Indien u dan Mij zoekt, laat dezen heengaan – Johannes 18

Indien u Mij zoekt, laat dezen heengaan

Preek Johannes 18: Hij vraagde hun dan wederom: Wien zoekt gij ? En zij zeiden: Jezus den Nazarener.
Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd, dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan.

LEESPREEK

Preek studententijd, Apeldoorn, 2013

Indien u dan Mij zoekt, laat dezen heengaan
ds. J. IJsselstein – Johannes 18:1-9

Liturgie
Psalm 92:1
Tien Geboden: 9
Lezen Johannes 18:1-9
Psalm 40:3,4
Psalm 2:6
Psalm 146:5
 
Gemeente, het Woord van God, dat wij deze morgen/middag met de hulp van de Heere met elkaar overdenken, kunt u vinden in het voorgelezen Schriftgedeelte Johannes 18:1-9. Ik lees u daarvan nu alleen het achtste vers nog een keer aan u voor. Johannes 18:8, waar we Gods Woord en onze tekst als volgt lezen:

Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd, dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan.
 
Het thema voor de preek van vanmorgen/-middag is:
In de hof van Gethsémané

We letten samen op drie aandachtspunten. We letten in de eerste plaats op een vrijwillige Arrestant. Dat ziet u in het eerste vers. We letten in de tweede plaats op een verharde verrader. Dat ziet u in de verzen twee tot en met zeven. En we letten in de derde plaats op vrijgelaten gevangenen. Dat ziet u in het achtste vers. 

Dus in de hof van Gethsémané ontmoeten wij:
1. Een vrijwillige Arrestant
2. Een verharde verrader
3. Vrijgelaten gevangenen

Als eerste dus:
 
1. Een vrijwillige Arrestant
Het is nacht… De maan verlicht de oude stad Jeruzalem. Het is volle maan, want het is Pascha. In gedachten zien we twaalf mannen van de oostelijke zijde van het tempelcomplex naar beneden lopen, in de richting van het dal Kidron. Letterlijk betekent die naam Kidron: zwarte beek.

Een beek tussen, aan de ene zijde de op een heuvel gebouwde oude stad Jeruzalem, en aan de andere zijde de Olijfberg.
Een zwarte beek, misschien vanwege de schaduw van het dal, misschien vanwege alle zwartigheid en vuiligheid die uit de stad door de beek naar buiten stroomde.

Dit is de plaats, de beek Kidron, waar ooit koning Asa de afschuwelijke afgod van zijn moeder Maächa heeft verbrand. Het is ook de plaats waar de Levieten ten tijde van koning Hizkia alle onreine dingen uit de tempel hebben gebracht.
 
Nu is het nacht… Het is donker…
Veel heeft de Heere Jezus gezegd tegen Zijn discipelen, lang heeft Hij met hen gebeden en nu is Zijn profetisch werk, zo zou je kunnen zeggen, bijna voorbij. Nu gaat Zijn priesterlijk werk beginnen. Als Priester, zo staat Hij, gaat Hij uit. En straks zal Hij als Koning triomf voeren.  
 
Hij gaat over de beek Kidron. Zoals destijds koning David, vluchtend voor zijn zoon Absalom, opgejaagd door de list van Achitofel de beek overstak.
Maar kijk! Zijn gang is veel rustiger. Geen spoor van angst, geen spoor van paniek.

Onderweg drinkt Hij uit de beek. Dus zal het water in die tijd wel niet zo heel vies geweest zijn. Het is de vervulling van Psalm 110: Hij zal op den weg uit de beek drinken (110:7). Hier wordt deze Schrift vervuld.
Hij steekt de beek over en Hij gaat, zoals gewoonlijk, met Zijn discipelen een hof binnen.

We moeten denken aan een ommuurde olijfgaard. Gethsémané. Letterlijk betekent het: oliepers. Waarschijnlijk zijn ze er dinsdagavond en woensdagavond ook al geweest, en nu is het donderdagavond.
 
De Heere Jezus neemt Zijn discipelen mee, om hen getuige te laten zijn van Zijn gebed, van Zijn geduld, van Zijn lijden en van Zijn zielestrijd.

