Ik zal Mijn Geest uitstorten · Spreuken 1

Ik zal Mijn Geest uitstorten
Preek Spreuken 1:22-23: Gij slechten, hoelang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten? Keert u tot Mijn bestraffing; zie, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekendmaken.

PDF · Audio

YouTube player

Thema preek Spreuken 1: Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten

  1. Aan wie die roep gericht is
  2. Wat die roep inhoudt
  3. Wat het gevolg is van de reacties daarop

Preek Spreuken 1: Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten

Gemeente, de tekst voor de preek van vanmorgen, in deze tijd tussen Pasen en Pinksteren, kunt u vinden in Spreuken 1, daarvan de verzen 22 en 23.
Spreuken 1:22-23, het is één van de oudtestamentische pinksterbeloften. Laten we die verzen samen lezen:
Gij slechten, hoelang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten?
Keert u tot Mijn bestraffing; zie, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekendmaken.

Het thema voor de preek is:
De roep van de Opperste Wijsheid

We letten samen met Gods hulp op drie aandachtspunten:
In de eerste plaats op: aan wie die oproep gericht is: aan slechten, aan spotters, aan dwazen.
In de tweede plaats letten we op: wat die roep inhoudt: Keert u tot Mijn bestraffing; zie, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekendmaken.
En in de derde plaats letten we op: wat het gevolg is van de reacties daarop. Dat zien vooral in de hierop volgende verzen, vanaf vers 24.

Dus: De roep van de Opperste Wijsheid
1. Aan wie die roep gericht is
2. Wat die roep inhoudt
3. Wat het gevolg is van de reacties daarop

Als eerste dus:

1. Aan wie de roep van de Opperste Wijsheid gericht is

Want, zo staat vers 20-21: De opperste Wijsheid roept overluid daarbuiten, Zij verheft Haar stem op de straten. Zij roept in het voorste der woelingen (boven het rumoer van de menigte uit); aan de deuren der poorten spreekt Zij Haar redenen (Haar woorden) in de stad.
Wie is die Opperste Wijsheid?
Dat is Christus, in Wie al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn
(Kol. 2:3).
Jezus Christus, de Gekruisigde en de Opgestane spreekt.
Niet in een besloten klaslokaaltje, niet in een in zaaltje achteraf. Maar luid en duidelijk: publiek, in de straten van de stad, boven al het rumoer van ons, mensen, uit!
Jezus Christus, de Gekruisigde en de Opgestane, de alwijze en almachtige God spreekt ook nu, tegen u!
En dus: Luister. Vooral u, onbekeerde vrienden. Want dit is een woord van de Heere voor u. En dus: Luister. Met diepe eerbied. Met een open oor, en met een open hart!

Tegen wie roept de Opperste Wijsheid? Nu?
a. Tegen slechten.
Je kan bij dat woord trouwens aan twee soorten mensen denken.
Je kan denken aan onverstandige mensen, aan mensen die naïef zijn. Aan mensen die zich van alles wijs laten maken. Aan mensen die veel te goedgelovig zijn. En die zich daardoor dus ook zomaar van het goede pad laten afbrengen.
En die die slechtheid, die naïviteit, die onverstandigheid ook liefhebben. Ze houden wel van die schouderophalende naïviteit. Ze vinden het zo erg niet, dat ze zo snel bedrogen worden door de wereld, door de duivel, en door hun eigen bedrieglijke hart.
Dat vinden ze eigenlijk wel best, sterker nog: dat vinden ze prima.

Je kan bij de slechten ook denken aan mensen die in hun hart letterlijk slecht zijn: dood door de misdaden en de zonden, verloren (terwijl ze dat zelf helemaal niet beseffen) en vol van zonden, stiekem of in het openbaar.
En ze hebben die zonden en die slechtheid lief. Ze houden ervan, ze genieten ervan.
Terwijl ze best wel weten, dat die levenshouding alles beslissend is. En dat ze daardoor kruisingen nemen, waarna het eenrichtingsverkeer wordt. En dat er daarna geen weg terug meer is.
Maar ze gaan toch verder: onverstandig, naïef, dwaas.

