Naam des Heeren aanroepen · Handelingen 2 · Pinksteren

Naam des Heeren aanroepen
Preek Handelingen 2:21: En het zal zijn, dat een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden.

PDF · Audio

YouTube player

Thema preek Handelingen 2: Naam des Heeren aanroepen

De evangeliebelofte voor de laatste dagen
1. Wanneer zij klinkt (in de laatste dagen)
2. Voor wie zij geldt (voor een iegelijk die de Naam des Heeren zal aanroepen)
3. Wat zij inhoudt (die zal zalig worden)

Preek Handelingen 2: Naam des Heeren aanroepen

Gemeente, het scharlaken koord dat Rachab de hoer uit het venster van haar huis liet hangen, was een teken van beloofde trouw. Het was een teken dat zij en haar huis gered zouden worden bij de verovering van de stad Jericho.
Zo zijn de beloften van God als zilveren koorden, die uit de hemel neergelaten zijn, opdat de grootste van de zondaren moed zou hebben. Opdat wij weten zouden, dat God waarachtig is. In deze middag wil ik uw aandacht vragen voor een van deze zilveren koorden.
De tekst kunt u vinden in Handelingen 2:21. We lezen daar het Woord van God als volgt:
En het zal zijn, dat een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden.

Het thema voor de preek luidt:
De Evangeliebelofte voor de laatste dagen

Er zijn drie aandachtspunten:
1. Wanneer zij klinkt (in de laatste dagen)
2. Voor wie zij geldt (voor een iegelijk die de Naam des Heeren zal aanroepen)
3. Wat zij inhoudt (die zal zalig worden)
Onze eerste gedachte is dus:

1. Wanneer de belofte klinkt

Het zal zijn, in de laatste dagen.
Ze zijn erop afgekomen.
De Heilige geest heeft de harten vervuld van die 120 mensen.
En, zo zegt vers 6: En als deze stem geschied was, kwam de menigte tezamen en werd beroerd, want een iegelijk hoorde hen in zijn eigen taal spreken.

Toen de stem geschied was.
Ineens was daar dat geluid als van een geweldige gedreven wind.
En ineens ging het als een lopend vuurtje door de stad.
Het dreef de menigte naar het tempelcomplex.
Want daar was iets gaande. Daar gebeurde het!

Een menigte van mensen stroomt toe.
En wordt beroerd. Ze raken in verwarring.
Want eenieder hoorde hen in zijn eigen taal spreken.
Die mensen vertellen in hun moedertaal de grote werken van God!

Sommigen zijn aangeslagen.
Zoals u vanmorgen of kortgeleden misschien ook wel aangeslagen naar huis bent gegaan.
Onrustig, bezorgd, verbaasd…
Wat wil toch dit zeggen?
Wat heeft dit Woord mij toch te zeggen?

Sommigen aangeslagen. En anderen spotten, en zeiden: ‘Zij? Zij zijn vol van zoete wijn!
Dat klopt niet, hor, wat zij zeggen! Ze zijn gewoon dronken. Trek je er toch niks van aan!’

Maar toen stond Petrus op. Kijk maar naar vers 14: Maar Petrus staande met de elven, verhief zijn stem en sprak tot hen: Gij Joodse mannen, en gij allen die te Jeruzalem woont, dit zij u bekend, en laat mijn woorden tot uw oren ingaan.
Luister, wij zijn niet dronken/
Maar -vers 16- dit is het wat gesproken is door de profeet Joël.
Wonderlijk, vindt u niet? Weet u nog hoe verduisterd het verstand van de discipelen was, voor de opstanding, en na de opstanding? Ze verstonden de Schriften niet. En hier, hier wijst Petrus direct naar de profetie van Joël.
Daar ziet u, dat de Geest, Die uitgestort is met Pinksteren de Geest is, Die het oog verlicht, Die het hart opent, en Die ook de Schriften opent. Hij maakt (zo zegt Psalm 119) Het Woord een lamp voor onze voet. Ons pad ten licht, om het donker op te klaren.
Als het donker is in uw hart, bidt dan toch om de Geest, om de Pinkstergeest, Die het donker op wil klaren.

