Van de baarmoeder af – Psalm 22 – advent

Preek Psalm 22:10-11: Gij zijt het immers, die mij uit de buik hebt uitgetogen, die mij hebt doen vertrouwen, zijnde aan mijner moeders borsten. Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van den buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God.

LEESPREEK



Gemeente, het Woord van God dat wij (in deze adventtijd) met de hulp van de Heere met elkaar willen overdenken kunt u vinden in Psalm 22.
Onze tekst vindt u in Psalm 22:10-11, waar we het Woord van God als volgt lezen:

Gij zijt het immers, die mij uit de buik hebt uitgetogen, die mij hebt doen vertrouwen, zijnde aan mijner moeders borsten. Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van den buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God.
 
Het thema voor de preek is:

Op God geworpen van de baarmoeder af


En we letten op drie aandachtspunten.

In de eerste plaats op een wonderlijk geschenk:
Gij zijt het immers, die mij uit de buik hebt uitgetogen; die mij hebt doen vertrouwen, zijnde aan mijner moeders borsten.

In de tweede plaats op een hoopvolle toewijding:
     Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af.

In de derde plaats op een heerlijke belijdenis:
     Van de buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God.
 
Dus drie gedachten:
1. Een wonderlijk geschenk
2. Een hoopvolle toewijding
3. Een heerlijke belijdenis
Als eerste dus

1. Een wonderlijk geschenk

Gemeente, Psalm 22 is een psalm vol van bevinding. Je ziet er een worstelend kind van God, die in nood en beproeving houvast zoekt in God. En die daar, bij God, ook verlossing vindt. En die daarna uiteindelijk doorbreekt in de lof en dankbaarheid.
Dat is een soort van patroon in deze psalm, ook in het gedeelte dat ons voorgelezen is.
 
In vers 2 en 3 voelt de dichter zich door God verlaten: Mijn God, mijn God! waarom hebt U mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens? Mijn God! Ik roep des daags, maar U antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte.

Maar in vers 4, 5 en 6 is toon anders. Het begon met ik: ik voel me verlaten. Maar nu klinkt er een: maar U! Op U, die heilig bent, en die woont onder Uw volk, bij de lofzangen van Israëls, op U hebben onze vaders vertrouwd en U hebt hen geholpen.
Ze hebben op U vertrouwd en hebben tot U geroepen, en U hebt hen gered.

In vers 7, 8 en 9 is de toon opnieuw somber: maar ik (David) ben een worm, geen man, gesmaad, veracht en bespot. Maar dan klinkt opnieuw in vers 10 dat ‘maar U’:
‘U bent het immers, die mij uit de buik hebt uitgetogen, die mij hebt doen vertrouwen, toen ik dronk aan de borst van mijn moeder’.

In de lijn van de generaties zorgde God: onze vaders hebben op U vertrouwd (vers 5). Maar ook in Davids eigen leven heeft de Heere vanaf zijn vroegste jeugd voor hem gezorgd, terwijl hij op God vertrouwde (vers 10 en 11).
Maar in vers 4, 5 en 6 is toon anders. Het begon met ik: ik voel me verlaten. Maar nu klinkt er een: maar U! Op U, die heilig bent, en die woont onder Uw volk, bij de lofzangen van Israëls, op U hebben onze vaders vertrouwd en U hebt hen geholpen.
Ze hebben op U vertrouwd en hebben tot U geroepen, en U hebt hen gered.

In vers 7, 8 en 9 is de toon opnieuw somber: maar ik (David) ben een worm, geen man, gesmaad, veracht en bespot. Maar dan klinkt opnieuw in vers 10 dat ‘maar U’:
‘U bent het immers, die mij uit de buik hebt uitgetogen, die mij hebt doen vertrouwen, toen ik dronk aan de borst van mijn moeder’.

In de lijn van de generaties zorgde God: onze vaders hebben op U vertrouwd (vers 5). Maar ook in Davids eigen leven heeft de Heere vanaf zijn vroegste jeugd voor hem gezorgd, terwijl hij op God vertrouwde (vers 10 en 11).