Tegen wie roept de Opperste Wijsheid? Nu?
b. Tegen spotters.
Dat zijn de mensen die je tegenkomt in Psalm 1, waar we over gezongen hebben. Mensen die met God en godsdienst spotten.
Sommigen spotten openlijk, zoals de spotters bij het kruis: Als U de Zoon God bent, kom dan van het kruis af! (Matt. 27:40)
Anderen doen het meer stiekem in hun hart. Met die verstolen glimlach, met die heimelijke afkeer van de Bijbel, van God, van Christus en van Zijn volk.
Terwijl ook zij best weten, dat die manier van leven alles beslissend is. Dat ze daardoor kruisingen nemen, waarna het eenrichtingsverkeer wordt. En dat er daarna geen weg terug meer is.
Maar ze gaan toch verder: spottend, met veel plezier.

Tegen wie roept de Opperste Wijsheid? Nu?
c. Tegen zotten, tegen dwazen, die wetenschap, die kennis haten.
Ze hebben, zegt de Opperste Wijsheid, geen kennis, ze zijn dwaas.
Zonder kennis en vol van dwaasheid zijn ze op weg naar de eeuwigheid. Zonder God en zonder hoop.
En hoe dwaas die twee eerder genoemden (de slechten en de spotters) ook zijn, deze mensen zijn nog veel erger.
Want het is één ding om naïef te zijn, of om onverstandig en slecht te zijn, om te lachen om God en om de dingen van de eeuwigheid.
Maar je bent dwaas in het kwadraat, als je je niet wilt laten corrigeren.
Als je kennis haat. Als je niet wilt luisteren.
Als je je oren dichtstopt (zoals de omstanders bij de dood van Stefanus deden).
Als je je hart afsluit.
Terwijl je wel weet (want zo dom ben je niet!), dat dat wat je doet alles beslissend is.
Dat je daardoor kruisingen neemt, waarna het echt eenrichtingsverkeer wordt. En dat er daarna geen weg terug meer is.
Maar toch doe je het allemaal wel.

Voor dat soort van mensen heeft de Opperste Wijsheid, heeft Christus vandaag een dringende vraag.
Voor u, aan u gericht, persoonlijk, nu, op dit moment, hier in kerk.
Deze vraag: Hoe lang?
Hoe lang wilt u daarmee doorgaan?
Met uw slechtheid lief te hebben?
Met dat stille spotten te koesteren in uw hart?
Met dat ‘uw oren dicht te stoppen’ voor alles, wat u daarvan juist weg wil halen?

Hoe lang…?
Klinkt dat niet als: met uw lot bewogen?
Als u zo doorgaat, moet u sterven… Hoe lang gaat u nog door?
Als u zo doorgaat, komt u voor eeuwig om… Hoe lang gaat u nog door?
Dwazen, haat de kennis toch niet!

Het is heel onverstandig om een verstandige vraag aan te horen, en die over je heen te laten gaan en daar geen antwoord op te geven.
Christus, de alwijze en almachtige God, de eeuwig Levende, vraagt u om antwoord:
Hoe lang?
Wat zegt u…?
Geef eens antwoord: Hoe lang?

U kunt het antwoord uitstellen tot morgen of tot later, maar dat is onverstandig, dat is dwaas.
Want u weet net zo goed als ik, wat al dat uitstellen u tot nu toe gebracht heeft.
U bent er meer door van de zonde gaan houden.
Uw hart is er harder door geworden.
Vroeger ging u nog wel eens door de preek geraakt naar huis.
Vroeger bad u nog.
Vroeger zocht u de Heere nog wel eens.
Vroeger raakten sterfgevallen u nog.
Maar, is het niet waar, als ik zeg: het is allemaal verdwenen, als een morgenwolk, als een vroeg komende dauw, die heengegaan is (Hos. 6:4)?