En Hij neemt hen ook mee in gevaar. Om hen hun zwakheid te tonen. Ondanks de mooiste beloften die ze Hem gedaan hebben: “We zullen U nooit verloochenen. We zullen nooit van U wegvluchten.
Nee, maar straks wel…
 
Hij betreedt de hof van Gethsémané. Wat is het contrast trouwens groot met die andere hof, de hof van Eden.
In Eden was alles licht. In Gethsémané is alles donker, kil en huiveringwekkend.

In Eden, in het paradijs, raakten Adam en Eva aan de praat met de duivel. Maar hier in Gethsémané spreekt Jezus met Zijn Vader.
In het paradijs, in Eden, viel Adam. Maar hier in Gethsémané blijft de tweede en laatste Adam overeind en Hij overwint.

Adam viel voor de duivel. Maar straks vallen hier 600 Romeinse soldaten en alle daarbij zijnde Joodse gerechtsdienaars, ze vallen voor de Heere Jezus Christus, voor de tweede Adam.
In Eden was alles verloren. Maar straks geldt hier in Gethsémané: Uit degenen, die U Mij gegeven hebt, o Vader, heb Ik niemand verloren (vers 9).

In Eden nam Adam de verboden vrucht uit de hand van Eva. In Gethsémané neemt Christus straks gewillig de beker van Gods toorn uit de handen van Zijn Vader.
 
En let, gemeente, in dit alles (trouwens heel de preek door), op de gewilligheid van de Heere Jezus Christus. Van Hem, die in de stille eeuwigheid al had gezegd: ‘Zie Ik kom! Ik zal Uw wil en Uw welbehagen doen, o Mijn Vader.’

En nu, zegt vers 1, gaat Hij. Hij gaat uit. Vrijwillig en in alle rust.
Terwijl de toorn van God en de gramschap van de Allerhoogste over Zijn leven gaat ontbranden. Dat weet Hij, maar Hij gaat.
 
Met? Ja, met Zijn discipelen.
Weet u nog? Het was diezelfde avond geweest. Petrus had aan het begin van de avond, toen de Heere Jezus zijn voeten wilde wassen, nog gezegd: ‘U mij wassen? U mij…?
Nee. Tot in der eeuwigheid niet!’

Jezus neemt hem mee. En straks zal diezelfde Petrus, op diezelfde avond zeggen, tot drie keer toe: ‘Ik ken de Mens niet. Hij, Jezus van Nazareth? Nee, Die ken ik niet.’
Hij neemt hen mee, Zijn discipelen, om hen getuige te laten zijn van Zijn lijden, van Zijn gebed, van Zijn geduld en van Zijn liefde… voor hen.
 
Want die toorn van God en die gramschap van de Allerhoogste had rechtvaardig over hun leven moeten ontbranden. Om wat zij hadden gedaan. Om wie zij waren geweest.
Geen van Gods geboden hadden zij ooit gehouden. Zij hadden de eeuwige dood verdiend.

Hoe rechtvaardig zou dat geweest zijn, als zij hadden moeten lijden en sterven. Niet voor niets had de Heere Jezus kortgeleden nog tegen Petrus gezegd: ‘Ga achter Mij, satanas!’
Zij dragen een Adamshart met zich mee, zij dragen een duivelshart bij zich. Zij hadden moeten sterven. Maar nu gaat Hij uit, in hun plaats. Met hen, maar vooral: voor hen.
 
Hij gaat uit naar de hof. Hoewel Judas die plaats weet. Hij kent diezelfde hof op zijn duimpje. Want hoe vaak zijn ze hier niet geweest, hoe vaak hebben ze hier niet met elkaar gesproken, hoe vaak hebben ze niet gebeden op deze plaats? Gisteren nog, en eergisteren… Dit is geen schuilplaats. Judas weet deze plek en hij kent deze plek. Maar het houdt Jezus niet tegen. Hij gaat.

Straks komen ze, een tiende van een legioen, zeshonderd Romeinse soldaten en ook nog de gerechtsdienaars van de Joden. Met lantaarns (kruiken, met een gat erin en een soort lamp erin) en fakkels (stukken hout, met brandende en lichtgevende teer) en wapens.

Dit is heilige spot, heilige ironie in het lijdensverhaal: Bij volle maan, zoeken ze met een leger van zeshonderd man bij kaarslicht naar het Licht der wereld in de donkere hof van Gethsémané.
 