En dat, dat God in het verleden gezorgd heeft, dat geeft David rust in tegenspoed, en dat geeft David hoop, en dat mag al Gods kinderen hoop geven. De Heere, die David toen al kende, die Zijn kinderen voorheen (eer iets van hen begon te leven) al kende, liefhad, ja, liefhad met een eeuwige liefde: Hij zal hen nooit verstoten of verlaten.
 
En zo gaat deze psalm door, van klacht naar houvast en vertrouwen, van dat zuchtende ‘ik’ naar dat ‘maar U’…
We zien het in zoveel psalmen, denk maar aan Psalm 40: ik ben wel ellendig, maar U denkt aan mij (Psalm 40:17).

Zo gaat dit patroon door, totdat David uiteindelijk door die ellende en verlossing heen breekt naar de dankbaarheid in vers 23: Zo zal ik Uw Naam mijn broeders vertellen, in het midden der gemeente zal ik U prijzen.
Een psalm, waarin al Gods kinderen iets van hun leven zullen herkennen, een psalm vol van bevinding.
 
Maar Psalm 22 is vooral ook een psalm vol van Christus.
Want je herkent het vast wel, jongens en meisjes, wat hier staat. Je hoort het later precies op dezelfde manier terug in het Nieuwe Testament.

Misschien moeten we wel zeggen: David was niet alleen koning en dichter, maar hij was ook profeet.
Want dit (in vers 9): Hij heeft het op de HEERE gewenteld, dat hij hem nu uithelpe, dat riepen de vijanden van de Heere Jezus bij het kruis op Golgotha op precies dezelfde manier: Hij heeft op God betrouwd, dat Hij Hem nu verlosse!

En dat (in vers 2): Mijn God, Mijn God, waarom hebt U mij verlaten, dat riep de Heere Jezus op precies dezelfde manier aan het kruis op Golgotha (Mattheus 27:43,46).

En dus gaat het in Psalm 22 niet alleen over David, maar ook over de Heere Jezus.
Het is een psalm over de toen nog komende, maar inmiddels gekomen Messias. We noemen het een messiaanse psalm. Hier zingt de Messias Zelf: U bent het immers, o God, die Mij uit de buik van Mijn moeder hebt uitgetogen, die Mij hebt doen vertrouwen op U, toen Ik dronk aan de borst van Mijn moeder Maria.

Dat als een wat meer algemene inleiding op Psalm 22. We gaan nu wat meer kijken naar onze tekst, te beginnen bij vers 10: U bent het immers, die mij uit de buik hebt uitgetogen.
Dat wil zeggen: U bent het, die mij geboren liet worden. U deed dat! Het staat er heel nadrukkelijk. Het was U! U was het die mij geboren liet worden.

Dit gaat natuurlijk over David, maar dit gaat ook over ons en onze kinderen.
Dit, jongens en meisjes, jongelui, dit gaat ook over jullie: God was het die je geboren liet worden.
Die David geboren liet worden binnen de kring van het volk Israël, en die jullie geboren liet worden binnen de kring van de kerkelijke gemeente, binnen de kring van het verbond.

U hebt mij uit de buik uitgetogen. Wij zouden zeggen: uit de buik gehaald.
Door Gods bijzondere zorg gespaard tijdens zwangerschap en ook bij de bevalling. En dat is een wonder. Want er zijn ouders onder ons, die tot hun groot en blijvend verdriet meer dan andere ouders weten en ervaren hebben, dat dat niet vanzelfsprekend is, maar dat dat echt een wonder is.

Want heel veel kleine kinderen sterven, in alle vroegte in de moederschoot als een miskraam, of later in de zwangerschap, of bij de bevalling, of daarna. Wat geeft dat veel stil verdriet in het midden van de gemeente.
 
En dan daarbij de wetenschap: ook een vroeg gestorven kindje, is een kindje met een ziel.
Een miskraam, dat is ook een kindje met een ziel. Job zei ooit: je moeder kan je graf zijn, terwijl je nooit het levenslicht gezien hebt (Job 20:17).