Hoe lang gaat u nog door met dat onverstandige uitstellen, met dat heimelijk spotten?
Dat is de vraag, die de Heere nu aan u stelt…
En dit is het moment voor u, om daar antwoord op te geven…
Is het moment dat de Zaligmaker voor u staat, niet de meest geschikte dag voor uw bekering?
Morgen is uw hart harder als vandaag.
Morgen is uw vijandschap groter dan die ooit geweest is.

2. Wat de roep van de Opperste Wijsheid inhoudt

Dit: Keert u tot Mijn bestraffing; zie, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekendmaken.
Keert u tot Mijn bestraffing. Letterlijk: tot Mijn berisping, tot Mijn terechtwijzing, tot Mijn verwijt, tot Mijn beschuldiging.

Als Ik, de Opperste Wijsheid, Christus, nu voor u sta, en dit alles tegen u zeg (dat u onverstandig bent, dat u slecht bent, dat u niet naar Mij luistert), en als Ik u nu vraag: ‘Hoe lang gaat u dit blijven doen?’, draai dan niet uw hoofd om.
Doe dan niet wat de mensen in de tijd van Jeremia deden: Zij draaiden de Heere hun nek toe en niet hun aangezicht (Jer. 2:27).
Maar keer u dan tot Mij.
Kijk Mij dan aan.
Kom dan naar Mij toe!

Vindt u dit, gemeente, ook geen bijzondere uitnodiging?
Niet gezegd tegen goede mensen, tegen perfecte mensen, tegen mensen die aan hun zonden ontdekt zijn, maar tegen slechten, tegen de slechtsten van de slechten.
Tegen u, die nooit aan God denkt. Maar u wilt ook niet aan Hem denken.
Tegen jou, die nooit bidt. Maar je hebt er ook geen zin in. Je bent er eigenlijk wel klaar mee. Met alles.

En nu staat Christus voor je. En wat zegt Hij?
‘Ga weg van Mij?’ Dat zou logisch zijn, toch?
Maar nee, Hij zegt: ‘Zeg, draai je hoofd om, kijk Me aan en kom! Zeg, slechten, je wilt niet, maar kom! Straks (als je het niet doet) is je hart weer harder, dan dat het nu al is. Buig, breek. En kom!’

Zie (zegt de Opperste Wijsheid, Christus), Ik zal Mijn Geest u overvloedig uitstorten.
Ik zal Mijn woorden u bekendmaken
De Heilige Geest, Die voorkomt uit God, Die zal Ik u, u, overvloedig uitstorten.
Als stromen op het droge (Jes. 44:3). En dan zal, zegt Jesaja, de woestijn worden tot een vruchtbaar veld (Jes. 32:15).

Hier wordt, nu wordt rijke zegen beloofd aan zondaars, die zich keren tot Christus.
Die in plaats van slecht doen, van spotten en kennis haten, gaan bukken en buigen voor Hem. Die zich van hun slechtheid gaan bekeren, en met hun zonden gaan breken.

En alles wat u daarvoor nodig hebt, biedt de Heere u vandaag aan: Zie, Ik zal Mijn Geest u overvloedig uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekendmaken
Daarom kan je je vandaag niet verschuilen achter het excuus, dat je dat zelf allemaal niet kan. Laat die dwaasheid voor eens en altijd los.
U kunt het niet zelf doen, u mag het niet zelf doen, maar de Heere wil het doen!

Als de Heere u opdracht geeft om u te wassen en rein te worden, en u roept om hulp, omdat u niet in staat bent, zoals luipaard zich ook niet kan ontdoen van zijn vlekken, om u zelf van uw zonden te wassen, dan belooft de Heere Zelf in Ezechiël 36: Dan zal Ik rein water op u sprengen en u zult rein worden; van al uw onreinheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen (Ezech. 36:25).
En als de Heere hier zegt: ‘Keert u tot Mijn woorden, luister naar Mijn terechtwijzing’, en u roept om genade en verandert Zijn gebod in een gebed: Heere, bekeert U mij (keert U mij om!), dan zal ik bekeerd zijn, dan belooft de Heere: Zie, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekendmaken. Dat zal Ik doen!

