Jonge leeuwen of de Heere zoeken – Psalm 34 – biddag

Jonge leeuwen en zoekers

Preek Psalm 34:11: De jonge leeuwen lijden armoede, en hongeren; maar die de HEERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed.

LEESPREEK

Twee soorten van mensen: Jonge leeuwen en zoekers
Ds. J. IJsselstein – Psalm 34:11 – Biddag
 
Liturgie:
Psalm 56:1,2
Psalm 56:6
HC Zondag 10
Lezen Psalm 34
Psalm 147:4,5,6
Psalm 34:5
Psalm 147:7
 
Gemeente, we staan aan het begin van een nieuw seizoen. Het is lente geworden. We houden biddag in het jaar 2014. Biddag voor gewas: voor alles wat groeit op het land.
Biddag voor gewas en voor arbeid: voor je schoolwerk, je studie, uw werk, uw baan, uw werk thuis.
Hoe kijkt u daar eigenlijk tegen aan? Tegen dat komende seizoen?

Soms denken we na over zo’n vraag en soms ook helemaal niet. Dan zeg je bij jezelf: ‘Ik doe gewoon maar, ik ga gewoon verder, ik moet door. Ik moet knokken voor mijn bedrijf. Ik moet hard studeren. Ik moet thuis de eindjes aan elkaar knopen, anders red ik het niet.’
Anders red ik… het niet.
 
Dat moet David ook gedacht hebben, voordat hij Psalm 34 schreef. Hoewel, er was wel meer in zijn leven, we zullen dat straks zien.

David, jongelui, zit stevig in de problemen. Dat is de aanleiding geweest voor Psalm 34. Dat kun je lezen in vers 1. Een psalm van David, als hij zijn gelaat veranderd had voor het aangezicht van Abimélech, die hem wegjoeg, dat hij doorging.
Een geschiedenis die beschreven wordt in 1 Samuel 21. Thuis nog maar eens rustig doorlezen.
 
Wat is er aan de hand? Koning Saul wil David doden. Hij heeft geprobeerd om hem aan zijn spies te rijgen, maar mis… Mislukt! Hij kan nog net ontkomen. Vluchten! Hij gaat er als een speer vandoor. Hij rent voor zijn leven. Totdat hij hijgend aankomt in Nob (een priesterstadje). Bij Achimelech. Even een kleine korte tussenstop om op adem te komen.
 
Achimelech, de priester, zegt: ‘David, waarom kom je hier langs?’
‘Stt, topgeheim, geheime missie, ik moet zo snel mogelijk verder!’
Wel een beetje doorzichtig, vind je niet? Als je helemaal geen wapen bij je hebt…
Maar goed.
 
‘Maar, mag ik wel wat brood van je, Achimelech? Want ik heb honger. En, o ja, als het kan ook nog een spies of een zwaard!’
En dat krijgt hij. Het is geen gewoon brood. Het is toonbrood uit de tabernakel. Eigenlijk waren die toonbroden alleen voor de priesters.

Eigenlijk was het heilig brood: een teken van Gods voortdurende en blijvende zorg in het gewone dagelijkse leven.
Dat heilige brood wordt Davids dagelijks brood. Niet omdat David heilig was, maar omdat de God van David hem genadig was.
 
David krijgt van Achimelech geen gewoon brood, maar heilig brood.
En hij krijgt ook geen gewoon zwaard, maar een bijzonder zwaard: het zwaard van de reus Goliath. Dat daar kennelijk in Nob bewaard werd.
En zo gaat David snel verder snel. Voorlopig heeft hij eten genoeg. En hij is vanaf nu ook goed bewapend!
 
Er is geen tijd te verliezen. Hij moet snel zijn. Want Saul wil hem doden. Hij steekt zelfs de grens over van het Filistijnse land, totdat hij uiteindelijk komt in…de stad Gath.
 
Hoe hij nu juist daar verzeild raakt? Geen idee. Dat weten we eigenlijk niet.
Want ik zou zeggen: ‘David, moet je nu daar, in die stad waar Goliath vroeger gewoond heeft, moet je nu daar gaan lopen met dat grote zwaard? Dat zou ik maar niet doen! En, David, daar wonen ook de weduwen van de mannen die je een tijdje geleden verslagen hebt!’
 