Een doodgeboren kindje, dat is ook een kindje met een ziel. Nee, uiteindelijk is het niet levend en gezond geboren als een daad van Gods hand (zoals het hier staat in Psalm 22). Maar het is wel (en dat is ook een daad van Gods hand!) als een borduursel gemaakt in het verborgen van de moederschoot. Door Gods eigen hand gevormd, geboetseerd, als een ongevormde klomp.

Als een werk van Gods hand, gezien door Zijn oog (Psalm 139:14-16; Job 31:15).
U mag het in het bijzonder de troost ervaren van de zalige ruil van de vroeg gestorven kinderen van de gemeente, u, die uw kinderen (zoals staat in vers 11) van de baarmoeder af op Gods geworpen hebt.

U bent het immers, die mij uit de buik hebt uitgetogen, dat wil zeggen: die mij geboren liet worden.
Dat wil ook zeggen: onze kinderen zijn een geschenk van God. En dat betekent tegelijkertijd ook dat er in kinderloosheid geen toeval is. Het is Gods hand, die sommigen onder ons tot hun stil en groot verdriet de kinderenzegen tot nu toe heeft onthouden. En dat geeft bij die echtparen heel veel verdriet.

Het is Gods hand die de baarmoeder opent en sluit, zoals we dat ook lezen bij Rachel en bij Hanna. En ook dat geeft veel stil verdriet. Laten we dat ook samen met elkaar proberen te dragen en met deze echtparen mee te dragen.

Laat ons als gemeente bidden om hulp en troost in dit verdriet. En laat ons tegelijkertijd ook bidden of er door Gods genade iets mag zijn of komen van stille berusting, zoals de dichter van Psalm 39 die verwoordt, als hij zegt: Ik zal mijn mond niet opendoen, want U hebt het gedaan.

Het is de hand van de Heere, zegt Job, die smart aandoet, en Hij verbindt; Hij doorwondt en Zijn handen helen (Job 5:18). Laat af, zegt de Heere, en weet dat Ik God ben (Psalm 46:10).
 
U hebt mij gemaakt, maar (vers 10) U hebt mij ook doen vertrouwen zijnde aan mijner moeders borsten.
Toen David nog heel klein was, als een kind aan de borst van zijn moeder, toen leerde de Heere hem om op God te vertrouwen.

Kan dat?
Ja, dat kan. Dat staat hier toch?
En David zingt het ook in Psalm 71: Op U heb ik gesteund van de buik aan, van mijner moeders ingewand aan bent U mijn Uithelper (Psalm 71:5-6).
 
Dat hebben ook onze kinderen nodig, ouders. Wat zou het een geweldige zegen zijn, als onze kinderen niet alleen geboren zijn, maar ook door het werk van God in hun hart opnieuw geboren, wedergeboren zouden worden. Want onze kinderen zijn wel geboren, maar van nature zijn ze (zoals het doopformulier dat zegt) in zonden ontvangen en geboren.

Ons kind is uit de buik van zijn of haar moeder op de aarde gezet, maar toen bleek: het is een onreine uit de onreine, een kind in zonden ontvangen en geboren.
En dus is, vanaf het prilste begin van onze kinderen, het gebed nodig: ‘Was ons kind, was onze kinderen, was ons wel van al onze ongerechtigheid!’ (Psalm 51:2)

Wat zouden grote zegen zijn, als onze kinderen niet alleen geboren zijn, maar ook door het werk van God in hun hart opnieuw geboren, wedergeboren zouden worden. Zodat onze kinderen niet pas later de Heere gaan dienen, gaan vrezen en op Hem gaan vertrouwen, maar nu (net als David), nu ze nog heel klein zijn, nu ze nog in de wieg liggen, nu ze nog drinken bij hun moeders.

Nu is het nodig dat de Heere hen leert vertrouwen op Hem.
Dat, wat we allemaal gezegd heb, dat wordt gezegd over David, en ook over ons en onze kinderen, hoewel dat laatste in het bijzonder geldt voor Godvrezende kinderen.
Maar, dit is vooral profetie!