En weer klinkt het in vers 4: Hij ging uit.
De eerste Adam verstopte zich in de hof van Eden en kroop weg onder het gebladerte. Maar Jezus, de tweede Adam, komt tevoorschijn.

En Hij Die de kroon weigerde (want Hij wilde niet gekroond worden tot Koning over Israël), Hij steekt Zijn beide handen uit om de beker van Gods toorn aan te nemen en straks steekt Hij diezelfde handen uit om het kruis te dragen.
 
Hier is de grote vervulling van de profetie en van de belofte van de Middelaar: Zie Ik kom, o God, Ik treed vooruit, Ik ga uit, om Uw welbehagen te doen!
Kom, verwonder u hierover en verheerlijk God, u, die in uw leven iets gezien en geleerd hebt van de kostbaarheid en van de schoonheid van deze Middelaar, het Lam Gods.

Kom, zie Hem en verheerlijk Hem.
Zie Hem in Zijn zoeken van de eer van God: Ik zal, o God, Uw wil en Uw welbehagen doen! Dit is de tweede Adam. Hoe anders is Hij dan de eerste Adam. Zie Hem in Zijn zoeken van de redding van de Zijnen. In al Zijn gewilligheid treedt Hij vooruit. Hij treedt naar voren en laat Zich arresteren.

Het zijn ten diepste straks niet de soldaten die Hem binden. Het is Zijn Vader, Die Hem bindt aan Zijn handen. En tegen Zijn Vader zegt Hij: ‘Zie hier ben Ik. Neem Mij. Ik zal het rechtvaardige oordeel dragen. Dat mag Mij treffen!’
 
Wat worden onze zonden (kijk eens in uw hart, is dat bij u ook zo?), wat worden onze zonden ons bitter, als we die zien in het licht van deze gewilligheid. Als we Hem in gedachten door het geloof zo zien, in al Zijn gewilligheid: ‘Hier, ben Ik. Bind Mij maar in hun plaats.’
Dan zeggen we vol verwondering en aanbidding: ‘O God, dit lijden en die dood heb ik verdiend!’

Wat schittert hier, gemeente, toch de weergaloze liefde van Christus tot al de Zijnen. Hij heeft hen, zo staat in Johannes 13, liefgehad tot het einde. Tot het diepste einde van Zijn lijden en sterven.
Hij zegt ook straks niet, als Hij gearresteerd wordt: ‘Dit zijn schuldigen. Dat zien jullie toch? Dat weten jullie toch? Je moet hen gevangen nemen!’

Nee, straks stapt Hij Zelf naar voren, en zegt, staande in hun plaats: ‘Neem Mij.’
Hij zegt ook niet: ‘U weet het toch, Vader, zij hebben gezondigd, zij hebben Uw geboden met voeten getreden, en het loon op hun zonde is toch de dood?’

Nee, Hij zegt: ‘Neem Mij. Ik ga uit, in hun plaats, omdat zij anders de eeuwige dood moesten sterven. Daarom zal Ik uitgaan, buiten de legerplaats, terwijl Ik hun zonden en Uw toorn draag.’
 
Hier, gemeente, maar in het bijzonder u die de Heere vreest, hier is reden om diep te buigen. In een diep besef van onze schuld. Ik heb door mijn schuld Zijn kroon gevlochten, Zijn beker gevuld. ‘O God, wat heb ik toch gezondigd. Nu zie ik de grootheid van mijn kwaad.

Dat dit nodig was, dat deze Rechtvaardige de dood in moest om Uw toorn over mijn zonden te stillen. Genâ, o God, genâ, hoor hoe een boeteling pleit.’
Er is reden om diep te buigen vanwege onze schuld.

Maar er is in de tweede plaats ook reden om diep te buigen van schaamte. Hij, voor mij…? Voor mij, die kortgeleden nog zei: ‘U mij wassen? Nooit!’ Waarom heeft Hij geen einde met mij gemaakt? Waarom heeft Hij mij niet weggedaan? Waarom heeft Hij mij niet overgeleverd aan het gerecht?
Er is reden om diep te buigen vanwege onze schuld, vanwege onze schaamte voor God.

