Mozes in biezen kistje (Exodus 2) – advent

Mozes in biezen kistje in de Nijl
Preek Exodus 2:1-14: Doch als zij hem niet langer verbergen kon, zo nam zij voor hem een kistje van biezen, en belijmde het met lijm en met pek; en zij legde het knechtje daarin, en legde het in de biezen, aan de oever der rivier. En zijn zuster stelde zich van verre, om te weten, wat hem gedaan zou worden.

Thema preek Exodus 2: Mozes in biezen kistje Nijl

De geboorte van een verlosser, of: de kleine Mozes en zijn ouders.
1. Geboren in een tijd van verdrukking
2. Gezien met een oog van geloof
3. Gelegd in een ark op de plaats van de dood

PDFAudio

Preek Exodus 2: Mozes in biezen kistje Nijl

Gemeente, het Schriftgedeelte dat we met elkaar overdenken kunt u vinden in Exodus 2, daarvan vers 1 tot en met 4. Daar lezen we het woord van God als volgt:
En een man van het huis van Levi ging, en nam een dochter van Levi. En de vrouw werd zwanger, en baarde een zoon. Toen zij hem zag, dat hij (Mozes) schoon was, zo verborg zij hem drie maanden. Doch als zij hem niet langer verbergen kon, zo nam zij voor hem een kistje van biezen, en belijmde het met lijm en met pek; en zij legde het knechtje daarin, en legde het in de biezen, aan de oever der rivier. En zijn zuster stelde zich van verre, om te weten, wat hem gedaan zou worden.

Het thema voor de preek van vanmorgen/-middag is:
De geboorte van een verlosser, of: de kleine Mozes en zijn ouders.

Er zijn drie aandachtspunten:
1. Geboren in een tijd van verdrukking
2. Gezien met een oog van geloof
3. Gelegd in een ark op de plaats van de dood
Als eerste dus:

1. Mozes, geboren in een tijd van verdrukking

Ze leven met hun gezinnetje in een moeilijke tijd. Egypte heeft de nieuwe farao. En die nieuwe farao die weet niet meer van vroeger, van de tijd van Jozef. Jozef, die heeft hij niet gekend.
En die nieuwe farao, die kijkt met argusogen naar dat volk van Israël, dat woont in het land Gosen. Op termijn vormt dat snelgroeiende volk een gevaar voor zijn eigen land, voor zijn eigen volk en voor zijn eigen macht.
En dus laat hij ze heel hard werken. Als slaven, als dwangarbeiders.
Maar tot zijn grote frustratie merkt hij, dat het niet helpt. Hij denkt: als ik ze heel hard laat werken, dan krijgen ze vast minder kinderen. Maar wat gebeurt er? Ze krijgen juist meer kinderen.
Als de Egyptenaars dat merken, zo staat in Exodus 1:12, dan worden ze verdrietig over hen. Dan moet je, jongens en meisjes, niet denken aan tranen van verdriet, maar bedoeld is: ze verafschuwden hen, ze haalden hun neus nog meer op voor dat volk.
Maar er kwam ook iets op in het hart van de Egyptenaars van misselijkmakende angst voor dit snelgroeiende volk. We werden er bang van.
En dus denken ze: ze moeten harder aangepakt worden! Laat Sifra en Pua, de verloskundigen, vanaf nu alle pasgeboren jongetjes doden. Dan wordt dat volk vanzelf uitgeroeid. Maar, zo staat er in hoofdstuk 1:17: zij vreesden God. En dus doodden zij de jongetjes niet.

Een moeilijke tijd. Net als nu, in deze tijd.
Maar er is iets in die tijd, dat die tijd nog somberder, nog triester maakt. De vraag: Waar is God? Spreekt Hij niet meer?
Maar als je denkt aan die vraag, dan moet je niet God de schuld geven. Maar de mensen! Zij vragen niet meer naar Hem. Zij roepen niet tot de Heere. Dat lees je uiteindelijk pas in Exodus 2:23. Maar dan is het al tientallen jaren later.