En het duurt ook maar even, of de mensen herkennen hem. Die man met dat grote zwaard, dat is die Israëliet, dat is die David!
En de knechten van Koning Achis zeggen het ook: ‘Koning, dit is ‘em! Hiervan zongen destijds de Israëlieten: Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David, deze man, zijn tienduizenden’.
 
Als David dat hoort, wordt hij ineens heel erg bang. En ja, hij zit ook echt in de val. Hij wordt opgepakt. Hij duikelt van het ene levensgevaar in het andere.
En dan… gaat David toneel spelen. Drama… Hij tekent betekenisloze tekentjes op de deuren van de stadspoort. Hij krast graffiti, zouden we zeggen. En hij laat het speeksel in zijn baard lopen…
 
Maar ja, de knechten van de koning zijn ook niet gek. Die pakken hem toch op en nemen hem mee naar Achis. ‘Koning, dit is hem, David! We hebben hem!’
Maar gelukkig, Achis zegt: ‘Mannen, weg met die man, die kerel is krankzinnig! Die hoef ik niet, weg met die vent!’ En zo weet David op het nippertje te ontsnappen uit Gath.
 
En…, verder rent hij. Voor zijn leven! In de richting van – en ja, daar komt hij uiteindelijk terecht, in – de spelonk van Adullam.
Kijk, daar zit hij. Uiteindelijk veilig in een grot.
 
Wat zou jij tegen David zeggen, nu je dit verhaal weet?
Ik zou zeggen: ‘Goed gedaan man, perfect, slimme truck! ’t Ging net goed, maar daar heb je je mooi uit gered!’ Maar David zegt wat anders. En daar verbazen we ons wel een beetje over. Hij zegt: ‘God was met me. Hij heeft me gered.’
 
Weet je wanneer hij dat zegt? Als hij aangekomen is in die grot van Adullam. Als hij daar zit in zijn eentje in die spelonk.
Want verder is er nog niemand. Later komen zijn vader en moeder en zijn familie. En later komen al die mannen. Maar nu zit hij daar nog alleen.

En dan schrijft hij twee psalmen. Psalm 34 (die zojuist is voorgelezen) en Psalm 56. ‘U hebt mijn ziel… U(!) hebt mijn ziel beveiligd voor de dood!’
Twee psalmen over vertrouwen op God.
 
Maar…, David, had je nu niet vooral op jezelf vertrouwd? Toch?
Als je Psalm 34 leest, en ook Psalm 56, dan lijkt het alsof David vergeten is, wat er in Gath bij koning Achis gebeurd is.
Hij roemt in God, in Zijn zorg, in Zijn redding en in Zijn bewaring.
 
En eigenlijk klopt dat ook! Dat is waar. De Heere heeft hem gered. De Heere heeft hem bewaard. Maar het valt na alles wat David gedaan heeft, wel heel erg op.
Dat hij roemt in…?

Nee, hij roemt niet in zijn eigen vertrouwen op God. Als hij naar zichzelf kijkt (dat staat in vers 7) dan zegt hij: Ik was, ik ben een ellendeling: Deze ellendige riep en de HEERE hoorde!’
Hij roemt in God!
 
Als je Psalm 34 heel goed leest, dan lijkt het alsof David twee dingen tegenover elkaar zet:
a. Eigen prestatie, eigen vernuft, eigen plannen, eigen creativiteit. En ja, en dat schrompelt als hij terugdenkt weg, in: Ik ben een ellendeling… Deze ellendige
b. Eigen ellendige prestaties aan de ene kant, tegenover Gods onbegrijpelijke zorg aan de andere kant.
 
En daarmee staan in Psalm 34 eigenlijk twee levensvisies, twee manieren van leven tegenover elkaar: Zelfvoorzienend, of vertrouwend op Gods voorzienigheid.
Zelfstandig alles zelf regelen en uitzoeken, of in alles je afhankelijk weten van God.
Alles zelf alleen doen zonder God, of alles met God doen, in alle dingen van het leven naar Hem vragen.
 