Maar er is in de derde plaats ook reden om diep te buigen van verwondering. Wat is deze tweede en laatste Adam toch oneindig veel groter dan de eerste Adam! ‘Hoe groot bent U, o God, en hoe oneindig groot bent U, o Heere Jezus Christus, U, drie-enige God, dat U dit plan van de zaligheid voorgenomen en ontworpen hebt, en nu ook uitwerkt tot het einde toe!’
 
Hier is alle reden om voor God te buigen, in besef van schuld, in schaamte en verwondering. Maar hier is ook alle reden om Hem, de Heere Jezus Christus, na te volgen, om Zijn voetstappen te drukken en Zijn Naam te belijden, zoals staat in Hebreeën 13: Zo laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats (en Hem volgen), Zijn smaadheid dragende (13:13).
 
Er is, gemeente, in dit Schriftgedeelte reden om te buigen, reden om te volgen en ook reden om te vrezen. Dat gaan we zien in ons tweede aandachtspunt.
Want we zien niet alleen een vrijwillige Arrestant, maar we zien ook (in ons tweede punt) een verharde verrader.
 
2. Een verharde verrader
Judas.
Judas wist van deze plaats. Hij kende deze plaats, deze plaats van gebed.
Hij was een insider. Hij hoorde bij de kring van de discipelen. Hij was een ambtsdrager.

Daarom, gemeente, is hier in dit Schriftgedeelte, vooral in vers 2 tot en met 7, een waarschuwing aan het adres van ons allen, maar in de eerste plaats aan mijn adres en aan het adres van ons, als ambtsdragers. Maar ook voor u is hier een indringende waarschuwing.

Judas kende het Woord. Hij hoorde de preken van zijn Meester. Wij zouden zeggen: ‘Die man ging iedere zondag naar de kerk, met zijn Bijbel onder zijn arm. Hij las uit zijn Bijbel. En hij was ambtsdrager geworden.’

Hij kende het Woord. En hij zag ongetwijfeld heel vaak de liefde in de ogen van zijn Meester. Hij heeft het gezien, dat de tranen over Zijn wangen liepen, toen Hij zei:

Jeruzalem, Jeruzalem! u, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeen vergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeen vergadert onder de vleugels; en u hebt niet gewild (Mattheüs 23:37).

Och, of u ook bekende, ook nog in deze uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen (Lukas 19:42).’

Hij heeft het gezien, hij heeft het gevoeld: de innige liefde van zijn Meester voor onbekeerden. Hij heeft de hartelijkheid en oprechtheid gevoeld in Zijn waarschuwende roep:

Wee u, Chorazin, wee u, Bethsaida, want zo in Tyrus en Sidon de krachten geschied waren, die in u geschied zijn, zij zouden eertijds, in zak en as zittende, zich bekeerd hebben. Doch het zal Tyrus en Sidon verdraaglijker zijn in het oordeel, dan ulieden (Lukas 10:13-14).’

Hij heeft de dienende liefde van zijn Meester gezien. Hij heeft die gevoeld aan zijn eigen voeten, toen Jezus de voeten waste van al Zijn discipelen, ook die van hem. Een buigende Zaligmaker, op de knieën voor hem, als het ware zeggend: ‘Laat je, Judas, toch met God verzoenen!’
 
Maar kijk! Daar komt hij. Als gids, als aanvoerder van zeshonderd soldaten en een heel stel Joodse gerechtsdienaars. Met fakkeltjes en lantaarntjes zoekend in het donkere Kidron-dal naar het Licht wereld. Met stokken bewapend op zoek naar de Vredevorst.   En we denken bij onszelf: Judas, Judas, je weet toch beter? Je kent je Meester toch?
 
En wat doet Jezus? Grijpt Hij Judas bij zijn keel en zegt Hij: ‘Man, waar ben je toch mee bezig? Nu is het afgelopen!’ Velt Hij hem neer met de bliksem uit Zijn ogen, of met vuur uit de hemel?
Nee!
In een laatste poging om het hart van Judas aan te raken, te buigen en te breken, zegt Hij (terwijl Hij heel de meute slaat met verblindheid): ‘Wie zoekt u?’

En dan klinkt het, vol van minachting: ‘Jezus, de Nazarener’.
En dan?
Ik ben het.’ Letterlijk twee woorden in het Grieks: ‘Ik ben.
 