Die twee dingen maken de nood van de tijd uit. Voor ouders en gezinnen toen, ook voor ouders en gezinnen nu, in deze tijd.
Nee, dan moeten niet alleen wijzen naar de gevaren van de tijd en de zorgen die we als ouders hebben, ook in onze gezinnen.
Dat andere, is minstens zo belangrijk: roepen wij in onze nood en zorg nog wel tot God?
U zegt, u zucht: het is zo stil en donker, spreekt de Heere nog wel?
Ja, maar de vraag is: roepen wij nog wel vanuit onze nood tot God?

In die moeilijke tijd zijn ze samen getrouwd. Later horen we dat ze Amram en Jochebed heten. Beiden zijn ze uit de stam van Levi. Jochebed was de tante van Amram. Later mocht dat niet meer, maar toen waren de wetten voor zo’n soort van huwelijk nog niet gegeven.

Ze trouwen. En ze krijgen ook kinderen: eerst Mirjam en Aäron.
En nu is Jochebed weer zwanger.
Veel mensen zouden, als zij nu leefden in een tijd van dwangarbeid, vervolging en dreiging, zeggen: we nemen geen kinderen!
Maar hier zien we hoe twee godvrezende mensen hun huwelijk gezegend zien met een nieuwe zwangerschap. En dat kàn ook. Dat heeft helemaal niets te maken met onverantwoordelijk bezig zijn.
Deze zwangerschap, dit kind is welkom. Want, ze zien midden in die donkere tijd omhoog! Hun oog is gericht op de trouw en de macht van de God van Israël, die later gezegd heeft: de vrucht van de buik is een beloning. Een beloning van God. En omdat het van God is, zal God ook zorgen.

Alleen, je zegt (jongens en meisjes): ‘Het valt op, dat die andere twee kinderen hier in deze geschiedenis helemaal niet genoemd worden.’
Sterker nog, het valt op dat iedereen anoniem is. De namen van vader en moeder (Amram en Jochebed), en de namen van zijn zus en broertje (Mirjam en Aäron), ze staan er allemaal niet bij. Het is alsof Mozes later, als hij groot is, terwijl hij schrijft, wil zeggen: het ging helemaal niet om ons en ons gezin.
Het ging in die tijd om God, om Gods grote daden, om Zijn grote verlossingsdaden. Want terwijl alles mis lijkt te lopen bij dit volk, zien we plotseling hier iets ontluiken van een bijzonder werk van God. Zijn plannen zullen niet falen. Zijn raad zal bestaan. Zijn verbond met Israël is vast. Farao en de duivel zullen niet overwinnen. En dit volk zal nooit uitgeroeid kunnen worden.
Want…? Want alles wacht op de vervulling van de belofte van verlossing, op de vervulling van de belofte van de komende Verlosser, van de Messias, die uiteindelijk eeuwen later ook gekomen is.

En die Messias, die grote Verlosser werpt hier Zijn schaduwen vooruit. Als midden in die donkere tijd een nieuwe verlosser geboren wordt in Israël: een teken van hoop en verwachting.
Zoals nog steeds, in het leven van een zuchtend volk (dat zucht onder de slavendienst van de zonde en de last van hun schuld voor God) een teken van hoop gezien kan worden, als zij in de verte iets mogen zien van de ochtendgloren van het licht van de Zon der gerechtigheid.

Ons tweede aandachtspunt:

2. Mozes, gezien met een oog van geloof

Een jongetje! Wat zijn ze blij. Een nieuwe zoon van Levi! Eerst een meisje, toen een jongen, en nu nog een jongetje! Een nieuwe zoon van Levi.
Maar schrik! Ja, want we zijn wel blij, maar er is tegelijkertijd vanaf nu ook groot gevaar!
Want als iemand dit jongetje ziet, dan…
Ja, want farao heeft gezegd dat iedere Egyptenaar die in Gosen een jongetjesbaby ziet, dat kindje moet doden. Weg met de jongetjes van Israël! Gooi ze in de rivier! Dan verdrinken ze, dan worden ze opgegeten door de krokodillen.

Voel je trouwens, jongens en meisjes, dat daar veel meer achter zit, achter dat ‘weg met de jongetjes uit Israël?’
Dat is trouwens in later tijd vaker gebeurt. ‘Vermoord ze, alle jongetjes in Bethlehem! Want als dat lukt, dan zijn we ook dat ene Jongetje, die geboren Koning der joden, de Messias kwijt.’
Maar, de satan zal niet overwinnen. God houdt Zijn volk in stand. Ook in de hitte van de strijd en in het meest dreigende gevaar.