Zie, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekendmaken.
Dat was een belofte voor de tijd van toen, in de tijd van Salomo.
Het was ook profetie, vooruitblik, belofte, voor de toen nog komende Pinkstertijd.
En het is ook een belofte voor nu, voor u.

Een belofte vol van genade en goedheid.
God belooft overvloedige zegen, bekering, genade en vergeving.
Zoals staat in Psalm 72: Hij zal nederdalen als een regen op het nagras, als de droppelen die de aarde bevochtigen (Ps. 72:6). En dat zal die verzengde, verdroogde, harde, koude grond van zulke slechte mensen, zacht, vochtig en vruchtbaar maken.
Hij zal leven geven door Zijn Heilige Geest. Aan (zegt Psalm 68) wederhorigen. Aan mensen die dat nooit gezocht, gevraagd en gewild hebben (Jes. 65:1).
Hijzelf wil uw liefde tot de zonde breken en u een nieuw hart geven (Ez. 36:26).
Hijzelf wil uw gezicht, dat altijd de andere kant op keek, omdraaien.
Hijzelf wil je knieën, die nooit wilden buigen, buigen.
Hijzelf wil je oren, die nooit wilde luisteren, opendoen.
En tot je spreken: Hij zal Zijn woorden hun bekendmaken.

Hoe lang haalt u… uw schouders hier nog over op?
Hoe lang blijft u denken (hoe dwaas is dat!) dat het toch niet voor u bestemd is?
Omdat u zo slecht bent?
U wordt persoonlijk genodigd, door Christus. Nu.
En nooit is er één ding tegen u gezegd, zo oprecht als dit!
Hoe lang?
Kom!
Ik, zegt de Heere, zal alles doen.

Als je nu weet, dat het hier gaat om je eeuwige toekomst…
Als je nu weet, dat weg die je nu gaat, een weg wordt van eeuwig omkomen…
Als je nu weet, dat Heere Zelf alles wil doen, wat er aan je gebeuren moet…
Waarom kom je dan niet?

De grootste vergissing die je maken kan, is nu weer denken of zeggen: ‘Nee, wacht even. Nu niet.’
‘Laat me er even over denken…’ Nee, zegt Heere, keert u nu!
‘Laat me het even laten bezinken…’ Nee, zegt Heere, keert u nu!
Het Evangelie, Christus wil van geen uitstel weten!
Heden zo u Zijn stem hoort, verhard uw hart niet (Hebr. 3:15).
Geef u vandaag nog aan Christus over. Als een ellendige zondaar: onverstandig, slecht, spottend, hatelijk en vijandig.
Zet niet op al uw zonden de kroon van uw laatste en grootste zonde, zoals Judas deed:
Hij wilde niet om vergeving vragen.

Hier wordt u zonder enige voorwaarde van uw kant alles aangeboden, voor niets:
Genade, vergeving en vrede met God.
Met de belofte van de Heilige Geest, Die u alles zal leren.
Met de belofte (kijk maar naar vers 33): die naar Mij hoort, zal zeker wonen, en hij zal gerust zijn van de vreze des kwaads.
Genade, vrede, eeuwige vrede in plaats van uw dood en vijandschap.
Wie is er ooit zo dwaas geweest, om een vredesvoorstel tegen zo gunstige voorwaarden af te wijzen?