Was dat ook niet wat de Heere Jezus ooit zei tegen de Samaritaanse vrouw? ‘Ik ben het, Die met u spreek.’
Zei Hij dit ooit ook niet tegen Zijn discipelen (en Judas was daarbij) tijdens de storm op zee: ‘Ik ben het, vrees niet. Wees niet bevreesd.’

Ik ben het Licht der wereld. Ik ben het Brood des Levens. Judas, Ik ben het. Ik!
Het kan nog voor je, er is nog genade!
Het klinkt als een laatste pijl, gedoopt in liefde, die afgevuurd wordt op een hart vol vijandschap. Als een laatste klop op de deur van zijn harde en verharde hart.

Judas, jongen, raakt het je niet? Kan het je hart op het laatst toch niet breken?
Judas, val toch voor je Meester op je knieën. En vraag Hem toch om vergeving.
Hij zal je zonder twijfel alles vergeven. Ook wat je zojuist gedaan hebt, toen je naar de overpriesters ging. En ook wat je nu doet. Want onze God vergeeft menigvuldiglijk.

Letterlijk zegt Jesaja: Hij vermenigvuldigt het vergeven. Dat wil zeggen: als je tienmaal gezondigd hebt, is God bereid om te vermenigvuldigen. Om tien maal tien, om honderd maal te vergeven.
 
Ik ben. En Judas ziet ongetwijfeld ogen vol van liefde, van geduld en van gewilligheid.
En hij hoort de bekende stem van zijn Meester, die twee bekende woorden: Ik ben.
Woorden van Hem, van Wie een andere evangelist schrijft, enkele ogenblikken daarvoor werd in grote zielestrijd Zijn zweet als grote druppels bloed, die op de aarde vielen.

Woorden uit de mond van Hem, die een worm werd en geen man.
Maar tegelijkertijd woorden, en ook dat moet Judas gevoeld hebben, woorden uit de mond van de Almachtige, die ooit tegen Mozes bij het brandende braambos ook sprak:
IK BEN!
 
Twee woorden en één blik… Kijk! Hij valt! Ze vallen allemaal!
Ze deinzen achteruit en vallen achterover. Als door bliksem getroffen.
Zoals op dag van de opstanding één engel verscheen. En door het licht dat van zijn gezicht straalde, werden de wachters als doden.
 
Als getroffen, maar toch niet gedood.
Niet gedood zoals destijds Korach, Dathan, Abiram en On.  
Wat een geduld! Wat een geduld met Judas. Het is alsof de Heere hem toeroept: ‘Judas, het is nog niet te laat!’
 
Maar nee! Kijk! Hij krabbelt weer overeind en al die soldaten en de anderen met hem.
Ze staan weer overeind.
Judas heeft het gevoeld en geweten: Hier is hemelse overmacht. Mijn Meester is meer dan een mens. Hier is Goddelijke kracht. Hier spreekt God!
 
Hij weet het. Maar hij staat weer op.
En weer zegt Jezus: ‘Wie zoekt u? Judas, Wie zoek je?
Hij raakt als het ware nog een keer en nog meer het geweten van Judas aan: ‘Judas, wil je tegen Mij vechten? Weet je het zeker, Judas?’

Hij juicht niet als Judas valt, maar het is alsof er in de schittering van het maanlicht in die donkere nacht in Zijn ogen tranen blinken.
Omdat…? Omdat Judas, voor de zoveelste keer toch weer opstaat.
 
Dit is uw spiegel, u die Heere niet dient en vreest. En die nooit schoonheid en begeerlijkheid, waarde en kostbaarheid hebt gezien in deze Zaligmaker.
Dit is uw spiegel. Of u nu vroom doet of goddeloos bent. Het doet er niet toe.
Dit doet u iedere dag: Vallen.. en weer opstaan!

U hoort het Woord. En u weet de ernst van dat Woord in het licht van de komende eeuwigheid. En u voelt de liefde van Christus als Zijn dienaars biddend voor u staan.    Soms hebt u zelfs tranen gezien. Niet in hun ogen, maar in Zijn ogen. Toen Hij voor u boog en u bad: Laat u toch met God verzoenen.
Hij greep u niet bij de keel. Maar Zijn liefdevolle hand reikte naar uw hart. Maar, u wilde niet.
 