Ze kijken… Zus Mirjam en broertje Aäron, naar hun pasgeboren broertje. Wat zijn ze blij met hem!
Ze kijken…. Als vader en moeder, naar hun pasgeboren kindje…
Maar als zij, Amram en Jochebed kijken, dan zien ze iets bijzonders…
In vers 2 staat: Jochebed, zij zag dat Mozes schoon was. Letterlijk staat er: hij was goed. Later zegt Stefanus in het Nieuwe Testament letterlijk: Mozes was uitnemend schoon voor God!
En in Hebreeën 11:23 staat, terwijl het gaat over de geloofshelden: ze zagen allebei (vader en moeder): dit jongetje is schoon!
Schoon. Dat wil niet zeggen: niet-vies. Wij zouden zeggen: mooi, of knap.
Ja, dat was Mozes vast ook, maar toch was er meer dan dat.
Dat is trouwens nog zo. Je kunt zo bezig zijn met je uiterlijk, en kijkend in de spiegel hopen dat je knap bent, maar waar het in het leven om gaat, is dat je (en dat staat hier van Mozes), dat je schoon, mooi, goed bent voor God.

Mozes, dat pasgeboren jongetje (en dat zagen zijn ouders!) was goed voor God. Wonderlijk. Die uitdrukking doet terugdenken aan de eerste dagen van de schepping: alles was goed, alles was zeer goed.
Maar, zeg je: ‘Hoe kan dat? De Bijbel zegt toch: er is niemand die goed is, zelfs niet één? En zegt ons doopformulier niet: wij met onze kinderen zijn in zonden ontvangen en geboren en daarom kinderen des toorns?’

Ja, dat is waar. Niemand is goed in zichzelf. Alleen als God ons ziet in Christus. In de Middelaar. Als je, jongens en meisjes, luistert naar die naam ‘Middelaar’ dan hoor je, daar zit het woordje ‘midden’ in. Hij is Degene die middenin staat. Tussen God (de heilige God, die de zonde niet kan en wil aanzien, die de zonde haat) aan de ene kant en een zondig en verloren mens aan de andere kant.
God kan zo’n mens niet aanzien, behalve als er Iemand tussenstaat: de Middelaar. En dan ziet God de Middelaar! En dan is het goed.
En zo moet het hier ook geweest zijn. Het kan niet anders, deze ouders hebben gezien en geloofd, toen ze hun kleine Mozes zagen liggen in de doeken: dit kind is anders! Het is goed in Gods oog! Niet omdat Mozes van zichzelf goed is (want hij is ook in zonden ontvangen en geboren), en niet omdat wij als ouders goed zouden zijn, maar alleen omdat God dit kindje aanziet in de Middelaar, in de Messias, in Christus! En daarom is het goed met hem. Door Christus, de komende Messias.
Wat is dat een bijzondere zegen voor deze ouders geweest, dat ze zo naar hun pasgeboren jongetje mochten kijken. Dat ze mochten weten en geloven: dit kind, deze Mozes is goed voor God.

Mozes was uitnemend schoon.
Ze kijken, vader en moeder, naar hun Mozes, en ze zien iets op zijn gezicht, iets wat meer is dan gewoon menselijks. Misschien is het iets geweest van de glans, zoals die later op zijn gezicht lag, toen Mozes met God was geweest. We weten het niet.
Maar hoe dan ook, ze zien het en geloven het: dit is een bijzonder kind. Ze zien het en geloven: God heeft een plan met dit kind. God zal door hem iets groots gaan doen.

En dat is de reden, zo staat in Hebreeën 11:23, dat ze hem verborgen, dat ze hem verstopt hebben. Dat was geen gewone liefde van vader en moeder, daar zat meer achter. Ze hebben hem verborgen, omdat ze iets bijzonders in hem gezien hebben, iets van Gods bijzondere plan met dit kind.
Ze hebben hem, zo staat in Exodus 2:2 zorgvuldig verborgen, zoals je een schat verbergt, zoals je iets verstopt dat heel erg waardevol is.
En dat is vast niet gemakkelijk geweest. Want in het land Gosen leven heel veel mensen.
En de vijand heeft overal ogen en oren. En zeker als een baby langzaam maar zeker wat harder gaat huilen (als Mozes groeit), dan kun je hem niet zo gemakkelijk meer verstopt houden.