Dit is het, zegt Petrus, wat Joël voorzegd heeft. Lees maar mee vanaf vers17: En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen. En ook op Mijn dienstknechten, en op Mijn dienstmaagden, zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren. En Ik zal wonderen geven in den hemel boven, en tekenen op de aarde beneden, bloed en vuur, en rookdamp.

Joël heeft het voorzegd. De profeet uit Juda, die de dreigende oordelen van God aankondigde, maar ook de zegen van de komende Messias, de Leraar ter gerechtigheid.
Die tijd, zo profeteerde Joël, zal een tijd zijn van regen. Van overvloedige regen. En daarna, zo profeteerde hij, zal God Zijn Geest uitgieten.
Petrus zegt het iets anders: Het zal zijn in de laatste dagen.
Dan zal God Zijn Geest uitgieten, niet met druppels, niet met straaltjes van een gieter, maar als een stroom, als een beek en rivier van levend water.

Op alle vlees.
Op allerlei soorten van mensen. Eerst op deze 120, maar straks ook op de 3000, op de 5000, op de inwoners van Samaria en van Antiochië, en zo zal deze Geestesstroom verder gaan, als een kolkende en bruisende Godsrivier over heel de aarde.
Niet te stuiten, niet tegen te houden!
Als een vuur, aangewakkerd door een orkaan. Niet te stuiten!

Op alle vlees.
Op vlees. Op zondig vlees, Gode vijandig vlees.
De Geest gaat in het laatste der dagen, na de komst van de Messias werken in harten van zondaren als de Geest die overtuigt van zonde, van gerechtigheid en van oordeel.
Van zonde! Niet van het feit dat we toevallig als zondaren geboren zijn, en dat we daar verder ook niets aan kunnen doen. Maar de Geest overtuigt mensen van het feit dat ze doelbewuste opstandelingen, vijanden, misdadigers zijn, die tegen God zijn opgestaan.
Hij wijst hen aan, en Hij wijst u aan, niet als slachtoffers, maar als misdadigers!
Hij overtuigt hen van zonde. En van gerechtigheid. Van de schijn van hun eigen werken. Hij overtuigt hen, ondanks al hun verzet, dat hun gerechtigheid voor God niet kan bestaan. Hun netheid, hun vroomheid, hun braafheid niet, maar ook hun tranen en liefde, hun gebeden en hun bevinding niet tellen niet in de weegschaal van Gods recht.
Zo drijft de Geest (ook nu) verloren zondaren met lege handen uit tot Christus.

In die laatste dagen, zo heeft Joël geprofeteerd, zal God Zijn Geest uitstorten, op allerlei soorten van mensen: oud, jong, zonen, dochters, dienstknechten, dienstmeisjes.
Uw zonen en dochters zullen profeteren. De Kanttekening zegt: Zij zullen God helder kennen en anderen van Hem onderwijzen.
Maar ook uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen. De Kanttekening zegt: De Heere zal werken in allerlei mensen, van welke staat, ouderdom of geslacht zij zijn.

Zegenrijke tekenen in de laatste dagen.
Tijden van grote geestelijke opwekking, van geestelijk leven!
Waar we ook nu naar uitzien, waar we ook nu om bidden.
Niet gemaakt, niet georganiseerd. Maar uitgegoten van Boven.

Maar dan ineens is er bij Joël, en ook bij Petrus die resolute omslag.
In vers 19 en 20: En Ik zal wonderen geven in den hemel boven, en tekenen op de aarde beneden, bloed en vuur, en rookdamp. De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat de grote en doorluchtige dag des Heeren komt.
Huiveringwekkende tekenen.
Tekenen aan de wolkenhemel: de zon wordt inktzwart, de maan wordt bloedrood.
Tekenen op de aarde: Bloed! Bloedige oorlogen, gesneuvelde soldaten.
Vuur en rook: smeulende huizen, brandende steden.