Hij zei: ‘Ik ben.’ Ik ben het.
Hij zei: ‘Ik ben gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was.’
Maar u zei: ‘Ik ben niet verloren.’
Hij zei: ‘Ik ben gekomen om vijanden met God te verzoenen.’

Maar u zei: ‘Nee, ik voel me geen vijand.’
En toen, plotseling, waren daar, heel indringend, weer die twee woorden. God sprak, tot u: ‘Ik ben. Ik ben het!’
Die ernstige ziekte, het sterven van uw geliefde, de zwarte nacht van dat ongeluk, het moment dat een strik u verwarde, het was allemaal als één heldere stem uit de hemel, gericht (heel persoonlijk) aan uw hart: ‘Ik ben het! Waarom luistert u niet? Waarom gaat u door?’

Maar u zei: ‘Wie bent U? Ik ken U niet. Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust (Job 21:14). Waarom zou ik U dienen?’
U viel. Maar u krabbelde weer overeind. En daar stond u weer. U ging weer door en probeerde het allemaal zo snel mogelijk weer te vergeten.

Uw leven is een leven van vallen en…, ja, vooral opstaan.
En daar staat u weer, vanmorgen/vanmiddag.
 
Vandaag een laatste, misschien wel de laatste vingerwijzing van het Woord van God in de richting van uw harde hart. Vandaag. Nu.
Staande zondaar, u die niet buigen, die niet bukken en die niet breken wil, zo zegt de HEERE Heere, zo zegt de Heere Christus: Ik ben het!

Ik kwam, o mens, om mensen zo slecht en zo vijandig als u, te redden van het verderf en met God te verzoenen. Buig, zondaar! Buig voor Mij en breek. Want Ik ben zo van harte bereid om al uw zonden weg te wissen. Beken toch op deze dag wat tot uw vrede dient.

En zeg: ‘O God, ik heb gezondigd. Ik heb gedaan wat kwaad is in Uw oog. Ja, ik doe wel vroom, ik praat wel vroom en ik lijk wel vroom, maar ik ben goddeloos. Wees mij zondaar genadig.’
Beste vriend, buig. En breek. Het is bijna te laat! U wankelt, uw knieën knikken.
Nog even, dan is het te laat. Dan valt u, zonder ooit weer op te staan.
 
Want nog een ogenblik en dan zal opnieuw klinken (hetzij direct na uw sterven of als straks de hemelen als een dunne doek opgerold worden, als de bazuin en de stem van de archangel klinken zal en Jezus zal verschijnen op de wolken des hemels), dan hoort u het opnieuw: ‘Ik ben!’

En ik vraag u in alle ernst: Wat zal er toch van u worden in de dag van het gericht, in de dag waarop de Almachtige Zelf, als de verhoogde Koning zal opstaan en in grote toorn voor u zal staan? Als het licht dat van Zijn aangezicht straalt op u schijnen zal?

Op de opstandingsdag scheen het licht van één engel op de wachters. En ze vielen. Ze werden als doden. Hoe zal het dan met u vergaan, als op de grote Opstandingsdag miljoenen engelen verschijnen, maar vooral als het licht van de Almachtige Zelf op u schijnen zal? Als Zijn alwetende oog u doorschijnen zal? U, die niet bukken en buigen en breken wilde? En als dan klinken zal, voor het allerlaatste: Ik ben!?

Het zal zijn, zoals de dichter zong (hoewel in andere omstandigheden): Ik wou vluchten, maar ik kon nergens heen. U zult roepen tot de bergen: Valt op ons en verbergt ons van het aangezicht Desgenen, Die op de troon zit en van de toorn des Lams. Want de grote dag Zijns toorns is gekomen en wie kan bestaan? (Openbaring 6:16-17)

U zult vallen. En nooit meer opstaan. Het zal u aan moed en kracht ontbreken om ooit weer overeind te krabbelen.
Jesaja zegt: Hij zal de aarde slaan met de roede Zijns monds, en met de adem Zijner lippen zal Hij de goddeloze doden (Jesaja 11:4).

Eén blik, één adem en twee woorden zijn genoeg. U valt. Voor altijd.
O, wees toch gewaarschuwd. Buig toch, voordat u vallen moet, voordat u sterven gaat!
Augustinus zegt: ‘Wat zal Hij doen, als Hij (straks) komen zal om te oordelen, nu Hij dit gedaan heeft, toen Hij kwam om (Zelf) geoordeeld te worden?