Hier is vooral de messiaanse verwachting van het komende Godsgeschenk, van het komende volmaakte Kind: Jezus Christus. Hij is in het verborgen gemaakt, door Gods Geest als een borduurwerk gevlochten in de buik van moeder Maria.

Hij is bijzonder bewaard bij Zijn geboorte, waar eigenlijk geen plaats voor was, en die waarschijnlijk ook plaatsvond zonder een helpster of vroedvrouw.
En in tijden van bijzondere dreiging (zoals rond de kindermoord in Bethlehem en bij Zijn vlucht naar Egypte) vertrouwde Hij, Jezus, terwijl Hij dronk aan de borst van Zijn moeder Maria, op Zijn God.
 
Wat is het houvast van David, van dit kind van God, in zijn tijd van vervolging en benauwdheid?
De zorg van de Heere in het verleden voor zijn voorgeslacht? De zorg van de Heere voor hemzelf, vanaf zijn prilste levensbegin?

Jazeker, maar vooral dit: de verwachting van de toen nog komende Messias. In eeuwige wijsheid, door Gods welbehagen uitgedacht in de stille eeuwigheid, beloofd door de profeten en uiteindelijk: gezonden, gemaakt en geboren. In onbegrijpelijke, eeuwige wijsheid en liefde gezonden naar deze verloren wereld als de Eniggeboren Zoon van God (1 Johannes 4:9).
 
Zoekt u ook, net als David, houvast? In nood, in verlating, in aanvechting, in schuld voor God: ‘Ik heb u verlaten, Heere, en nu ga ik gebukt, door eigen schuld, onder de last van mijn zonden, van mijn hemelhoge schuld, zonder God over de wereld’?

Luister, hier liggen woorden van troost verborgen, voor benauwde harten en treurige zielen: de Messias komt! God zal er Zelf voor zorgen.
Ja, Hij is gekomen, want: Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven (Jesaja 9:1).
 
U, HEERE, bent het immers. Hier komt geen mens aan te pas. U bent het!
U zult het doen! U hebt het gedaan!

Dit is Uw onbegrijpelijke, vrije en eeuwige welbehagen geweest!
En nu, nu hoop ik op Uw onfeilbaar woord.
We gaan verder met onze tweede gedachte:

2. Een hoopvolle toewijding

Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af.
Zo staat het er letterlijk: geworpen! Zoals je iets werpt, zoals iets gooit!
Natuurlijk is het niet letterlijk bedoeld. Wie gaat er nu gooien met een kind?

Het is natuurlijk metaforisch, figuurlijk bedoeld, het is beeldspraak.
Want, als ik iets naar jullie toe werp, jongens en meisjes, als ik iets naar jullie toe gooi, dan is dat een gebaar, dan is dat een teken: ‘Hier, dit is voor jou, dit is voor jou bestemd!
 
Je mag letterlijk denken aan een pasgeboren kindje, dat bij de geboorte werd opgevangen, en geworpen werd, gelegd werd in de armen van…? Van moeder?
Nee, zoals hier staat: in de armen van God!

Je mag ook denken aan het brengen van een offer: ‘Hier, HEERE, is ons offer, dit is
voor U! Dit offer dragen wij over aan U. Dit zij aan U toegewijd’.

Zo was het ook (en daar mag je dus ook aan denken), zo schrijft Matthew Henry, bij de besnijdenis van de pasgeboren jongetjes in Israël: ‘Dit kind, Heere, is van U, dit kind is voor U’. Dat ‘werpen’, dat overdragen, dat ‘toewijden aan’ is een verbondshandeling. Zo’n pasgeboren jongetje werd geworpen op, werd overgegeven en toegewijd aan God, aan de God van het verbond.

David zegt: Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af.
Dat wil zeggen: mijn moeder zei ‘HEERE, heb ik dit kind van U gekregen? Hier is hij, HEERE, hij is voor U!’
Zoals Abraham dat deed met Izak: ‘HEERE, moet ik hem offeren? Hier is hij, voor U!

