Hand. 2:23).

En later schrijft diezelfde Petrus in 1 Petrus 2: Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt (1 Petr. 2:24).
 
Kinderen van God, is het beter om achter Jezus aan te gaan?
Het is beter om te zeggen: ‘Heere, mijn gedachten zijn zoveel anders dan Uw gedachten.
Leer me Uw weg, o Heere, de weg van Uw lijden, voor mij. Ook al moet ik in die weg alles van mezelf kwijtraken.’

Want alleen in die weg, waarin wij alles van onszelf kwijtraken, alleen in die weg wordt God Drie-enig groot gemaakt. Alleen in die weg krijgt God de eer van al Zijn volmaaktheden, van al Zijn deugden: van Zijn rechtvaardigheid, van Zijn heiligheid, en tegelijkertijd ook van Zijn genade en barmhartigheid.

In die weg raakt u wel alles van uzelf kwijt, maar u krijgt op Gods tijd alles terug, van Hem! Genade, vergeving, verzoening, vrede met God, de genade van het kindschap, zekerheid van geloof, en dat alles alleen, echt alleen maar door het bloed der verzoening.
 
Dan mag u later ook tot uw verwondering nazeggen wat Petrus schrijft in zijn brief: Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt (1 Petr. 2:24).
Dan mag u later ook tot uw verwondering nazeggen wat Jesaja profeteerde: Niet om iets in mij, maar door Zijn striemen is ons genezing geworden (Jes. 53:5).
 
De Heere nemen ons af, alles wat van onszelf is, alles wat we gekregen hebben en wat ondertussen ons gekoesterde bezit is, hij make ons arm, straatarm, om ons in die weg te vervullen met Zijn genade, met vergevende genade door het bloed der verzoening van Jezus Christus alleen.
 
Amen.