Kus toch de Zoon. Niet met een Judaskus van verraad, maar met een kus van berouw. Kus Zijn voeten met een kus van onderwerping. Voordat het te laat is.

3. Vrijgelaten gevangenen
We lezen in vers 8: Ik ben het. Indien u dan Mij zoekt, zo laat (het is een bevel!) dezen heengaan.
‘U zoekt Mij, hier ben Ik.’ O, wat blijkt daar toch uit, de onvergelijkbare, de weergaloze liefde van Christus voor Zijn discipelen en voor heel Zijn Kerk.

En ik vraag u, die deze liefde nog nooit echt gekend hebt: Zou u daar vanmorgen/-middag ook niet voor willen buigen? Voor die God, voor Wie u werkelijk nog nooit hebt willen buigen. Hij is zo vriendelijk in Zijn goedheid, voor zulke slechte mensen!
‘Ik ben het. Indien u dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan.’
 
Het is nog maar even geleden (dat staat niet in Johannes, maar bijvoorbeeld wel in Mattheüs), dat Hij worstelde in zware zielestrijd. Mattheüs schrijft: Hij begon droevig en zeer beangst te worden. Als mens bukkend en kreunend onder de last van Gods toorn en grimmigheid.

En in dat diepe lijden bad Hij: Vader indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker Mij voorbijgaan, maar niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.
En dan staat Hij op van Zijn knieën. En dan ziet Hij ze liggen, op de grond, slapend. Drie discipelen, drie van Zijn kinderen.
 
Judas staat overeind. Maar zij zijn ten diepste niet beter. Ze slapen.
Wat hebben zij hun Meester en wat hebben wij, kinderen van God, Hem toch tegengestaan en tegengewerkt in de gang van Zijn lijden, in Zijn hartewens om de weg van het lijden in te slaan in hun, in onze plaats.

En nu? In de ure van de duisternis, terwijl Hij zwaar lijdt, slapen zij. Het ontlokt Hem de bede, die staat in Mattheüs: Mijn Vader, indien deze drinkbeker van Mij niet voorbij kan gaan, tenzij dat Ik(!) Hem drinke, Uw wil geschiede. Ik zal Hem drinken.

Ik zal Hem drinken voor hen. Voor hen die niets hebben om te betalen. In plaats van hen, die Mij zo hebben tegengewerkt, zo hardleers, zo trots, zo liefdeloos, zo klein en zwak, zo moe en onvermogend. Vader, ze hadden eigenlijk al zo lang vervangen moeten worden.

Maar Mijn hart is zo aan hen verbonden. Ik heb ze zo lief. En U hebt ze liefgehad, o Vader, met een eeuwige liefde. En daarom: Ik kom. En Ik zal Uw wil en Uw welbehagen doen, o God!
Voor U, om Uw Naam te verheerlijken, wat zij nooit hebben gedaan en uit zichzelf ook nooit zullen gaan doen.

Voor U, om U de lof en de eer toe te brengen, die zij U nooit gebracht hebben en van zichzelf ook nooit zullen brengen.
Ik kom, o God, voor U! En voor hen. Want U, Vader, hebt hen toch liefgehad met een eeuwige liefde? En, Vader, Ik heb hen zo liefgehad, dat Ik tot het einde voor hen zal lijden.
 
Zo gaat Hij uit, vrijwillig de Judaskus tegemoet. Hij steekt Zijn handen uit om gebonden te worden. ‘Bind Mij. En laat hen gaan. Laat hen vrijuit gaan!’
Het is niet zomaar een wens, in het Grieks is het een bevel met kracht: Laat gaan, die mannen! Laat hen vrij! Laat hen gaan!

Want Ik zal verzoening doen voor hun zonden en hun schuld. En daarom mogen zij heengaan in vrijheid.
Vrijheid voor schuldige gevangenen, dat is de blijde boodschap van het Evangelie. Vrijheid voor doodschuldige gevangenen, die naar het rechtvaardig oordeel van God de dood hadden verdiend. 
 
Bent u zo’n gevangene? Kijk eens in uw hart!
Misschien dacht u vroeger altijd: Ik ben een vrij mens. Totdat God in uw leven kwam en uw hart aanroerde en uw ogen opende. En toen zag u het: Ik ben een diepgevallen mens.