Zoals Hanna dat deed met Samuel: ‘HEERE, ik heb hem toch van U gebeden? Hier is hij terug, hij is voor U!’
‘Onze kinderen, HEERE, zijn Uw kinderen (zo staat het letterlijk in Ezechiël 16:21), ze zijn door U apart gezet: door U, voor U (1 Korinthe 7:14). En nu, omdat ze van U zijn, daarom brengen we ze nu bij U.’
 
Hebt u zo, ouders, uw kinderen al bij de HEERE gebracht? Op het moment dat het water van de Heilige Doop op hun hoofdjes werd gedrupt, maar ook op zoveel andere momenten?

Toen hebt u nadrukkelijk ‘ja’ gezegd: ‘dit kind hebben wij van U HEERE gekregen, maar, het is om ons zo onrein. U zegt: het is van Mij. Maar kijk toch, HEERE, wat er door onze schuld van ons kind geworden is,. Moeten wij dit onreine kind aan U geven?

We weten en belijden, dat wij met onze kinderen verbondsbrekers zijn, die de dood verdiend hebben. Maar desondanks zijn ze door U apart gezet op het terrein van het verbond. Hier staan we (stond u ooit zo bij het doopvont?), hier staan we voor Uw heilig aangezicht. We kunnen voor U niet bestaan. We zijn van nature onderworpen aan Uw heilige toorn. Hier, kijk HEERE, hier zijn wij (wees ons genadig), met ons kind.

Met Uw kind, want het is van U. U hebt er recht op. Maar het is door ons zo vuil, zo besmet door de zonde. Hoe moet het toch met ons en met ons kind?’
 
Kon je, ouders, toen je stond aan dit doopvont, en kan je nu je kind of je kinderen met droge ogen teruggeven aan de Heere?
Nee, je kan alleen, zoals de vader van de bezeten jongen dat destijds deed, als onreine ouders, roepend en met betraande ogen je kind werpen op Gods grondeloze barmhartigheid.
 
Hoe anders gingen Jozef en Maria destijds naar de tempel, met hun Kind.
Nee, met Gods Kind.
‘Hier, Heere, is onze… Nee, hier is Uw Eerstgeboren Zoon: volmaakt, heilig.

Heere, Hij is van U! Het is Uw Zoon! Het volmaakte Kind. Dat wij, ja nu als een volmaakt offer op U werpen. Hier is het Kind, dat ons geboren is. Hier is Uw Kind, Uw Offerlam!’
Op U, op Uw eisende recht, ben Ik geworpen van de baarmoeder aan.

Want het wordt daar bij de tempel direct duidelijk, dat dit het Lam van God is, dat God Zelf heeft voorzien. Het Offerlam, waarom Izak uiteindelijk niet geslacht hoefde te worden. Immers, terwijl zij daar staan zegt Simeon tegen Zijn moeder: Een zwaard zal door u eigen ziel gaan (Lukas 2: 35).
 
Hoe is deze psalm vervuld in Christus!
‘U bent het, die Mij hebt doen vertrouwen, zijnde aan de borst van Mijn moeder Maria.
In alle gevaar, in alle dreiging (vanwege de kindermoordenaar in Bethlehem en in de ballingschap in Egypte) heb Ik op U vertrouwd.

Van Mijn jeugd aan heb Ik vertrouwd op U, o, eeuwige Vader.
Ik moest wel roepen: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?
Maar Ik wist, dat U Mij altijd horen zou, ook in de diepte van Mijn lijden.
De mensen smaadden Mij, maar Ik heb Mijn betrouwen op U gezet.’
 
Wat een troost is dat in alle lijden en aanvechting van David, aan maar ook in alle duisternis en aanvechting in het leven van al Gods kinderen. Als de zonde en de duivel ons benauwt.
Dit onreine, ontrouwe kind van God is het waard om voor altijd verlaten en verstoten te worden.

Maar God zal, om dit andere Kind, om Zijn volmaakte Kind, niet en nooit verachten de verdrukking van de verdrukten, en Zijn aangezicht voor hen niet verbergen, maar Hij zal horen, als zij tot Hem roepen (vers 25). Vanwege het volmaakte Kind, dat in alles gehoorzaam zou zijn en is geweest. Tot de dood van het kruis toe. Om de overtredingen van verbondskinderen te verzoenen.
 