Maar, zo staat er in Hebreeën 11, ze verbergen hem door het geloof.
Door het geloof zien ze iets in dit kind, wat ze bij hun andere kinderen niet gezien hebben. God zal iets groots gaan doen door hem, God zal Zijn Naam groot maken door dit kind.
En door datzelfde geloof zijn ze ook niet bang. Ja, wel voor de koning, maar niet voor zijn gebod. En dus verstoppen ze hem drie maanden lang.

En daarin wijst deze kleine, aanstaande verlosser voor uit naar Hem die komen zou. Naar Hem die met recht kon schitteren in schoonheid, glans en heerlijkheid. Maar die er vrijwillig voor koos om dat te verbergen in diepe vernedering.
Ook Hij, de Heere Jezus Christus, moest verborgen worden. Hij moest weggerukt worden voor de soldaten van Herodes en vluchten naar Egypte. Maar Gods bijzondere zorg was ook over Hem, over zijn ouders, en over het volk Israël.
Want: Er zal verlossing komen! En niets en niemand is in staat om dat plan van God te verhinderen.
Van die komende verlossing gaan we nu samen eerst zingen uit Psalm 130: 4:

Hoopt op den HEER, gij vromen;
Is Israël in nood, Er zal verlossing komen; Zijn goedheid is zeer groot.
Hij maakt, op hun gebeden,
Gans Israël eens vrij
Van ongerechtigheden;
Zo doe Hij ook aan mij.

Ons derde aandachtspunt:

3. Mozes, gelegd in een ark op de plaats van de dood

Drie maanden lang verbergen ze hem, maar dan gaat het niet meer. Dan moet de kleine Mozes het huis uit. Het is te gevaarlijk. Als hij huilt, klinkt het steeds harder. En daardoor wordt de kans om ontdekt te worden steeds groter.

De kleine jongen moet het huis uit. En als je dat leest, dan voel je iets van de worsteling van moeder Jochebed en vader Amram. Van de worsteling die je ook nu als ouders kunt hebben, als je je kind of je kinderen los moet laten. Je zou ze graag altijd bij je houden. Omdat je weet van de gevaren van de wereld, die zoveel aansluiting vinden in je eigen zondige hart, en dus ook in hun hart. Maar je moet ze loslaten…
Je voelt de pijn van vader en moeder, als je leest in Handelingen 7:21: Hij is weggeworpen. Je hoort als het ware de roep van moeder en vader: ‘Nee, ons jongetje, onze Mozes, nee…!’ Maar het moet.
Het moet omdat God een heel bijzonder plan heeft met dit kind. En dat weten ze. Maar het gaat in Gods weg vaak zo anders dan wij denken en hopen. Juist vanwege Gods plan. Zijn wegen zijn hoger dan onze wegen. Opdat uiteindelijk de eer van dat grote verlossingswerk ook voor Hem alleen zal zijn.

Weg, uit handen gerukt. Pijn en verdriet in het hart van vader en moeder. Maar ook geloof, rust en vertrouwen. U zegt: ‘Waaruit blijkt dat?’

a. Hun geloof blijkt in de eerste plaats daaruit dat ze (zoals ik eerder zei) schoonheid hebben gezien in dit kind. Ze hebben samen geleefd door het geloof. Door het geloof in Gods belofte.
Want had God het eeuwen geleden niet gezegd tegen vader Abraham: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat het hunne niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaar. En daarna (zei de Heere), daarna zullen zij uittrekken (Genesis 15:13). Dan zal er verlossing komen!
Dat de Heere dat beloofd heeft, dat is inmiddels al heel lang geleden. En ze weten het, Amram en Jochebed: die 400 jaar zijn bijna voorbij! Stefanus zegt later in Handelingen 7: de tijd van de belofte, die God aan Abraham gezworen had, naderde…
Voor God naderde de tijd van de vervulling van Zijn Woord. Want Hij houdt altijd Zijn Woord. En daar hebben zij in die donkere tijd op gezien en op gehoopt: God zal Zijn
Woord waarmaken. Ook al lijkt alles anders te gaan dan gedacht, ook al loopt alles tegen. Hoe het nu ook tegenloopt, ze hopen op het woord van Gods belofte: Er zal verlossing komen.
Het enige houvast, ook nu in deze tijd, voor een mens in nood is: het Woord, het woord van Gods belofte.
En ze hebben door het geloof in dat beloftewoord ongetwijfeld iets van die komende verlossing gezien toen ze naar hun kleine Mozes keken, en zagen dat hij schoon was voor God.