Die laatste dagen zijn dagen van zegen, maar ook van rampen.
Zoals de Heere Jezus ook Zelf voorzegd heeft, toen Hij sprak van oorlogen en geruchten van oorlogen, van hongersnoden en epidemieën, en van aardbevingen in verscheidene plaatsen.
Om bang van te worden…

Ja, maar laat de angst om alles wat gebeurt, ook in onze tijd, niet overheersen. Want dat is niet de bedoeling van deze tekst.
Deze tekst zegt: Juist in die tijd, in die tijd van duisternis, vuur, bloed, rook, juist in die tijd stroomt de beek met het water van de Geest, door Christus gezonden van de Vader.
Juist nu!

Voordat -vers 20- de grote en doorluchtige dag des Heeren komt.
Die dag komt met grote haast. Later schrijft Petrus: Het einde aller dingen is nabij!
Maar tot die dag geldt de belofte.

Midden in een wereld vol van ellende, van duisternis, van rampen, van ziekte, van dood. Vol overstromingen, oorlogen en epidemieën. Vol onrust, eenzaamheid en liefdeloosheid… daar geldt de belofte.

Midden in een leven vol ziekte, ruzie, gebrokenheid, echtscheiding en mishandeling.
Midden in een leven waar dierbaren ons door de dood ontvallen, daar geldt de belofte.

Midden in onze geestelijke dood, midden in onze zonde, midden in onze vijandschap tegen God, daar geldt de belofte.

Midden in geestelijk donkerheid, in beproeving en geestelijke verlating. Waar de duivel ons slaat en de zonde ons benauwt. Waar we geen licht zien. Waar we geen zicht meer hebben op het werk van God in ons leven, en alle houvast ons ontvalt, daar geldt de belofte.

Daar waar u ziet en voelt dat uw werken u voor God en Christus niet aangenaam maken. En dat uw bekering, uw nette leven en uw gebeden niet tellen in de weegschaal van Gods recht, daar klinkt deze belofte:
Als u de Naam des Heeren zult aanroepen, zult u zalig worden.

We gaan verder met ons tweede punt, maar zingen eerst Psalm 142:1:
‘k Riep tot den HEER’ met luider stem;
Ik smeekt’ en riep vol angst tot Hem;
‘k Heb, voor Zijn aangezicht, mijn klacht
In mijn benauwdheid voortgebracht.

2. Voor wie deze belofte geldt

Voor een iegelijk die de Naam des Heeren zal aanroepen
Tegen wie zegt Petrus dat eigenlijk?

Vers 5 vertelt het ons. Tegen Joden, die in Jeruzalem wonen, godvruchtige mannen. Godvruchtige mannen: ijverig, netjes in de godsdienst. Net als wij, voorbeeldige kerkmensen.
Trouwens, in vers 23 zegt Petrus iets heel rechtstreeks tegen die mensen: U, godvruchtige mannen, hebt Jezus genomen en door de handen van de onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood!

Wilt u een betere typering van een kerkmens? Het geldt mij en u, ons allemaal.
Uiterlijk godvruchtig, maar ondertussen de Zaligmaker aan het kruis geslagen.
Niet als eerste en enige zonde, maar als het uiterste en duidelijkste bewijs van onze vijandschap tegen God.
In het Paradijs zijn we opgestaan tegen God. We hebben Hem van de troon willen stoten. Maar onze brute vijandschap steeg ten top op Golgotha.