En daarom kunnen wij en onze kinderen gewassen en gereinigd worden, van al onze overtredingen en van al onze onreinheid. Vanwege het bloed (daar wijst het doopwater op!), vanwege het bloed van dit Kind, dat ons geboren is (Jesaja 9:1)

Alleen door Hem (want dat doen ze niet van zichzelf) kunnen onze kinderen, tot onze allerkleinsten toe, maar ook wij ouderen, leren vertrouwen op God.

Als zij (en dan heb ik het over hen, die tot hun verstand gekomen zijn) en wij leren zeggen: ‘Ik ben het waard dat ik verlaten word, dat ik voor altijd zou moeten zeggen: mijn God, U hebt mij terecht verlaten. Waarom? Omdat mijn zonde scheiding maakt tussen U en mij (Jesaja 59:2).’

Maar nu, nu is er een weg terug. Nu kunnen wij met onze kinderen door het bloed van Christus weer nabij gebracht worden.
God is gewillig en bereid om ons en onze kinderen te wassen in Zijn bloed. En het doopwater op je voorhoofd, jongelui, is daar een garantie van!
 
En als dat, door Gods genade, ons deel, ons zalig lot mag worden, dan brengt die inwendige vernieuwing van ons hart ons ook tot de belijdenis, die wij tot slot zien in onze derde gedachte.
 
Ons derde aandachtspunt:

3. Een heerlijke belijdenis

Dat gold van Christus: Van de buik van Mijn moeder aan, bent U Mijn God! U zal Ik lof zingen (vers 26), en daarom zullen de heidenen komen (vers 28) en daarom zal het zaad U dienen (vers 31).
Dat gold van David: Van de buik van mijn moeder aan, bent u mijn God!
Maar de grote vraag is: geldt dat ook van mij, van u, van jullie?

Ooit zei God, boven ons hoofd (althans van de meesten van ons, van hen die gedoopt zijn): ‘u komt Mij toe, Ik heb recht op u, Ik wil uw God zijn, u bent Mijn kinderen…’
(zie Ezechiël 16:21).
Maar het is niet genoeg dat je kind van het verbond, dat je kind van het koninkrijk heet.

Het is zelfs niet genoeg, jongelui, als je ouders je hier bij het doopvont met heel hun hart geworpen hebben op Gods barmhartigheid. Hoewel het voor hen (welke weg je ook gaat) een diepe troost zal blijven en een blijvende pleitgrond om op te worstelen.
Voor jou is het niet genoeg!
 
Want het kan zijn, dat je hier door je ouders in hoop en verwachting geworpen bent in de armen van Gods barmhartigheid, maar dat je je ontworstelt… althans je wilt en probeert te ontworstelen aan de claim die God over je leven heeft gelegd.

Als je kiest voor de wereld, als je kiest voor de zonde, als je kiest voor een vroom leven zonder God.
De Naam van de heilige God is over je leven uitgeroepen, maar je kiest zelf voor een onheilig leven. Je veracht het teken van het verbond (zoals Ismaël, zoals Ezau deed) en je weigert de aangeboden genade en verlossing.

Pas op, je speelt met vuur! Want God, de God van het verbond is heilig. En al gelooft de hele wereld het niet meer, die heilige God, is een verterend vuur en een eeuwige gloed (Hebreeën 12:29). En het zal verschrikkelijk zijn om voor eeuwig om te komen in het vuur van de wraak van de God van het verbond, van die God die toen, toen je hier, jongelui, ten doop gehouden werd, zei: ‘Mijn kind, Ik wil je God zijn!’

Want, als je die aangeboden verlossing weigert en veracht, en het bloed van het verbond vertrapt, dan zal het Tyrus en Sidon veel draaglijker zijn in de dag van het oordeel dan jou, dan u (Lukas 10:14)!
Het zal ongedoopt Kampen en IJsselmuiden veel draaglijker zijn in het oordeel dan u, die de weg hebt geweten en het teken van het bloed van Christus op uw voorhoofd gedragen hebt.