Waaruit blijkt hun geloof? In de eerste plaats daaruit dat ze schoonheid hebben gezien in dit kind en samen geleefd hebben door het geloof in Gods belofte.

b. In de tweede plaats blijkt hun geloof uit het feit dat ze Mirjam op de uitkijk zetten, niet ‘om te zien wat ervan terecht zou komen’, maar zo staat er letterlijk: ‘om te zien wat hem gedaan zou worden’. Ze wachten op wat God gaat doen, ze verwachten een ingrijpen van God uit de hemel.

c. En in de derde plaats blijkt hun geloof ook daaruit dat ze ook de middelen, die ze hebben, gebruiken. Ja, want het geloof sluit het gebruik van de middelen niet uit! Ze doen alles wat ze kunnen om hun kleine Mozes te redden. Ze vlechten van papyrusriet, van biezen een klein mandje, een klein kistje. Men maakte vroeger vaker kleine bootjes van papyrusriet, maar dit mandje maken ze extra waterdicht met lijm en met pek. Pek was een soort van asfalt, teer uit de omgeving van de Dode Zee. ‘En dan, dan hebben ze (zeg je): gewoon een soort mandje, een klein bootje, een klein reddingsbootje…
Ja, maar als je goed leest in het Hebreeuws, dan staat er iets anders. Dan staat er: ze maakten een ark. Daar wordt hetzelfde woord gebruikt als het woord dat gebruikt is voor de ark van Noach.
Door het geloof heeft Noach de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin. Door het geloof hebben Amram en Jochebed een kleine ark gebouwd…

En, ze leggen die ark in het water van de dood, in de rivier of in een zijtak van de rivier de Nijl. In dat water, waarin zoveel kinderen verdrinken, blijft één kind drijven, in een kleine ark, die door zijn ouders gebouwd is.

Je proeft iets in de tekst van het verdriet en de pijn in het hart van vader en moeder, als ze hun kind moeten afstaan. Maar je proeft ook iets van de stille rust en het hartelijke vertrouwen: als God iets goeds gelegd heeft in dit kind, dan ligt het ook goed in Gods hand.
Moeder Jochebed legt het kindje in de ark, en ze legt het tussen het riet aan de oever van de rivier. De rivier van de dood. En Mirjam, een meisje van een jaar of 14, gaat iets verderop op de uitkijk staan wachten, om te zien wat er gedaan zal worden. Soms moet je je kinderen afstaan. Soms als ze ouder worden. Ze gaan het huis uit, ze gaan werken, ze gaan studeren.
Soms moet je je kind letterlijk afstaan. Aan de rivier van de dood.
En dan voel je als vader en moeder in je hart de pijn: weggeworpen, zoals Stefanus dat zegt.
Maar wat is het een zegen, als je in je hart ook iets voelen mag van de rust: hij of zij ligt veilig in de ark.

Want, ouders, wij en onze kinderen worden alleen behouden door de ark.
Door de ark die door God is bereid, tot behoudenis van ons en onze gezinnen. De doop wijst daarheen. De grote ark van Noach, en de kleine ark van Mozes wijzen daarheen. We hebben nodig, zoals Judas schrijft (Judas:1), dat we door Jezus Christus bewaard worden.