En als je Psalm 34 goed leest, dan merk je dat David niet trots zegt: ‘Luister mensen, ik heb het beste deel uitgekozen’. Hij weet heel goed wat er ontbrak in zijn eigen leven. Dat het hem schromelijk ontbrak aan Godsvertrouwen. En hij weet ook heel goed, dat hij in die tijd bij Achis, ook op zichzelf en op zijn eigen creativiteit heeft vertrouwd.
 
En is dat niet vaak zo in ons leven, kinderen van God, dat we juist na een periode van gevaar en tegenslag, van tegenspoed en teleurstelling, bij het licht van de Heere ons eigen tekort zien? Ons tekort, juist in Godsvertrouwen?

En daartegenover juist het uitblinkende van Gods goede zorg, van Zijn goedheid?
En dat is het wat we terug horen in de tekst van vanmorgen, die we proberen te lezen in het verband van de geschiedenis die ik u vertelde en in het verband van Psalm 34.
 
De tekst staat in Psalm 34, het elfde vers, waar staat:
De jonge leeuwen lijden armoede, en hongeren; maar die de HEERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed.
 
Het thema van de biddagpreek van vandaag is:
Twee soorten van mensen
 
Twee soorten van mensen staan in dit vers tegenover elkaar. Twee soorten van mensen zijn er aan het begin van dit nieuwe seizoen. Ook hier bij ons, hier in de kerk.
En als u kijkt in uw hart, en eerlijk kijkt naar uw leven, dan weet u bij welke van de twee u hoort.

En dan weet u tegelijkertijd vanuit deze tekst, wat u in de komende maanden mag verwachten. Want wat dat betreft is de Bijbel klip en klaar.
Twee soorten van mensen. Twee soorten van levenshouding, van werkhouding, van studiehouding.
 
De eerste soort, dat zijn: de jonge leeuwen.
Wat dat voor soort van mensen zijn, dat is helder. Want we weten allemaal hoe leeuwen zijn. We zeggen: de leeuw, dat is de koning van het woud.
 
Je zou denken…, een leeuw, een jonge leeuw, die heeft nooit gebrek.
Die kan echt heel goed voor zichzelf zorgen. Een jonge leeuw, die heeft altijd genoeg. Die heeft trouwens ook helemaal geen anderen nodig, die is totaal onafhankelijk, die kan alles zelf. Die is verstandig, slim.
 
Jonge leeuwen, die weten precies waar ze hun prooi moeten vangen. En het is altijd raak, het is altijd prijs.
Ze maken slimme plannen. Waar drinken ook alweer de antilopen? Daar bij dat riviertje, als de zon een beetje begint te dalen. Komt goed!

Jonge leeuwen zijn sterk, onoverwinnelijk. Een jonge leeuw heeft alles. Daar hoeft niemand voor te zorgen. Die zorgt voor zichzelf. Als het regentijd is, dan is er een overvloed aan vlees van andere dieren. En als het droge tijd is, dan zijn de dieren zo verzwakt, dan is er nog steeds genoeg te eten.
Jonge leeuwen, zorgen voor zichzelf.
 
Je zou denken, die hebben altijd genoeg. Maar de werkelijkheid is, zegt Psalm 34, dat, hoeveel ze ook kunnen, en hoeveel ze ook hebben, het is nooit genoeg! Ze zijn en blijven hongerig! Ze lijden (zegt vers 11) armoede en honger.

Uit de hand van koning Achis blijven? Dat doe ik zelf. Ik ben slim genoeg. Een beetje krabben aan de deur, een beetje speeksel in m’n baard laten lopen, gewoon doen alsof je gek bent.
Naar school de komende maanden? Dat kan ik zelf.

Studeren? Examen doen? Dat kan ik toch zelf? Ik doe toch gewoon mijn best?
Werken? Dat kan ik zelf. Huishouden thuis? Dat kan ik echt zelf wel. Vrienden maken? Het gezellig houden thuis? Komt goed, ik kan het allemaal zelf.

U zegt: je moet er gewoon voor gaan. Je moet je best doen, dan komt het allemaal goed. Succes verzekerd.
 