Nee, u stond niet bij de soldaten.
Petrus zegt: Hij is gekruisigd door de handen van de onrechtvaardigen, maar u(!) hebt Hem gedood.
Zij hadden de handen, maar het kwam uit uw hart!
U bent medeschuldig, u bent medeplichtig. Want u hebt Hem niet erkend als de Zoon van God, u hebt Hem niet erkend als de Messias, de van God gezonden en gezalfde Zaligmaker!
U hebt Hem doorstoken met uw ongeloof.

Een iegelijk, een ieder van u.
Wie zijn dat eigenlijk, de mensen tegen wei Petrus dat zegt?
Het zijn de mensen van vers 5: Joden, godvruchtige mannen. IJverig en netjes, net als wij.
En het zijn de mensen van vers 13: En anderen spottende zeiden: Zij zijn vol van zoete wijn.
Het zijn de mensen, tegen wie de Opperste Wijsheid eeuwen geleden al riep: Gij slechten, hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de wetenschap haten? Keert u tot Mijn bestraffing; zie, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekendmaken (Spr. 1:22-23).

Keert u tot Mijn bestraffing!
Hebt u zich als antwoord op dat woord naar Hem toegekeerd? Bent u Hem toen onder ogen gekomen? Hebt u als reactie daarop voor Hem gebogen?
Hebt u Hem erkend als uw Zaligmaker?
Toen Hij aandrong op uw geweten, om u te laten zien en te laten voelen dat u een kind bent van Adam, gevallen in zonde, een vijand van God, een slaaf van de zonde?
Toen Hij de vinger legde bij uw dagelijkse zonden, toen Hij uw verborgen zonde wilde stellen in het licht van Zijn aangezicht?
Hebt u Hem erkend als de God der waarheid, toen Hij u in de prediking van Zijn Woord liet horen dat uw eigen gerechtigheid, uw kerkgang, uw ijver, uw vroomheid voor Hem niet kunnen bestaan?
Als u Hem werkelijk erkend hebt, dan bent u als een verloren zondaar aan Zijn voeten gevallen, met belijdenis van uw schuld: Ik heb tegen U gezondigd, ik heb gedaan dat kwaad is in Uw oog, ik ben Uw gramschap dubbel waardig.
Maar als u nooit zo aan Zijn voeten gekomen bent, dan hebt u Hem niet erkend, dan hebt u uw eerste zonde in het Paradijs hier, in dit kerkgebouw tot het hoogste toppunt laten stijgen. Door de afwijzing van de aanbieding van Zijn genade bent u medeplichtig geworden aan de dood van de Zaligmaker.

Laten uw zonden en misdaden u niet ontmoedigen. De Heere wijst ze u aan, maar stuurt u niet weg. Hij zoekt uw behoud.
Hij legt Zijn vinger messcherp bij uw zonden, om u te laten bukken en buigen, opdat u als zondaar tot Christus komen zou.

Laat het gezicht van uw zonde en vijandschap u niet tot wanhoop brengen. Want de God tegen Wie u bent opgestaan en de Christus Die u verworpen hebt, Zij zijn Dezelfde, Die op deze dag het zilveren koord uit de hemel voor u neerlaten. En u op deze dag met alle kracht en in alle oprechtheid toeroepen: Een iegelijk die de Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.

Misschien denkt u: ‘Die vijandschap, die u nu zo schetst, die herken ik niet. Ik ben kerkelijk meelevend, ik waardeer het Woord, ik bid, ik laat geen kerkdienst verstek gaan. Ik ben niet vijandig. Ik ben gewoon een meelevend lid van de kerk. En ik kan het ook niet waarderen dat u me afschildert als een vijand van God en als een medeplichtige aan de dood van Zijn Zoon.’