Nooit kan en wil ik uit mezelf terugkeren tot God. Ik ben een slaaf van de zonde en door eigen schuld een gevangene van de duivel. Hoe zal ik toch ooit verlost worden uit die slavernij, hoe zal ik toch ooit bevrijd worden van de last van mijn zonde en schuld?
Misschien zijn dat wel de vragen van uw hart.

Hoor toch het Woord van de Heere. Zo zegt de HEERE Heere: Hij! Zie op Hem!
Hij is gekomen, deze gebonden Jezus, om een blijde boodschap te brengen de zachtmoedigen. God heeft Hem gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart, om de gevangenen vrijheid uit te roepen en de gebondenen opening der gevangenis.

Hier in het Evangelie is vrijheid. In Christus is vrijheid voor gevangenen. In Hem is genade en verlossing voor doodschuldige zondaars.
Er is verlossing voor u, door Zijn gevangenschap. Verlossing door Zijn gewillige overgave. En zo vervult Hij Zijn eigen Woord, dat staat in vers 9:Uit degenen, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik niemand verloren.
 
Hij treedt, letterlijk, naar voren. In hun plaats. Voor hen, als hun Borg. Plaatsvervangend, in hun plaats. ‘Neem Mij. Ik zal de last van Uw toorn, o heilige en rechtvaardige Vader dragen, voor hen. En daarom: Laat hen vrijuit gaan.’
Want U bent toch rechtvaardig? U straft de zonde toch nooit twee keer? Nu dan, neem Mij dan en laat hen gaan!
 
Hier treedt Christus naar voren, niet alleen als Borg, maar ook als God, als Koning, als Machthebbend, als Hij zegt tegen die grote groep soldaten en gerechtsdienaars, gebiedend: Laat hen gaan!
Hij gebiedt het hen: Laat gaan, die mannen!

Want wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt. Wie is het, die verdoemt? (Romeinen 8:33-34)
Christus is het die hen in vrijheid stelt. Wie zou hen dan nog ooit kunnen of mogen beschuldigen?
 
Zoekende en tot God roepende zondaar, u die tot God roept om verlossing en genade, misschien al jaren lang, maar u vindt de weg maar niet. Zoekt u het niet op de verkeerde plaats? Zoekt u het misschien bij uzelf? U probeert uzelf te verbeteren en uzelf aangenaam te maken voor God, maar het mislukt steeds weer. Dat gaat u ook nooit lukken. Dat is een doodlopende weg.
 
Hier is Gods weg voor u! Zie op Hem! Op de Gebondene, op de Weggeleide. Zie op de gekruisigde Christus, op deze lijdende Zaligmaker.

Zie op Hem. En uw zonde zal bitterder zijn dan ooit! U zult uitroepen: ‘Wee mij, dat ik zo gezondigd heb!’
Zie op Hem. En Zijn bloed en zweet en tranen zullen ook zoeter voor u zijn dan ooit tevoren. Als God tegen u zegt (en de Heere geve dat u, nu onder de prediking van het Woord): Ik ben het. Ik deed dit alles… voor u.
 
Dit is het Woord en het bevel van het Evangelie, in het bijzonder voor u, die God zoekt in al uw zielsverdriet: Zie op Hem, zie het Lam Gods, zie op deze lijdende, gekruisigde en opgestane Christus en u zult behouden worden. En u zult mogen heengaan in vrede.
 
Kinderen van God, u die de Heere vreest, zie opnieuw door genade in geloof op deze Jezus. Op Zijn liefde en gewilligheid in onze plaats. Zie op Hem en ga heen in vrede.
Ga, op Zijn bevel. Hij ging de dood in. En wij mogen heengaan. Hij is het Die gevangenen vrijheid schenkt.
Zie hier, het Lam Gods, gebonden, opdat Hij ons ontbinden zou.
 
Ik ben het. Indien u dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan.
Men bond Hem. En nu zingen wij: Zo heeft Hij onze banden losgemaakt.
 
Judas, waar zit je? Ik moet zeggen: Waar sta je?  Kom! Kom op het bevel van het Evangelie. Buig. En breek. Maar maak grote haast. Haast je en spoed je, ter wille van je leven. Nu kan het nog, straks is het misschien te laat.
 
Amen.