Biddag voor de komende maanden? Ja, het hoort natuurlijk wel, maar als het ooit een keer afgeschaft zou worden, dan komt het ook wel goed. Want je moet het toch zelf doen.
Jonge leeuwen. Hun motto? Presteren dat moet je doen, dat moet je zelf doen.
 
Maar, hoe goed ze ook lijken, ze lijden armoede en honger.
Want het is nooit genoeg… Je innerlijke leegte blijft…
De jonge leeuwen lijden armoede en honger.
 
Dat is de ene soort van mensen, de jonge leeuwen.
En de andere soort, de ander categorie, die staat in de tweede helft van vers 11. Dat zijn de mensen die de Heere zoeken. Dat is hun enige kenmerk.
 
U zegt: ‘Dat is niet zo veel…’
Ja, je kunt wel van alles opsommen wat ze niet hebben. Ze hebben misschien wel gebrek, die mensen die zoeken. Gebrek aan gezondheid. Misschien hebben ze wel gebrek aan geld, of aan werk, of aan inzicht. Gebrek misschien aan intelligentie in de ogen van anderen.

Gebrek aan doorzettingsvermogen, aan incasseringsvermogen. Misschien hebben ze wel geen vooraanstaande positie, geen eer, geen macht.
Maar, of het nu goed gaat of slecht in hun leven, ze zoeken. Of ze nu rijk zijn of arm, ze zoeken.
Of ze nu gezond zijn of ziek, ze zoeken.
 
Ze zoeken, maar ze zoeken geen genot. Ze zoeken geen plezier. Ze zoeken geen geld, ze zoeken geen rijkdom, ze zoeken geen wetenschap, ze zoeken geen verstand, ze zoeken geen promotie, ze zoeken geen carrière. Ze zoeken geen vooraanstaande positie, geen macht, geen eer, geen invloed, geen roem.
 
Het was trouwens de Heere Zelf die hen, zoekers, als eerste zocht. Want niemand van ons is van zichzelf een zoekend mens.
Waarom zou je zoeken? We zijn helemaal niets kwijt, denken we bij onszelf. En als we al denken dat we iets kwijt zijn, dan zoeken we het niet bij God.
 
Nee, ‘zoekend’, dat word je gemaakt door God, door God de Heilige Geest. Door Hem, die Zelf het verlorene zoekt.
Zoeken betekent dat je iets kwijt bent. En dat je zelf ook niet bij machte bent, niet in staat bent om het te maken of te vinden.

Zoeken betekent dus eigenlijk dat je hulpeloos bent. En dat je weet, en overtuigd bent, en gelooft, dat het niet bij jezelf vandaan kan komen. Dat is ook de reden dat je het ergens anders of bij een Ander zoekt.
Zoeken betekent dus, dat je het niet hebt. Zoeken betekent dat je arm bent.
 
Ze zoeken (die tweede soort van mensen) de Heere. Zo staat het in Psalm 34:11.
 
En, die mensen zijn er. En ik hoop, dat u er ook een van bent. Van die mensen ‘die zoeken’. Of ze nu werken of vrije tijd hebben. Of ze op weg zijn naar hun werk of dat ze al thuisgekomen zijn. Of ze nu bij de koeien in de stal zijn, of ze werken op het land, of voor hun pc zitten op het kantoor, wat ze ook doen: ze zoeken de Heere.
 
Die jongelui zijn er. En ik hoop dat je er ook een van bent. Ze zoeken de Heere. Of ze nu op weg zijn naar school of thuis zitten, of aan het werk zijn in hun klas, of ze nu in de pauze zitten te kletsen met medeleerlingen, of dat ze alleen op hun kamer zitten.
Wat ze ook doen, ze zoeken de Heere.
 
Die mensen zijn er, die ouderen zijn er. En ik hoop ouderen, dat u er een van bent. Of ze nu thuis bezig zijn of bij de kinderen of kleinkinderen zijn. Of ze nu zitten in de eetkamer van het verzorgingstehuis of alleen op hun kamer. Of ze nu zitten in de kerk of aan de livestream. Wat ze ook doen, ze zoeken de Heere.
 
U zegt: Maar, moet ik het daar mee doen in de komende maanden, met dat: ‘de Heere zoeken?’
Laten we nog eens verder kijken in Psalm 34, dan leren we die mensen wat beter kennen, want er staat nog wat meer over die mensen ‘die de Heere zoeken’.
 