Hoe zal ik u overtuigen van uw vijandschap tegen God? Ik kan het niet.
Ik kan roepen: Zie toch uw dodelijke gevaar! Maar u blijft rustig zitten.
Ik kan roepen: Pas op, uw ziel hangt aan een zijden draad boven de afgrond van uw eeuwige ondergang! Maar u verblikt of verbloost niet.
Ik kan u dringend vragen: Erken toch uw vijandschap! Maar ik ben niet bij machte om uw dodelijke rust te verstoren.
Ik kan wensen dat uw ijskoude hart zal smelten als sneeuw voor de zon. Maar God alleen
kan het doen.
Maar toch roep ik het u toe, gedrongen door de liefde van Christus: Och, of gij ook bekende, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen.

U ziet het niet, maar ik dring er bij u op aan: Beken uw vijandschap, want dat is de weg om vrede met God te maken. Bukken en buigen voor de hoge en de heilige God, en Hem aanroepen terwijl het nog het heden der genade is.
Calvijn zegt: Als u niet roept, bent u driewerf rampzalig en verloren, ook al weet u het niet.
Een ieder, die de Naam des Heeren zal aanroepen.
Niemand is uitgesloten.
U bent niet uitgesloten, omdat u vroegere indrukken hebt weggeduwd.
U bent niet uitgesloten om uw spotten, om uw minachten van de Zaligmaker, van Zijn woorden en Zijn volk.
U bent niet uitgesloten om uw zonden. Of omdat u hier voor het eerst bent. Of van plan bent om hier voor het laatst te zijn.
En hoewel het waar is dat God de Zijnen van eeuwigheid verkoren heeft: U bent zelfs niet uitgesloten door Gods verkiezing.
Calvijn zegt: Dewijl dan niemand uitgesloten wordt van de aanroeping Gods, zo staat de deur der zaligheid voor allen open en niets is er dat ons verhindert in te gaan, dan ons eigen ongeloof.
Niets en niemand staat u in de weg dan uzelf en uw eigen ongeloof.

Een ieder, die de Naam des Heeren zal aanroepen.
Hoe moet dat? Wat is dat? Aanroepen?

Aanroepen. Dat is roepen. Dat is roepen in de nood!
Wanneer roepen wij om hulp? Als er nood is.
Als je in het water ligt en niet kan zwemmen, dan roep je: ‘Help, ik verdrink!’
Als je op zolder zit en er breekt brand uit in huis, dan roep je: ‘Help, ik verbrand!’
Tot God roepen, Hem aanroepen, betekent: roepen in de nood van je leven tot God. Roepen alsof je leven ervan afhangt. En je leven hangt ervan af!
Als we zien dat we in dodelijk gevaar zijn, dat ons leven ligt onder de rechtvaardige toorn van God, als we zien dat de toorn van God ieder ogenblik over ons vallen kan, dan gaan we roepen.

Roepen, jongens en meisjes, dat doe je ook, als je je pappa of mamma kwijt bent. Als je in de stad aan het winkelen bent, en ineens is pappa op mamma er niet meer.
De tranen komen ervan in je ogen. En je gaat roepen: ‘Pappa, mamma! Waar bent u?’
God aanroepen betekent roepen, in al het verdriet van je hart: ‘Heere, waar bent U? Ik ben U kwijt, door eigen schuld? Maar ik kan zonder U niet leven!’
Ken jij dat? Jullie, jongelui? U?

Aanroepen. Dat woord heeft nog een aspect.
Je kunt roepen, midden in het oerwoud van Papua. Maar daar is geen mens die je hoort.
Je kunt roepen, midden in een miljoenenstad in China. Maar daar is geen mens die je verstaat.
Je roept wel, maar in het wilde weg.
Maar dit aanroepen heeft een richting in zich. Het richt zich op iemand. Je roept niet in het wilde weg. Of naar mensen die je niet begrijpen.
Maar in de nood van je leven roept je ziel tot God. Dat is de richting: roepen naar boven.
Ik roep, Heer’, in angst tot U gevloden, ai, haast U tot mijn hulp en red! Hoor naar de stem van mijn gebed!