En de weg tot die vrede wordt er zo helder bij verteld, dat u uzelf nooit meer kunt verschuilen achter onwetendheid. Hooguit achter onwil.
Dit is de weg: Keer u tot Mij!
Draai je op Mijn terechtwijzing om.
Kijk Me aan.
Kom tot Mij.
Buig voor Mij.
En geloof Mij op Mijn woord.
Nader tot God, en Hij zal tot u naderen. Reinig de handen, zondaars, en zuiver de harten, dubbelhartigen (Jak. 4:8).
Verlaat de zonde en leef. Door u te werpen op Gods barmhartigheid en vergevende genade.
Zondaars, slechten, spotters, dwazen, ga de weg die God u wijst, vandaag, en wees welkom aan de voeten van Christus.

Als u doorgaat, komt u om. Dat zien we als laatste nog in ons derde aandachtspunt:

3. Wat het gevolg is van de reacties op die roep van de Opperste Wijsheid

Twee reacties worden ons getekend. Een derde is er niet.

a. U komt en u buigt.
Dat is de eerste soort reactie. U komt en u buigt.
Daarmee erkent u, dat u aangesproken wordt: als zondig, als slecht, spottend, dwaas en vijandig.
Maar u bent opgestaan en u hebt gezegd: Ik zal tot mijn vader gaan en zeggen: Vader, ik heb gezondigd (Luk. 15:18).
U hebt de beloften van de Heere gemaakt tot uw gebeden.
En Hij heeft Zijn woord in uw leven waar gemaakt. Zijn Geest over u uitgestort. De Geest der genade en der gebeden, Die u bracht tot berouw en bekering. Die u bracht tot Christus.
En de belofte is waar geworden en zal door Gods genade verder waar gemaakt worden, de belofte uit vers 33: Die naar Mij hoort, zal zeker wonen, en hij zal gerust zijn van de vreze des kwaads.
Gebracht tot vrede, tot de vrede met God. Veilig en geborgen in Christus, zonder reden om bang te zijn voor de toekomst.

Maar, beste vrienden, er is nog een tweede mogelijkheid.
En na die hartelijke en indringende nodiging van de Opperste Wijsheid, wordt juist die met grote ernst onder uw aandacht gebracht.
De tweede soort reactie is:

b. U komt niet.
U draait uw nek naar God, zonder schaamte en zonder berouw.
U komt niet, u buigt niet.
Ik zeg het, onbekeerde vrienden, veel te gepolijst! Zo zegt de Heere, de Opperste wijsheid, Christus, Die nu voor u staat: U pleegt een viervoudige misdaad.
Dit is de aanklacht, kijk maar in uw Bijbel, een lees maar mee in vers 24:
Dewijl Ik geroepen heb en u geweigerd hebt, Mijn hand uitgestrekt heb en er niemand was die opmerkte. En hebt al Mijn raad verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild.

Wat gaat u straks zeggen op deze ultieme aanklacht? Vol tegenstelling:
Ik heb geroepen.
Maar u hebt niet gewild (eerste misdaad).
Ik heb Mijn handen uitgestrekt (wenkend, nodigend, liefdevol).
Maar u gaf er geen aandacht aan (tweede misdaad).
Ik heb u raad gegeven.
Maar u hebt die verworpen, u hebt er geen aandacht aan besteed (derde misdaad).
Ik heb u aangesproken, berispt, bestraft.
Maar u wilde niet (vierde misdaad).
Vier grote misdaden van een klein en nietig mensje, lijnrecht tegenover vier ongekende zegeningen van de grote en eeuwige God.

Wat gaat u daar straks op zeggen? Vanavond, morgen, of iets later…?
Niets. Want u krijgt het woord niet meer.
Kijk maar in vers 26: Zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten wanneer uw vreze komt.
U hebt gelachen om Mij? Toen Ik u waarschuwde voor uw ondergang?
Dan zal Ik lachen om u en om uw ondergang.
U hebt met Mijn Christus gespot? Toen Ik Hem u aanbood als Redder en Zaligmaker?
Dan zal Ik als Rechter spotten met u en met uw ondergang.