Wie in de ark, wie in Christus is, die is veilig en zal niet omkomen. Ook niet in de dag van het komende gericht.
Maar wie buiten Hem is, wie niet in Christus geborgen is, die is in levensgevaar.
De satan zoekt uw ziel. En eerdaags zult u geworpen worden in het water van de dood. Zonder ark, zonder Christus, wordt dat een eeuwig omkomen! Al de machten van de hel zullen u bespringen, en de vloed van het water van Gods toorn zal u overstromen. Tenzij! Tenzij u veilig bent in de ark. Tenzij u veilig bent, geborgen achter het bloed van het Lam. O, zoek dan toch met alle kracht die in u is, in deze tijd dat u nog leeft, veiligheid en geborgenheid in de ark, in Christus Jezus.

Want (zo zei ik), ouders, wij en onze kinderen worden alleen behouden door de ark. En dat roept, en dat zien we in onze tekst, dat roept om een ijverig gebruik van de middelen.
Alsof wij in staat zouden zijn (we zijn er niet) om ons kind in die ark te brengen.
Door? Als eerste door veel verborgen gebed: ‘Heere, dit kind, mag het in Christus geborgen zijn?’ Door veel verborgen gebed.
Als tweede ook door onze kinderen op te voeden met en rond het Woord. Door als het ware biddend het Woord als een ark om hen heen te vlechten. Het Woord is het dat van Christus getuigt, en daarin is ook voor onze kinderen het eeuwige leven te vinden. Door Woord en gebed, en als derde ook door onze opvoeding: door ze voor te leven, door ze jaloers te maken op de dienst van de Heere. Door alles te doen wat (zoals het doopformulier zegt) in ons vermogen ligt. Vooral door ons kind, onze kinderen zichtbaar voor te leven in het dienen van God, en in het in liefde doen van Zijn geboden. Alsof je een ark om je kind zou kunnen heenvlechten (je kunt het niet) om ze te beschermen tegen de vloed van de zonde en de zuigkracht van de wereld. Maar, ouders, de Heere wil dat ‘voorleven in de dienst van God en in liefde tot Zijn geboden’ wel zegenen!
Alsof je een ark om je kind zou kunnen heen vlechten (hoewel je het niet kunt) om ze te beschermen tegen de vloed van het water van Gods toorn in de dag van het goddelijke gericht.
IJverig de middelen gebruiken!
En als je die weg dan biddend gaat, dan mag je als vader en moeder (net als Amram en Jochebed) in stil vertrouwen je kind biddend neerleggen aan de voeten van de God van Israël. Al dreigen er nog zoveel gevaren.

Een grote ark, een kleine ark. Het zijn beelden die vooruitwijzen. In de ark is behoud.
Door het water van de dood heen kan een mens gered worden van de dood.
Door? Door in de ark te zijn.
En daar wijst ook het water van de doop op. In het water van de zondvloed is de eerste wereld ondergegaan. Maar in de ark was behoud, voor Noach en zijn gezin.

Hier ligt een kleine verlosser, in een kleine ark, gebouwd door zijn vader en moeder. Beeld van de komende, grote Verlosser Jezus Christus. Hij heeft nooit een enkele zonde gekend of gedaan. Hij alleen kon staan, rechtstreeks staan voor de heilige God. En Hij was veel sterker dan Mozes. Hij had geen enkele mensenhand nodig om gered te worden. Hij kwam om anderen te redden.

In de volheid van de tijd is Hij gelegd in het water van de dood. Weggeworpen uit het liefdehart van Zijn Vader. Geworpen in de vloed van de toorn van God. Waarin alle kinderen des toorns hadden moeten omkomen. Al de krokodillen van de Nijl hebben zich op Hem geworpen, alle machten van de hel zijn op Hem aangevallen. Maar Hij bleef staande, Hij bleef overeind.
Hij leek onder te gaan in het water van de dood. Hij ging er ook dwars doorheen. Maar Hij stond eruit op.
Mozes wordt straks door de dochter van farao uit het water gehaald. Maar Christus stond Zelf, door Eigen kracht op uit de dood.

Hij, Christus is de grote Ark, de Ark der behoudenis, waarin behoud, waarin redding is voor uw ziel.
Al het drijfhout gaat zinken in de dag van het komende gericht. Het drijfhout van uw zogenaamde goede werken, het drijfhout van uw ijver, van uw inzet, van uw eigen prestatie, ja, zelfs ook het drijfhout van uw liefde, tranen en gebeden. Alles waar wij ons aan vastgrijpen zinkt. Alleen de ark die God gemaakt heeft, die blijft drijven.
Buiten Hem, buiten Christus, zult u omkomen in het water van de vloed van Gods toorn. Maar als u door het geloof mag delen in Hem, in het werk en de verdienste van Christus en in de vergeving van zonde door Hem, dan, alleen dan bent u veilig!