Ik ga even terug naar vers 2. Het zijn mensen die de Heere loven. Als er iets te danken valt, dan gaan ze niet zoals de Farizeeën zichzelf feliciteren, zichzelf dankbaar aankijken, vanwege hun eigen prestaties, maar ze geven God de eer.
 
En, vers 3 en 4, ze beroemen zich in de Heere en verlangen dat God groot zal worden in hun leven. En ze zeggen het ook tegen andere mensen.

Die zoekers, die zeggen tegen andere mensen: kom, laten we het samen doen, laten we samen de Heere verhogen en grootmaken. Matthew Henry zegt in dit verband: ‘Je kunt het beter samen doen’. Hij zegt: doe het maar in concert, met elkaar de Heere verhogen.
 
En, kijk eens in vers 5. Daar staat het weer: Ze zoeken Hem. En wat een wonder: Hij antwoordt en redt hen uit hun angsten.

En dan denk je weer terug aan David bij Achis. Je hoort er de verwondering van David in doorklinken. Nu begrijp je dat hij zegt: ‘Kom mensen, maak God met mij groot! Want ik verdiende het niet (na alles wat ik gedaan had, en na al mijn zelfvertrouwen daar bij de Filistijnen), ik verdiende het niet, dat de Heere mij horen zou.’

Vers 6: Ze zochten de Heere en ze zagen op Hem, en, eigenlijk staat er letterlijk: Hij verlichtte hen, Hij scheen met Zijn Licht op hen en zij zijn niet schaamrood geworden.
 
Deze ellendig (vers 7) riep, en de HEERE hoorde.
Hier zie je, dat zoekers van zichzelf niets hebben. Ze noemen zich ellendig. Maar ze zoeken en ze roepen, en staat er heel duidelijk: de Heere hoort en Hij verlost.

Die opgejaagde David, die zo in het nauw kwam, die zo geprobeerd had om te vertrouwen op zijn eigen kunsten en op zijn eigen creatieve geest…, toch blijkt (als je deze Psalm leest en tussen de regels door leest) dat hij tegelijkertijd toch ook op God vertrouwd heeft. En… God heeft hem gered.
 
Hij was in gevaar, in doodsgevaar. Maar, vers 8, de engel des HEEREN legert zich, gelukkig, rondom die Hem vrezen.

Net als bij de profeet Elisa in Dothan. Een groot leger van vijanden legert zich rondom hem. Zijn knecht raakt ervan in paniek. Totdat de Heere zijn ogen opent en hem de bescherming laat zien van de legers van engelen rondom hen. ‘De HEERE legert Zich rondom degenen die Hem vrezen’.

En daarom staat er in vers 10: ‘Vreest de HEERE, gij Zijn heiligen’, zoekers, mensen die de HEERE zoeken, want die de HEERE vertrouwen hebben geen gebrek.
 
Twee soorten van mensen. Twee soorten van levenshouding, van werkhouding, van studiehouding met het oog op het komende seizoen.
Ik kan het heel kort samenvatten: Zelf doen of zoeken.
 
Zelf doen is tot mislukken gedoemd. Ja, je kunt het proberen, maar het mislukt.
De jonge leeuwen, die vechten voor zichzelf, die lijden armoede en honger.
Ze hebben geen leven. Zelf doen gaat mislukken.
 
Maar die de Heere zoeken, die hebben geen gebrek aan enig goed.
a. Niet aan geestelijk goed, niet aan zegen voor hun hart.
Want, zegt Psalm 9: Die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat U, Heere, niet hebt verlaten en niet zult verlaten, degenen die U zoeken.

Want zegt Psalm 22: De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen den HEERE prijzen, die Hem zoeken; ulieder hart zal in eeuwigheid leven (Ps. 22:26).
Want zegt Psalm 105: Roemt u in de Naam Zijner heiligheid; het hart dergenen, die HEERE zoeken, verblijde zich (Ps. 105:3).
 
Wie heeft er geen gebrek aan enig goed?
U zegt: ‘Degenen die alles hebben. Degene die gevonden hebben.’
Nee! Degenen die God zoeken.