Wanneer – vers 27- uw vreze komt gelijk een verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind, wanneer u benauwdheid en angst overkomt.
Angst zal u overvallen als verwoestende storm.
Want, zegt de dichter van Psalm 50: Onze God zal komen en zal niet zwijgen; een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen (Ps. 50:3).
Als een tornado zal uw ongeluk u overrompelen.
U had nog graag een dag uitstel gewild, als was het maar een uur. Maar het was ineens te laat. Want in het uur, waarin u het niet verwachtte, kwam de Zoon des mensen
(Luk. 12:40).

Ja, toen ging u alsnog zoeken, en roepen.
Merkwaardig… Dat wat u vroeger nooit wilde, dat waar u uzelf toen geen tijd voor gunde, dat bleek u ineens wel te kunnen. Maar…

Vers 28: Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden.
Vroeger was het anders. Toen klonk het uit de mond van de Zaligmaker: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden (Mat. 7:7),
En: die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden (Spr. 8:17).
Maar vroeger is nu voorbij…
De nodigende Zaligmaker is nu rechtvaardige Rechter.
Die vroeger zei: Hoe lang…?
Maar nu zegt Hij: Te lang!
Te lang hebt u gewacht. Nu zal Ik niet meer antwoorden. Nu zult u nooit meer vinden.

Want? Waarom?
Omdat de Heere u niet wilde redden?
Hij staat toch vandaag weer voor u? Keert u tot Mij?
Kijk Me aan, kom en buig. Breek met uw zonden. Ik zal u een nieuw hart geven?

Want? Waarom?
Omdat dan toch ineens zal blijken, dat u helaas niet uitverkoren was?
Hoelang blijft u spotten?

Nee, hierom! Vers 29: Daarom dat zij de wetenschap gehaat hebben, en de vreze des HEEREN niet hebben verkoren. Zij hebben in Mijn raad niet bewilligd, al Mijn bestraffing hebben zij versmaad.
Om vier misdaden:
U hebt de kennis gehaat.
U hebt het dienen van de Heere niet gewild.
U hebt niet gebogen voor Gods wil, voor Zijn manier om zondaars zalig te maken.
En u hebt Zijn bestraffing, Zijn berisping geminacht en vertrapt.
Het oordeel om zulke misdaden kan niet dan vreselijk wezen.

U zult, zegt vers 30, eten van de vrucht van uw zelfgekozen weg. En u zult verzadigd worden van uw eigen plannen en gedachten.
Met andere woorden: u krijgt wat u zelf gekozen en gewild hebt.

Want, vers 32, en dat is een laatste waarschuwing:
De afkering der slechten zal hen doden.
Dat op die kruising nemen van die verkeerde weg, van die doodlopende weg, dat wordt uw dood.
De afkering der slechten zal hen doden en de voorspoed der zotten zal hen verderven.
Dat een tijdje genieten van uw plezier, dwazen, zal u verwoesten.
Met andere woorden (en ik zeg dat niet zonder diep medelijden met hen, die zichzelf door ziekte en onvermogen van hun leven beroofd hebben, en over wie dierbare betrekkingen tot op de dag van vandaag in diep verdriet en grote vertwijfeling treuren), maar toch, met andere woorden: Zondaars, u bent bezig zelfmoord te plegen.
Hoe lang speelt u dat lugubere spel? Doe het niet, keer u om!
Keert u, zegt Christus, tot Mijn bestraffing! En Ik zal alles voor u doen, om u hiervan te redden: Zie, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekendmaken.
Zondaars, onbekeerde vrienden op weg naar de eeuwigheid, het is nog niet te laat. Maar wel bijna. Als u het uitstelt, speelt u niet met vuur, maar met uw leven!

Amen.

Links bij preek over Ik zal Mijn Geest uitstorten (Spreuken 1:22-23)
Judas vervangen door Matthias · Handelingen 1
Leven verborgen met Christus (Kolossenzen 3)
Wolkkolom en vuurkolom (Exodus 13)
Godvruchtige mannen en spotters · Handelingen 2 · Pinksteren
Lees meer:
– Kanttekeningen Spreuken 1

TERUG SPREUKEN