Aanroepen. Dat is ook blijvend roepen. Aanroepen betekent vasthouden, volhouden, niet loslaten. Aanroepen, dat is God lastigvallen met je gebeden.
Meisjes en jongens, soms kan je zo lang om iets vragen of zeuren, dat je vader of moeder zegt: ‘Hou nou alsjeblieft een keer op met dat gezeur!’
Aanroepen betekent net zo zolang vragen tot de Heere je helpt en redt.
Je vader en moeder vinden dat lastig, maar de Heere niet.

Een iegelijk die de Naam des Heeren zal aanroepen.
De Naam des Heeren. Dat is God Zelf. God Naam, dat zijn Zijn deugden.
De Naam des Heeren aanroepen is God aanroepen als de Eeuwige, de Volzalige. Hij heeft ons niet nodig. Hij is de Volzalige in Zichzelf en toch wil Hij met verloren zondaren van doen hebben.
De Naam des Heeren aanroepen is God aanroepen als de Alwetende, Die alles ziet en weet, Die onze verborgen zonden stelt in het licht van Zijn aangezicht. Het is zeggen: ‘Doorgrond en ken mijn hart, o Heere.’ Het is zeggen: ‘Kijk maar in het diepste van Mijn hart. Vol van zonden en misdaden, maar ik wil en kan mijn misdaan die U tergen, niet verbergen, daar Gij alles ziet en weet.’
De Naam des Heeren aanroepen is God aanroepen als de Rechtvaardige, voor Wie wij niet kunnen bestaan. Wie zal God zien en leven?
De Naam des Heeren aanroepen is God aanroepen als de Heilige, en dat als een mens vol van zonde, vijandschap en schuld.
De Naam des Heeren aanroepen is God aanroepen als de Genadige, Die zondaren genade wil bewijzen.
De Naam des Heeren aanroepen is God aanroepen met de Naam die Hij Zichzelf gegeven heeft in Exodus 34: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid.

Zijn hier van die vijanden van God, die moeten erkennen: ‘Ik ben schuldig, ik heb in alles tegen U overtreden. Ik ben het niet waard, dat U ooit nog naar me om zou zien.’
Zit u zo in de kerk? O, hoort dan toch het woord van de rechtvaardige en de heilige God. Voor wie u in uzelf niet kunt bestaan. Die ook de barmhartige en genadige God is. Hij roept het u toe, verloren zondaar en vijand van God en vrije genade, in al Zijn zondaarsliefde: Een ieder die de Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.
Die zal zalig worden. Dat is ons derde aandachtspunt.
Maar we zingen eerst uit Psalm 142, het eerste vers:
‘k Riep tot de HEERE met luider stem;
Ik smeekte en riep vol angst tot Hem;
‘k Heb, voor Zijn aangezicht, mijn klacht
In mijn benauwdheid voortgebracht.

3. Wat deze belofte inhoudt

Die zal zalig worden.
Wat is dat eigenlijk: zalig worden?
Zalig worden betekent: gered worden. Gered worden, midden in het gevaar van de laatste dagen, gered worden van de toorn van God!
Als u de Naam des Heeren aanroept zult u gered worden!
Een leven vol van zonde, zal een leven worden vol van God en Christus.
Een leven vol van onrust, zal een leven worden vol van vrede, vreugde en heil.
Geen bloed, geen vuur, geen wraak. Want de toorn van God is gevallen op de Man van Smarten. In Hem, in Christus, is de hitte van Gods gramschap geblust.
Zalig zult u zijn. Hier, in dat goede en gelukkige leven met onze genadige Heere en God.
Zalig zult u zijn. In eeuwigheid. Uw blijdschap zal dan onbepaald, door het licht dat van Zijn aangezicht straalt ten hoogste toppunt stijgen.
Als u vanaf vandaag de Naam des Heeren gaat aanroepen.