Godzoekers, u hebt de toekomst in het komende seizoen. U zult (als u de Heere zoekt) geen gebrek hebben aan enig geestelijk goed. Het zal u welgaan. Wie zoekt die zal vinden.
Geen gebrek aan enig geestelijk goed, als je de Heere zoekt.

Geen gebrek ook aan enig goed, broeders, in ons ambtelijk werk. Geen gebrek aan zegen bij al het werk in de gemeente, als we zoekende ambtsdragers zijn. Dan hebben we geen gebrek aan enig goed.
 
Geen gebrek ook aan tijdelijk goed. Deze biddag voor gewas en arbeid richt zich in de eerste plaats op de dingen van het gewone leven.
Geen gebrek aan enig tijdelijk goed.
 
U zegt, is dat echt zo? Als je de Heere zoekt, is het dan echt waar, dat het je altijd voor de wind gaat? Komt dan alles echt helemaal goed? Word ik dan misschien wel schatrijk? Haal ik dan zeker weten mijn examen? Behaal ik dan zeker succes in de komende maanden? Is het dan toch waar, dat welvaartsevangelie, dat succesevangelie uit de Verenigde Staten? Hebben zij dan toch een punt?
 
Als ik de Heere zoek, als ik de Heere blijf zoeken, gaan dan alle dieptepunten weg uit mijn leven? Geen ziekte meer, geen rouw, geen eenzaamheid. Ik zak niet meer voor mijn examen. M’n huwelijk gaat niet stuk. M’n vriendschap blijft gespaard. M’n zaak gaat niet failliet. Ik word niet werkloos, ik word niet arbeidsongeschikt?
 
Kijk eens naar het leven van David. Hij zit (terwijl hij dit schrijft, terwijl God deze woorden hem als het ware in zijn mond, in de pen geeft), hij zit op een van de diepste punten van zijn leven. Links en rechts, voor en achter met de dood bedreigd. En dat blijft voorlopig zo. Want voorlopig zit hij in de spelonk van Adullam. En de omstandigheden veranderen helemaal niet.

Zeker, het is waar, de Heere kan wonderen doen in moeilijke levensomstandigheden, maar God heeft nooit beloofd aan zoekers, aan Zijn kinderen, dat Hij al de moeilijke dingen van dit leven zomaar zal veranderen en beter zal maken.
 
Wat belooft Hij dan wel? Dit, en dat is ons genoeg: dat Hij Zijn kinderen, dat Hij degenen die Hem zoeken, zal bewaren, leiden, dragen en redden.
Hij zal die moeilijke situaties waarin we verkeren veranderen door (luister goed!): er Zelf bij te zijn.
 
Al ging ik ook in een dal der schaduw des dood, ik zo geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij (Psalm 23:4).
U, God met ons, om Immanuël, die U (in Zijn bittere lijden) verlaten hebt op Golgotha
Daarom, om Hem zult U nooit verlaten degenen die U zoeken.
 
En daarom zegt David in vers 9, terwijl hij zit in de spelonk van Adullam: Smaakt en ziet, dat de Heere goed is. Want wie God bij zich heeft, wie God heeft, die heeft het goed, die heeft alles.
 
Nee, dat is geen loze oneliner, dat is geen lege kretologie, dat is de praktijk van het leven van David, dat is de praktijk van het leven van al Gods kinderen. Op het dieptepunt van zijn en ons bestaan!

Jonge leeuwen, die zo prat gaan, die zo trots zijn op hun eigen kracht, op hun eigen prestatie, op hun eigen inzichten, op hun eigen creativiteit, ja, die lijden altijd honger, en die lijden altijd armoe en die hebben nooit genoeg.

Maar wie de Heere zoekt, en ik kijk even vooruit naar de komende maanden, wie de Heere zoekt, die is… tevreden. Echt tevreden met het deel dat de Heere in Zijn wijsheid aan ons geeft.
 