Verbondskinderen, er is maar één weg om behouden te worden!
En wat zal het tot vreugde zijn van je ouders, van je grootouders, ja, er zal vreugde zijn in de hemel zelf, bij God Zelf, als je als een verloren zoon of een verloren dochter terug keert. Naar God toe, met smeken en geween.

De weg? Die weet je! Die staat op je voorhoofd geschreven. Je kan nooit meer zeggen: die wist ik niet! Daar staat het!
Dit is de weg! Nee, geen weg van levensverbetering, van de goede werken, of van een goed en net leven. Maar dit is de weg: buigen voor God als schuldige verbondsbrekers.

Dit is de weg! In een weg van berouw en boetvaardigheid smeken om het bloed van Christus, om het offer van het volmaakte Kind, het Hoofd van het verbond, die vrijwillig de dodelijke schuld van verbondsbrekers op Zich wilde nemen en genomen heeft.

Zo zegt de HEERE: Keert weder, u afkerige kinderen! Ik zal uw afkeringen genezen.
En zegt u, met een schuldig hart, met een gebogen hoofd, met een beschaamd gezicht:
Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want U bent de HEERE, onze God! (Jeremia 3:22)

Wat u doen moet? Buigen, voor Hem knielen. En zeggen: ‘Heere, ik heb gezondigd.
U bent heilig, wonend onder de lofzangen Israëls. Maar ik ben onheilig. Ik ben het waard, dat de wraak van het verbond op mij vallen zal. Maar wees mij zondaar genadig.’

Als u zo voor de Heere knielt, als een onheilige, als een verlorene, die het waard is om voor eeuwig door God verlaten te worden, dan zult u zonder twijfel iets en meer leren en zien en ervaren van het wonder, dat Izak (die het waard was om te sterven, als een offer dat nooit kon voldoen) niet hoefde te sterven, omdat God Zelf een offerdier voor een brandoffer gaf.
 
U hoeft ouders, als u kijkt naar uw kinderen en naar wat zij nodig hebben, u hoeft uw leven lang ten diepste maar één ding te zoeken. De rest houdt allemaal op, de rest gaat allemaal voorbij.

Dit moet u zoeken: wij met onze kinderen, die van nature verloren liggen, geestelijk dood door de misdaden en de zonden, wij moeten geborgen zijn achter het bloed. Het bloed van Christus moet gestreken zijn (zoals destijds in de paasnacht in het land Gosen) aan de deurposten van ons huis.

Dan bent u veilig, en dan alleen.
Dan kunt u getroost leven, zelfs in alle moeite en verdriet van dit leven.
Want dan mag u hier zeggen: ‘U bent (o, eeuwig een onbegrijpelijk wonder van genade), u bent mijn God, u bent onze God’ (Psalm 48:14).

En dan mag u straks, aan het einde van dit leven zeggen: Ziet, ik en de kinderen, die mij de HEERE gegeven heeft, (ze) zijn tot tekenen en tot wonderen in Israël, van de HEERE der heirscharen, Die op de berg Sion woont (Jesaja 8:18).
 
U zult niet de eerste zijn die dat zegt. En dat was David, dat was Jesaja ook niet.
Want dit zijn ook woorden van Christus Zelf.
En daarom kan het, voor u en mij, voor ons allemaal.

Dit was en is Zijn psalm, doortrokken van de vastheid van de echo van Zijn woorden:
‘Ik zal…
Zoals de schrijver van de Hebreeënbrief ze aan het einde van de Bijbel ook opgeschreven heeft, uit Zijn mond, terugwijzend naar deze Psalm, waar de Messias opnieuw zingt:

Ik zal Uw naam Mijn broeders verkondigen, in het midden van de gemeente zal Ik U lof zingen. Ik zal Mijn betrouwen op U (Mijn God) stellen.
En: zie daar (zal Christus zeggen) Ik en de kinderen, die U, Vader, Mij gegeven hebt (naar Hebreeën 2:12-13).
 
Amen.