Waarom maken zo weinig mensen (ook onder ons) werk van hun zaligheid? Hierom:
U kijkt niet vooruit. Niet naar de toekomst. Alleen naar nu.
U kijkt niet naar binnen. Niet naar uw hart. Alleen naar de buitenkant. Naar uw uiterlijk, u wilt graag netjes voor de dag komen. U houdt uw huis en uw tuin netjes. U poetst uw auto en uw caravan.
U kijkt ook niet achteruit. U jaagt naar alles wat u in de toekomst wellicht nog kan bemachtigen, u werkt aan een flitsende carrière.
Maar u kijkt niet achterom. Naar wie u was, naar wat u gedaan hebt.

Die beloofde zaligheid weegt ons zo weinig, omdat we de verkeerde kant op kijken.
We maken zo weinig werk van onze zaligheid, omdat onze ogen totaal de verkeerde kant op gericht zijn. Omdat we blind zijn voor de dingen die werkelijk van belang zijn voor ons leven.
Hoe dwaas is het toch, om zoveel tijd te steken in een auto, die over tien jaar op de schroothoop ligt, als u bedenkt dat uw ziel voor een eindeloze eeuwigheid is geschapen? Hoe dwaas is het om alles te geven aan een carrière van opgaan, blinken, en binnen 50 jaar verzinken, als u bedenkt dat uw ziel buiten Christus voor eeuwig zal verzinken in de ondragelijke, maar rechtvaardige toorn van God?

Kijk toch vooruit. Naar uw laatste dag. Dan geldt de belofte niet meer.
Die dag zal komen als een dief in de nacht. Maleachi zegt: Die dag komt als een brandende oven. Alle hoogmoedigen, al wie goddeloosheid doet, zal een stoppel zijn, de toekomstige dag zal ze in vlam zetten.
Christus zal komen met de wolken, alle oog zal hem zien, ook degenen die Hem doorstoken hebben. Dan zult u roepen tot de bergen: Valt op ons, en tot de heuvelen bedekt ons, maar… tevergeefs!
Hier moet u roepen! Nu moet u roepen!

Kijk vooruit. En sla een blik naar binnen, naar de binnenkant van uw hart.
En kijk achterom, naar alles wat u hebt gedaan.
Hebt u niet zonde op zonde gestapeld, hebt u God niet tot het diepste toe gekrenkt en beledigt?

Een iegelijk die de Naam des Heeren zal aanroepen, die zal zalig worden.
Er staat niet: een ieder die iets kent van zijn zonden, die iets gezien heeft van zijn verlorenheid. Het is waar, die kennis is onmisbaar, maar het is geen grond om op te rusten. Het is de zaligheid niet.
Er staat niet: een ieder die zijn openbare zonden de rug toegekeerd heeft, zal zalig worden. Het is waar, die zonden moeten de deur uit, maar het is geen grond om op te rusten. Het is de zaligheid niet.
Er staat niet: een ieder die beterschap beloofd heeft, zal zalig worden. Het is waar, een ziel die door God ontdekt is aan zijn zonde, zal beterschap willen beloven, maar het is geen grond om op te rusten en het zal mislukken. Want die belofte is vandaag gedaan, en morgen verbroken. En het is ook de zaligheid niet.
Er staat niet: een ieder die zijn hart probeert te reinigen van verborgen zonden, zal zalig worden. Het is waar, die zonden moeten ook de deur uit, maar het is geen grond om op te rusten. Het is de zaligheid niet.
Er staat niet: een ieder die ernstig probeert zijn leven te beteren, een ieder die tranen van droefheid huilt om zijn zonden, zal zalig worden…
Nee, er staat: Een iegelijk die de Naam des Heeren zal aanroepen, die zal zalig worden. Een ieder die niets anders meer over heeft, dan de Naam des Heeren.

Waarop zal ik hopen? Op mijn afscheid van de zonden, op de betering van mijn leven, op de reiniging van mijn hart, op mijn tranen, op mijn bekering, op mijn vertroostingen, op de beloften die ik nu al jaren meedraag als waren ze mijn bezit geworden?
Nee! Een arme zondaar kan alleen maar hopen op de Naam des Heeren, op Christus.