Is het armoede? Dan bidden we, ja natuurlijk: ‘Heere wilt U het veranderen, maar, anders is het goed, als U er maar bent, Heere, als U maar bij ons bent. Want Uw gunst sterkt meer dan de uitgezochtste spijs.’
Is het ziekte, is het ernstige ziekte? Dan bidden we: ‘Heere alstublieft, geef beterschap, maar anders is het goed, als U er maar bij bent. Want Uw goedertierenheid is beter dan dit tijdelijke leven.’

Gaat onze levensweg anders dan voorheen gedacht? Dan zeggen we: ‘Heere, zoals U het doet, is het God. Als U maar bij ons blijft.’
Dan heb je op elk terrein van het leven: God. En als je God hebt, dan heb je alles.
 
En daar hoort (en dan denk ik ook aan het komende seizoen) ook een leven bij, blijkt uit Psalm 34, in de vreze des Heeren. Daar hoort een leven bij van het dienen van God in alle aspecten van het leven.
 
U zegt: ‘Wat is dat voor leven? Waar blijkt dat uit?’
Daar is natuurlijk veel over te zeggen, maar laten we luisteren naar wat David zegt in deze psalm. Hij maakt het heel concreet. David zegt: dat blijkt uit de vruchten van je leven. Dat kan je zien en merken in het gewone leven van alledag.
 
Want zoekers, mensen die de Heere vrezen, die, zegt hij in vers 14, bewaren hun tong van het kwaad. Zoekers bewaren hun lippen van bedrog. Als je een zoeker bent, blijkt dat, zegt David, zegt de Heere, uit je leven. Dan bewaar je je tong, dan ben je geen roddelaar, dan zijn je woorden betrouwbaar. Dan bedrieg je de zaak niet, ook niet in je gewone werk, in je dagelijkse leven.

Zoekers zijn mensen die het kwaad de rug toekeren, die het goede doen, die de vrede zoeken. Zoeken blijkt uit ons leven. Zoekers zijn mensen, die een leven zoeken in hartelijke liefde tot God en tot de medemens.
 
En, zegt vers 16, zoekers zijn rechtvaardig. Ze gaan in het spoor, biddend en afhankelijk, weet hebbend van al hun gebrek, maar toch, ze gaan in het spoor van Gods geboden en ze jagen naar oprechtheid, naar eerlijkheid. Ze zijn recht in hun doen en laten, in het leven van iedere dag.
 
Dus, zoeken doe je in het verborgen, terwijl je je knieën buigt voor God en de Heere zoekt. Dat ziet niemand.
Maar zoekers herken je wel. Zoekers, zegt David, herken je in hun dagelijkse leven.

Een zoeker herken je in het persoonlijk contact. Zoekers herken je in het gemeenteleven. Zoekers herken je in de samenleving, in de maatschappij, op school, op het werk.
Zoeken doe je stil, in het verborgen voor God. Maar een zoeker kan je toch herkennen. Aan zijn leven met God, zichtbaar in het leven van iedere dag.
 
Dit, gemeente, is de wijsheid, tot slot, die van Boven is. Als u het komende seizoen ingaat in eigen kracht, vertrouwend op uzelf, op uw eigen vermogen, op uw eigen inzicht en uw eigen creativiteit, vertrouwend op uw eigen talenten en op al uw eerdere prestaties, dan wordt dit seizoen wat voor u ligt, èn geestelijk èn ambtelijk èn zakelijk, een rampseizoen!  Een rampseizoen van armoede en honger.
 
Maar, als u dit seizoen ingaat terwijl u de Heere zoekt, dan zal de Heere u zegenen: persoonlijk, ambtelijk, zakelijk, in het leven van iedere dag.

Dan zal de Heere u zegenen. Want zegt de profeet Jesaja, en ik sluit daar mee af, met wat staat in Jesaja 40: 30 en 31. De jongen zullen moede en mat worden (dat zijn de jonge leeuwen die vertrouwen op zichzelf). En de jongelingen (die vertrouwen op zichzelf, die zullen gewis, die zullen zeker, die) zullen gewisselijk vallen.

Maar die den HEERE verwachten (die de Heere zoeken), die zullen de kracht vernieuwen. Zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden. Zij zullen lopen, en niet moede worden. Zij zullen wandelen en niet mat worden.
 
Zoekers, u die de HEERE zoekt, u hebt toekomst! De HEERE zal u zegenen.
 
Amen.