Dat verlossingswerk door God en God alleen, dat is het, wat hier ten diepste schittert. Dit zijn beelden van wat God gaat doen in de nabije, en in de verdere toekomst. God gaat Israël verlossen. Er zal (woorden van Psalm 130), er zal verlossing komen.

Maar, laten we er tegelijkertijd opletten hoe God dat gedaan heeft. Hoe God die verlossing gewerkt heeft. En hoe God dat nog steeds doet.
Hij doet het in een tijd van grote nood. Israël wordt steeds harder onderdrukt. Hoe moet het toch verder? Het doet denken aan Psalm 142: als mij geen hoop of uitkomst bleek. Toen, toen ging God een weg banen. Toen zond God verlossing.

Zo was het in het land Gosen. Zo was het ook in de kerstnacht, in Bethlehem. Midden in die donkere tijd. ‘Och, dat U de hemel scheurde, want ik zie geen weg meer. Mijn ziel wacht op U, Heere, meer dan de wachters op de morgen. De morgen… Maar ach, wanneer?’
En dan, in de volheid van de tijd, op Gods Eigen tijd, dan gaat de hemel open en komt de grote Verlosser.

En nu? Bij u?
U zegt: ‘Alles is vastgelopen. Hoe moet het toch verder?’
Hoe het verder moet? Geef de hoop op uzelf maar op! Laat dat drijfhout maar los! U zegt: ‘Maar dan ga ik zinken, dan heb ik niets meer om me aan vast te houden.’
Ja, dat is waar. Maar dan roept de dichter van Psalm 130 u, roepende drenkeling toe: Israël hope op den HEERE. Want bij den HEERE is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing. Zijn goedheid is zeer groot.
Verlossing komt niet bij ons vandaan. Verlossing komt bij God vandaan. Op de tijd dat wij het niet meer weten. Dan wordt het Zijn tijd.

En als het dan op Gods tijd bij God vandaan komt, dan zien we ongetwijfeld net als Amram en Jochebed iets van de schoonheid van het Kind. Dan zien we iets van, zoals het staat in Johannes 1, van de heerlijkheid van Christus, vol van genade en waarheid, voor zulke ellendige mensen als wij zijn.

Dan zingen we met de dichter van Psalm 45 van de schoonheid en de heerlijkheid van Hem, die veel schoner is dan de mensenkinderen, omdat er genade op Zijn lippen is uitgestort. Op de lippen van Hem die gekomen is om ellendigen te verlossen, om nooddruftigen te bevrijden. Dan zingen we met Zacharias: O, dierbaar Kind, o stof van vreugd, geschenk van God de Almachtige!
God zorgt voor verlossing. Op het moment dat bij het volk Israël alles is vastgelopen. Op Zijn wijze, op Zijn tijd. Dan blijkt Zijn macht, dan blijkt Zijn trouw.
Als bij ons alles dicht lijkt te zitten. Alle wegen zijn geblokkeerd en wij zien geen uitweg meer, dan gaat God Zijn werk doen. Opdat alle eer alleen voor Hem zou zijn.

Daarom, godvruchte schaar, houd moed. Hoe donker ooit Gods weg mogen wezen, er zal verlossing komen. God houdt Zijn Woord. Hij zal nooit een van Zijn woorden op de aarde laten vallen. Er zal verlossing komen. Want Zijn goedheid is zeer groot.

Amen.

Links bij preek Exodus 2: Mozes in biezen kistje in Nijl
Geboorte van Noach (Genesis 5) – advent
Op Uw zaligheid wacht ik, HEERE (Genesis 49)
Op U geworpen van baarmoeder af (Psalm 22) – advent
Bloed paaslam gestreken deur (Exodus 12)
Gods vinger in de corona-epidemie
Lees meer:
– Kanttekeningen: Exodus 2

TERUG ADVENT | EXODUS

Preek: Mozes in biezen kistje in Nijl