Zo’n mens roept niet: ‘Heere, zet alstublieft Uw heiligheid opzij en wees voor een keer niet zo rechtvaardig.’
Nee, zo’n reddeloze zondaar, die het zilveren koord van de belofte Gods in de nood van het leven vastgrijpt, zegt: ‘Heere, U bent rechtvaardig en heilig, en ik kan voor U niet bestaan. Ik ben het waard dat U me voor eeuwig zou wegdoen. Ik aanbid Uw rechtvaardigheid, Uw heiligheid.’
Maar tegelijkertijd trekt hij of zij als het ware aan dat zilveren koord van de belofte, en zegt: ‘Maar, Heere, U bent toch ook genadig? O, wees mij zondaar dan toch genadig!

Zijn hier van zulke mensen, die niets meer hebben?
Die niet anders meer kunnen zeggen dan: Heere, om Uws Naams wil, vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot?’
Uw Naam, Heere, is toch: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid?’
Die bede, die roep, zo’n bede, zo’n roep zal God nooit afwijzen!

Een iegelijk die de Naam des Heeren zal aanroepen, die zal zalig worden.
En wie dat niet doet? Tegenover zalig staat: rampzalig. Tegenover licht: duisternis, tegenover vrede: toorn, wraak, bloed en vuur.
En…, het is het laatste der dagen. Misschien is het uw laatste dag. Misschien gaat vandaag voor u of voor jou de deur definitief dicht. De dag van de genade definitief voorbij.
Nu, vandaag, staat die deur nog wijd open!
Kan de liefde van de Zaligmaker uw hart niet verbreken?
Uitstel is onverstandig. Dat is het domste wat je kan doen. Want je weet niet of je nog een dag zult krijgen om te roepen.
Als dit je laatste dag is, en je roept de naam des Heeren aan, vasthoudend, aanhoudend, dan zal je zalig worden.
Als dit je laatste dag is, en je roept de Naam des Heeren niet aan, dan is het te laat. Dan zal je nooit meer rust en vrede kunnen vinden. Dan zal je tot in eeuwigheid moeten drinken uit de beker van Gods toorn. Je zult tot in alle eeuwigheid terugdenken aan heel veel dagen, maar ook aan deze dag. De dag, waarin niet ik, maar God tegen jou zei:
Als je de Naam des Heeren aanroept, zal je zalig worden.

Als je niet luistert, als je niet roept, teken je op deze dag opnieuw je eigen doodsvonnis. Dan roep je niet, omdat je niet wilt roepen.
Dan geef je je zaligheid weg, zoals Ezau deed voor een schotel linzenmoes.
Dan zal in de dag van het gericht terecht tegen je gezegd worden: Je wilde tot Mij niet komen.
Dit is de grote Evangeliebelofte, die u op deze Pinksterdag voorgehouden wordt. Het is als een zilveren koord dat uit de hemel gehangen is, voor zondaars.
Het zegt tegen u allemaal, wie u ook bent: buitenkerkelijk, ongelovig, vroom, godsdienstig, jong, oud, man, vrouw, klein, groot, rijk of arm.
Het zegt tegen de alleroudste, tegen de allerhardste, tegen de grootste vijand, tegen de meest hardnekkige verachter van God, en zelfs tegen de grootste huichelaar: Zo zegt de Heere, een iegelijk die Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.

Amen.

Links bij preek Handelingen 2:
Preek Johannes 16: Heilige Geest verheerlijkt Christus (2)
Preek Numeri 11: Eldad en Medad profeteren (curatorium)
Preek Romeinen 8: De Heilige Geest bidt mee
Lees meer:
– Kanttekeningen bij Handelingen 2

TERUG PINKSTEREN | HANDELINGEN